Libertinage. Jaargang 4


auteur: [tijdschrift] Libertinage


bron: Libertinage. Jaargang 4. G.A. van Oorschot, Amsterdam 1951  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Antwoord op Vlaamse blaam en Stuivelings huivering.

Wij schrijven gaarne met de illusie voor goede verstaanders te schrijven. Dat is prettig, veel prettiger dan alles te moeten bezwaren met eindeloze verklaringen, welke waarde wij dan wel aan dit of dat woord hechten etc. daarbij de mogelijkheden tot verkeerd verstaan weer rijkelijk vermenigvuldigende. Het is ook prettiger te spreken of men met enige vrienden in een kamer zit dan of men een zaal onbekenden toespreekt. Wij zullen dus bij deze illusie volharden. De illusie houdt ook wel stand, omdat men practisch nooit enige reactie te horen of te zien krijgt.

Nu verkeren wij in de vreemde toestand, dat wij aangevallen worden om iets dat wij alleen maar geschreven hebben. Wij hadden waarlijk niet gedacht, dat het geschreven woord zoveel invloed had. Maar wij hadden dan ook de euvele moed om te wijzen naar een van de meest explosieve cultuurbestanddelen van Europa, namelijk de Vlaamse taal. En o misdaad, wij deden dit schertsenderwijs, als zaten wij in een kring van vrienden, die aan ‘augurenknipoogjes’ en sous-entendus genoeg had.

Zo bereikte ons dan de reactie van een kampioen slechtverstaander, en wel een Nederlander. Het is de heer Stuiveling, die blijkbaar een huivering kreeg bij de gedachte, dat mogelijkerwijs een teergevoelig Vlaming

[p. 479]

pijnlijk aangedaan zou worden. Volgens zijn schrijven hebben wij beweerd, dat het Vlaams een taal is, ‘geleerd uit een speciale, zij het zeer subtiele grammatica voor krompraten’. In ons artikel stond echter woordelijk: ‘zelfs bij schrijvers als Elsschot en Van Nijlen heeft nog altijd het gevoel, dat hun taal geleerd is uit een speciale, zij het zeer subtiele grammatica voor krompraten’. Dit is geen waarde-oordeel maar wijst er op dat deze schrijvers naar ons inzien in hun taalgebruik het Nederlands het dichtst benaderen. Als wij er nu bijzeggen, dat wij deze beide auteurs zeer bewonderen, zal men misschien gaan geloven, dat wij dit doen, omdat zij zo braaf hun best doen Nederlands te schrijven. Ons antwoord is dan: ‘geenszins, Elsschot en Van Nijlen hebben wel wat beters te doen; wat zij schrijven rechtvaardigt zich te allen tijde, ook al schreven zij een van die Vlaamse dialecten die men eerst moet leren.’ Het ‘zuivere Nederlands’ laten wij gaarne den schoolmeesters als prooi of ideaal.

Wat was nu het geval. Wij bespraken de indruk van onwezenlijkheid, die vele Belgische zaken op vele Nederlanders maken. Als persoonlijke voorbeelden willen wij hier geven de achterstevens van Belgische binnenschepen, de fantastische taarten die er op sommige plaatsen voor huizen doorgaan en de brede, vierkante tramwagens. Maar meer dan deze persoonlijke indrukken treft toch de taal van het Vlaamse deel van België, die voor een Nederlander vreemder is dan enige andere taal ter wereld. En dit is niet moeilijk te verklaren. Wij lezen Vlaams als Nederlands en juist daarom denken wij er automatisch het Nederlands naast, zodat het steeds lijkt alsof de auteur ‘er naast’ is. Bij meer afwijkende talen, die men leren moet bestaat dit parallel denken niet. Het lijkt ons echter onvermijdelijk zolang men of Vlaams of Nederlands tot moedertaal heeft.

Een waarde-oordeel spraken wij pas uit over het werk van Felix Timmermans, dat wij zeer laag en dat van Emile Verhaeren, Maurice Maeterlinck en Georges Rodenbach, dat wij vrij laag stellen (de laatste drie auteurs vallen evenwel geheel buiten het kader van deze bespreking). En dan ook over de roman ‘De man die zijn haar kort liet knippen’ van Johan Daisne. Ondanks de ophelderingen van de heer Stuiveling in ‘het boek van nu’ is ons oordeel over dit boekje hetzelfde gebleven. Wat interesseren ons de door Daisne aan een waanzinnige toegedichte hallucinaties, die Daisne als een legpuzzle samen past tot een kitschig verhaal, wanneer hij voor geen van beiden ons een reden kan geven. Alle romans zijn ten slotte ‘litteraire hallucinaties’ en déze slikken wij niet, vanwege de onduidelijkheid, het onhygiënische woordgeknoei en de afschuwelijke lengte.

Sindsdien zijn ons twee knipsels uit een Belgisch blad, genaamd ‘Vooruit’, toegestuurd en wij moeten constateren, dat wij hier veel aangenamere en intelligentere tegenstanders hebben. Een van dezen valt ons voornamelijk aan over litteraire aangelegenheden. Ook hij schuift het ons in de schoenen, dat wij Elsschot en Van Nijlen laten krompraten, wat dat betreft, zie boven. Onze panegyriek op het Vlaamse proza, die Stuiveling blijkbaar gemist heeft, heeft hij gelezen. Wat hij over Joris Vriamond zegt, lijkt ons een Vlaams augurengrapje en, voorlopig tot eventuele nadere uitleg, durven wij ‘de exploten van Tabarijn’, een ‘dom’ verhaal te blijven noemen.

Van de voortreffelijkheid van Daisne's ‘man’ is deze tegenstander min-

[p. 480]

der overtuigd dan Stuiveling, maar hij beweert dat ‘vele romans die in het Noorden opgang maken’ beneden ‘De man’ staan. Deze woordkeus is niet erg gelukkig. Het is toch waarlijk geen kunst om Ciske de Rat en aanverwante papierknaagdieren te overtreffen. De romans van Ter Braak en Marsman, die hij later noemt, hebben hier toch werkelijk geen ‘opgang gemaakt’. Hij haalt evenwel de legende van de ‘mislukte’ romans van Ter Braak, die jarenlang zo gaarne aan haardvuur en microfoons verteld werd door stoere liefhebbers van boerenromans en andere onfrisse zaken, weer op. Het antwoord hierop kan alleen maar zijn: velen mochten willen dat ze zo konden mislukken, en dat geldt ook wel in hoge mate voor Daisne.

Een ding nemen wij deze tegenstander wel kwalijk, namelijk de aantijging ‘dat Lehmann zich over zijn landgenoten niet zo kleinerend zou durven’ uitlaten. Laat hij daarover gerust zijn, wij durven onszelf wat dat betreft als een voorbeeld van onpartijdigheid te stellen.

Onze tweede Vlaamse tegenstander, die wij weer naar het begin van dit antwoord verwijzen, begint een tegenaanval op taalkundige gronden. Hij laakt namelijk het verkeerde gebruik van Franse woorden door Nederlanders. Wij kunnen het alleen maar met hem eens zijn (al hebben wij een bustehouder door een Nederlander nooit ‘choutjen’ horen noemen) maar vinden dit eigenlijk weinig interessant, verkeerd gebruikte leenwoorden komen in alle talen voor, waarom zouden wij nu juist zo schoolmeesterlijk puriteins zijn.

In ons eerste artikel hebben wij ook durven suggereren dat ondanks de Benelux Nederlanders en Belgen niet gedurig bezig zijn elkaar stamelend van ontroering in de armen te vallen. Wij hebben ieder echter vrij willen laten in het epitheton, dat hij de Belgen wil toevoegen. De open plaats die wij daarvoor lieten, is daarna door de zetter gefixeerd op 3 puntjes, onze Vlaamse tegenstanders hebben dit beiden geïnterpreteerd als ‘rotbelgen’, dit is, zoals reeds aangeduid, geheel buiten onze verantwoordelijkheid. Eén suggereerde, dat wij dit woord niet zouden durven schrijven. Onze moed is blijkbaar grenzeloos, want wij durven het best als wij het nodig vinden.

Voor mensen die nu weer boos willen worden, wijzen wij er op, dat wij steeds gesproken hebben over Nederlanders inplaats van Noord-Nederlanders, zoals sommige menen te moeten zeggen en schrijven. Wij geven de redactie van ‘Libertinage’ volkomen vrijheid aan ieder ons adres te verraden en willen desgewenst een deputatie boze Belgen te woord staan op het perron te Esschen. Stuiveling mag daar echter niet heen om hen te helpen, aangezien dat flauw zou zijn. Hem willen wij dan wel weer ontmoeten te Roozendaal, als wij tenminste levend terugkomen.

 

L.Th. Lehmann