Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 2006


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2001-


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 2005-2006. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 2007  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 46]

Albert Dunning

Arnhem 5 augustus 1936 - Loenen aan de Vecht 2 juni 2005



illustratie

Op 2 juni 2005 overleed, als gevolg van een ongeneeslijke levertumor, Albert Dunning, één van de opmerkelijkste en belangrijkste Nederlandse musicologen van de afgelopen decennia. Dunning studeerde muziekwetenschap in Amsterdam, bij de toenmalige hoogleraren K.Ph. Bernet Kempers en J.M.A.F. Smits van Waesberghe, beiden grondleggers van het vak in Nederland. Hij deed al vóór zijn afstuderen in 1965 en zijn promotie in 1969 van zich horen in de musicologische wereld, door boekpublicaties over de achttiende-eeuwse Duits-Nederlandse uitgever-componisten Joseph Schmitt en Gerhard Frederik Witvogel, respectievelijk gepubliceerd in 1962 en 1966. De muziek van de achttiende eeuw zou zijn leven lang zijn interesse houden. Zijn proefschrift over Die Staatsmotette weerspiegelt een tweede interessegebied, de muziek van de zestiende eeuw.

Dunnings loopbaan laat zich in drie perioden verdelen. De eerste periode was er één van reizen en trekken, van verblijven op basis van beurzen en kortdurende aanstellingen in verschillende plaatsen in Europa en daarbuiten, waaronder München, Tübingen, Rome, Syracuse (ny, usa), Poitiers en Frankfurt. In deze periode, die loopt van zijn afstuderen tot 1976, vestigde Dunning zijn naam als musicoloog in binnen- en buiten-

[p. 47]

land. De tweede periode, van 1976 tot 1988, wordt gevormd door een onderzoeksaanstelling bij het (toenmalige) Instituut voor Muziekwetenschap van de Rijksuniversiteit Utrecht. Vervolgens werd Dunning benoemd tot hoogleraar muziekwetenschap aan de in Cremona gevestigde Facoltà di Musicologia van de Università degli Studi in Pavia. Deze faculteit heeft een van de grootste opleidingen in de muziekwetenschap van Italië en Dunning heeft hier zeer vele studenten naar het laureaat of het doctoraat begeleid.

Het zwaartepunt van het muziekwetenschappelijk werk van Albert Dunning ná zijn promotie lag bij de instrumentale muziek van de eerste helft van de achttiende eeuw. Twee namen springen daarbij in het bijzonder in het oog. In de eerste plaats die van de Nederlandse edelman Unico Wilhelm graaf van Wassenaer (1692-1766). Hij bleek de componist te zijn van een bundel Concerti armonici, werken die op naam stonden van Pergolesi of van Carlo Ricciotti en ook wel op die van andere veronderstelde auteurs. Dunning publiceerde de autograaf van de stukken (die zich in de kasteelbibliotheek van Twickel bleek te bevinden) in facsimile met toelichting in zijn Count Unico Wilhelm van Wassenaer (1692-1766): A Master Unmasked or the Pergolesi-Ricciotti Puzzle Solved (1980). De ontdekking dat deze beroemde werken niet van de hand van Pergolesi - een gevestigde naam in de muziekgeschiedenis - waren, maar van een tot dan toe geheel onbekende Nederlandse edelman deed het nodige stof opwaaien in de muziekwereld.

De tweede naam is die van Pietro Antonio Locatelli (1695-1764), de Italiaanse violist die het tweede deel van zijn leven in Amsterdam doorbracht. (In geografisch opzicht een spiegelbeeld van de loopbaan van Dunning.) In 1981 verscheen Dunnings monografie Pietro Antonio Locatelli: Der Virtuose und seine Welt, die enkele jaren later ook in het Italiaans werd gepubliceerd. In zijn Italiaanse periode liet Dunning bij de muziekuitgeverij Schott de verzamelde werken van Locatelli verschijnen, in een negental banden, waarvan de eerste in 1994, de laatste in 2003 verscheen. Enkele daarvan zijn door hemzelf geëditeerd, andere door medewerkers van de door hem opgerichte Fondazione/Stichting Locatelli. Deze stichting fungeerde ook als een uitgeverij waarin diverse series van muziekwetenschappelijke studies verschenen. Eén van de initiatieven van de laatste jaren was de uitgave van de verzamelde werken van Luigi Boccherini (1743-1805). Dunning heeft daarvoor wel voorbereidend werk gedaan, maar hij heeft het verschijnen van het eerste deel in 2006 niet meer mogen meemaken.

[p. 48]

Het Italiaanse universitaire systeem laat het toe ná het bereiken van de 65-jarige leeftijd door te blijven werken. Dunning wilde van die mogelijkheid nog enkele jaren gebruik maken, maar moest na het constateren van zijn ziekte op 67-jarige leeftijd stoppen. Als met vooruitziende blik hadden zijn medewerkers reeds in 2002 een Festschrift laten verschijnen, het Album Amicorum Albert Dunning, in occasione del suo LXV compleanno, met een kleine dertig studies van musicologen uit de hele wereld, over uiteenlopende onderwerpen, uit de zestiende tot de twintigste eeuw. In dit Festschrift vind men ook een overzicht van Dunnings publicaties.

Dunning vermaakte zijn collectie oude drukken aan de universiteit in Cremona, waar zij nu het Fondo Albert Dunning vormen. Zijn verdere bibliotheek doneerde hij aan het Instituut voor Muziekwetenschap van de Jagellonski-Universiteit in Krakau, een gevolg van persoonlijke contacten. Hij keerde terug naar Nederland, waar hij nog bijna twee jaar te leven had in zijn huis in Loenen aan de Vecht. Een begrafenis of crematie vond niet plaats: Dunning had zijn lichaam ter beschikking gesteld voor wetenschappelijk onderzoek. Op 31 augustus 2005 werd in de Hervormde Kerk van Loenen aan de Vecht een herdenkingsconcert voor zijn nagedachtenis gehouden.

Rudolf Rasch