terug  begin  verderprepost
[p. 162]

Willem Wilmink

Enschede 25 October 1936 - Enschede 2 augustus 2003



illustratie
Van Javastraat tot Javastraat: ‘the circle of life’ van Willem Wilmink

Willem Wilmink heeft bij herhaling gezegd dat hij nooit ouder dan elf is geworden. Ook zei hij dat ‘het een tweede natuur voor hem is geworden om zo te schrijven dat ook kinderen het kunnen begrijpen’.1 Van Annie M.G. Schmidt is de uitspraak dat ze altijd acht is gebleven. Beide auteurs hebben zich schijnbaar niks aangetrokken van het maatschappelijk gebod om als volwassene het kinderlijke af te leggen. De keuze om het kind te blijven dat ze waren, staat aan de basis van de zo opmerkelijke bloei die twee generaties jeugdliteratuur na de Tweede Wereldoorlog hebben laten zien. De dichter Wilmink nam het estafettestokje van de eerste generatie over, zodat hij wel de zoon van Annie M.G. Schmidt genoemd werd. En het is ook in haar geest dat hij het als recensent van De Tijd opneemt voor een kindercultuur die tegelijk een cultuur is voor alle leeftijden:

‘Ketelbinkie uit Rotterdam, Ot en Sien, Pudding en Gisteren, Bulletje en Bonestaak, zij allen zwerven rond in de buurt van de Literatuur, zonder haar heilige hallen te mogen betreden. In een beschavingsgeschiedenis zouden hun namen kunnen voorkomen, de grote geschiedenis der letterkunde van Knuvelder noemt zelfs Kees de Jongen niet.

[p. 163]

Liedjes, leerboeken, grappen, kinderboeken, cabaret: Cultuurhistorici als Presser of Jan Romein voelden zich erin thuis, maar dit soort geschriften voldoet nu eenmaal niet aan de moeilijk achterhaalbare criteria op grand waarvan men zich een plaats verwerft in de verplichte boekwerken.’2

In dit kind-onvriendelijke literaire klimaat moest Wilmink zijn weg zien te vinden. Dat bracht hem in zijn formatieve Amsterdamse jaren aan de universiteit steeds meer in een marginale positie, terwijl hij als tekstschrijver voor kinderprogramma's op tv als De Stratemakeropzeeshow steeds meer succes had. Soms liet hij zich inspireren door de twee zoons uit zijn eerste huwelijk met Noortje Smits. Met haar was hij van 1964 tot 1976 getrouwd. Een jaar na de scheiding ging hij een vaste relatie aan met Wobke Klein. Met haar en haar twee dochters verhuisde hij in 1978, nadat hij aan de universiteit ontslag had genomen om zich als tekstschrijver te gaan vestigen, naar Capelle aan de IJssel. Hij trouwde met haar in 1979, ging in Zeist wonen en keerde in 1991 terug naar Enschede, naar de Javastraat waar hij was geboren en getogen. Die opmerkelijke circle of life van Javastraat tot Javastraat spreekt ook uit zijn werk, uit zijn uitspraak dat hij nooit ouder dan elf is geworden en uit het kindperspectief dat zo kenmerkend is voor heel veel van zijn werk.

1. Vormingsjaren

Na zijn gymnasiumjaren, in het eerste jaar aan het Enschedese Lyceum en daarna aan het Christelijk Lyceum in Almelo, gaat de dan nog als Wim aangesproken Wilmink in 1954 aan de Universiteit van Amsterdam Nederlandse taal- en letterkunde studeren met geschiedenis als bijvak. In 1959, het jaar waarin hij zijn kandidaatsexamen haalt, overlijdt zijn vader. Twee jaar later doet hij zijn doctoraalexamen en weer twee jaar later wordt hij wetenschappelijk medewerker taalkundige tekstinterpretatie. Jarenlang geeft hij dat vak samen met taalkundigen als Frieda Balk, Remmert Kraak en Wim Klooster, terwijl Enno Endt en Leo Mosheuvel letterkundige tekstanalyse voor hun rekening nemen. Deze door Hellinga in het leven geroepen Amsterdamse school van stilistische analyse op linguïstische grondslag heeft sporen achtergelaten in zijn proefschrift Het verraderlijke kind. Over enkele gedichten van Hendrik de Vries (Amsterdam 1988). Behalve dat hij op het tijdgebonden karakter wijst van de interpretatie zoals Hellinga en Van der Merwe Scholtz die van Leopolds gedicht ‘Om mijn oud woonhuis peppels staan’ hadden gegeven3, illustreert

[p. 164]

Wilmink zijn betoog volgens taalkundige conventie met zowel mogelijke als onmogelijke voorbeelden van dichterlijk taalgebruik.

Aan deze academische analyse van poëzie gaat het zelf schrijven van gedichten en liedjes voor almanak en studentencabaret vooraf. In 1955 wordt hij lid van de studentenvereniging Unitas Studiosorum Amstelodamensium en, samen met onder meer Hedy d'Ancona, van het dispuut Malus Vigilantibus Amicitia. Hij publiceert in de jaren 1958 tot 1962 in de almanak en schrijft teksten voor het cabaretgezelschap La Pie qui chante. Die teksten vallen volgens de Varia-rubriek in de smaak, maar niet alles: ‘Wij bewonderen hem, maar niet iedere regel, niet ieder vers.’ (Naar Frans Erens.) En ook niet zonder een andere beperking: ‘Als iedere mislukte liefdesnacht zo'n gedicht oplevert, dan geeft u zeker binnenkort een bundel uit?’4

In zijn almanakbijdragen gaat het om Weltschmerz, om ook andere (on)vervulde verlangens en om breekbare jeugdherinneringen waaruit onder meer een behoefte spreekt aan vaderlijke troost:

Vader
 
Tegen zijn grote ruwe jas
 
heb ik mijn hoofd gelegd
 
ik heb van thuis verteld
 
ik speel niet meer met poppen
 
heb ik gezegd.
 
 
 
Niemand van de mensen in de straat
 
wist wie wij waren
 
het is waar dat ik verstandig ben geworden
 
ben de regen weer in gegaan
 
zonder te huilen5

Dit gedicht, dat twee jaar na de dood van zijn in 1959 overleden vader werd gepubliceerd, kreeg in 1986 in de Verzamelde Liedjes en Gedichten de titel ‘Vader en Dochter’. Vond Wilmink de eerdere titel toen te sentimenteel voor een jongen? Naast liefdesgedichten, herinneringen aan zijn vader en Twentse grappen roept hij sprookjesfiguren op in zijn gedichten, maar wel in een heel andere context, zoals in het volgende sprookjesachtige beeld van het liefdesverkeer in het gedicht Tweespraak:

[p. 165]
 
Wat zou je doen?
 
[...]
 
als je op straat nog
 
naakt zou wezen
 
ging je dan beven van de kou?
 
 
 
hing vrouw Holle
 
haar beddegoed buiten
 
ging het sneeuwen over de huizen
 
 
 
sneeuwen sneeuwen langzaam oud.6

Een al even erotisch kindperspectief doet zich, even na de almanaktijd, ook voor in een gedicht in Tirade. In dat gedicht laat hij zien dat hij man geworden is door in het gedicht ‘Naar Engeland varen’ op de onuitgesproken vraag ‘wie wil er mee naar Engeland varen’ uit dat bekende kinderrijm, het volgende antwoord te geven:

 
[...]
 
Toen zei ze:
 
‘Ik weet waar je over praat,
 
daar ben jij ik
 
en ik ben jij
 
voor een ogenblik
 
en het gaat voorbij,
 
nee, het is niet slecht,
 
maar het is zo vlug,
 
en hoe komen we terug
 
en waar komen we terecht?
 
Hoe vinden we de oude wegen weer,
 
hoe vinden we de Amstel en de regen weer?’
 
 
 
Vannacht steken we over op een andere rivier,
 
het water hoor ik met zijn lied,
 
de veerman hoor ik met zijn bel.
 
 
 
En ze zei: ‘Ik doe het niet.’
 
En ze deed het wel.7
[p. 166]

Zo laat hij zien dat je ook man kunt worden door als een kind te spreken: in de taal van sprookje en kinderrijm; als een kind te voelen en als een kind te denken, ook al kan hij daarmee toen bij de meisjes de verdenking op zich geladen hebben dat je met dat ‘verraderlijke kind’ van die Wilmink op moet passen.

Het kindperspectief zoals zich dat ontvouwt in zijn poëtische bijdragen in literaire tijdschriften, kent drie kanten: de herinnering aan zichzelf en aan geliefde figuren uit zijn jeugd, het schrijven voor kinderen - dat vaak ook door kinderen is geïnspireerd - en het schrijven over bewonderde voorgangers en collega's met een kindperspectief. Zo bevatten van de zes gedichten die hij in 1971 in Tirade publiceert8 er twee een autobiografische herinnering. Die in het gedicht ‘Ans’, dat de prelude vormt van een later hoofdstuk in Het Verkeerde Pannetje, is tamelijk versleuteld. Het gedicht ‘Kinderjaren’, waarin hij de boerderij in Ootmarsum in herinnering roept, waar hij in de oorlog van zijn panische angst voor bombardementen genas, is eerder onbestemd van toon. Over deze tijd schrijft hij zes jaar later het idyllisch verhaal Ver van de Stad (1977), dat weer twaalf jaar later samen met Het Verkeerde Pannetje wordt verweven tot de televisiefilm Het Verhaal van Kees. Zo cirkelen zijn steeds verder uitspinnende, autobiografische herinneringen vaak rond een eerste droomachtige kern. De gedichten ‘Bij wijze van groet’ en ‘Inscriptie in een tinnen lepel’ gaan allebei over zijn overleden vader.9 Op die geliefde vader zal hij, wanneer hij eenmaal in Enschede is teruggekeerd, nog vaak terugkomen. Het gedicht ‘Heel vroeger’10 gaat wel over een ik-figuur die zes jaar is en die in het geval van Wilmink dus herinneringen ophaalt aan 1942, maar over de oorlog wordt met geen woord gerept, integendeel; elk couplet sluit na de regel: ‘in mijn straat van de lage huizen’ (soms licht gevarieerd) heel idyllisch af met de regel: ‘waar bloeiende meidoorns waren.’ Tien jaar later blijkt dit gedicht de prelude te zijn van het epische gedicht ‘De Straat’ (Dicht langs de huizen, 1982), waarin het oorlogsgebeuren een centrale plaats krijgt en in contrast komt te staan met de idyllische toon van het gedicht. Dat gedicht wordt weer tien jaar later, samen met een veel langer gedicht en met andere verzen over die straat, opgenomen in de bundel Javastraat. Deze keer vergelijkt hij alle herinneringen uit zijn jeugd aan de Javastraat met wat er begin jaren negentig nog steeds zo bijzonder is aan die straat, om zijn kreeftengang ten slotte zo af te sluiten:

[p. 167]
 
Ben al ver op mijn weg
 
van de wieg naar de kist
 
en van wat ik bijleer lijkt steeds meer
 
op wat ik al wist
 
in de Javastraat.11

Het schrijven voor kinderen, zoals de teksten voor tv-programma's als De Stratemakeropzeeshow, vormt de tweede vaste inspiratiebron voor zijn schrijverschap. Daarin maakt hij zich tot spreekbuis voor de tere kinderziel. Tirade krijgt de primeur met maar liefst elf liedjes in 1973 waarvan er tenminste vier uitgroeien tot evergreens: Een Probleem, Dat overkomt iedereen wel, Mijn Vriendje en Tegelliedje.12 Daarvan is het eerste gedicht geïnspireerd door zijn zoon Michiel en het twee jaar later gepubliceerde gedicht Dagdromen door zijn zoon Rutger en door de herinneringen aan zijn eigen jeugd.13

Tegelijkertijd treedt hij in essays in Tirade in het spoor van bewonderde voorgangers als H.C. Andersen en Hendrik de Vries. Hij vertaalt cabareteske gedichten van Heine en Wedekind en neemt in het Vietnamdebat stelling tegen wat De Kadt toen in Tirade over de oorlog in Vietnam te berde bracht. Dat laatste doet hij met het door hem vertaalde opstel De verantwoordelijkheid van intellectuelen van Chomsky, dat een uittocht uit de redactie tot gevolg had.

In diezelfde jaren publiceert hij in Maatstaf herdichtingen van Emily Dickinson en Christian Morgenstern14, pastiches van onder meer Hendrik de Vries en Hieronymus van Alphen15 en het gedicht Zaterdagavond met het jeugdsentiment van Showboat, Ave Verum en Negen heit de klok, waar heel het gezin dan naar luistert.16 En De Revisor geeft een toegift op de eerder in Tirade gepubliceerde liedjes voor De Stratemakeropzeeshow: eerst vier en daarna twee liedjes en tot slot zijn droefgeestig zelfportret met Chaplinsnor, spillebenen en accordeon.17 Van die liedjes zijn de twee die heel bekend zijn gebleven allebei door zijn oudste zoon geïnspireerd: Prikkebeen en Visite uit de hemel.

In het Amsterdamse neerlandistenblad Spektator, waarvan Wilmink jarenlang poëzieredacteur was, publiceert hij een opstel over Dèr Mouw18, de gedichten: ‘In Memoriam Wilfred Smit’19, ‘Het stervende kind’ naar H.C. Andersen20 en samen met Hans Dorrestijn een cabaretesk ‘Piratenlied’.21

Terwijl Tirade twintig jaar lang het podium was voor zijn essays, ver-

[p. 168]

halen, vertalingen, gedichten en zijn poëzie voor kinderen, publiceert de uitgever van dit blad, Van Oorschot, niets van zijn werk in boekvorm. De Arbeiderspers, de uitgever van Maatstaf, laat Wilmink in 1966 debuteren met de bundel Brief van een Verkademeisje, geeft in 1971 de bundel Goejanverwellesluis korenschoven, liedjes en gedichten uit en in 1977 Voor een naakt iemand. Liedjes voor volwassenen. Maar C.J. Aarts mag met de eer gaan strijken diverse bundeltjes kinderliedjes van Wilmink uit te geven. In De Revisor, met zijn autonome literatuuropvatting, lijken Wilminks kinderliedjes welhaast misplaatst, ook al blijft Revisor-redacteur Tom van Deel als bewonderaar van het eerste uur trouw van zijn waardering getuigen.22

De Spektator had Wilmink wèl de positie van poëzieredacteur gegeven, maar wist niet te profiteren van de ontwikkeling van Wilminks schrijverschap. Zelfs werd het onder Wilminks eindredactie voorbereid themanummer over jeugdliteratuur afgewezen. Was dat een voorteken van de latere breuk met de faculteit?

De Amsterdamse Universiteit

Zoals wetenschappelijke bladen een kweekvijver zijn voor wetenschappelijk vernuft, zo zijn literaire tijdschriften dat voor literair en essayistisch talent. In Tirade publiceert Wilmink niet alleen de al genoemde essays, maar ook nog artikelen over het werk van Hans Lodeizen, Louis Davids en Hendrik de Vries. Het artikel ‘De moeheid in een bootje’ legt het openingsgedicht van de bundel Het Innerlijk Behang van Lodeizen uit als een motto, om dat soort moeheid vervolgens te typeren als ‘de moeheid, die de verschillende functies van de psyche uit elkaar doet drijven’.23 Het artikel ‘De emancipatie van het lachen: iets over Louis Davids’24 neemt het zowel op voor het cabaret als voor het publiek dat daarvan geniet. ‘Hendrik de Vries, dromer, dichter en gek’ borduurt voort op het in 1965 in Merlyn gepubliceerde artikel ‘Raadselachtigheid en onvolledigheid in enkele gedichten van Hendrik de Vries’, dat eerst in Merlyn en daarna in Tirade tot een polemiek zal leiden tussen Oversteegen en Wesselo, Henri Knap, opnieuw Wesselo, en Hans van Straten aan de ene kant en Hendrik de Vries en Wilmink aan de andere kant.25 Vervolgens vat Wilmink heel het debat over ‘Mijn broer’ samen als zijn bijdrage aan de bundel Over gedichten gesproken (Groningen 1982). Andere proeven van wetenschappelijke tekstinterpretatie worden pas later gepubliceerd.

As docent wijst hij zijn leerlingen op nieuwe onderzoeksobjecten. Zo stimuleert hij met zijn artikel over Louis Davids zijn studenten Lies Pel-

[p. 169]

ger en Renée Waale tot hun studie De mooiste liedjes van Louis Davids (Amsterdam 1980) en met zijn studie Van Roodeschool tot Rijsel. Een persoonlijke kijk op het Nederlandse lied zijn leerling Vic van de Reijt tot de bloemlezing Toen wij van Rotterdam vertrokken. Nederlandse liederen uit de 20ste eeuw (Amsterdam 1987). Zijn oud-leerlingen Hans Dorrestijn en Fetze Pijlman inspireert hij binnen Het Schrijverskollektief tot het schrijven van teksten voor tv-programma's en voor leesseries voor het basisonderwijs. Cees Aarts en Vic van de Reijt zet hij op het uitgeverspad, zodat Wilminks werk een hoeksteen wordt in het fonds van Bert Bakker. Kennelijk heeft Wilmink in zijn colleges aan de universiteit van Amsterdam het zaad niet op de rotsen gestort.

Verder ontwikkelt hij in zijn college tekstinterpretatie een brede visie op literatuur als basis voor zijn latere Schriftelijke cursus gedichten; een opvatting die iemand als Wim Bronzwaer heeft beïnvloed. Bronzwaer onderkent met Wilmink dat het trocheïsche ritme het ‘kinderritme’ is van rijmen en liedjes en het jambische ritme het ‘volwassenritme’ en maakt met Wilmink ruim baan voor kinderrijm en kinderlied, knittelvers en kindervers, reclametaal en venterstaal. Bovendien blijkt Bronzwaer in zijn keuze voor dit repertoire alles aan Wilmink te danken te hebben.

Welke docent is het gegund dat oud-leerlingen en latere schrijvers van naam en faam zich zo over je uitlaten als Ivo de Wijs en Doeschka Meijsing dat deden? De eerste typeert hem zo:

‘In de jaren '64 en '65 liep ik college bij Willem Wilmink. Hij doceerde toen aan de Universiteit van Amsterdam onder andere het vak Close Reading [...]. Hij was een bezeten explicateur met respectabele voorkeuren: Hendrik de Vries, Hans Lodeizen, Wilfred Smit. Vaag vermoedde ik echter dat hij veel ander geschrijf onnodig “moejeluk” achtte, te zeer gepend voor een elite die er zelfs al close readend nauwelijks uitkwam.’26

Doeschka Meijsing schreef over hem:

‘Studenten en docenten sloegen de handen ineen om wat nu heet “de democratisering” er door te krijgen, het gevecht tegen de gevestigde macht van de hoogleraren. Een van die jonge garde docenten was Willem Wilmink, wetenschappelijk medewerker moderne letterkunde aan het Instituut voor Neerlandistiek. Het is niet moeilijk in herinnering te roepen hoe hij toen was: een opgewekte, schilderachtige man met een accordeon, die zijn zelfgemaakte liedjes ten gehore bracht op de feesten die ter ere van de democratisering gegeven werden. Vrolijke liedjes, smartlappen, liedjes die allen konden meezingen. De stemming zat er in als

[p. 170]

Wilmink met zijn accordeon aanwezig was. Tien jaar later keerde hij de universiteit de rug toe. Hij was voor de democratisering geweest, maar er niet gelukkiger op geworden. Amsterdam was een hoop frustratie en teleurstelling geworden. “Ik vond het er niet inspirerend meer,” zei hij in 1980 tegen Het Parool. “Ze zijn daar niet bezig waar ze mee bezig zouden moeten zijn. Het is te elitair, het drijft weg van de realiteit. Een verbinding tussen de universiteit en echt onderwijs is er niet. Ik hoorde er toch al niet echt bij. Ik heb me immers afgegeven met amusement.”’27

Zo heeft Wilmink op tal van fronten aan de universiteit school gemaakt en is hij daar tegelijk op dood spoor geraakt. Hij vestigt zich als tekstschrijver, eerst voor een vooral jeugdig publiek in diverse levensfases en vervolgens steeds meer voor een publiek van alle leeftijden.

2. Het drievoudig kindperspectief

Al is het werk van Willem Wilmink in menig opzicht geworteld in het kind dat hij ooit was, toch spiegelt hij zich voortdurend aan het kind in zijn omgeving en aan het werk van voorgangers en collega's met een kindperspectief. Daarbij gaat het om de twee zonen uit zijn eerste huwelijk en de twee dochters en twee kleinkinderen uit zijn tweede huwelijk. Hun kindperspectief weet hij trefzeker te verwoorden, soms via de herinnering aan zijn eigen kindertijd. Zijn oudste zoon confronteerde hem met de vrees die kinderen kunnen hebben voor wat er met je gebeurt, wanneer je dood bent gegaan. De hemel spreekt hen niet aan, want wat moet je de hele dag bij God, zonder voetbalveld. Zijn oplossing bestaat in het gedicht ‘Een probleem’ uit een waar keuzepakket reïncarnatie:

 
Als je dood bent dan komt er
 
Een tovenaar,
 
 
 
Dan tovert hij aan je,
 
En word je een dier,
 
Een mus of een tijger,
 
Een leeuw of een mier.
 
 
 
Zelf mag je kiezen
 
Welk dier je wilt zijn:
 
Een mug of een olifant,
 
of een konijn.
[p. 171]

De inbreng van zijn dochters uit zijn tweede huwelijk verliep paradoxaal genoeg via hun behoefte aan privacy, zoals blijkt uit het gedicht ‘Marieke’:

 
Ze zat op schoot, klein en onschuldig.
 
Nu raakt ze vader niet meer aan.
 
Badkamerdeur wordt heel zorgvuldig
 
op slot gedaan.

Gesloten deuren inspireren hem in het gedicht De voorkant tot een rijmpaar met koninklijke allure:

 
Rond of spits of groot of klein,
 
dat zal een verrassing zijn.
 
Net zoveel als Beatrix
 
of misschien wel bijna niks.
 
Ach, de tijd zal moeten leren
 
of't op appels lijkt of peren.

Aan zijn tweejarige kleinzoon dankt hij de verrukte opsommende benoeming van al het moois om hem heen in het ‘Dankgebed van Sam’:

 
[...]
 
Dank voor de dierentuin met leeuw en aap en beer
 
en met de tijger die langskomt en keer op keer
 
stilstaat, heel vlak bij mij en doet of hij moet braken
 
en ik begrijp dat wel: hij wil me aan het lachen maken.
 
Voor deze tijger, Lieve Heer, met zijn enorme tong
 
benedicamus Domino, al ben ik nog heel jong.

In zijn verbeelding legt Wilmink een steeds verfijnder vermogen aan de dag om al die uiteenlopende kindperspectieven in een stroom van verzen voor een publiek van alle leeftijden op te roepen. Daarbij is hij in zijn persoonlijke thema's soms minder toegankelijk dan in algemene thema's. Dat geldt bijvoorbeeld voor de autobiografische herinneringen aan zijn overleden vader en aan Ans, zijn vroeg gestorven buurmeisje waarmee hij een eerste kusje had gewisseld. Haar dood vervult hem met enige wroeging, omdat zij aan een tumor overleed, terwijl hij in Amsterdam

[p. 172]

met zijn eigen dingen bezig was en geen tijd voor haar had. Pas in latere hernemingen van die thema's, krijgen ook die onderwerpen hun uitwerking voor een algemeen publiek. Tegelijk lijkt het zo dat hij vanuit zulke vroege ingrijpende ervaringen een literatuuropvatting ontwikkelt vol compassie met de buitenbeentjes onder de kinderen en met mensen in de marge van de samenleving: het driftige kind dat hij zelf soms was geweest, het vriendje uit een ander milieu, wiens vader bokste en wiens moeder zong over de Belgische vluchteling, het kind voor wie op school de klok te vlug gaat, het kind dat om zijn kleur naar een andere school toe moet, het kind dat aan de lakens aan de waslijn ziet dat het in bed geplast heeft of het kind dat op een foto ziet hoe zijn vader als lachende Duitse soldaat in de oorlog op het Jonas Daniël Meijerplein joden aan het treiteren is.

Wilminks vermogen tot mededogen en empathie heeft van doen met zijn persoonlijke ervaringen als niet-randstedeling in de Amsterdamse cultuur. Zijn literaire voorkeuren bleken daar de verkeerde. Zo vertelde hij aan Adriaan van Dis hoe in zijn Amsterdamse studententijd een vriend het boek Don Camillo dat hij hem op zijn verjaardag ten geschenke had gegeven, ver beneden zijn stand vond. Over dat literaire standsbewustzijn schrijft hij in 1992 nog een cursiefje: ‘Een gebonden uitgave die me een rib uit m'n lijf gekost had. Maar hij was er niet blij mee. Hij, gymnasiast op het Barlaeus, hij had toch minstens een zware Vestdijk moeten hebben, en niet zo'n boek dat Jan met de Pet ook mooi kon vinden.’28 Zijn provinciale literaire smaak koestert hij door vast te houden aan zijn Twents accent en aan zijn voorkeur voor Twentse moppen en verhalen.

Onderzoek naar het Drentse verleden van zijn voorouders versterkt zijn inzicht dat beschaving geen onveranderlijke toestand is, maar een historisch proces. Dit relativiteitsbesef gaat samen met een ongekend vermogen om zich steeds weer te kunnen inleven in andere personen, overigens mede dankzij het gebruik van concrete aanknopingspunten zoals de foto van de pogrom op het Jonas Daniël Meijerplein uit De Ondergang van Presser.

Wilmink bleef heel zijn schrijversleven lang de kunst van het kindperspectief afkijken bij bewonderde collega's en voorgangers. Dat doet hij voor het eerst samen met Fetze Pijlman in de bloemlezing Het Kind (Baarn 1979), waarin ze nagaan hoe dichters aan de ontdekking van het kind in de achttiende eeuw in een stoet kindbeelden een vervolg hebben gegeven. Zelf hebben beide auteurs daaraan, samen met de andere leden

[p. 173]

van Het Schrijverskollektief, ook een steentje bijgedragen met hun teksten voor tv-programma's en leesseries.

In zijn eerste essays over zijn vroege literaire voorkeuren Van Ostaijen, Dèr Mouw en Hendrik de Vries toont Wilmink zich getroffen door de wijze waarop zij de tegenstelling tussen de hoge, elitaire cultuur en de lage populaire volkscultuur via werelden van kinderlijke verrukking weten te overbruggen. In die geest wijdt hij, als bespeler van de volkse accordeon, zijn bijdrage aan de afscheidsbundel voor Garmt Stuiveling Weerwerk (Assen 1973) aan Paul van Ostaijens gedicht ‘Rijke armoede van de trekharmonika’. Hij wijst op het kind bij Dèr Mouw dat ongehinderd is door hiërarchisch besef: ‘Of je was naar de kerk geweest op oudejaarsavond, de kerk, vol licht en wit en deining van orgelmuziek, die klaterend afdroop langs trillende wanden. En straks poffertjes! En één diep gevoel van stille veiligheid, van zalige dankbaarheid. En je ging dien avond naar bed, vol God en poffertjes.’

In zijn proefschrift Het verraderlijke kind roept Wilmink de hulp in van jonge kinderen om een scherp onderscheid te kunnen maken tussen gedichten met een kindperspectief en de gedichten met een volwassen kindperspectief in Hendrik de Vries' De Toovertuin ('s-Gravenhage 1946). Anders dan sommige leden van de promotiecommissie veronderstelden, doet hij dat niet om hypotheses te toetsen, maar om op interpretaties te komen. Of, zoals Van Peursen dat noemt, als een ars inveniendi die als filosofie van de inventiviteit een welkome aanvulling kan zijn op alle methodische aandacht in de wetenschap voor de rechtvaardiging van onderzoek.29 Zelf noemt Wilmink dat bij de verdediging van zijn proefschrift de zorg om bij het interpreteren niets van die leeftijd te vergeten. Dezelfde zorg herkent W.P. Gerritsen in Wilminks vertaling van De reis van Sint Brandaan (Amsterdam 1994), waar het behalve om een kind, ook gaat om een kind dat spreekt met Twentse tongval en denkt met de naïeve logica waarop Wilmink een schrijversleven lang patent heeft:

 
Toen zei de goede Sinte Brandaan:
 
‘Jong, daar komt nooit een einde aan!’
 
Waarna het ventje op het blad
 
het volgende rake antwoord had:
 
‘Net zo min als 't meten klaar is
 
als de dag des oordeels daar is,
 
net zo min lukt het jou en de jouwen
[p. 174]
 
alle wonderen te aanschouwen
 
die God schiep met eigen hand
 
in het water en op het land
 
en die jou nog verborgen zijn.’

3. Terug naar de stad van zijn vader

Als één versregel uit de door hem bezorgde bundel Kleine Gedigten voor Kinderen van Hieronymus van Alphen speciaal op Willem Wilmink van toepassing is, dan is het wel: ‘Mijn vader is mijn beste vriend’. Want als hij als tolk van het kind velen een hart onder de riem steekt, doet hij dat, net als zijn vader, als een solidaire gevoelssocialist. Als oud-muloleerling was zijn vader niet alleen personeelschef bij de textielfabriek Hollandia geworden, maar ook de vertrouwensman van het personeel. Aan die rol van ombudsman komt echter bij de reorganisatie in de jaren vijftig van de vorige eeuw abrupt een einde, wanneer ook hij ontslagen wordt. Wilmink gaat daar pas onverbloemd over schrijven, nadat hij in 1991 weer in de Javastraat was gaan wonen.

De eerste keer doet hij dat, nogal vermomd, in de volksmusical De Pathmosprinces, die hij schreef voor de cursisten van de Enschedese Volkshogeschool en die door hen ook vele keren wordt opgevoerd: ‘Tweede stem: Een buurman van ons kreeg ontslag, maar hij fietst nog iedere dag vroeg in de ochtend richting fabriek, net zoals vroeger. Nooit ziek. Hij weet nog steeds niet dat iedereen weet dat-ie van de fabriek geen brood meer eet.’ De tweede keer laat hij zich uit over deze ingrijpende gebeurtenis uit 1955 in het leven van zijn vader in twee gedichten voor de Enschedese krant Tubantia, in 1999. In het eerste gedicht ‘Vaders geheim’ neemt zijn vader hem in vertrouwen over iets waar zijn moeder geen woord van mag horen, namelijk dat er geen markt meer is voor massaproducten. Ze moeten iets duurs gaan maken, ‘want in 't goedkope is Twente veel te duur’. Maar uit het tweede gedicht blijkt dat ook dat inzicht niet meer helpt:

Schaamte
 
Ik kon het horen aan zijn stem
 
en wist genoeg toen ik hem zag:
 
het is zover, hij heeft ontslag
 
de poort gaat nooit meer los voor hem.
[p. 175]
 
Een en al schaamte en verdriet
 
zoals hij in zijn leunstoel zat,
 
mijn man, en 't was zijn schuld toch niet
 
dat hij geen werk meer had.
 
 
 
Eerst was hij dagelijks op pad
 
zolang zijn werktijd had geduurd,
 
maar 't was vergeefs: de hele buurt
 
wist wel dat hij geen werk meer had.
 
 
 
Een en al schaamte en verdriet
 
zoals hij in zijn leunstoel zat,
 
mijn man en 't was zijn schuld toch niet
 
dat hij geen werk meer had.
 
 
 
Toen bleef hij thuis. Wat ik ook deed,
 
hij zag het aan en had kritiek.
 
Hij dronk teveel en hij werd ziek
 
Er kwam een einde aan zijn leed.

Beide gedichten zijn enkel opgenomen in de bundel Willem Wilmink in Enschede (Enschede 2004), die de gemeente Enschede in eigen beheer heeft uitgebracht ter gelegenheid van de onthulling van de plaquette aan het woonhuis van Willem Wilmink, Javastraat 43. Ze illustreren hoezeer zijn dichterlijke volwassenwording heeft plaatsgevonden in een stad die massaontslagen te incasseren kreeg, waar menigeen, net als zijn vader, aan onderdoor ging. Daarom spreekt hij in een van de eerste gedichten die hij over zijn vader schreef, in één adem ook over de ondergang van de Twentse textielfabrieken als ‘die nagels aan je doodskist’ (‘Bij wijze van groet’). In een volgend gedicht getuigt ‘een code van strepen en stippen’ van troost en bemoediging die de vader in stilte zocht:

Vader
 
vader kocht ooit
 
een verzameld werk
 
een bundel gedichten
 
van degelijk merk.
[p. 176]
 
bij wat hij mooi vond
 
zette hij strepen
 
een enkele keer
 
een uitroepteken.
 
 
 
bij tijd en wijle
 
herlees ik die
 
zeer summiere
 
biografie:
 
 
 
in een code
 
van strepen en stippen
 
steeg het water
 
hem naar de lippen

4. Deze vuist op deze vuist

Zijn vader was behalve zijn beste vriend ook zijn eerste en beslissende moderator. Zo vertelt Wilmink in het boek Mijn middeleeuwen dat zijn interesse voor geschiedenis en architectuur begon met het boek van de kunsthistoricus Frits van der Meer, Geschiedenis eener kathedraal (Utrecht 1940), dat hij als kind van zijn vader kreeg. Hij nam hem als eerste mee naar de kathedraal van Sint-Jan in 's-Hertogenbosch, hielp hem bij het inwinnen van informatie over Franse kathedralen en stimuleerde hem als geen ander tot zijn levenslange fascinatie voor kathedralen en voor de wereld van de Middeleeuwen, die in de jaren negentig resulteert in diverse tweetalige edities van klassieke, middeleeuwse teksten. Zijn vader staat ook centraal in het achtste hoofdstuk van het autobiografische verhaal Het Verkeerde Pannetje. Wanneer het alter ego van de auteur na een auto-ongeluk in de hemel zijn vader ontmoet, blijkt die in druk gesprek te zijn gewikkeld met niemand minder dan Mozart. Dat lijkt erop te duiden dat hij ook zijn liefde voor muziek aan zijn vader te danken heeft. Vele andere geliefde doden komen dan langs, zoals Ans het buurmeisje, of de schoenmaker uit de Javastraat. Een klein jaar voor zijn dood heeft hij zijn gedichten over die figuren, samen met zijn gedichten over zijn muzikale vrienden: de vaste componist van zijn teksten Harry Bannink en de accordeonvirtuoos Harry Mooten, bijeengebracht in de bundel Je moet je op het ergste voorbereiden (Amsterdam 2003). In die bundel zijn zowel de gedichten en liedjes over de dood die hij apart schreef voor jonge kinde-

[p. 177]

ren - zoals de bekende liedjes ‘Visite uit de hemel’ en ‘Een probleem’ - als zijn gedichten over dierbaren als Ans, Harry Bannink, Harry Mooten, zijn moeder en vader, Wilfred Smit en Ben Ali Libi opgenomen. Een paar van die gedichten werden bij zijn crematie ten gehore gebracht. Ze staan op een cd waarop hij zelf op het voorplat op een foto te zien is met zijn hoofd dat uit de kathedraal van Chartres steekt. Zijn kleinzoon Sam zingt op die cd Deze vuist op deze vuist, ter begeleiding van zijn hemelvaart.

 

Kinderrijmen, Middeleeuwen, de glas-in-lood-vertellingen in de ramen van de kathedraal van Chartres, Twentse moppen, raadselrijmen, trochee, cabaret, liedteksten, accordeon, de magische De Vries, zijn vertaling in het Twents van de Carmina Burana, zijn voorkeur voor gedichten en teksten die door iedereen begrepen kunnen worden en zijn afkeer van de zelfingenomenheid van de heilige hallen van de hogere hermetische academische literatuur, die alleen nog voor hoogopgeleide en wel ingevoerde lezers toegankelijk is, alles wijst erop dat Wilmink de middeleeuwse dichter is onder de naoorlogse dichters.

Ooit vertelde Wilmink mij dat het hem bijzonder speet dat nog nooit een lied van hem op een draaiorgel te horen was geweest. Op weg naar de aanbieding van zijn Verzamelde liedjes en gedichten hoorde ik in de Kalverstraat een draaiorgel Deze vuist op deze vuist spelen. Even dacht ik aan een stunt van de uitgever en ik vroeg aan de orgelman hoe lang dit lied al op het programma stond. Al een maand ongeveer, zei hij. Toen even later de uitgever hetzelfde goede nieuws meldde, wist ik dat het geen stunt was, maar een daad van literair-historische rechtvaardigheid van de orgelman voor deze oralist, die in een zeer geletterde samenleving de orale cultuur op zo'n verrassende wijze gerevitaliseerd heeft.

 

piet mooren

[p. 179]

Voornaamste geschriften

Zie Dick Welsink, ‘Bibliografie’, en Jan Willemsen, ‘Biografisch Overzicht’, in: Harry Bekkering, Daan Cartens en Muriël Steegstra (red.), Willem Wilmink. Ik droomde dat ik wakker was. (Schrijversprentenboek 52.) Amsterdam, Den Haag 2004, p. 146-156 en p. 138-145.
W.P. Gerritsen, met medewerking van Lily Hunter (red.), Willem Wilmink, Verzamelde liedjes en gedichten. Amsterdam 2004.
1Anita Luursema, ‘Ik schrijf alleen zo dat ook kinderen het kunnen begrijpen’, in De Tijd, 8 april 1988.
2Willem Wilmink, ‘Dierenverhalen fijn, ook om te schrijven. Thomas Rap en Randverschijnselen’, in De Tijd, 16 augustus 1969.

3W.Gs. Hellinga en H. van der Merwe Scholtz, Kreatiewe analise van taalgebruik. Principes van stilistiek op linguistiese grondslag. Pretoria 1955.
4Lustrum Almanak 1961, Unitas, 1961, p. 125 en 183.
5Lustrum Almanak 1961, Unitas, 1961, p. 104.
6Almanak, Unitas, 1962, p. 108; later ook opgenomen in Tirade, jrg. 9, nr. 98 (februari 1965), p. 97, en in zijn debuut Brief van een Verkademeisje. Amsterdam 1966.
7Tirade, jrg. 9, nr. 97 (januari 1965), p. 21.
8Tirade, jrg. 15, nr. 164 (februari 1971), p. 88-89.
9Tirade, jrg. 15, nr. 165 (maart 1971), p. 150-151.
10Tirade, jrg. 16, nr. 179 (september 1972), p. 430-431.
11De in 1993 door De Oare útjouwerij uitgegeven bundel Javastraat sluit af met het gedicht ‘In de Javastraat’, terwijl de gelijknamige afdeling in de bundel Ernstig Genoeg. Liedjes en gedichten vanaf 1986 (Amsterdam 1995) en de door W.P. Gerritsen geredigeerde bundel Verzamelde liedjes en gedichten ermee opent (Amsterdam 2004).
12Tirade, jrg. 17, nr. 188 (juni 1973), p. 361-377.
13Tirade, jrg. 29, nr. 296 (januari-februari 1985), p. 60.
14Maatstaf, jrg. 17 (1969), nr. 4/5, p. 278-279.
15Maatstaf, jrg. 18 (1970), nr. 3, p. 187 en nr. 8, p. 590.
16Maatstaf, jrg. 20 (1972), nr. 5, p. 24.
17Revisor, jrg. 1 (1974), nr. 8, p. 42-43; jrg. 2 (1975), nr. 1, p. 51 en jrg 4 (1977), nr. 5, p. 28.
18Spektator, jrg. 1 (1972), nr. 7/8, p. 419-426.
19Spektator, jrg. 2 (1973), nr. 4, p. 258.
20Spektator, jrg. 4 (1975), nr. 1-2, p. 90.
21Spektator, jrg. 1 (1972), nr. 3, p. 174-175.
22‘Driemaal Willem Wilmink’, in Trouw, 16 december 1972; ‘Gedichten en liedjes van Komrij en Wilmink’, in Trouw, 22 maart 1974; ‘Visite uit de Hemel’, in Trouw, 13 november 1975; ‘Wie dit leest is het vierde beest’, in Trouw, 14 januari 1977; ‘Drukwerk “In de Marge”’ [De liedjes voor kinderen], in Trouw, 11 maart 1978; [Zonder titel; over Verzamelde liedjes en gedichten], in Trouw, 9 december 1986.

23Tirade, jrg 10, nr. 112 (april 1966), p. 212-220.
24Tirade, jrg 10, nr. 117 (september 1966).
25‘W.A. Wilmink, Raadselachtigheid en onvolledigheid in enkele gedichten van Hendrik de Vries’, in Merlyn 3 (1965), 3 (mei), p. 243-248; J.J. Wesselo, ‘De dood van mijn broer’, in Merlyn 3 (1965), 4 (juli), p. 293-298; J.J. Oversteegen, ‘“Mijn broer” in de steigers’, in Merlyn 3 (1965), 4 (juli), p. 299-309; Willem Wilmink, ‘Hendrik de Vries, dromer, dichter en gek’, in Tirade, jrg. 14, nr. 162 (december 1970), p. 617-632; J.J. Wesselo, ‘Weder de dood van mijn broer’, in ‘Tirade’, jrg. 15, nr. 163 (januari 1971), p. 61-64; Hendrik de Vries,‘Losse aantekeningen bij Wilminks karakteristiek’, in Tirade jrg. 15, nr. 166 (april 1971), p. 194-199; Henri Knap, ‘Nog eens de dood van mijn broer’, in Tirade jrg. 15, nr. 166 (april 1971), p. 200-202; Hans van Straten, ‘Mijn Broer, een my the’, in Tirade jrg. 15, nr. 166 (april 1971), p. 202-206; Hendrik de Vries, ‘Meervoudig Antwoord’, in Tirade jrg. 15, nr. 166 (april 1971), p. 207-210.
26Ivo de Wijs, ‘De dichter die geen u wil zeggen. Willem Wilminks compassie met het arme en het kleine’, in Vrij Nederland, 11 oktober 1986.
27Doeschka Meijsing, ‘De Ideale Uitlegger. Het bemoedigende schrijverschap van Willem Wilmink’, in Elsevier, 7 mei 1988.

28Han Oude Vrielink en Wim Timmers (red.), Willem Wilmink in Enschede. Poëzie en proza over de stad en de streek. Enschede 2004.
29C.A. van Peursen, Ars Inveniendi. Filosofie van de inventiviteit van Francis Bacon tot Immanuel Kant. Kampen 1993.

prepostterug  begin  verder