|
|
|
| |
| | | |
Antonius Marie Coebergh van den Braak
's-Gravenhage 13 maart 1924 - Leiderdorp 12 februari 2006

Ton Coebergh van den Braak trad als wetenschappelijk onderzoeker en publicist pas na zijn pensionering in de openbaarheid. Bijgevolg dateerde zijn verkiezing als lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in 1999 dan ook uit een late periode in zijn leven: hij was toen reeds vijfenzeventig jaar oud.
Ton Coebergh was op 13 maart 1924 geboren in Den Haag, waar zijn vader vertegenwoordiger in suiker was. Na de lagere school werd hij leerling van het door jezuïeten geleide Aloysius College in zijn geboorteplaats, maar hij maakte door de oorlogsomstandigheden daar zijn opleiding niet af. Als jongste telg van een traditioneel katholiek gezin koos hij voor een zesjarige vervolgopleiding filosofie en theologie op het groot seminarie van zijn bisdom Haarlem, dat gevestigd was te Warmond. Deze keuze zal, zo ze al niet was ingegeven door der wens van zijn ouders, zeker door dezen verwelkomd en gesteund zijn. Binnen het toenmalige ‘rijke Roomse leven’ was het hebben van een priesterzoon voor de ouders en het gezin een bijzondere eer. Voor Ton Coebergh zelf bood het seminarieleven bovendien de kans om zijn muzikale aanleg verder te ontplooien. Hij had er alle gelegenheid voor zang en orgelspel en componeerde er zelfs een mis.
| | | |
Na de voltooiing van zijn seminarie-opleiding werd hij in 1952 tot priester gewijd. Hierna volgde niet de gebruikelijke benoeming tot kapelaan, maar zijn bisschop gaf hem de opdracht om aan de Nijmeegse universiteit klassieke talen te gaan studeren. Tijdens deze periode was hij gehuisvest in het Piusconvict, een tehuis voor de geestelijken van de Nederlandse bisdommen die voor een universitaire studie in Nijmegen verbleven. Deze klerikale woonvorm verhinderde hem en enkele medebewoners niet om een soort privé dansles te organiseren. Toen dat geen succes bleek, schreef Coebergh zich, met de eerder aangetrokken danslerares als partner, in op een dansschool te Arnhem.
Na het behalen van zijn doctoraal (1957) werd Coebergh leraar klassieke talen aan het klein seminarie Hageveld in Heemstede. In de zomer van 1959 gaf hij zijn status als seculier geestelijke op en nam hij ontslag als leraar aan het seminarie. Vervolgens trad hij in het huwelijk met zijn voormalige Nijmeegse danspartner, Anna Henrica Cornelia (Riek) van Gils. Hij besefte dat hij naar de toenmalige maatstaven voor een leraarsbaan aan een andere katholieke school niet meer in aanmerking kwam en zocht daarom een baan bij het openbaar onderwijs. Hij vond deze aan het stedelijk lyceum te Utrecht, het latere Thorbeckelyceum. Een jaar later (1960) gaf hij blijk van nog een geheel andere interesse dan de klassieke talen. Hij publiceerde toen een Nederlandse vertaling van een Duitse medische verhandeling. Het boek bevat uitsluitend de vertaling en de naam van de vertaler zonder enig verder bijwerk. Bij gebrek aan andere informatie dienaangaande valt er over de aanleiding of de motivering voor dit uitstapje naar het vertaalwerk dan ook weinig te zeggen.
In 1963 volgde een publicatie die geheel in de lijn van zijn beroep lag en tegelijk liet zien dat hij zich als leraar niet tot het doceren zelf beperkte. Het schoolboek dat hij toen publiceerde was gewijd aan de Griekse mythologie en vormde aldus een bijdrage aan de leermiddelen voor het gymnasiale onderwijs. Intussen werd Coebergh op zijn school tot conrector benoemd, wat hem de mogelijkheid gaf zich te bekwamen in de bestuurlijke taken die het schoolwezen met zich meebrengt. In 1968, het jaar waarin de mammoetwet werd ingevoerd, solliciteerde hij dan ook met succes naar het rectoraat van het Stedelijk Gymnasium in Leiden.
De Leidse gemeenteraad had het jaar daarvoor al besloten dat het gymnasium na de invoering van de nieuwe wet als zelfstandige school zou blijven voortbestaan. De dominante plaats van de klassieke talen, het vak van de nieuwe rector, werd echter afgezwakt doordat het aantal lessen
| | | | in die vakken met ruim een derde werd gereduceerd. Bovendien konden de leerlingen die na de vierde klas voor een bèta-programma kozen, een van de twee klassieke talen laten vallen. Tien jaar later koos Coeberghs school voor het schooltype Ongedeeld Gymnasium, waarin het onderscheid alpha en bèta verdween en alle leerlingen zich na de vierde klas tot één klassieke taal konden beperken. Naast deze ingrijpende onderwijskundige veranderingen werd de school onder Coebergh ook met een kwantitatieve verandering van betekenis geconfronteerd: in de zestien jaren van zijn rectoraat groeide de school van rond 340 tot rond 700 leerlingen. Voor de ruimtelijke problemen die die ontwikkeling met zich mee bracht, moest de school haar toevlucht zoeken tot steeds weer nieuwe noodlokalen en dépendances, met alle ongemakken van dien. Een groeiende school was in die jaren echter bijna vanzelfsprekend een bloeiende school.
Toen Coebergh in 1984 met vervroegd pensioen ging - een besluit dat mede was ingegeven door de leeftijd van zijn echtgenote die ruim zeven jaar ouder was dan hij - kon hij zijn rectoraat dan ook met voldoening en tevredenheid aan zijn opvolger overdragen. Aan één van zijn spontane voornemens bij zijn aantreden als rector in 1968 was hij echter nooit toegekomen. Toen hij in dat jaar de rectorskamer van het Gymnasium betrok, had hij er een groot deel van het archief der curatoren uit de negentiende en het begin van de twintigste eeuw aangetroffen. Hij besefte dat deze documenten in het Leidse gemeente-archief thuis hoorden, maar alvorens ze daaraan over te dragen, nam hij zich voor het materiaal in zijn vrije tijd eerst zelf door te kijken. Daar kwam echter weinig van terecht, zodat het materiaal bij zijn vertrek in 1984 nog steeds onderdak vond in de rectorskamer. Nu hij echter werkelijk meer vrije tijd kreeg, stortte hij zich met grote energie op het archief. Dit leidde weldra tot de constatering dat het Leidse gymnasium, de voortzetting van de Latijnse School uit de late Middeleeuwen, in tegenstelling tot andere bekende stedelijke gymnasia, het nog altijd zonder een behoorlijke monografie over zijn lange geschiedenis en voorgeschiedenis moest stellen. Hij stelde zich daarom tot taak in deze lacune te voorzien.
Om het werk te vergemakkelijken en de drukkosten te reduceren, maakte Coebergh zich in rap tempo vertrouwd met de computer. Dat was toen nog een relatief primitief instrument, maar desondanks slaagde hij erin binnen vier jaren een goed gedocumenteerde monografie over de geschiedenis van zijn school in het licht te geven onder de titel Meer
| | | |
dan zes eeuwen Leids Gymnasium. Alle toenmalige leerlingen en alle oud-leerlingen uit de periode Coebergh konden tot hun genoegen hun naam terugvinden in de alfabetische leerlingenlijst over de periode 1848-1987 achteraan in het boek. De daaraan voorafgaande lijst bevatte de leerlingen over de jaren 1716-1848. De lijst van rectoren, leraren en ander personeel van 1828 tot 1988 bevat een opvallend aantal namen van personen die bekend zijn gebleven in de geschiedenis van de diverse wetenschappen. Er lijkt in die periode een soort doorstroom van de gymnasiale naar de universitaire docentuur te hebben plaatsgevonden. Het boek verscheen negen jaar later in een tweede druk, waarin de leraren- en leerlingenlijsten tot 1997 waren aangevuld en veel aandacht werd besteed aan de lang verbeide nieuwbouw van 1992 en 1996, waardoor het uiterlijk van het gebouw aan de Fruinlaan ingrijpend werd gewijzigd.
Men krijgt de indruk dat Coebergh nu de smaak van het publiceren te pakken had. Hij ging deelnemen aan de jaarlijkse studiedagen van het Nederlands Neolatinisten Verband en wijdde zich aan een nadere bestudering van de geschriften van twee humanistische voorgangers waarop hij gestuit was bij zijn onderzoek naar het verleden van het Leidse gymnasium. In 1991 bezorgde hij een uitgave met Nederlandse vertaling en annotatie van een didactisch gedicht over het aanleren van goede manieren geschreven door de zestiende-eeuwse conrector der Latijnse school Petrus Bloccius. Van de eerste druk van het gedicht, uit 1559, is slechts één exemplaar bekend gebleven, dat in het bezit is van het Leidse gemeente-archief. Zes jaar later, in 1997, volgde een uitgave van de werken van een vijftiende-eeuwse rector der Leidse Latijnse school, Engelbertus Schut. Voor dit boek genoot Coebergh de medewerking van de Canadese Erasmusspecialiste Erika Rummel. Schuts naam is immers vooral bekend gebleven dankzij een gedicht van Erasmus, dat Coebergh al eerder met een Nederlandse vertaling in zijn boek over het Leidse gymnasium had opgenomen. Erasmus geeft in het gedicht blijk van grote verwachtingen van Schut voor de herleving van de Latijnse poëzie. Het omvangrijkste werkje van Schut is een metrisch leerboekje De arte dictandi van ruim vijftienhonderd hexameters. Ook de andere geschriften van Schut bewegen zich op het terrein van de retorica. Het commentaar in deze uitgave is in het Engels, maar aan een Engelse vertaling van Schuts werkjes heeft de uitgever zich niet gewaagd.
Gedurende vele jaren kon men het echtpaar Coebergh zomers om zeven uur 's ochtends in het Leidse buitenbad De Vliet aantreffen. Maar in
| | | | de jaren negentig werd Coebergh meer en meer in beslag genomen door de zorg voor zijn echtgenote bij wie al in 1992 een beginnen de dementie was geconstateerd. Het voortschrijdende ziekteproces van zijn echtgenote leidde tot Coeberghs meest gelezen publicatie, het in 2001 verschenen aangrijpende ‘document humain’ Toen ging het licht uit. Verslag van een dementeringsproces. Het boek is weliswaar gebaseerd op de aantekeningen over de geleidelijk verslechterende gezondheid van zijn vrouw, die hij voor hun elders wonende kinderen maakte, maar het is allerminst een klinisch verslag, zoals de ondertitel zou kunnen suggereren. Het heeft evenzeer het karakter van een somtijds opvallend openhartige autobiografische terugblik op een gelukkig huwelijksleven. Grote delen van het boek hebben de vorm van een vertelling aan zijn vrouw over hun gezamenlijke ervaringen en belevenissen door de jaren heen.
De eigen leeftijd en de zorg voor zijn vrouw die Coebergh na haar opname in het verpleeghuis Marienhaven te Warmond (1997) dagelijks is blijven bezoeken, verhinderden verder wetenschappelijk werk. Zijn wens haar tot haar dood toe te mogen blijven bijstaan en bezoeken - een realistische wens gezien het verschil in hun beider leeftijd -, ging niet in vervulling. De liturgie die hij voor de uitvaart van zijn echtgenote had samengesteld, werd de leidraad voor zijn eigen begrafenisdienst in de Leidse Hooglandse kerk, tehuis van de Leidse Studenten Ecclesia, waarvan hij tot het laatst toe een trouwe bezoeker was geweest. De grote belangstelling van de zijde van het Leids Gymnasium bij die dienst liet een heel andere Coebergh zien dan de deelnemers aan de Neolatijnse studiedagen hadden leren kennen. Omgekeerd ervoeren de voormalige collegaleraren dat hun oud-rector zijn tweeëntwintigjarig otium niet alleen met waardigheid, maar ook met vruchtbare wetenschappelijke arbeid had gesleten.
Chris L. Heesakkers
| |
Voornaamste geschriften
| Heinz Graupner, De geneeskunde op ongebaande wegen. Uit het Duits vertaald door Drs. A.M. Coebergh van den Braak. Roosendaal 1960. |
| Griekse mythologie. Handleiding voor schoolgebruik. Den Haag 1963. |
| Meer dan zes eeuwen Leids Gymnasium. Leiden 1988; tweede herziene druk 1997. |
| ‘Tafelmanieren volgens meester Engebrecht Ysbrantsz. Schut en meester Petrus Bloccius’, in: J.W. Marsilje e.a., Uit Leidse bron geschreven, Studies over Leiden en de Lei- |
| | | |
| denaren in het verleden, aangeboden aan drs. B.N. Leverland bij zij afscheid als adjunct-archivaris van het Leidse Gemeentearchief. Leiden 1989, p. 67-72. |
| Petrus Bloccius, Praecepta formandis puerorum moribus perutilia. Inleiding, tekst en vertaling door A.M. Coebergh van den Braak. Leuven 1991 (Supplementa Humanistica Lovaniensia vi). |
| ‘The Colores texts of Haneron and Schut’, in: Quaerendo 23 (1993), p. 83-92. |
| ‘Engelbertus Leidensis 〈Schut〉, Versificator et Grammaticus, Ludi Magister et Scholasticus’, in: Nieuwsbrief Neolatinistenverband, nr. 8 (1996), p. 10-14. |
| ‘Schut, zijn leven en zijn werken’, in: Jaarboekje voor geschiedenis en oudheidkunde van Leiden en omstreken, 88 (1996), p. 62-85. |
| The Works of Engelbertus Schut Leydensis (ca 1420-1503), edited by A.M. Coebergh van den Braak in co-operation with Dr. Erika Rummel. Leuven 1997. |
| Toen ging het licht uit. Verslag van een dementeringsproces. Houten 2001. |
|
|
|