Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 2001


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2001-


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 2000-2001. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 2002  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 45]

Geert van Beek
Gennep 13 maart 1920 - Veghel 2 januari 2001

Geert van Beek werd op 13 maart 1920 geboren in het Noord-Limburgse Gennep, als vierde van vijf kinderen. Na het overlijden, in 1921, van de vader, die politieambtenaar was, verhuisde het gezin naar Bemmel, bij Nijmegen, en werden de drie oudste kinderen tijdelijk bij familie ondergebracht. Vijf jaar lang volgt Geert gymnasiaal onderwijs aan het klein seminarie van de Missionarii Sanctae Familiae te Kaatsheuvel, maar in 1938 stapt hij over naar de kweekschool voor onderwijzers te Nijmegen, waar hij de hoofdakte behaalt. Daarna studeert hij met succes voor de akte lo Duits. In 1943 wordt hij onderwijzer aan een vglo-school in Treebeek, Zuid-Limburg, en gaat in het nabijgelegen Oirsbeek in pension. Naast zijn werk studeert hij voor de akte lo Engels. In 1944 ontkomt hij ternauwernood aan het bombardement van de Nijmeegse binnenstad, een fatale vergissing van Amerikaanse piloten op weg naar Duitsland, die hem, daarvan getuigen vele plaatsen in zijn literaire werk, heeft opgezadeld met onuitwisbare beelden van brand, dood en verderf.

Na de oorlog vinden we Geert van Beek als onderwijzer in Nijmegen, in de lagere school aan de Bijleveldsingel; hij woont dan bij zijn moeder. In de avonduren studeert hij schriftelijk, via de l.o.i., voor de akte mo-a Nederlands; in 1951 behaalt hij zijn diploma. In 1954 slaagt hij voor de akte mo-b, waarvoor hij privé-onderwijs heeft gevolgd in Amsterdam. Naast zijn werk en studie schrijft hij, gestimuleerd door Lambert Tegenbosch, verhalen, waarvan er in 1952 voor het eerst een (‘De ballon’) wordt gepubliceerd in het tijdschrift Roeping.

Bij het mo-examen in Den Haag in 1951 heeft hij de vrouw van zijn leven ontmoet, Anne Bos. Zij trouwen in 1955. Hij is dan werkzaam als leraar Nederlands in het middelbaar onderwijs: eerst, in 1953, aan het Sint-Thomascollege in Venlo; daarna, sinds 1954 aan het Sint-Odulphuslyceum in Tilburg. In 1958 wordt hun dochter Birgit geboren. Hun tweede dochter, Stans, ziet in 1960 het levenslicht; in het jaar dus van Van Beeks eerste boekpublicatie, de verhalenbundel Een hand boven de ogen. Inmiddels heeft hij, in 1959, een betrekking aanvaard aan het Zwijsen College in Veghel. Daar blijft hij werkzaam tot zijn pensionering in 1983. Met zijn vrouw, die in 1971 Frans is gaan studeren en daarna lerares is gewor-

[p. 46]

den, deelt hij de liefde voor taal en literatuur. Hun reizen naar Frankrijk, Duitsland, Italië en Engeland inspireren hem bij het creëren van een achtergrond voor zijn verhalen.

Geert van Beek weet zijn leraarschap op bewonderenswaardige wijze te combineren met zijn literaire werk. In 1961 publiceert hij zijn eerste roman, Buiten schot, waarvoor hij in 1962 de Anne Frank-prijs ontvangt. Vier jaar later volgt een nieuwe verhalenbundel, De gekruisigde rat, die hem de Hilvarenbeekse Literatuurprijs oplevert, toegekend door de Stichting Groot-Kempische Cultuurdagen. In totaal omvat zijn bibliografie dertien afzonderlijke publicaties in boekvorm, waaronder de verhalenbundel Het Mexicaanse paardje (1966) - het titelverhaal werd voorgepubliceerd in de derde jaargang van Merlyn -, de subtiele en ontroerende novelle Blazen tot honderd (1967) en de met de Vijverbergprijs bekroonde roman De steek van een schorpioen (1968).

Intussen heeft hij in 1966 de Provinciale prijs voor literatuur van de Provincie Noord-Brabant ontvangen voor zijn eerste vier titels. Ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag wordt hij op 9 maart 1990 in het Provinciehuis te 's-Hertogenbosch gehuldigd, op initiatief van een comité waarin zitting hebben: Urias Nooteboom, Pieter Hagers en Cornelis Verhoeven. Kees Fens mijmert bij die gelegenheid uitvoerig over de laatste zin van de in 1987 verschenen roman Gezichten binnen handbereik (‘In de la lag een nieuw pak schrijfpapier’) en van Wiel Kusters wordt een kleine monografie over het werk van de schrijver gepresenteerd, Een hemd met paardjes, geschreven in opdracht van Het Noordbrabants Genootschap.

Geert van Beek is, hoewel het hem aan lofprijzingen niet heeft ontbroken, een schrijver voor weinigen gebleven. Voor een deel zal dat te maken hebben met zijn ‘ongelukkige’ gang door uitgeversland. Begonnen bij A.A.M. Stols / J.-P. Barth, een uitgeverij in zijn nadagen, kwam hij met zijn twee volgende titels bij de Vlaamse uitgeverij Desclée De Brouwer terecht, ‘ontzettend fijne en hardwerkende mensen, maar die in Nederland geen voet aan wal kregen door hun Vlaamse en katholieke stempel’, zoals hij het zelf formuleerde in een ‘interscript’ met Corn. Verhoeven in het ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag aan hem gewijde nummer van Raam, opvolger van Roeping, waaraan hij sinds de oprichting in 1964 regelmatig had meegewerkt. De overgang naar Em. Querido's Uitgeverij in 1967, met Blazen tot honderd, waarvan een derde druk als Salamander-pocket verscheen, heeft hem als auteur duidelijker zichtbaar gemaakt, met vier nieuwe titels, maar in 1982 zien we zijn nieuwe boek, Beeld voor dag en

[p. 47]

nacht, bij de Vlaams-Nederlandse uitgeverij Manteau verschijnen, die in 1983 ook een herziene herdruk uitbrengt van een drietal oudere verhalen, waaronder ‘De gekruisigde rat’, tezamen met een nieuwe novelle, onder de aan dit laatste verhaal ontleende boektitel Een vrouw vloog naar Engeland. Met zijn beide laatste boeken, Gezichten binnen handbereik (1987) en De tekens van het meisje Cynthia (1993), vond Van Beek onderdak bij uitgeverij Amber.

Naast deze wisselingen van uitgever speelden mogelijk ook andere factoren een rol, die hebben verhinderd dat hij een ‘gevestigd’ auteur zou worden. Zijn meest eigen genre was niet de roman, die in de literaire kritiek de meeste aandacht trekt. Van Beek was eerder een schrijver van verhalen en novellen, en ook de romans die hij publiceerde waren welbeschouwd uit kortere verhalen opgebouwd. De criticus Fons Sarneel heeft in dat verband eens gesproken van ‘twintigste-eeuwse balladen in proza’, waarmee hij op het fragmentarische karakter van Van Beeks werk heeft willen wijzen, op de gelijktijdigheid van het epische en het lyrische daarin, en ook wel op het elegische en tragische in deze verhalen. Het werk van Geert van Beek is zowel klassiek als experimenteel en surrealistisch genoemd; het is moeilijk te classificeren, en dat is, zoals we weten, niet zelden een hinderpaal voor de waardering.

Cultuurhistorisch is het oeuvre interessant door de wijze waarop het vanaf het begin van de jaren zestig veranderingen en openingen zichtbaar maakt in het tot dan toe vrij gesloten katholieke wereldbeeld. Geert van Beek is in zijn verhalen en romans op zoek gegaan naar geestelijke vrijheid, naar bevrijding uit het harnas van een wettisch geloof en van een tirannieke, frustrerende moraal, zoals hij het zelf onder woorden bracht in het aangehaalde ‘interscript’ met Verhoeven. In dat verband werd hij, zeker in verband met De gekruisigde rat, wel eens vergeleken met Jan Wolkers, van wie hij dan een katholieke tegenvoeter leek, maar met wiens ‘barok’, met name in de vroege verhalen, hij in stilistisch opzicht weinig ophad.

Opmerkelijk is de enige ‘officiële’ gedichtenbundel die Van Beek publiceerde, Van je familie moet je 't hebben (1967), geschreven in een sobere, episch-lyrische stijl, parlando, waarin veel van het hem typerende ‘zoet verdriet’ en van zijn ‘gelukkige melancholie’ terug te vinden is, hier en daar gepeperd met een snufje sarcasme, zoals in het laatste gedicht, ‘de warme bakker sluit zijn winkel’, waarin hij het gebrek aan warmte in de dagelijkse omgang tussen mensen op de korrel neemt: ‘en laten we vooral

[p. 48]

/ warme woorden / dag vriend / dag lieve vriendin / inslikken bewaren / tot we steriel stamelen / tegen een urn op een sokkel / tegen een heuveltje aarde’. Overigens bevat deze bundel niet al zijn in druk verschenen poëzie. In 1993 verzorgde Bouwbedrijf Van der Linden in Sint-Michielsgestel, bij gelegenheid van zijn vijfenzeventigjarig bestaan, onder de titel Het oog op scherp een verzameling van drieëndertig gedichten bij foto's. In 2002 wordt een nieuwe, nu postume, poëziepublicatie verwacht als relatiegeschenk van dezelfde onderneming.

Op indirecte wijze heeft Geert van Beek zichzelf geportretteerd in deze zinnen van het meisje Andrea uit zijn in 1977 verschenen roman De dia's van Andrea: haar vader is ‘een lange man, iets te mager, en dat komt waarschijnlijk omdat hij niet vrolijk kan zijn en liever erge dingen wil zien dan leuke, zijn haren zijn grijs van het denken over moeilijke problemen, hij loopt een beetje gebogen alsof hij voortdurend iets extra's met zich mee moet dragen.’

Dat Geert van Beek ‘liever erge dingen’ wilde zien dan ‘leuke’ hing samen met zijn grote behoefte aan eerlijkheid. Men moet de pijn van het leven, het geweld, het lijden, de dood, scherp onder ogen zien, ongenadig, en zichzelf niet bedriegen. Kijken is in zijn werk een belangrijk thema. De neiging tot verdringing en verdoezeling worden er bestreden met behulp van een soms bijna masochistisch te noemen verbeelding. Maar die verbeelding heeft ook een andere, meer vitale kant. In De dia's van Andrea vinden we die twee aspecten, levenskracht en levenspijn, gesymboliseerd in twee soorten steen die het meisje dat het verhaal vertelt, opraapt en meeneemt: ‘gladde witte stenen met ingebrande zwarte vlakken en een ronde kei die glom van groene aderen precies passend in mijn handpalm’ (cursiveringen van mij - w.k.).

Het deed Geert van Beek bijzonder veel plezier dat hij met zijn werk jongere kunstenaars kon inspireren. Zo werd in 1997 door Taller (een samenwerkingsproject van de kunstenaars Hector Vilch en Armando Bergallo) een operabewerking gerealiseerd van De steek van een schorpioen; de muziek van de componiste Ilse Van de Kasteelen werd uitgevoerd door het Aquarius Ensemble onder leiding van Lucas Vis. Een jaar later maakte de regisseur Peter van Wijk een speelfilm naar het verhaal Blazen tot honderd, dat hij als scholier had leren kennen en dat hem sindsdien niet meer had losgelaten. Blazen tot honderd ging in 1998 in première op het jeugdfilmfestival in Antwerpen en werd daar bekroond met een tweede prijs; later won de film nog prijzen in Griekenland en Italië.

[p. 49]

Geert van Beek overleed op 2 januari 2001 in zijn woonplaats Veghel en werd aldaar op 8 januari begraven op het kerkhof bij de Sint-Lambertuskerk, na een uitvaartdienst waarin muziek van Bach, Händel, Schubert en Albinoni had geklonken, naast, uit de oosterse kerk, de ‘Hymne à la Mère de Dieu’, gezongen door de monniken van Chevetogne. Ook werden er twee gedichten van hem gelezen: ‘Paard op de horizon’, met als slotregels: ‘Laat ons zien wat er is / aan de andere kant’, en ‘Ven in Oisterwijk’, dat eindigt met de woorden: ‘Hemel hoeft niet mooier / dan zo'n ven in Oisterwijk.’

Denkend aan de stenen die Andrea raapte, had ik na het bericht van Geerts overlijden een gedicht voor hem geschreven, dat ik mocht voorlezen aan het graf.

Voor Geert van Beek
 
Twee stenen woog de Schepper in zijn hand.
 
Eén zwart; de kleur van wat eens as zal zijn.
 
Eén groen. - Hij ging tot aan de rand van Zijn
 
heelal en wierp ze naar de mens in zijn ravijn.
 
 
 
Twee stenen als de kern van ons bestaan.
 
Maar wie ze water geeft, weet niet of hij ze dooft
 
of kiemen doet. Wij leven in geloof en waan.
 
In hoop, in liefde, en daarvan beroofd.
 
 
 
Nu Geert ons dood moet zijn, is aarde lang
 
niet zacht genoeg: wij houden hem in onze harten
 
vast en openen onszelf voor groen en licht.
 
 
 
Al houdt hij hier bij ons zijn ogen dicht,
 
hij heeft zich aan Gods leven aangepast.
 
Hij ziet de stenen bloeien. En hij lacht.

wiel kusters

[p. 50]

Voornaamste geschriften

In Wiel Kusters, Een hemd met paardjes. Over het werk van Geert van Beek ('s-Hertogenbosch: Het Noordbrabants Genootschap, 1990) is een bibliografie opgenomen, die ook de verspreide publicaties omvat, en die werd samengesteld door Birgit van Beek.