|
|
|
| |
| | | |
Gevierd, bespot, vergeten
De teloorgang van een reputatie
Haar werk werd hoog gewaardeerd. Bilderdijk, Spandaw, Tollens en Kloos waren vol lof over Lucretia van Merken. Maar roem is vergankelijk. De ‘grootste Dichtresse onzes Lands’ werd mikpunt van spot en haar bekendste bundel Het nut der tegenspoeden verbasterd tot ‘het nut der regenhoeden’. Is het tijd voor een herwaardering?
Marijke Meijer Drees
| |
Naklinkende roem
Verhef u, Muze! niets moet thans uw vlucht beperken. Wat naam ruischt van mijn luit?...Het is uw naam, Van Merken!
Aan het woord is de dichter Hajo Albert Spandaw. In de vroege negentiende eeuw was hij, samen met onder anderen Willem Bilderdijk, fervent bewonderaar van de achttiende-eeuwse dichteres Lucretia van Merken. Spandaw bezingt haar in De vrouwen, een omvangrijk lofdicht in vier zangen. In de derde zang eert hij vrouwen die als kunstenares uitgeblonken hebben. Van Merken verdient lof omdat zij ‘meesterwerken’ heeft geschreven, zoals het leerdicht Het nut der tegenspoeden, de epische dichtwerken David en Germanicus en - alsof zij de klassieke godin van het treurspel belichaamde - schitterende historische tragedies met vlammende passies en meeslepende karakters. De waardering voor deze dichteres zal dan ook in de toekomst standhouden, voorziet Spandaw:
O grote dichteres! Uw naam wordt steeds vereerd.
Zo lang de Batavier nog echte kunst waardeert
zal hij, nog vaak geroerd, zich voor uw praalgraf buigen.
Een paar decennia later wordt er al getornd aan Van Merkens artistieke reputatie. In het verhaal ‘De familie Stastok’ uit Camera Obscura (1839) van Nicolaas Beets komt Het nut der tegenspoeden ter sprake in het hoofdstuk ‘Er komen mensen op een kopje thee, om verder het avondje te passeren’. Een van de meer gevoelige dames uit het voor deze komische situatieschets bijeengebrachte gezelschap brengt in het midden dat zij Van Merkens gedicht ‘altijd al een heel mooi verzenboek’ heeft gevonden, waarop de droogkomiek onder de aanwezigen de titel verhaspelt tot ‘het nut der regenhoeden’. Na ‘deze aardigheid’ ontstaat ‘een groot gelach’, aldus de verteller, en de in verlegenheid gebrachte dame besluit dan maar ‘haar lofrede op het bekende geschrift van Lucretia Wilhelmina, die voor een algemeen gesprek in de wieg gelegd was, als privaat gesprek de geest te laten geven’. De dichteres en haar beroemde leerdicht, waarvan de laatst verschenen herdruk uit 1818 dateerde, waren dus nog steeds bekend, maar serieus hoefden ze niet meer genomen te worden.
Omstreeks 1850 is het helemaal gedaan met de appreciatie van Van Merkens ‘echte kunst’. Wel probeert de immens populaire volksdichter Hendrik Tollens de getaande belangstelling nog te reanimeren met een ambitieus plan: twee delen verzamelde werken van zowel Van Merken als haar echtgenoot Nicolaas Simon van Winter. Zijn poging strandt. Al na deel één, dat in 1852 uitkomt, stokt het project. De initiatiefnemer overlijdt vier jaar later en niemand meldt zich om het karwei af te maken.
Dat verzamelde werk was er in een verder verleden al wel gekomen, toen er nog gegarandeerd belangstelling voor was. De Amsterdamse uitgever Pieter Meijer, tevens dichter en vriend van Van Merken en Van Winter, publi- | | | | ceerde in 1772 de bundel Het nut der tegenspoeden, brieven en andere gedichten van Van Merken en in 1774 deel een van de Tooneel-poëzy van het echtpaar. Na Meijers dood gaf zijn plaatsgenoot Pieter Johannes Uylenbroek het tweede deel van de verzamelde toneelpoëzie uit (1786). In 1792, drie jaar na het overlijden van Van Merken, volgde tot slot bij diezelfde uitgever De waare geluksbedeeling, brieven en nagelaaten gedichten, waarbij dichtwerk van haar man ingebonden werd.
In die tijd stond Lucretia van Merken aan de top van dichtend Nederland.
| |
Grootste Dichtresse
Begin 1777 geeft Betje Wolff in een brief aan de zeventien jaar oudere Van Merken een scherp beeld van hun onderlinge positie in het toenmalige literaire leven: ‘Gy zyt de grootste Dichtresse onzes Lands & ik schrijf gerymde Prosa; ik weet het.’ Wolff, die al enige tijd de ambitie heeft gekoesterd om dichteres te worden, beseft nu dat dit waarschijnlijk misplaatst is geweest. Ze heeft intensief maar tevergeefs geploeterd - monnikenwerk was het, schrijft ze. En nu is er zo'n ‘grote menigte Dichters & Dichtressen’ actief, dat het bijzondere er helemaal af is.
Inderdaad is Van Merken in de tweede helft van de achttiende eeuw uitgegroeid tot een ster die hoog uitrijst boven de talloze collega-dichters en het handjevol dichteressen. Als Wolff haar ‘de grootste Dichtresse’ noemt, heeft ze inmiddels furore gemaakt met eerbiedwaardige classicistische genres die kunnen bogen op een - dan nog - onverwoestbare traditie: de tragedie, het epos, en het leerdicht. Ook de heroïsche dichtbrief, de religieuze en de gelegenheidslyriek beoefent zij met verve. Om de verhevenheid, de stijlvastheid, het vaderlandslievende en, vooral, het stichtende karakter van haar poëzie oogst zij bewondering en waardering. Van Merken thematiseert een ‘welgegrond vertrouwen op de Godlijke Voorzienigheid, wier tedere zorg, getrouwe toeverzicht en weldoende macht het needrig hart versterkt’, zoals zij het in het voorwoord bij haar bijbelse epos David (1767) formuleert. Tegenslagen en lijden zijn in haar visie vooral zinvol omdat zij de mens weerhouden van verleidingen, en niet zozeer - zoals de gereformeerde dogmatiek aangeeft - omdat ze de straf zijn voor het overtreden van Gods wetten.
Het is begrijpelijk dat Van Merken met dit optimistische geloofsvertrouwen in de eerste plaats erkenning kreeg in de kringen van protestantse dissenters, remonstranten en doopsgezinden met name. Zelf van remonstrantse huize voelde ze hiermee trouwens de meeste verwantschap. En ook sociaal gezien maakte zij deel uit van dezelfde welvarende middenklasse van cultureel geïnspireerde burgers als die waartoe haar vrome bewonderaars behoorden. Zowel haar godsdienstige boodschap, als de maatschappelijke en politieke deugden die zij in haar dichtwerken propageerde, appelleerden aan de heersende denkbeelden van deze middengroep uit de burgerij. Verlichte deugden van menslievendheid, vriendschap en verdraagzaamheid stonden hier hoog genoteerd, evenals diepe eerbied voor de bestaande, van God gegeven maatschappelijke orde.
Tijdgenoten uit deze groep vinden we bijvoorbeeld in Van Merkens gelegenheidspoëzie. De bezongenen, allen te rekenen tot haar bewonderaars, zijn behalve haar echtgenoot, familieleden, en een enkele vriendin, een handvol seniordichters en daarnaast regenten en kooplieden. Zo ontmoeten we de rijke zijdefabrikant, -koopman en kunstenmecenas David van Mollem, het echtpaar Sydervelt-Van Oosterwyk, dat tot zijn familie behoorde, en de dichter Arnold Hoogvliet, die in 1740 Van Mollem had vereerd met het classicistische hofdicht op zijn Utrechtse buitenplaats (annex zijdefabriek) Zydebalen. In een plechtige ‘Rouwklagt’ ter gelegenheid van Van Mollems overlijden in 1746 idealiseert Van Merken, zoals het in de overlijdenspoëzie van oudsher gebruikelijk was, de eervolle verdiensten van de overledene. Hierbij gaat het - typerend voor de burgerlijk-christelijke ideologie die zij vertolkte - vooral om Van Mollems ‘liefdadigheid’. De tweehonderd-vijftig arbeiders op Zydebalen, die door de eigenaar

Titelpagina van H. Tollens' editie van de gezamenlijke dichtwerken van Van Merken en Van Winter, 1852
| | | |
behoed werden tegen ‘'t vlees- en bloedverterend knagen des dollen Hongers’ staan nu ‘troostloos’ bij zijn huis:
De doodschrik jaagt in elks gezicht:
Hun David leeft niet meer, die aller heil betrachtte,
En, vol liefdadigheid, de dag verloren achtte
Als hij geen weldaad had verricht!
Ook de wetenschappen en de kunsten is een ‘zware slag’ toegebracht door het overlijden van de weldadige mecenas Van Mollem. Ten slotte is er natuurlijk de achtergebleven familie, waarvan, zo voorspelt de dichteres, Sydervelt en zijn ‘brave zonen’ in het spoor van Van Mollems ‘deugden’ zullen treden om de toekomst van Zydebalen en daarmee ‘de koopvaardij’ veilig te stellen. Aan deze Jacob Sydervelt en zijn echtgenote Maria van Oosterwyk wijdt Van Merken een verjaardagsgedicht en overlijdensgedichten. Van Oosterwyk krijgt voor haar verjaardag de vrome wensen ‘dat Gods hand, die 't all' behoedt’ haar heil of troost in overvloed zal geven en dat zij, haar echtgenoot en gezin ‘de eedle baak der deugdbeminnaars’ mogen blijven. In het gedicht ter gelegenheid van haar overlijden (1750) heet zij de ‘Deugdelyke Vrouw, zo teêr geliefd bij all' die vroomheid eren’ en noemt de gepersonifieerde Deugd haar ‘Myn trouwe hartsvriendin’. Zydebalen wordt opnieuw een gevoelige slag toegebracht als korte tijd later de doodsklok luidt voor Jacob Sydervelt, ‘de toeverlaat van Weduwen en Wezen, en aller Kunsten Voedsterheer’. De dichteres hoopt op een zonniger toekomst. Zij vraagt de ‘Algoede God’ om genade voor het ‘ouderdervend Kroost’:
Opdat hun hart zich aan de Deugden wye
Van Oosterwyk en van haar' Sydervelt!
Zo vinden Kunst, Behoefte en Koopvaardye,
In hen dit zwaar verlies hersteld!
Voor de oudere collega-dichter Hoogvliet is het lofdicht ‘wegens de uitgave van het tweede deel zyner mengeldichten’ (1753), een verzamelbundel waarin, naast gelegenheidspoëzie, ook grotere gedichten als Zydebalen opnieuw waren opgenomen. Karakteristiek voor Van Merken is, dat zij haar oudere collega niet zozeer prijst vanwege zijn nieuwe boek, maar vooral om diens bijbelse epos Abraham de aartsvader (in twaalf boeken), dat in 1727 voor het eerst het licht had gezien en in 1780 een tiende druk zou beleven. Ook hier toonde zij haar voorkeur voor dichtgenres die in de classicistische hiërarchie bovenaan genoteerd stonden en dus op het hoogste poëtische niveau hun sociaal-stichtelijke

Titelprent bij Lucretia van Merken, De Camisards. Uit: Tooneelpoëzy van Nicolaas Simon van Winter, en Lucretia Wilhelmina van Merken. Amsterdam, Pieter Meijer, 1774-1786
boodschap konden uitdragen. Dergelijke lofdichten zijn er ook voor andere collega's, zoals Dirk Smits, van wie Hoogvliet de leermeester was, en voorts Bernardus de Bosch, die samen met Van Merken deel uitmaakte van het groepje bevriende christen-dichters dat onder de naam Laus Deo, Salus Populi (lof aan God, heil voor het volk) in 1759 een nieuwe psalmberijming het licht deed zien.
| |
Eenvoudige Rechtvaardigheid
In 1909 probeert de dichter, criticus en kenner der klassieke letteren Willem Kloos de herwaardering voor haar dichtkunst in gang te zetten. Evenals vele van haar dichtende tijdgenoten is zij ten onrechte het slachtoffer geworden van de negentiende-eeuwse kritiek, die er ‘zonderlinge’ maatstaven op nahield, aldus Kloos. Voor Van Merken betekent dit, zo stelt hij zich voor, dat ‘de eerste de beste knappe onderwijzer’ die bij zijn eindexamen aan de kweekschool haar naam zal horen noemen ‘nog slechts vriendelijk hautain [...] om haar grimlachen zal’. Zo'n terloopse misprijzing, die ‘natuurlijk niet op eigen onderzoek’ berust, heeft volgens Kloos een funeste uitwerking. Leerlingen nemen 's meesters neerbuigendheid over, in plaats van zich door eigen lectuur een zelfstandig oordeel te vormen. En mochten ze later toch een criticus opslaan, dan zullen ze op oordelen stuiten als ‘Die Van Merken behoort niet meer in onzen tijd’. Dit nu acht Kloos ‘de dooddoener’ die de lezer ‘van alle kanten in zijn hersens wordt gehamerd’.
| | | |
Als hij dan aangeeft waarom Van Merken opnieuw waardering verdient - ‘een daad van eenvoudige rechtvaardigheid’ - legt hij evenals de critici die hij aanvalt, zijn eigentijdse maatstaven aan. Subtiele opinies als de volgende zijn het resultaat: ‘Het kookt niet en bruist niet, het schittert niet en danst niet, het klaagt niet en jubelt niet in de evenmatig voort rijmende Van Merken, en toch is ze niet ongevoelig, er beweegt wezenlijk iets binnenín haar, maar 't is de zacht brede wiegeling [...] van een altijd als een vijver effen, alleen wat heen en weer schommelend binnenmeer.’
Kloos' waterige pleidooi heeft weinig resultaat gehad. Nog altijd roept haar naam weinig weerklank op bij zelfs de meest toegewijde liefhebber van de Nederlandse poëzie - of hij moet al het enkele gedicht kennen dat Komrij selecteerde in zijn bloemlezing uit de poëzie van de zeventiende en achttiende eeuw. Alleen een kleine kring van onderzoekers kent haar werk. Maar misschien is het tijd voor een hernieuwde poging het in ieder geval toegankelijk te maken voor wie er kennis van wil nemen.
Een andere beroemde dichteres uit de tweede helft van de achttiende eeuw, Juliana Cornelia de Lannoy, kreeg in 2001 een plaats in de Amazone-reeks. Het is een moderne serie tekstuitgaven, bedoeld om belangrijke maar verwaarloosde Nederlandse en Vlaamse schrijfsters uit de periode 1550-1850 de aandacht te geven die zij literair-historisch gezien verdienen. Hierin hoort ook de dichteres thuis die evenals De Lannoy van erkend grote betekenis geweest is voor de literaire cultuur van haar tijd: Lucretia Wilhelmina van Merken.
| |
Om verder te lezen
Over de sociaal-godsdienstige denkbeelden van Van Merken schrijft Simon Vuyk in ‘Het geloofsvertrouwen van Lucretia Wilhelmina van Merken (1721-1789)’, hoofdstuk IV uit zijn proefschrift Verlichte verzen en kolommen. [...] Amsterdam: 2000. Vuyk kon deels voortbouwen op J. Wille, ‘De leerschool van Lucretia Wilhelmina’, opgenomen in diens Literair-historische opstellen. Zwolle: 1963, pp. 202-249, en Elly van Logchem, ‘Lucretia van Merken (1721-1789) en het dichtgenootschap ‘Laus Deo, Salus Populo’. In: Voortgang VI (1985), pp. 285-360. Over de stroeve contacten tussen Betje Wolff en Lucretia van Merken: H.A. Höweler in Boeket voor Betje en Aagje. Amsterdam/Antwerpen: 1954, pp. 72-109. Het opstel van Willem Kloos in: Een Daad van eenvoudige Rechtvaardigheid. [...] Amsterdam: 1909, pp. 231-256. Van Merkens gelegenheidsgedichten zijn voor het merendeel samengebracht in de bundel Het nut der tegenspoeden, brieven, en andere gedichten. P. Meijer, Amsterdam: 1772.
|
|
|