Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 2002


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2001-


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 2001-2002. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 2003  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 202]

Albert Sassen
Ter Apel 25 juni 1921 - Groningen 21 september 1999



illustratie

Albert Sassen werd op 25 juni 1921 als boerenzoon, oudste van zes kinderen, geboren in Ter Apel. Hij bezocht de rijks-h.b.s. in zijn geboorteplaats en legde daar in 1939 eindexamen af. In 1941 deed hij een aanvullend staatsexamen gymnasium-alfa. Van 1941 tot 1947 studeerde hij in Groningen Nederlandse taal- en letterkunde, eerst bij prof. G.S. Overdiep en daarna bij diens opvolger prof. G.A. van Es. Zijn doctoraalexamen legde hij cum laude af, met als bijvakken Fries en Oudgermaans. Bij Van Es promoveerde hij in 1953 ook cum laude op een proefschrift Het Drents van Ruinen, de gemeente waar hij gedurende de Tweede Wereldoorlog, ontsnapt aan een gedwongen tewerkstelling in Berlijn, ondergedoken was. Inmiddels was hij van 1946 tot 1958 werkzaam als leraar bij het middelbaar onderwijs, met name aan de Christelijke h.b.s. in Groningen. Daarnaast vervulde hij tussen oktober 1946 en oktober 1954 assistentschappen aan de Groningse alma mater en was hij van 1956 tot 1971 als docent aan de Noordelijke Leergangen verbonden. Na enkele maanden wetenschappelijk hoofdambtenaarschap aan de Groningse universiteit werd hij aldaar per 1 januari 1959 benoemd tot lector in de Nederlandse taal- en letterkunde. Tien jaar later, in juni 1969, volgde hij Van Es op als hoogleraar in de Nederlandse taalkunde en bracht hij rust en evenwicht in een des-

[p. 203]

tijds door conflicten verscheurde studierichting. In 1986 ging hij met emeritaat.

In 1949 trouwde Sassen met chemisch analiste Dini A. Trip, boerendochter uit de Groningse Veenkoloniën. Uit hun huwelijk werd één zoon geboren, Janhenk, anglist.

Na een periode van afnemende lichamelijke gezondheid overleed Sassen toch nog heel onverwacht op 21 september 1999.

 

Zelf ontmoette ik Sassen voor het eerst tijdens een Filologencongres in Leiden in april 1958. Weinig konden we toen vermoeden hoe dikwijls onze wegen elkaar nog zouden kruisen en hoe dit tot een steeds hechtere vriendschap zou leiden.

Echt leren kennen deed ik Sassen pas kort daarop, toen ik in de jaren 1959 tot en met 1963 deel uitmaakte van de toenmalige, landelijke examencommissie mo-a-Nederlands. Twee à drie zomerse weken bracht die ons tezamen in en rondom de steeds morsiger ambiance van het nu verdwenen Nederlands Lyceum aan de Haagse Willemstraat. Mede dankzij Sassens presentie was dit een van de plezierigste, professionele gezelschappen waar ik ooit deel van heb uitgemaakt. Nog wat later, in het begin van de jaren zeventig, waren we beiden nauw betrokken bij het nieuw opgerichte tijdschrift Studia Neerlandica, dat helaas niet levensvatbaar bleek en na acht nummers de geest gaf. Kort daar weer op, wat mij betreft van 1975 tot 1982, troffen we elkaar geregeld als bestuursleden van het Nederlands-Vlaamse Instituut voor Nederlandse Lexicologie, het inl. Met onze echtgenotes, Dini en Edu, mochten we, voor het laatst gevieren, op 1 december 1998 de schone voleinding van het Woordenboek der Nederlandsche Taal in de Leidse Pieterskerk meevieren. Onze allerlaatste gezamenlijke activiteit gold van 1986 tot 1996 ons beider lidmaatschap van de Wetenschapscommissie van het - toen nog - P.J. Meertens Instituut voor Nederlandse Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde. Met de afdeling Dialectologie had Sassen al veel langer connecties. Ruim twintig vergaderingen woonden we samen bij, op vaste plaatsen naast elkander gezeten aan de lange tafel in het conferentie-/collegezaaltje van wat heden ten dage Het Bureau heet aan de Amsterdamse Keizersgracht. Trouwens ook in onze opvattingen opereerden we daar vrijwel altijd schouder aan schouder.

Uit zijn werk leerde ik Sassen eveneens steeds beter kennen. Dat gold al direct voor zijn reeds genoemde dissertatie uit 1953, die mijn ogen op bijna spectaculaire wijze opende voor een totaal andere benadering van

[p. 204]

dialecten dan ik van mijn eigen leermeester G.G. Kloeke gewend was geweest. In Sassens eigen woorden:

‘Wij hebben [...] niet in de laatste plaats aandacht besteed aan de syntactische structuur van deze volkstaal, deze willen zien als het locale communicatiemiddel van een bepaalde gemeenschap en getracht verband te leggen tussen haar taalvormen en hun gebruik, hun syntactische functies en de stilistische factoren die hierbij in het geding zijn.’ (Het Drents van Ruinen, p. 25.)

Daarmee komt juist in het syntactische gedeelte van zijn boek Sassens dan nog sterke, zij het overwegend impliciete verankering in de stilistischgrammaticale methode van zijn leermeesters Overdiep en Van Es opvallend naar voren. Voorafgaand aan een verantwoorde keuze uit zijn syntactisch materiaal besteedt Sassen fonologisch gerichte aandacht aan het Ruinders vocalisme - merkwaardigerwijs niet aan de consonanten!-en aan flexie- alsmede diminueringsfenomenen. In een wat apart staand slothoofdstuk wordt het dialect van Ruinen met omringende dialecten vergeleken. Sassens imposante, tweedelige Dialektatlas van Groningen en Noord-Drente in de Reeks Nederlandsche dialectatlassen (Antwerpen 1967) sluit daar direct op aan.

Sassens overige publicaties verschenen in de vorm van een honderdtal artikelen, waaronder een reeks soms heel uitvoerige en altijd uiterst gedegen boekbesprekingen. In het vervolg haak ik kort in op een paar van deze publicaties die me in het bijzonder getroffen hebben: een uiteraard subjectieve selectie.

Allereerst noem ik ‘Morfologie en syntaxis’ in Levende Talen 222 (1963), p. 662-686, een uitputtende, faire, bepaald niet onkritische recensie van mijn proefschrift. Ook naderhand heb ik me dikwijls niet aan de indruk kunnen onttrekken dat Sassen mijn dissertatie eigenlijk beter kende dan ikzelf. Met veel van zijn commentaar kon ik volledig meegaan en heb ik achteraf mijn voordeel gedaan. Op enkele andere punten was en blijf ik het met hem oneens, maar natuurlijk is het hier niet de plaats daar nog eens op terug te komen.

In hetzelfde jaar 1963 verscheen in De nieuwe taalgids 56, p. 10-21, ‘Endogeen en exogeen taalgebruik’. Naast veel ander inzicht brengt dit artikel - misschien wel Sassens meest geciteerde geschrift - een uiterst genuanceerde beschrijving en interpretatie van de volgorde van het hulpwerk-

[p. 205]

woord en het voltooid deelwoord in Nederlandse bijzinnen. Behalve de opeenvolging waar ze het gelaten heeft (de zogeheten groene volgorde) signaleert men immers evenzeer waar ze het heeft gelaten (de rode volgorde). Hoezeer deze kwestie Sassen is blijven bezighouden, bewijst een bedankbriefje zijnerzijds van 23 maart 1992 aan mijn adres naar aanleiding van een hem eerder toegestuurd overdrukje. Tot mijn onmiskenbare verrassing las ik daarin: ‘Jouw artikel staat voor 70% in het rood. Had je dat wel gedacht?’

‘Problems of pre-, post-, and co-existence and the word-class of past participles in Dutch’ verscheen in een feestbundel voor A. Reichling (= Lingua 21 (1968), p. 400-416). Het is een van Sassens jammer genoeg al te weinige studies die in een andere taal dan het Nederlands gepubliceerd zijn. Van de vele onderwerpen die ook nu aan de orde komen, werkte hij het probleem - wanneer ‘bestaat’ een woord? - verder uit in zijn inaugurele oratie Over het bestaan en ontstaan van Nederlandse woorden (1971). Syntactisch geaard was zijn artikel ‘Over een vergeten koppelwerkwoord: komen’ (De nieuwe taalgids 71 (1978), p. 582-593). Ook de diachronie komt daarin ten volle tot haar recht.

Van aandacht voor in het Nederlands minder gebruikelijke, synchrone en historische, morfologische processen getuigen ‘Het suffix -se: een geval van morfologische herstructurering (metanalyse)’ (TABU 9 (1979), p. 31-39) en ‘Morfogische produktiviteit in het licht van niet-additieve woordafleiding’ (Forum der Letteren 22 (1981), p. 126-142), dat affixsubstitutie als bron van woordvorming behandelt. ‘Transitiviteit als grammaticale eigenschap’ (Forum der Letteren 28 (1987), p. 98-107) intrigeerde Sassen toentertijd op z'n minst al ruim een kwarteeuw.

Als emeritus bleef Sassen publiceren. Ik noem slechts zijn ‘The modal infinitive in Dutch’ (in F. Aarts and Th. van Els (eds.), Contemporary Dutch Linguistics. Washington D.C. 1990, p. 152-163), over zinnen als Het is niet te verwonderen (dat...) en zijn ‘Meervoudloosheid en Nederlandse zelfstandige naamwoorden’ (in H. Bennis en J.W. de Vries (red.), De Binnenbouw van het Nederlands. Een bundel artikelen voor Piet Paardekooper. Dordrecht 1992, p. 329-341), waarin hij binnen de Nederlandse substantieven op z'n minst maar liefst acht - originele! - subcategorieën onderscheidde.

 

Hoe heb ik Sassen in al zijn uiteenlopende hoedanigheden, als vriend, als taalkundige, als examinator, als bestuurder, als rozenkweker en als medeminnaar van Denemarken ervaren?

[p. 206]

Sassen hoorde gelukkig niet tot de hemelbestormers. Daarvan lopen er met name in de eigentijdse linguïstiek naar mijn smaak al veel te veel rond. Hij was veeleer iemand die de puntjes op de i zette, iemand voor wie de data, de taalgegevens, primair en heilig waren. Gegevens die hij, stoelend op een ongekend brede en solide kennis van zijn vakgebied alsmede omvangrijke materiaalverzamelingen, zowel synchronisch als historisch op eigen, oorspronkelijke wijze interpreteerde: zonder omhaal overtuigend, met een soms bijna koppige rechtlijnigheid maar niettemin met een positief ingesteld, opvallend open oog en oor voor de resultaten van andersdenkenden. Sassens eigen wetenschappelijke ontwikkelingsgang weerspiegelt deze houding evident. Op harmonische wijze onttrok hij zich geleidelijk aan de invloed van zijn twee hooggeleerde voorgangers, zonder zich daarna ooit vast aan een bepaalde taalwetenschappelijke school te binden. Met een verwijzing naar de titel van een der beide feestbundels die hem in 1986 bij zijn afscheid werden aangeboden, voerden in zijn onderzoek van dialect en abn Lexicon en Syntaxis de boventoon.

Een typische theoreticus was hij evenmin, al schuwde hij de linguïstische discussie geenszins. Zijn grondig gemotiveerde karakterisering van Humboldts zogeheten ‘Universale’ - door Sassen zelf omschreven als ‘Jeder sprachlichen Form entspricht nur eine Bedeutung und jede Bedeutung wird nur durch eine Form ausgedrückt’, (‘Sprachveränderung und Wilhelm von Humboldts Universale’, in: S. Sonderegger und J. Stegeman (Hrsg.), Niederlandistik in Entwicklung, Vorträge und Arbeiten an der Universität Zürich. Leiden/Antwerpen 1985, p. 83) - als ‘een principe dat de taalwerkelijkheid en de taalgeschiedenis drastisch vertekent’ (‘De geldigheid van het ‘Humboldtiaans principe’ ’, in TABU 10 (1979) p. 9) spreekt in dit opzicht voor zichzelf.

Sassen als docent heb ik nooit meegemaakt. Uit een sympathiek ‘In memoriam’ dat een van zijn sterdiscipelen, Jack Hoeksema, in het mede door Sassen opgerichte ‘bulletin’ TABU (29 (1999), p. 193-196) aan hem wijdde, leid ik evenwel af dat hij een ideale ‘Doktorvater’ voor zijn vijf promoti moet zijn geweest, vrij van de behoefte een eigen stempel te drukken op hun inhoudelijk sterk uiteenlopende dissertaties. Sassens attitude als man van wetenschap en als leermeester vloeide direct voort uit zijn algemeen menselijke kwaliteiten. Onvoorwaardelijk betrouwbaar was hij, wars van kouwe drukte, beminnelijk, sociabel en begiftigd met een rijk gevoel voor ironie en andere relativerende humor, zich onder andere manifesterend in een onuitputtelijke collectie anekdotes, waarin het Gronings

[p. 207]

en het Drents van Ruinen dikwijls domineerden. Maar niet alleen betrouwbaarheid, ook trouw kenmerkte hem. Trouw aan de Groninger Universiteit die hij - ondanks een attractief beroep vanuit de Randstad in de vroege jaren zeventig - nimmer heeft willen verlaten. Trouw bovenal aan zijn vrienden, die noch Alberts bezonken wijsheid, noch zijn zotte verhalen en zijn met Dini gedeelde, gastvrije lustoord in Haren ooit zullen vergeten.

 

h. schultink

Voornaamste geschriften

Een volledige bibliografie van Sassens wetenschappelijke publicaties tot 1986 is te vinden in: C. Hoppenbrouwers, J. Houtman, I. Schuurman en F. Zwarts (red.), Proeven van Taalwetenschap, ter gelegenheid van het emeritaat van Albert Sassen (= TABU 16/2 (1986), p. 362-367).