Literatuur. Jaargang 21


auteur: [tijdschrift] Literatuur


bron: Literatuur. Jaargang 21. Amsterdam University Press, Amsterdam 2004


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 4]

[Nieuws]

Geleerd in je moedertaal

Op de universiteit verliest het Nederlands al jarenlang terrein ten gunste van het Engels. Maar hoe is het Nederlands eigenlijk in het wetenschappelijk debat doorgedrongen? Binnenkort start Geert Warnar een onderzoeksproject bij Pallas, het onderzoeksinstituut van de Leidse letterenfaculteit. Gedurende vijf jaar bestuderen drie onderzoekers het ontstaan van een geleerdenliteratuur in het Middelnederlands.

Hoezo?

‘Voor mijn Ruusbroec-biografie was ik op zoek naar de context waarin Ruusbroec zijn werk schreef. Dat bracht mij bij de sfeer van geleerden en geletterde geestelijken in de stad: schrijvers als de Antwerpse schepenklerk Jan van Boendale, maar ook de geschoolde predikers uit de bedelorden, en kapelaans als Ruusbroec zelf. Het leek mij dat je die auteurs niet altijd alleen maar afzonderlijk van elkaar moet bestuderen. Het is namelijk interessant dat allerlei auteurs gelijktijdig hun eigen Nederlandse taal ontdekken als een medium dat zich net zo goed leent voor kennisoverdracht en discussie over geloof en moraal als het Latijn van de Kerk en de intellectuele elite. Zo zijn er allerlei Nederlandse afschriften van teksten, afkomstig uit de kringen van bedelordegeestelijken over theologische kwesties. Deels gaat het om nog onuitgegeven materiaal, aan de hand waarvan ik wil laten zien dat al lang voor de zestiende eeuw teksten in de volkstaal een rol konden spelen in sommige vormen van het wetenschappelijk discours.’

Waarom is er niet eerder naar die teksten gekeken?

‘Er is wel naar die teksten gekeken, maar niet om er de ontwikkeling van een geleerde stroming in de literatuur van de Lage Landen mee te beschrijven. Ten onrechte, want juist in de geestelijke teksten zie je al literaire verschijnselen en wetenschappelijke invloeden die in andere genres pas veel later opdoemen. Een goed voorbeeld zijn de teksten van en over Meester Eckhart. In de Nederlanden was er relatief vroeg interesse voor afschriften van zijn preken, maar er circuleerden ook ingewikkeld vormgegeven dialogen waarin deze dominicaanse geleerde als een wijze ten tonele werd gevoerd.’

Geleerdheid voor de ‘gewone man’?

‘In het receptieonderzoek naar wetenschappelijke teksten in de volkstaal wordt nogal gauw gesproken over “vulgarisering” - men beschouwt het dan als gesunkenes Kulturgut. Daarmee krijgen de teksten een zuiver didactische functie toegekend, en worden ze dus niet meer tot de wetenschap gerekend. Ik wil ze nu juist bekijken in het licht van de opkomst van een echte lekencultuur. Onderzoek naar de auteurs die de teksten schreven, laat die ontwikkeling goed zien. Een interessante auteur is bijvoorbeeld een dichter die in de veertiende eeuw onder de naam Augustijnken van Dordt optreedt, en een heel gevarieerd oeuvre aanlegt in het Middelnederlands. Hij schreef naast liefdesallegorieën ook theologisch gefundeerde bijbelexegesen - alles overigens op rijm! - en daarmee beweegt hij zich precies in het grensgebied tussen wetenschap en wereldbeschouwing, dat ik wil onderzoeken.’

Wie schreef ons literaire verleden?

Hooft, Vondel, Bredero, Hadewijch...als we de hoogtepunten uit onze historische letterkunde opsommen, grijpen we in de meeste gevallen terug op de literaire canon zoals die in de negentiende eeuw werd geformuleerd. Ondanks voortschrijdend onderzoek is aan dit onverwoestbare bouwwerk nauwelijks meer iets veranderd.

De canonvorming is volgens Marita Mathijsen, hoogleraar Moderne letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, maar een onderdeel van het ontstaan van een heel literair systeem dat tot op heden nog altijd functioneert. Vanaf september leidt ze een groot onderzoeksprogramma met de titel The construction of the Dutch literary past, dat door NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) aan haar toegewezen is.

‘In de eerste helft van de negentiende eeuw krijgt de literatuur in een tijdsbestek van zo'n dertig jaar een heel andere plaats in de samenleving. Voor het eerst komt er wetenschappelijke aandacht voor de vaderlandse letterkunde. Er ontstaat een literaire geschiedschrijving, oude handschriften worden geëditeerd, en de literatuurkritiek wordt geprofessionaliseerd. Tegelijk wordt in eigentijdse literatuur veel teruggegrepen op historische stof, en ook een genre als de middeleeuwse ballade wordt nieuw leven ingeblazen.’ In het onderzoeksprogramma, dat vijf jaar duurt, wil Mathijsen samen met drie aio's en een postdoc onderzoeken hoe die constructie van het literaire verleden verliep, wie daarbij betrokken waren, en hoe de ontwikkelingen te verbinden zijn met maatschappelijke veranderingen op het gebied van natievorming.

Vragenlijst wekt leesplezier

Begin januari bracht de Stichting Lezen een heugelijke mededeling: vmbo-scholieren willen best lezen! Dat is de conclusie uit een onderzoek op een Vlaamse en een Nederlandse middelbare school voor beroeps- en technisch onderwijs.

Vijftig tweedeklassers kregen van onderzoekster Ineke Guldemond acht fragmenten van jeugdliteraire teksten te lezen, waarna ze vragen moesten beantwoorden over hun emoties bij het lezen van de tekst. Bedoeling van het onderzoek was, te achterhalen in hoe verre emotionele betrokkenheid bij het verhaal of identificatie met de hoofdpersonages van belang is voor het leesplezier, en welke teksten het meest geschikt zijn om dat leesplezier op te wekken. Op de laatste onderzoeksvraag luidde het antwoord, niet verwonderlijk: dat hangt van de leerling af. Identificatie bleek geen noodzakelijke voorwaarde, maar emotionele betrokkenheid bij de gebeurtenissen in het verhaal wel.

Maar misschien wel het belangrijkste resultaat van het onderzoek was, dat het meedoen aan de enquête de leerlingen nieuwsgierig maakte naar de boeken waar de fragmenten uit afkomstig waren. Bij diverse fragmenten gaf bijna de helft van de leerlingen aan wel het hele boek te willen lezen. Favoriet, vooral onder de meisjes, was een fragment van Little Emma van Gerda van Cleemput. Zes weken na de enquête hadden zes meisjes en een jongen het hele boek gelezen, en nog meer klasgenoten hadden het bij de bibliotheek aangevraagd.

[p. 5]

Terug naar de debutanten van '99

Hoe is het Lisa de Rooij, Hagar Peeters, Erwin Mortier, Ayatollah Musa, Rebecca Gomperts en Pauline Slot vergaan sinds zij debuteerden? Op vrijdag 19 maart om 21.05 zendt de nps op Nederland 3 het tweede deel van de documentaireserie Debutanten 1999 uit. Een filmploeg volgde de zes schrijvers in het jaar van hun literaire debuut, en zocht ze vier jaar later opnieuw op. Dit tweede deel draagt de titel Schrijver van beroep, een predikaat dat op sommigen van hen van toepassing blijkt, maar niet op allemaal.

Het is de opzet van het Letterkundig Museum, de hoeder van het project, om de schrijvers de rest van hun schrijversloopbaan te blijven volgen. Ook 34 andere debutanten uit het jaar 1999 worden met tussenpozen van vier jaar geïnterviewd over het verloop van hun schrijfcarrière. Deze interviews worden momenteel bewerkt en toegankelijk gemaakt voor bezoekers van het museum.

 

een langer artikel over dit project verscheen in literatuur 2003-8 en is te lezen op www.literatuuronline.nl.



illustratie

Queeste viert tweede lustrum met congres



illustratie

Mercurius, schutspatroon van de reiziger, MMW 10 A 11, Koninklijke Bibliotheek Den Haag


In april is het precies tien jaar geleden dat het eerste nummer verscheen van Queeste, tijdschrift over middeleeuwse letterkunde in de Nederlanden. Ter gelegenheid daarvan organiseert de redactie op 2 en 3 april aan de Leidse universiteit het congres Vele wegen.

In tien lezingen met onderwerpen als ‘stijl en schoonheid van het Middelnederlands epos’, ‘de performatieve receptie van Middelnederlandse teksten’ en ‘middeleeuwse literatuur in het moderne onderwijs’ komt de actuele stand van het onderzoek aan bod. Het congres sluit af met een forumdiscussie over ‘het vak in de markt’. Een thema dat volgens Queeste-redacteur Janet van der Meulen al bij de eerste plannen voor een congres tot verhitte discussies leidde. ‘We bleken heel verschillend te denken over het soort studies waaraan ons vak werkelijk behoefte heeft. Publicaties die de afgelopen jaren veel aandacht hebben gekregen, zijn voor de uitstraling naar buiten toe van groot belang. Maar welk effect hebben deze beeldbepalende studies binnen het vakgebied?’ Ook over de eisen waaraan nieuwe edities moeten voldoen, zijn de meningen sterk verdeeld: geschikt voor literatuuronderwijs of voor alles bruikbaar voor onderzoek? En verder is er natuurlijk de vraag of de wensen van de specialisten met het oog op de markt wel zo relevant zijn. Over deze zaken gaan de academici op zaterdagmiddag in gesprek met enkele uitgevers.

Van der Meulen benadrukt dat behalve de vakgenoten ook studenten (‘de toekomstige vakgenoten’) en andere belangstellenden zeer welkom zijn. De prijs is dan ook laag gehouden: € 40 voor het hele congres en € 20 voor een dag (voor studenten respectievelijk € 25 en € 15 euro), inclusief koffie, lunch en borrel. Het programma en informatie over aanmelding en inschrijving is al te vinden op www.neder-l.nl. Informatie en aanmelding ook via: c.tenbrink@let.leidenuniv.nl, of tel. 071-5272166.