Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, 2008


auteur: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 2001-


bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 2007-2008. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 2009


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 21]

De vertaling van Stendhals roman Lucien Leuwen
Door Leo van Maris

Graag wil ik mijn betoog op de Franse manier indelen in drieën. Ik begin met enkele opmerkingen over de schrijver Stendhal, over de onmogelijkheid het boek tijdens zijn leven te publiceren en over de inhoud van de roman. Daarna wil ik ingaan op enkele problemen bij het vertalen en ten slotte, ten derde dus, wil ik een paar citsten ter illustratie geven.

 

Stendhal is, zoals bekend, een pseudoniem van Henri Beyle. Vrijwel zeker heeft hij dat pseudoniem ontleend aan het Duitse plaatsje Stendal, ongeveer 150 kilometer ten noordoosten van Braunschweig, en aan die plaatsnaam Stendal heeft hij vervolgens een h toegevoegd.

Henri Beyle werd in 1783 geboren in Grenoble. Als hij zes jaar oud is breekt de Franse revolutie uit. Van jongs af aan voelt hij zich republikein. Later wordt hij - maar niet voor lang - een enthousiast aanhanger van Napolcon. Via een oom komt hij in militaire dienst en trekt, vaak mét Napolcon, Europa door: na het al genoemde Braunschweig volgt de campagne van Oostenrijk en daarna komen Wenen en Milaan.

In 1813 neemt hij in een niet-militaire functie deel aan de Russische veldtocht en maakt de brand van Moskou mee, de beroemde brand die Tolstoj beschreven heeft in zijn Oorlog en Vrede.

Stendhals eerste grote roman Le Rouge et le Noir verschijnt in 1830. In 1834 begint hij te werken aan Lucien Leuwen. Waarom is het boek tijdens zijn leven niet gepubliceerd?

De reden is politiek. In 1830 was koning Louis-Philippe aan de macht gekomen. Hij was niet meer een absolute vorst, maar moest rekening houden met twee kamers, een Kamer van Afgevaardigden, gekozen op basis van censuskiesrecht en een ‘Chambre des Pairs,’ een Eerste Kamer waarvan de leden werden benoemd door de koning. Het regime werd ‘le juste milieu’ genoemd: het juiste midden tussen absolute monarchie en republiek. De staat had een grote hoeveelheid spionnen en verklikkers in dienst, want de machthebbers waren doodsbang voor een nieuwe revolutie. Regelmatig werden er kranten veroordeeld omdat ze in hun kritiek op het regime te ver waren gegaan.

Niemand wilde Lucien Leuwen uitgeven, omdat het boek van republi-

[p. 22]

keinse sympathieën zou worden verdacht en de zittende macht er genadeloos in werd beschreven. Daarbij kwam nog dat Stendhal consul was in het Italiaanse Civitavecchia - de havenplaats van de Kerkelijke Staat - en zich als overheidsdienaar nog minder kon veroorloven dan een gewone burger. Hij heeft altijd gedacht dat het bewind van Louis-Philippe kort zou duren en dat hij zeker het einde ervan nog zou meemaken. In een van zijn voorwoorden bij Lucien Leuwen schrijft hij: ‘Als met het oog op de politie publicatie niet verstandig is, wachten we nog tien jaar.’

Maar het pakte anders uit: toen Stendhal in 1842 overleed, zat Louis-Philippe nog vast in het zadel en zou daar nog zes jaar blijven zitten.

Na 1836 heeft Stendhal Lucien Leuwen laten liggen. In 1838 heeft hij La Chartreuse de Parme geschreven, zijn laatste grote roman, die in 1839 is verschenen. Lucien Leuwen is overigens zeker geen onvoltooid boek, Stendhal heeft alles geschreven wat hij wilde schrijven. Het eerste deel heeft hij nog gedicteerd en dus ook zelf vastgesteld, maar het tweede deel heeft geen laatste revisie gekregen. Doordat hij in het manuscript veel varianten heeft opgeschreven, bestaan er verschillende edities van het boek. Iedere tekstbezorger moet zijn eigen keuzes maken. Het eerste deel van de roman is in 1855 in druk verschenen. Publicatie van het gehele werk volgde pas in 1894.

Als we naar het boek kijken, valt allereerst de titel op, de familienaam Leuwen. Het is een naam die iets Hollands heeft en dat is ook de bedoeling. Luciens vader wordt in het boek een bankier ‘van half-Hollandse afkomst’ genoemd en in het begin lezen we dat er iedere donderdag ‘post voor Holland’ de deur uitgaat. Ergens anders zegt Leuwen sr. dat hij al te lang niet in Amsterdam is geweest en Lucien merkt op dat, als het hem bij een huwelijk alleen om het geld te doen was, hij zich zonder problemen aan een rijke Hollandse bankiersdochter kon laten koppelen.

Lucien is vanwege zijn republikeinse gezindheid van de militaire Ecole polytechnique gestuurd. De oude Leuwen blijft het hele boek door bang dat de republikeinse gezindheid van zijn zoon zal uitlopen op saint-simonisme, een soort socialisme met religieuze trekken. In het Parijse milieu waarin de familie Leuwen verkeert, zou dat Luciens maatschappelijke ondergang betekenen. Om zijn zoon de goede kant uit te krijgen zegt zijn vader tegen hem: ‘Waarom neem je geen maîtresse, ik betaal haar wel.’

Uiteindelijk besluit Lucien dienst te nemen in het leger. Hij wordt tweede luitenant bij de lansiers, een onderdeel van de cavalerie. Zijn regi-

[p. 23]

ment trekt Nancy binnen, een stad die een treurige indruk op hem maakt. Totdat hij langs een raam komt waarachter een jonge blonde vrouw naar de binnentrekkende troepen staat te kijken. Vóór dat raam valt hij van zijn paard, een verschrikkelijke vernedering.

Hoe komisch het boek ook is, en het is zeker de geestigste, de meest ironische roman van Stendhal, de held is héél serieus als het gaat om zijn zelfrespect. Met zijn val begint ook zijn grote liefde voor mevrouw de Chasteller, de dame die getuige was van zijn onfortuinlijke val. De plaatselijke adel heeft een diepe minachting voor het leger, dat uiteraard een instrument is van het verachtelijke regime van het juste milieu. Toch slaagt Lucien erin om door zijn charme en volharding in de adellijke salons ontvangen te worden. Hij koopt van de prefect een prachtig paard, dat zijn vorige eigenaar al vier keer heeft afgeworpen om de doodeenvoudige reden dat de prefect vier keer heeft geprobeerd het paard te berijden. Lucien dwingt met zijn nieuwe paard alom bewondering af. Om zijn gezag in het regiment te vestigen, forceert hij een - onbeslist - duel. De demonstratie van zijn rijkdom en zijn succes zetten veel kwaad bloed zowel in het leger als bij de adellijke jongelui, die een grote concurrent in hem zien. Uiteindelijk wordt er een samenzwering op touw gezet om Lucien te laten geloven dat mevrouw de Chasteller van een kind bevalt, waarop hij de wijk neemt naar Parijs.

Door de invloed van zijn vader wordt hij secretaris van de minister van Binnenlandse zaken. Er doen zich veel morele dilemma's aan hem voor. Tot hoever kan hij gaan in de schurkenstreken die voor zijn beroep nodig zijn? Hij verliest al spoedig ieder respect voor de minister, die hij van al te dichtbij meemaakt. Hij wordt de provincie in gestuurd om er met overheidsgeld de verkiezingen te beïnvloeden.

Leuwen sr. laat zich tot parlementslid kiezen met als uiteindelijke doel de val van de minister, die zijn zoon onheus heeft behandeld.

Intussen probeert hij zijn zoon een maîtresse van aanzien te bezorgen. Het Parijse societyleven is dan misschien iets minder bekrompen dan dat van de provincie, de zucht naar geld is er zeker even groot, en de zucht naar macht misschien nog groter.

De roman eindigt met de plotselinge dood van de oude Leuwen. Zijn bank blijkt failliet te zijn. Lucien vertrekt naar een ambassade in een plaats die Stendhal in zijn manuscript Capel noemt. In het begin heeft hij aan Madrid gedacht, maar uiteindelijk blijkt uit de route die Lucien neemt dat het Rome moet zijn. Het is een roman met een ‘modern’ open

[p. 24]

einde, maar dat het boek moderne trekken heeft, is natuurlijk al gebleken in het vierde hoofdstuk waarin de held van zijn paard valt. Dat gebeurde daarvóór niet vaak met helden.

 

Ik kom bij het tweede punt, de vertaling. Enerzijds wilde ik zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke tekst blijven, maar anderzijds van het Frans toch goed Nederlands maken, een uitgangspunt dat velen zullen onderschrijven. Maar het lijkt eenvoudiger dan het is. De ene tekst leent zich er beter voor om dicht bij de tekst te blijven dan de andere. Hans van Pinxteren, die niet alleen Le rouge et le noir heeft vertaald, maar ook een paar romans van Balzac, heeft mij eens gezegd dat hij het maar lastig vond Balzac te vertalen. Dat kwam doordat hij bij het vertalen van de tekst vaak ‘tegeneffect’ moest geven. Het Nederlands zou anders te bombastisch, te pompeus zijn geworden. Daarvan is bij Stendhal geen sprake. Zijn proza is laconiek en onderkoeld. Bij zijn boeken gaat het erom de frisheid ervan te bewaren, de indruk dat het proza zo juist uit een heldere bron is gestroomd.

Belangrijk is natuurlijk de keuze van het register, het niveau van het taalgebruik. De spreektaal moet niet te ouderwets zijn, maar zeker ook niet te modern worden.

Ik herinner mij dat, toen ik met een groepje studenten Frans het in 1988 gepubliceerde boek van Frédéric Berthet Daimler s'en va vertaalde, een lid van de groep voorstelde ‘hij ging er als een speer vandoor’. Dat was in 1989, ik had de uitdrukking nog niet eerder gehoord en kwam natuurlijk aanzetten met ‘als een pijl uit de boog’. Nee, speer was beter, vond de vergadering. Ik heb die speer toen even geaccepteerd maar uiteindelijk toch mijn vertrouwde pijl er weer voor in de plaats gezet. Nu, bijna twintig jaar later, zou ik de speer waarschijnlijk laten staan.

Van een collega-jaargenoot die non-fictie vertaalt, zoals reisgidsen, hoorde ik dat hij zijn vertalingen altijd aan zijn dochter laat lezen. ‘Nee, pap, dat kan echt niet meer’, krijgt hij dan vaak te horen en hij moderniseert zijn tekst.

Maar in een roman van Stendhal ben ik om zo te zeggen meer voor de kribbe dan voor de voederbak, ook al spreekt het laatste woord de moderne jeugd misschien meer aan.

Helemaal taboe zijn natuurlijk uitdrukkingen die in het hedendaagse spraakgebruik al zo huiveringwekkend zijn. Ik zou Lucien nooit tegen zijn vader laten zeggen dat hij iets over het weekend heen moet tillen of

[p. 25]

hem aan zijn commandant laten meedelen dat hij iets even niet kan ophoesten of hem tegen madame de Chasteller laten verzuchten dat het alleen maar tussen haar oren zit. Dat is allemaal uitgesloten.

Een gevaar dat op de loer ligt is dat je Nederlands zich soms wat te dicht tegen het Frans aandrukt. Meelezers vinden constructies soms te Frans worden. Die constructies verander ik dan onmiddellijk.

Wat het idioom betreft, echte synoniemen zijn er niet en een vertaler heeft dus vaak veel te kiezen. Ik heb de indruk dat de mogelijkheden bij adjectieven het talrijkst zijn en dat die dus veel aandacht vragen. Maar ook bij wat meer abstracte substantieven is een juiste keuze van groot belang. Om een voorbeeld te geven: ik heb eens in een wat langere passage het woord ‘opinion’ eerst door ‘mening’ vertaald, maar later maakte ik daar ‘overtuiging’ van en dat was in de gegeven context stukken beter.

Er wordt wel eens gevraagd waarom ik wel vanuit het Frans in het Nederlands vertaal en nooit vanuit het Nederlands in het Frans. Als ik probeer uit te leggen dat ik dat helemaal niet zou kunnen, wordt er vaak ongelovig gereageerd. Vaak zien mensen talen als twee onderling uitwisselbare wiskundige tekensystemen, wat ze natuurlijk helemaal niet zijn.

Stendhal schreef heel snel (hij heeft La Chartreuse de Parme in 53 dagen gedicteerd) en gaf zoals gezegd vaak varianten waaruit hij later een definitieve keuze maakte.

Hij heeft ongeveer een derde van zijn leven in Italië doorgebracht en toen hij daar aan Lucien Leuwen werkte was hij soms onzeker of een woord of uitdrukking in Parijs nog wel de betekenisnuance had die hij eraan wilde geven. Hij noteerde dan dat hij het bij zijn eerstvolgende bezoek aan Frankrijk moest navragen.

Er zijn enkele Franse edities gepubliceerd waarin vele van zijn varianten zijn opgenomen. Een criticus heeft ze wel eens gezien als een deel van het ‘scheppende proces’ en het vervolgens betreurd dat die varianten niet ook in de Nederlandse vertaling staan. Maar dat zou helemaal niet kunnen om de eenvoudige reden dat het onmogelijk is varianten zo te vertalen dat ze in het Nederlands dezelfde betekenis hebben of hetzelfde onderlinge verschil in gevoelswaarde als in het Frans. (Nog geheel afgezien van het feit dat de gemiddelde Nederlandse lezer niet graag een roman met varianten leest, hoewel hij die natuurlijk ook weer kan overslaan.) Je zou kunnen zeggen dat een vertaling uit varianten bestaat, ja, zelf een variant is van de oorspronkelijke tekst. Een vertaler maakt een nieuwe va-

[p. 26]

riant van het boek, waarbij hij zijn best moet doen om tot een coherent geheel te komen dat zo dicht mogelijk in de buurt van de oorspronkelijke tekst blijft.

Ik heb zo juist in één adem de stijl van Stendhal en die van Balzac genoemd. Stendhal is niet alleen laconieker, hij laat vaak ook zaken weg die andere schrijvers zouden hebben uitgebuit. Als Lucien een duel forceert om in het regiment zijn gezag te vestigen wordt het duel zelf helemaal niet beschreven. Alleen de afloop: de tegenstanders zijn beiden gewond, de getuigen gaan ervandoor. Balzac, Dumas père, en vele anderen zouden een uitvoerig verslag van het gevecht hebben geleverd: een buitenkansje.

Het optreden van Luciens vader als lid van de Kamer van Afgevaardigden gaat nooit in op de inhoud van wat de oude heer te zeggen heeft. De wijze waarop hij het zegt is al komisch genoeg. En zo zijn er nog vele voorbeelden te geven.

 

Ten slotte kom ik aan mijn derde en laatste deel, enkele citaten om een indruk te geven van de gehanteerde stijl. Opvallend is de lichte, snelle toon van het boek, en natuurlijk de ambitie en de levensdrift van de hoofdpersoon. In een van zijn voorwoorden schrijft Stendhal: ‘Dit verhaal werd geschreven met de gedachte aan een klein aantal lezers die ik nooit heb ontmoet en die ik tot mijn spijt ook nooit zal ontmoeten: met bijzonder veel plezier zou ik mijn avonden met ze hebben doorgebracht!’ En hij eindigt dat voorwoord met de zin: ‘Adieu, waarde lezer, zorg ervoor dat u de rest van uw leven niet door brengt met haten en bang zijn.’

Luciens vader heeft een grote afkeer van twee zaken, namelijk van ‘vervelende mensen en vochtige lucht’.

En ‘Mevrouw Leuwen kreeg vaak een hekel aan bijzonder onschuldige dingen, alleen omdat ze er voor het eerst van had gehoord bij mensen die teveel lawaai maakten.’

De postmeester bij wie Lucien een ander paard wil kopen, zegt op een onbewaakt ogenblik: ‘Ik neem de vrijheid u te vragen: hebt u aan een oorlog deelgenomen?’

Bij die vraag, waarop het antwoord gezien de leeftijd van Lucien al bij voorbaat duidelijk is - er is al jarenlang geen oorlog meer gevoerd - slaat onze held een andere toon aan:

‘De vraag is niet of ik aan een oorlog heb deelgenomen, maar of u, postmeester, een paard te koop hebt.’

[p. 27]

Als Lucien dan eindelijk in de salon van mevrouw de Commercy zijn grote liefde, mevrouw de Chasteller, ontmoet wordt dat als volgt beschreven:

‘Hij kon geen woord uitbrengen, hij werd afwisselend vuurrood en doodsbleek en terwijl hij toch de enige man in de salon was, had hij niet de tegen woordigheid van geest mevrouw de Chasteller zijn arm aan te bieden om haar weer naar haar rijtuig te brengen. Hij ging bij mevrouw de Commercy vandaan met nog iets meer zelfverachting.

Deze republikein, deze man van actie, die oefeningen te paard zag als een voorbereiding op het gevecht, had nooit anders aan de liefde gedacht dan als aan een gevaarlijke en smadelijke afgrond waar hij zeker niet in zou vallen. Trouwens, hij dacht dat deze hartstocht overal elders dan in het theater uiterst zelden voorkwam.’

Ten slotte een generaal die in drie alinea's met de grond gelijk wordt gemaakt:

 

Generaal graaf N*** was een tamelijk mooie man van een jaar of vijfenzestig, zesenzestig, rijzig, mager, kaarsrecht en gedistingeerd van houding. Hij had nog een heel goed figuur, en een paar welvetzorgde grijsblonde lokken gaven zijn bijna kale hoofd een zekere charme. Zijn gezicht drukte vastberadenheid uit en een grote bereidheid tot gehoorzamen, maar voor het overige deed zijn uiterlijk niet vermoeden dat er ooit een gedachte in hem omging.

Zijn hoofd was een stuk minder aangenaam als je er een tweede keer naar keek en leek bijna ordinair bij een derde beschouwing. Je zag er een glimp van onwaarachtigheid in. Je zag dat het Keizerrijk en de bijbehorende knechtengeest erdoorheen waren gegaan.

Gelukkig de helden die vóór 1804 gevallen zijn.