Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis. Jaargang 14


auteur: [tijdschrift] Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis


bron: Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis. Jaargang 14. Uitgeverij Vantilt, Nijmegen / Nederlandse Boekhistorische Vereniging, Leiden 2007


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 149]

Els Stronks
Het oude boek gaat digitaal
Contouren van de digitale editie

In de afgelopen jaren verschenen er tal van digitale edities van letterkundige werken. Op basis van de ervaringen die binnen het Emblem Project Utrecht (epu) zijn opgedaan, wordt in deze bijdrage de stand van zaken opgemaakt rond de ontwikkeling van digitale edities. Omdat het epu de context van dit betoog vormt, is een korte typering van het project wenselijk. Binnen het epu worden met subsidie van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (nwo) bundels met Nederlandstalige liefdesemblemen gedigitaliseerd. Die bundels verschenen tussen 1600 en 1725, en zijn zowel profaan als religieus van aard.1 De opbrengsten van het project - ruim 1700 emblemen verspreid over goed doorzoekbare edities van vijfentwintig bundels - worden op het internet gepubliceerd (emblems.let.uu.nl).

Leidende vraag van deze bijdrage is: wat mag van een wetenschappelijke digitale editie verwacht worden? De oplossing voor dit editiewetenschappelijk probleem is gelegen in het definiëren van standaarden voor het editietype ‘digitale editie’. Net als bij papieren edities het geval is, zullen deze standaarden niet tot volledige uniformering leiden. De ene studie-editie is de andere niet, maar er bestaat wel overeenstemming over criteria op basis waarvan dit editietype gemaakt en beoordeeld kan worden. Een dergelijke situatie is ook wenselijk voor digitale editietechnieken. In internationaal verband zijn hiertoe al enkele pogingen ondernomen. Edward Vanhoutte heeft vanuit het Vlaams Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudie diverse bijdragen aan deze discussie geleverd,2 en onlangs zijn ook vanuit Duitsland voorstellen geformuleerd.3 Vanuit

[p. 150]

epu-ervaringen wil ik hier kanttekeningen bij plaatsen. Om het oude boek in het digitale tijdperk een nieuw leven te bieden, dient de editiewetenschap te moderniseren en enkele traditionele waarden los te laten en nieuwe te verwelkomen. Als we de Nederlandse (en Duitse) situatie als uitgangspunt nemen, dan zouden ervaringen zoals opgedaan in het epu er toe moeten leiden dat Marita Mathijsens Naar de letter aangevuld wordt met een deel dat specifiek over de digitale editie gaat.

Eerste vereiste: de digitale editie is ook onderzoeksinstrument

Een eerste vereiste van een wetenschappelijke, digitale editie is dat deze naast tekstuitgave ook onderzoeksinstrument is. Een voorbeeld uit het epu illustreert wat deze vereiste in technisch en inhoudelijk opzicht impliceert. In het kader van het epu wordt onderzoek gedaan naar de wisselwerking en verknoping van religieuze en profane elementen in de liefdesemblematiek.4 Na de eerste Nederlandstalige liefdesembleembundel die rond 1601 op de Nederlandse boekenmarkt kwam, Daniel Heinsius' Quaeris quid sit amor (de bundel ging vanaf de herdruk in 1607/8 Emblemata amatoria heten5), verschenen er zowel in Noord- als Zuid-Nederland andere bundels die qua inhoud, en zelfs in titel, sterk aan Heinsius' voorbeeld deden denken: Amorum emblemata van Otto Vaenius in 1608, Emblemata amatoria van Pieter Cornelisz. Hooft in 1611.6 De emblemen in deze bundels zijn profaan van aard en hebben een petrarkistische inslag: de mannelijke personages die erin voorkomen worden voorgesteld als geduldige minnaars, die zwaar te lijden hebben onder de grillige nukken van de vrouwen die ze aanbidden. Het huwelijk wordt in deze bundels nadrukkelijk onder de aandacht van de lezers gebracht als einddoel en bestemming van de liefde tussen man en vrouw.

In 1615 verscheen in Antwerpen een liefdesembleembundel met religieuze inslag, Amoris divini emblemata van Otto Vaenius. In deze religieuze pendant van zijn Amorum emblemata verving Vaenius Cupido door ‘Amor divinus’. De emblemen geven nu geen lessen meer over de aardse liefde, maar sporen aan tot bezinning en verdieping van de menselijke gevoelens jegens God. Duidelijk is dat vanaf 1615 kruisbestuiving plaatsvond tussen de profane en religieuze bundels die daarna verschenen. Dankzij het indexeren van beeldmotieven en het ontwikkelen van concordanties zoals dat in het kader van het epu is gedaan, is echter minder duidelijk of Vaenius' Amoris divini emblemata tot op heden terecht als de eerste religieuze liefdesembleembundel wordt gezien.

Wat blijkt namelijk bij indexering van woord en beeld van het epu-materiaal het

[p. 151]

geval? Hieronder staan twee picturae uit Heinsius' Emblemata amatoria, behorende bij het zeventiende embleem uit die bundel met als motto ‘Ni mesme la mort’ [‘Zelfs de dood niet’].



illustratie

pictura ‘Ni mesme la mort’, 1607/1608
graveur J. de Gheyn




illustratie

pictura ‘Ni mesme la mort’, 1616
graveurs M. Le Blon/S. vande Passe, c. 1615


Links is de pictura afgebeeld zoals die in de edities 1601 en 1607/8 is opgenomen, rechts staat de bewerking van die gravure uit de herdruk van de Emblemata amatoria uit 1616 waarvoor nieuwe gravures werden gemaakt door Michel Le Blon en Simon vande Passe.7 De gravure uit 1616 is gespiegeld, maar verder hebben Le Blon en Vande Passe duidelijk naar De Gheyns voorbeeld gewerkt. Cupido staat in dezelfde houding afgebeeld, en de met wijnranken omgroeide boom is in beide gevallen een kale, vermolmde plataan - zoals ook te lezen is in het Latijnse onderschrift bij de pictura.8 Toch is er ook sprake van een verandering. Bij Le Blon en Vande Passe staat de boom nog iets schever, en oogt zodoende in grotere staat van verdorring. En ook is in 1616, precies onder een druiventros, in de achtergrond een kerk toegevoegd.

In de digitale edities die binnen het epu voor beide edities van de Emblemata amatoria zijn gemaakt, zijn transcripties van de teksten te vinden die bij het embleem horen en wordt gewezen op de mogelijke herkomst van het idee dat Heinsius in dit embleem uitwerkt. In deze opzichten verschilt een digitale editie niet van een papieren tegen-

[p. 152]

hanger.9 Afwijkend is echter dat een digitale editie zoals die in het epu-kader is gemaakt, de gelegenheid biedt om het kerkje te vinden dat op de nieuwe pictura van ‘Ni mesme la mort’ te zien is, door in het zoekscherm van de epu-site het woord ‘church’ in te vullen. Doordat alle bundels geïndexeerd zijn op pictoriale motieven (in de Engelstalige codering die wordt geleverd door Iconclass), komt het Heinsius-embleem als zoekresultaat van een zoekactie op ‘church’ tevoorschijn. Zou Heinsius de kerk ook in het tekstuele gedeelte van het embleem hebben opgenomen, dan zou in de concordanties op ‘kerk’ of ‘kerck’ gezocht kunnen worden of op figuurlijke varianten op dit woord.

Dat zoeken vergt enige inventiviteit van de kant van degene die zoekt, en zorgvuldigheid van degene die de indexering verricht (zo wordt de kerk in de nieuwe pictura van ‘Ni mesme la mort’ gemakkelijk over het hoofd gezien), maar de computer levert volledige zoekresultaten voor elke ingevulde zoekterm.10 Deze kerk laat zien dat er al voor 1615, voor het verschijnen van Vaenius' Amoris divini emblemata dus, sprake was van het religieuzer worden van de profane liefdesemblematiek. In de herdruk van 1616 verschenen in vijf van de vierentwintig emblemen uit de editie 1601 van Heinsius' Emblemata amatoria kerktorens en -gebouwen in de achtergrond. Bovendien bracht Heinsius in 1613 een nieuwe serie liefdesemblemen onder de titel Ambacht van Cupido uit waarin kerken een prominente rol spelen. Aan het embleem ‘Exitus in dubio est’ [‘De uitkomst is onzeker’] uit Ambacht van Cupido is de functie van de kerk in de achtergrond wel heel duidelijk af te lezen. We zien twee dobbelende Cupido's, met midden tussen hen in een kerkgebouw dat een tegenwicht moet bieden aan de minder stichtende bezigheden op de voorgrond.



illustratie

pictura ‘Exitus in dubio est’, 1615/1616
graveurs M. Le Blon/S. Vande Passe, c. 1615


[p. 153]

De indexering op pictoriale motieven, alsmede concordanties en andere zoeksystemen die full-text search faciliteren, maken het gedigitaliseerde boek tot een editie én onderzoeksinstrument. Die twee functies werden in het papieren tijdperk nooit zo goed geïntegreerd. Voordat de computer zijn intrede deed, waren tekstuitgaven en zoekindexen in bijvoorbeeld het embleemonderzoek strikt van elkaar gescheiden. Enerzijds verschenen er diverse reeksen met facsimile, studie- en leesedities van embleembundels, anderzijds werden handboeken gecomponeerd als A. Henkei en A. Schönes Emblemata. Handbuch zur Sinnbildkunst des xvi. und xvii. Jahrhunderts. Dit toonaangevende werk, voor het eerst gepubliceerd in 1967, bevat zeer bruikbare indexen van beeldmotieven, maar heeft een beperkte reikwijdte. Van de vijfentwintig bundels uit het epu-corpus komen er bijvoorbeeld maar vijf bij Henkel en Schöne voor, en bovendien zijn de teksten van de embleembundels die wel zijn opgenomen, niet integraal bij de indexering betrokken.11

Na Henkel en Schöne nam Peter Daly het initiatief om een tekst-én beeldindex van de Europese emblematiek te maken. Van Daly's Index Emblematicus12 is een aantal delen verschenen, maar het project had om praktische redenen weinig kans van slagen. Was een bundel eenmaal in de indexen opgenomen, dan konden geen wijzigingen in de indexering meer worden gemaakt. En hoe viel te voorkomen dat het zoeken van een motief leidde tot een zoektocht door alle delen van de Index, omdat elk deel slechts materiaal uit een beperkt aantal bundels bevatte? Toen digitaliseren een optie werd, verliet men het Index-idee. Daly zelf toonde zich in 2002 in zijn studie Digitizing the European emblem: issues and prospects nog somber over de mogelijkheden om met de computer op te lossen wat op papier niet gelukt was. Hij zag vooral problemen rond het bereiken van overeenstemming over te gebruiken technieken en indexerings- en coderingsvoorwaarden. Bij het indexeren wordt immers altijd geïnterpreteerd, en die interpretatie stuurt de zoekmogelijkheden in de digitale omgeving.

Met moderne technieken - codering in eXtensible Markup Language (xml) aan de hand van coderingsvoorstellen van het Text Encoding Initiative (tei) en het Open Archive Initiative (oai) - zijn de technische bezwaren inmiddels ondervangen. Er zijn grote samenwerkingsprojecten tot stand gekomen tussen emblematici uit Amerika, Spanje, Groot-Brittannië, Duitsland, Italië, Nederland, België en Canada.13 Zo zijn de digitale gegevens van verschillende groepen onderzoekers op het internet verenigd in het Open Emblem Portal,14 waarbinnen grote corpora op zowel tekst- als beeldmotieven te raadplegen en te doorzoeken zijn.

Het lijdt geen twijfel dat een dergelijke grootschalige aanpak ook voor ander letterkundig onderzoek bruikbaar en wenselijk is. Wordt een digitale editie met dergelijke zoekmogelijkheden ingericht, dan faciliteert deze bijvoorbeeld onderzoek dat onder de

[p. 154]

noemer ‘text mining’ wordt verricht. Het gaat in dat soort onderzoek om het leggen van verbanden, en het langs die weg oplossen van vraagstukken over bijvoorbeeld het auteurschap en de datering van teksten. Hiervoor is vooral programmatuur nodig die om kan gaan met de betekenis van teksten, en dus met het probleem dat analyseren en indexeren ook interpreteren inhoudt.15 De volledige openheid van zaken die codering van het materiaal in een markup-taal als xml biedt, biedt in zoverre een uitweg dat het interpretatieve werk traceerbaar en controleerbaar wordt. Maar er blijft op dit punt nog veel te wensen over, aldus Shlomo Argamon en Mark Olsen, twee pioniers op het gebied van de toepassing van de computer in letterenonderzoek: ‘Thus, a fundamental task to be addressed by a new humanities/computing collaboration is the identification and explication of implicit links, along with development of effective interaction modes - a new generation of “knowledge browsers”.’16

Idealiter leidt het zoeken van elke gebruiker tot groter inzicht in het materiaal. Zoekresultaten, en conclusies op basis van die zoekresultaten, zouden aan een digitale editie toegevoegd moeten kunnen worden om weer door volgende bezoekers doorzocht en geraadpleegd te kunnen worden als annotatie, commentaar of als onderdeel van de inleiding. Het toevoegen van informatie door derden moet natuurlijk gecontroleerd gebeuren, en daarvoor zijn inmiddels tools in de maak als Editor, een ‘editiemachine’ die door het Huygens Instituut ontwikkeld wordt om digitale edities te annoteren.17 De editeurs hebben de taak om in een digitale omgeving een stapeling en scheiding van verschillende informatielagen te creëren. Digitale edities van vandaag kunnen morgen aangevuld worden met nieuwe gegevens op basis van bijvoorbeeld bronnenonderzoek of vertaalarbeid.18 De editeur blijft eigenaar van het eigen werk, maar kan dat - zoals dat binnen het epu gebeurt - ook vrijelijk ter beschikking stellen aan anderen.19

In een digitale editie verschuiven onderzoeksmogelijkheden van degenen die edities maken naar degenen die edities gebruiken. Daar komt bij dat de onderzoeksresultaten toegankelijk zijn voor iedereen, en ook door grote aantallen gebruikers worden gevon-

[p. 155]

den. De epu-site bijvoorbeeld trok tussen 2003 en 2005 jaarlijks zo'n 140.000 belangstellenden, en dit jaar lijken er dat er nog veel meer te worden.

Tweede vereiste: de digitale editie is duurzaam

Digitale edities lijken ongrijpbaar en vluchtig als gevolg van het feit dat ze nieuwe onderzoeksresultaten moeten kunnen voortbrengen en incorporeren, maar zijn dat toch niet. Ze zijn duurzaam, zij het op een andere manier dan hun papieren tegenhangers. Van de edities in de reeks Monumenta Literaria Neerlandica zijn op korte termijn geen verbeterde herdrukken, laat staan compleet nieuwe edities van eerder opgenomen teksten in die reeks te verwachten. De delen zijn het eindproduct van jarenlang intensief onderzoek, en van hun statische aard gaat een canoniserende werking uit.

Digitale edities zijn standvastig en duurzaam als ze gebaseerd zijn op internationaal geaccepteerde, platformonafhankelijke technische standaarden. Alleen op die manier kunnen ze de op- en neergang van specifieke hard- en software doorstaan en ook in de toekomst hun waarde houden. Om die reden is voor het epu gebruik gemaakt van xml, tei en oai. Sinds instanties als de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (dbnl) en het Huygens Instituut zich richting digitale edities begeven, worden duurzame technische en coderingsstandaarden in Nederland breder verspreid en gebruikt.20

Hoewel het gebruik van deze technieken steeds eenvoudiger wordt - onder meer doordat het ontstaan van standaarden veel uitzoekwerk scheelt, en doordat xml-editors steeds talrijker en handiger worden -, kost het maken van een digitale editie veel (codeer)werk. Binnen het epu heeft dit tot de beslissing geleid te snoeien in de traditionele editeurstaken. Zo wordt bijvoorbeeld, vanuit de gedachte dat het internet ruimte biedt aan een veelvoud van initiatieven zoals het epu, niet gecollationeerd. In een klein aantal gevallen kon dat ook niet, omdat met unica werd gewerkt of met exemplaren van bundels die te strak ingebonden waren om gedigitaliseerd te worden. Waar de keuze er wel was, is collationering toch vaak achterwege gelaten in de verwachting dat anderen uitgaven van andere exemplaren van bundels uit het epu-corpus op het internet zullen plaatsen, en exemplaarvergelijking langs die weg in de toekomst mogelijk wordt.

Een uitdijende digitale werkomgeving kan alleen tot stand worden gebracht als alle betrokkenen duurzame standaarden hanteren. Scan- en codeerwerk dat eenmaal verricht is, blijft dan bruikbaar.

Derde vereiste: de digitale editie wordt geflankeerd door digitale archieven

Om een werkomgeving te creëren waarin een digitale editie kan ontstaan en groeien, moeten er digitale archieven worden ingericht. In die archieven vindt een editeur bronnen en vergelijkingsmateriaal, bruikbaar voor het analyseren, coderen en interpreteren.

[p. 156]

Het onderscheid tussen ‘digitale editie’ en ‘digitaal archief’ is door de editiewetenschapper Sahle als volgt gedefinieerd:

‘Die historisch-kritische Edition basiert unter Umständen auf Archivmaterial. Das ist zunächst die einzige Verbindung zwischen beiden Begriffen. Das Archiv enthält originale, unverarbeitete Dokumente; es stellt - von den Erschließungsmitteln zu den Dokumenten abgesehen - keine Texte her und ist selbst keine Veröffentlichung. Die Edition dagegen ist die Realisierung eines Textes, dessen Spuren sich in den Dokumenten finden. Die Edition ist kein Speicher, sondern die Publikation eines Textes und der Arbeit an diesem Text.’21

De term ‘digitaal archief’ zou volgens deze definitie gehanteerd kunnen worden voor bijvoorbeeld de digitaliseringsprojecten van de Herzog August Bibliothek in Wolfenbüttel. Die bibliotheek toont scans van de originelen zo getrouw mogelijk, volledig, en met liniaal naast de afbeeldingen om de ware grootte van de afgebeelde objecten aan te geven.22

Hoewel de tendens lijkt te zijn af te zien van dergelijke ‘eenvoudige vormen’ van digitaliseren,23 omdat de getoonde scans niet zo goed doorzoekbaar zijn als full-text publicaties en gecodeerde en geïndexeerde bestanden, tonen epu-ervaringen dat de archieven zeer bruikbaar zijn. Tegen relatief lage kosten komen op grote schaal documenten ter beschikking die de editeur zeer goed verder helpen, en die bezoekers van de site in staat stellen hun eigen onderzoek te vervolgen en te verdiepen.

Alvorens in te gaan op de vraag of daarmee het onderscheid tussen ‘digitale editie’ en ‘digitaal archief’ volledig duidelijk is, komt eerst de naamgeving aan de orde. Waarom worden publicaties als die van de Herzog August Bibliothek ‘digitale archieven’ genoemd, en niet ‘facsimile-edities’? Het lijkt verwarrend om nieuwe terminologie voor bestaande editie-typen te introduceren. Maar dat is het niet. In een digitale omgeving is een facsimile-editie vrijwel nooit gelijk aan wat als papieren facsimile is gedefinieerd. Zo digitaliseren bibliotheken vrijwel uitsluitend eigen exemplaren. Dat betekent dat aan hun digitale presentatie geen analytisch-bibliografisch onderzoek of collationering voorafgaat, zoals wenselijk is in het geval van een traditionele facsimile-editie. Nu is in de editiewetenschap ook de term ‘facsimile-uitgave’ voorhanden,24 maar ook die term is voor publicaties van scans onbruikbaar. Weliswaar wordt daarmee het ontbreken van bibliografisch onderzoek in de naamgeving aangeduid, maar met die term blijven de vele extra's (inzoommogelijkheden bijvoorbeeld) onvermeld.

[p. 157]

Nieuwe termen zijn dus nodig, maar ook duidelijkheid over het verschil tussen de diverse digitale publicatievormen. Waar liggen de grenzen tussen een ‘digitale editie’ en een ‘digitaal archief’? Voor digitale publicaties die tot stand zijn gekomen zonder tussenkomst van een editeur, zou het woord ‘digitaal archief’ gereserveerd kunnen worden. Ook in het geval van geringe tussenkomst van een editeur is die term te gebruiken. Zo leveren bibliotheken soms transcripties van de afgebeelde scans. Daarbij voeren zij geen tekstcorrecties uit, maar abstraheren ze wel van typografische bijzonderheden. De gebruiker kan immers de afbeeldingen van het originele boek raadplegen om te weten hoe een tekst precies op een pagina afgedrukt is.25 Er ontstaan transcripties die noch diplomatisch noch kritisch genoemd kunnen worden.26 Andere bibliotheken kiezen voor een transcriptiemethode waarvoor in de traditionele editiewetenschap geen terminologie voorhanden is: ‘Alle digitale werken kunnen bekeken worden als images (als afbeeldingen van het origineel). Een deel van de pagina's is computerleesbaar gemaakt. Deze automatisch gegenereerde teksten bevatten fouten’, staat in het colofon van digitale publicaties van de Universiteitsbibliotheek Utrecht te lezen.27

Voor het digitale archief is, anders dan voor de digitale editie, de eis van volledigheid wel relevant. Om een voorbeeld te geven van het soort vraagstukken dat op een oplossing wacht: de laatste pagina van een door de Universiteitsbibliotheek Utrecht gedigitaliseerd pamflet, Advertissement et conseil au peuple des Pays Bas,28 laat duidelijk zien dat er op de achterzijde van deze recto ook tekst staat. In de verantwoording van de digitale uitgave is nergens terug te vinden wat die tekst kan zijn. Doorbladeren vanuit dit ene pamflet naar het andere - die tekst zal immers wel van een ander pamflet zijn - kan niet door de navigatiebeperkingen die de site biedt. Moet in zo'n geval de bibliografische informatie vollediger zijn of moet, radicaler dan dat, besloten worden nooit delen van collecties/convoluten/bundels te digitaliseren, ook als die delen pas ver na het ontstaan van de afzonderlijke teksten tot stand zijn gekomen?

Vierde vereiste: de digitale traditie maakt optimaal gebruik van digitale media

Een vierde vereiste van een digitale editie is dat het gebruik van digitale media (in veel gevallen zal dat het internet zijn) geoptimaliseerd is. Een voorbeeld uit het epu illustreert welke consequenties ‘optimaal gebruik van het internet’ kan hebben. Zoals al lan-

[p. 158]

ger bekend is in de psychologie,29 stuurt de eerste indruk die mensen opdoen het latere, breder georiënteerde oordeel. Een goede eerste indruk dringt latere ervaringen naar de achtergrond, ook als die minder positief zijn dan de eerste indruk. Dit verschijnsel, dat bekend staat als ‘confirmation bias’,30 doet zich ook voor als gebruikers een website bezoeken. In vijftig milliseconden wordt een eerste oordeel over een website gevormd, bepalend voor een inschatting van de kwaliteit en bruikbaarheid ervan.31

Wie een digitale editie op het internet plaatst, heeft met dit verschijnsel rekening te houden. Kleurgebruik en lay-out dienen aangepast te zijn aan gebruikersverwachtingen, en ook de navigatie van een pagina moet zich daar bevinden waar gebruikers die verwachten. Voor westers georiënteerde bezoekers is dat de boven- of linkerkant van het scherm.32 In het ontwerp van de epu-site is hiervan gebruikgemaakt door links van het specifieke embleem dat getoond wordt, steeds de context van de embleembundel in de navigatiebalk weer te geven door een rij picturae en motti te tonen:

illustratie

Door de aanwezigheid van navigatie biedt een digitale editie vrijwel nooit een op zichzelf staande presentatie van de brontekst zoals die bijvoorbeeld in de reeks Monumenta Literaria Neerlandica wel wordt gerealiseerd doordat elke editie een apart deel voor de tekst heeft. Een dergelijke indeling zou op een internetpagina tot een pagina leiden die door bezoekers niet in één blik wordt doorgrond, en dus negatief wordt beoordeeld.

[p. 159]

Conclusie

Het is duidelijk dat het publiceren op het internet aanpassing en uitbreiding van editiewetenschappelijke standaarden vraagt. Om de mondiale reikwijdte en flexibele aard van digitale media te benutten, zal zelfs een aantal uitgangspunten dat voor de historisch-kritische editie onwrikbaar leek, aangepast moeten worden. Belangrijkste verandering is het loslaten van het streven naar volledigheid. Een digitale editie is nooit af, en dat is het sterke punt van deze vorm van editeren.

De mogelijkheid een dergelijke site van een educatieve ingang te voorzien, is een sterke troef in het spel om de aandacht van toekomstige generaties van lezers. Materiaal dat eenmaal gedigitaliseerd is, kan niet alleen in het onderzoek maar ook in het onderwijs worden ingezet. Binnen het epu hebben we hier wat eerste ervaringen mee opgedaan. Op de homepage is niet alleen de ingang naar de digitale edities te vinden, maar staan ook links naar educatieve toepassingen van de site.33 Als we een jong publiek willen interesseren voor het oude boek, dan heeft een dergelijke onderwijstoepassing op het internet grote waarde. Digitale media bieden veel ontsluitingsmogelijkheden ((bewegend) beeld, tekst, geluid), sluiten aan bij gewoonten van jongeren en bieden nieuwe didactische mogelijkheden, zoals directe feedback en beoordeling van antwoorden middels technieken als PhP of Cocoon.34

Het proces van digitalisering is weliswaar tijd- en geldrovend, maar als het goed en duurzaam gebeurt, met de juiste keuzes voor bestandsformaten en codeertalen en vanuit de juiste editieprincipes, zijn deze investeringen eenmalig en voor meerdere doeleinden aan te wenden.35 Waar we aan moeten wennen is het idee dat een editie een stapel bouwstenen wordt, waarmee iedere editeur in de toekomst zijn museum kan inrichten, en waaraan bezoekers ook zelf mee kunnen bouwen.

[p. 160]



illustratie

Paul van Ostaijen, een screenshot uit de animatie van ‘Bezette stad’, door Len Dumont.