|
|
|
| |
| | | |
Vivat Oranje hoezee
Straatliederen voor volk en vaderland
Martine de Bruin
God, koningin en vaderland: veel liederen zingen de lof van zulke abstracte maar reëel gevoelde zaken. Juist de vaak laaggewaardeerde liedblaadjes vormen een spiegel van de nationale identiteit. Een peiling naar deze liederen, over Oranje, Neerlands bloed en de stem des volks, laat zien wat de mogelijkheden zijn nu het straatlied goed in kaart is gebracht en toont vooral hoe veelzijdig het materiaal is.
Het straatlied was nooit erg hoog gewaardeerd. Dat wil zeggen: de burgerij en culturele elite waardeerden het - althans in naam - niet. Door alle eeuwen heen wordt geklaagd over gerijmelde, onwaardige liedjes met platte onderwerpen en over de stemmen van de zangers die ze ten gehore brachten. Toch bestaat er ook waardering voor de oorspronkelijkheid van de straatzang. Wat dat betreft hangt het begrip straatlied samen met het volkslied. Ook daaraan zijn in de loop der eeuwen verschillende invullingen gegeven, die botsen of juist overeenkomen met het straatlied. Over het algemeen wordt het straatlied gerekend tot de stem des volks, de vox populi. Maar kunnen we erop vertrouwen dat de liedjes werkelijk een betrouwbare bron zijn van wat het volk vond en zong? Dit is een moeilijke vraag. Ik wil een poging wagen deze te beantwoorden aan de hand van een voorbeeld: het vaderland. Het komt in alle liedsoorten aan bod en laat de verschillende mogelijkheden van het liedonderzoek goed zien. Ik wil de meest tastbare gedaante van het straatlied - namelijk de liederen waarvan we weten dat ze op straat werden verkocht en waarvan we het papieren residu nog bezitten - leggen naast de verschillende beschrijvingen van het volks- en straatlied. Hoe waardevol is dit materiaal, en hoe uniek? En wat kunnen we er nu mee?
J.G. Herder was de eerste die aan het einde van de achttiende eeuw invulling gaf aan het woord volkslied. Voor hem was het een mooi, bekend, anoniem, mondeling overgeleverd, oud lied in de volkstaal, dat afkomstig was uit een gouden verleden van natuurlijke harmonie en waaruit de oorspronkelijke volksziel naar voren kwam. Deze liederen moesten worden opgetekend voor het nageslacht en dienden als inspiratiebron in de muzikale praktijk van die dagen. Herder zette dit romantische beeld van het lied tegenover het onesthetische geblèr dat hij dagelijks op straat hoorde. Hiernaast is er een volksliedopvatting die niet uitgaat van ‘het volk’ als vormer van een natie, maar als sociale categorie. Esthetische of normatieve overwegingen spelen hierbij geen rol: alles wat door het volk wordt gezongen - dus ook het straatlied - is volkslied. Naast deze liedjes dóór het volk zijn er ook nog andersoortige, bijvoorbeeld vanuit verlichtingsidealen (denk aan de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen in de late achttiende eeuw) vóór het volk geschreven. Deze liedjes waren bedoeld om de volkszang te verbeteren, en ook om burgerlijke en morele deugden aan te leren. Deze lijken nogal te botsen met het beeld dat wij hebben van de straatzanger en zijn praktijk. Welke liederen vinden we nu terug op de bladen? De liedjes van het volk of die voor het volk?
| |
Neerlands Bloed Verspreid
In de duizenden liedjes uit de grote stapels liedbladen vinden we een keur aan bezongen onderwerpen, van de liefde, mode en lippenstiften tot venijnige politiek en gruwelijk nieuws. Bij het straatlied denken we vaak aan lekker volkse, sentimentele, gruwelijke en platte teksten, en zeker niet aan een veel bezongen onderwerp dat anno 2004 erg truttig en burgerlijk lijkt te zijn en nauwelijks past in ons beeld van de straatzang: het vaderland, in de breedste zin van het woord. We komen het op diverse manieren en in
| | | | verschillende gedaantes tegen: beschrijvingen van oorlogen en veldslagen, afscheidsliederen van matrozen, spot-liederen op vreemde heersers, of lofliederen op de vorst of het land zelf.
Hierin zijn de liedbladen bepaald niet uniek. Ook uit andere bronnen kennen we uit vele eeuwen aardig wat vaderlandse liedjes. De bulk van het materiaal komt uit de negentiende eeuw, door de toenmalige enorme productie van de drukpers. Maar minstens even belangrijk is dat het begrip natie en nationale identiteit pas met de Romantiek tot wasdom kwam. Toen groeide ook de belangstelling voor het eigen verleden. Dit geldt vooral voor dichters die hoger op de maatschappelijke ladder stonden dan de uitzetters van de blaadjes. Een voorbeeld is de Amsterdamse arts J.P. Heije, die beroemd werd met liedjes als De Zilvervloot (Piet Hein), op muziek van J.J. Viotta. Heije was zeer geïnteresseerd in de volksgezondheid en -opvoeding en schreef in 1847 dit lied over een nationaal ‘lieu de mémoire’ uit de tijd van de Opstand. Dergelijke liederen - vóór het volk geschreven en daarmee anders van aard dan het straatlied - kunnen aantoonbaar niet los gezien worden van het straatlied. In de eerste plaats omdat sommige snel doorsijpelen naar het straatrepertoire, maar ook omdat ze aanleiding geven tot nieuwe liedjes. Denk bijvoorbeeld aan de thematiek en de verspreiding van ideeën.
Hoewel het straatlied niet op zichzelf staat, heeft het wel degelijk een uniek element. Het schrijven en drukken van een liedje was een relatief kleine moeite. Dat maakt

Links: Oranjelied op de melodie van de Britse nationale hymne, ca. 1831. Collectie KB Wouters 05009
Rechts: Contrafacten op Piet Hein/de Zilvervloot van J.P. Heije
wel dat er vaak weinig contextinformatie is. Auteursnamen worden zelden genoemd en ook de namen van de drukker en uitgever of zanger blijven nogal eens onvermeld. Van de omringende teksten moeten we het ook al niet hebben: in een bron staat vaak slechts één liedje. De eerste liedblaadjes werden vaak al binnen 24 uur na de beschreven gebeurtenis verspreid. Het nieuws waarover het lied verhaalde, was heet van de naald. De liedjes konden daardoor zelf een rol spelen in een debat, politieke of godsdienstige strijd of rel. Daar was men zich ook in vroeger eeuwen goed van bewust. In voorkomende gevallen werd er censuur ingesteld, werden liedjes verboden en de zangers en verkopers bestraft. In de zestiende eeuw werden enkele zangers geëxecuteerd, in later eeuwen werden er vooral gevangenisstraffen en geldboetes geëist of zelfs bedevaarten opgelegd. Dit geldt trouwens niet alleen voor politiek gevoelige liedjes, ook de deunen die de zedelijkheid bedreigden kenden hun sancties. Over het algemeen geldt: hoe roeriger de tijd, hoe strenger de straf. Dit alles deed aan de populariteit van de liedjes en de liedjeszangers niets af. Eerder het tegendeel.
Van deze populariteit werd op verschillende manieren gebruik gemaakt. Actuele kwesties konden openlijk onder de aandacht worden gebracht, met naam en toenaam en motivatie, maar ook min of meer heimelijk. De tweede manier, het van hogerhand, maar anoniem liedjes verspreiden, is meestal moeilijk te achterhalen. Toch is er een duidelijk voorbeeld, namelijk de manier waarop in 1815 de dan gloednieuwe nationale hymne, het Wien Neerlands bloed in d'aderen vloeit in het kersverse koninkrijk Nederland
| | | |

Rechts: afscheid van het vaderland in een zeemanslied, negentiende eeuw. Collectie KB Wouters 08222
Uiterst rechts: liedblaadje met het Wien Neerlands bloed, ca. 1815. Collectie KB Wouters 05040
zijn intrede doet. Nederland had nog geen eigen hymne. De winnaar van de daartoe uitgeschreven prijsvraag was Hendrik Tollens' Wien Neerlands Bloed, op muziek van Johann Wilhelm Wilms. Het lied moest natuurlijk worden verspreid. Men koos ervoor om zangers door het land te sturen, die mensen de melodie konden aanleren. De tekst kon van blaadjes worden geleerd. Deze blaadjes onderscheiden zich op geen enkele manier van de andere. Dit is nog een stap verwijderd van het geheel anoniem liedjes verspreiden, maar voor bijvoorbeeld politieke tegenstanders moet het bijzonder verleidelijk zijn geweest om zich de ‘stem des volks’ toe te eigenen.
| |
Oranje of Anders Gekleurd
Wat komen we, door het onderzoek van liedbladen, nu te weten over vaderlandse liederen? Kunnen we bijvoorbeeld verspreiding en populariteit meten? Het feit dat er een enkel exemplaar van een liedje is overgeleverd, zegt nog niet bijster veel. Maar er is een andere aanwijzing voor de populariteit van liederen: de contrafactuur. Daaronder verstaan we het gebruik van een bestaande melodie (bekend van een geliefd liedje) bij het schrijven van een nieuw lied. Van liedjes werd vooral de tekst genoteerd. Muziek-notatie was duur en het effect was gering: lang niet iedereen kon en kan noten lezen. Op de liedblaadjes vinden we dan ook meestal een mededeling over de bekende wijs waarop het lied moet worden gezongen en geen muziek-notatie. Hiermee is het mogelijk om de verspreiding van bepaalde liedjes te volgen. Hergebruik zegt altijd iets over bekendheid en populariteit.
Bij liedjes is vaak sprake van actie en reactie. Een (politiek) beladen lied werd beantwoord met een tegenlied. De melodieën konden hierbij een signaalfunctie hebben: alles op die wijs hoorde bij een bepaalde partij. Een voorbeeld van zo'n lied is de straatdeun Al is ons prinsje nog zo klein.
Als we de populariteit van melodieën meten in de liedbladverzamelingen Wouters en Moormann, dan staat het oranjeliedje Al is ons prinsje op de tweede plaats: alleen de melodie van Wien Neerlands bloed werd vaker gebruikt. De tekst van Het prinsje, die uit de zeventiende eeuw stamt, kennen we vooral uit latere liedboekjes. De tekst stamt duidelijk uit de tijd van de Nederlandse republiek: ‘Al is er ons prinsje nog zoo klein En hoezee!/ Alevel zal hij stadhouder zijn En hoezee/ Vivat Oranje hoezee!’ De auteur van deze prinsjestekst kennen we niet. Ook de herkomst van de melodie blijft in nevelen gehuld. Wel is er een sterk vermoeden dat deze uit Frankrijk naar Nederland is overgewaaid. Omdat we auteur noch componist kennen, voldoet dit lied aan de romantische visie op volksliederen: het is een liedje dat ‘uit het volk’ komt. Uit diverse historische bronnen blijkt dat het lied bij allerlei (oranje)gelegenheden werd ingezet, bijvoorbeeld toen de latere koning Willem I na een ballingschap in de Franse tijd in 1813 weer voet op Nederlandse bodem zette. Men kon volstaan met het woord ‘stadhouder’ te vervangen door ‘koning’.Dat het betreffende ‘prinsje’ op dat moment de veertig al was gepasseerd, mocht de pret niet drukken. Maar ook voor het latere prinsesje Wilhelmina werd de tekst nog van stal gehaald. Hiermee is het een van de weinige liedjes die zowel qua tekst als melodie probleemloos enkele eeuwen hebben doorstaan. Het bleef altijd gekoppeld aan de Oranjes.
Dat het liedje populair was, blijkt uit het frequente gebruik van de melodie voor nieuwe liedjes. Toch is onderzoek daarnaar nog lastig. In sommige gevallen, zoals bij het Wien Neerlands bloed en ook bij het Wilhelmus, blijft een melodie bekend onder één naam, maar bij Het prinsje is dat niet het geval. Om te beginnen wordt op verschillende manieren naar het oorspronkelijke liedje verwezen, met de beginregel ‘al is ons...’, maar ook met een omschrijving als ‘Het prinsje’ of een verwijzing naar het refrein ‘hoezee’, of ‘vivat’. Bovendien werden enkele nieuwe liedjes op de wijs van Het prinsje op hun beurt gebruikt als uitgangspunt voor het schrijven van nieuwe teksten. Een voorbeeld is het liedje op David Hendrik, baron van Chassé, die tijdens de Belgische Opstand in eerste instantie (1831) Antwerpen behield voor de Noordelijke Nederlanden. Het lied op deze vaderlandse held, die ‘praalt aan 't hoofd der heldenstoet’ gebruikt de melodie van Het prinsje, en juist dit lied vinden we later terug als Wie praalt, Wie staat...of simpelweg als Chassé.
En zo wordt de melodie vele malen hernoemd, vaak voor nieuwe vaderlandse en oranjekrakers. Kennelijk hield de melodie het oranjegezinde onderwerp vast. Daar kon mee worden gespeeld. Als de tegenpartij een tegen- | | | | spotlied wist te schrijven op de melodie van de andere partij was het venijn dubbel. Vooral als daarbij de oorspronkelijke woorden werden gepersifleerd of bespot. Een laat voorbeeld hiervan is het liedje uit de Tweede Wereldoorlog: ‘Al is ons landje nog zoo klein, hoezee!/ 't Kan nergens grooter janboel zijn hoezee’, waarin de draak wordt gestoken met onze ‘kleine’ nationale eigenaardig-heden als zuinigheid en kleinburgerlijkheid.
Pas als er inhoudelijk neutrale liederen op de melodie worden geschreven is het venijn eruit. Zo is het ook hier gegaan. Alles bij elkaar treffen we meer dan honderd verschillende teksten op de melodie aan. En hoe gevarieerd deze teksten kunnen uitvallen, laten alleen al de beginregels zien. Naast plechtige oranjeliederen en fel politieke venijn vinden we ook zonnige, pikante en inhoudsloze amusementsliederen: De neus die is toch een sieraad!! genie, Wie is de moeder van het bedrog?...de vrouw!, Toen Adam in het paradijs, o jee!, en Een hond dat is een nuttig dier, hoef, hoef. Eén daarvan behoort anno 2003 nog tot het Nederlandse collectieve geheugen: Wie in januari geboren is, sta op.
| |
Blinde ogen voor Emma
Het proces van toeëigening kan zeer dynamisch zijn. Het maakt ook dat repertoires constant bijgesteld moeten worden. Een liedje als De Zilvervloot, geschreven vóór het volk, en anno 2004 gezien als zeer burgerlijk lied, werd wel degelijk opgepikt op straat. Dat blijkt onder meer uit de vele nieuwe liedjes die op de melodie ervan werden geschreven.
De melodie volgde daarmee de weg van ‘hoog’ naar ‘laag’ die vaker werd gevolgd, denk bijvoorbeeld aan de opera- en operettedeunen die in vaak vereenvoudigde vorm op straat terechtkwamen. Omgekeerd is soms voor een ongebruikelijke melodie gekozen om vaderlandse liederen op te schrijven. Zo werd de sentimentele deun Als ik naar je blinde ogen kijk geschikt bevonden voor een treurlied op het overlijden van koningin-moeder Emma. Hoever toeëigening kan gaan blijkt uit de vaderlandse liederen bij uitstek: de nationale hymnes. Veel daarvan werden hergebruikt, zowel in binnen- als buitenland. Het Britse volkslied God save the King werd bijvoorbeeld in een vrijwel letterlijke vertaling gebruikt voor een loflied op Koning Willem I.
Hierbij moet wel worden bedacht dat bekendheid van de melodie niet noodzakelijkerwijs hetzelfde is als bekendheid van de tekst. Heel duidelijk is dat voor het Wilhelmus. Waarschijnlijk begonnen als straatlied in de zestiende eeuw, blijft het eeuwenlang gezongen worden en worden er honderden nieuwe teksten op geschreven. Maar in de loop van de mondelinge overlevering evolueert de melodie dusdanig dat de tekst er niet meer op gezongen kan worden. Uit enkele optekeningen blijkt dat men de eerste regel nog wel kent, maar daarna onzinteksten met refreinen als ‘zijt gij Wilhellemus, is dat niet goed’ zingt. Al de nieuwe liedjes die op deze wijs van dit Wilhelmus, de zogenaamde prinsenmars, worden geschreven, zeggen dus niets meer over de bekendheid van de oorspronkelijke tekst. De ‘liedbiografie’ moet altijd goed in de gaten worden gehouden.
De liederen zijn een prachtige bron voor onderzoek, zolang men maar rekening houdt met de dynamiek van het genre: de literaire praktijk van het nieuwe teksten schrijven op bestaande melodieën, de commerciële omgeving waarin ze functioneerden, en de wisselwerking tussen repertoires. Hoewel de liedjes in allerlei bronnen kunnen voorkomen biedt de snelle verspreiding van de straatliederen en de aard van het materiaal (de liedbladen) de unieke mogelijkheid om verspreiding en reactie op de voet te volgen. Het straatlied is veelzijdiger dan een eerste blik op de talrijke blaadjes doet vermoeden.

Koning Willem I, ca. 1813. Collectie KB Wouters Hehl 069
|
|
|