Met dit alles voor ogen geloof ik dat het verschijnsel nu ook fonisch doorzichtig is. Wij moeten nl. letten op de syllabescheiding. Bij een vorm als lagjan was de syllabescheiding lag-jan, zodat er zonder meer geen open syllabe en geen neiging tot vocaalrekking was. Bij een vorm met r vóór j ontstond er een i als tussenvocaal. Zo werd arjan > arijan, met syllabescheiding a-ri-jan, waarbij, gezien de openheid van de lettergreep, rekking van de vocaal voor de hand lag; vgl. mnl. eriën.
Bij een vorm waar tussen de r en de j echter nog een w of χ stond, ontwikkelde zich deze i niet. Zo vertoonde een vorm als *barwiô- een syllabescheiding *barw-jô-, zodat ook hier geen open syllabe aanwezig was en de vocaalrekking moest uitblijven.
Aan de door Schönfeld genoemde uitzonderingen heb ik er in Het schema van de klankwetten(3) nog een toegevoegd: kerren. Mnl. dialectisch kerren ‘vegen’ is nl. een variant van keren of keriën; vgl. Mnl. Wb. III, blz. 1344, waar het alleen gegeven wordt voor het Limburgse Leven van Jezus. Ook bij dit woord meen ik de oplossing te vinden in een grondvorm met rχj: *kerχjan. Ik kan hiervoor nl. wijzen op het Duitse substantief Kehricht, waarvan H. Paul(4) zegt dat het het ohd. -ahi-suffix bevat; de t is hier paragogisch.
In de aantekeningen achterin wordt in Schönfeld verwezen naar J. van Ginneken, Ras en Taal (1935), blz. 48 en vlg. Daar worden inderdaad nog een aantal vormen opgesomd die Van Ginneken blijkbaar als vormen met rekking van r vóór j beschouwt, overigens verschillende van buiten ons taalgebied, zoals irferron, ferterran, maar verder nerring, scherren, scherrie, terren, verherren, enz.
Bij sommige daarvan, bv. mnl. terren ‘teren’ heeft men maar een enkele vindplaats; vgl. Mnl. Wb. VIII, blz. 266. Overigens is mij voor het substantief uit verschillende Noordbrabantse gebieden een vorm tar, met vermoedelijk uit e ontstane a, bekend(5). Bij versperren, dat men inderdaad van spar moet afleiden, vergeet Van Ginneken dat spar zelf op *sparzan- teruggaat en er dus sprake moet zijn van een assimilatie van rr < rz. Andere woorden, zoals O.-N.-Br. hurren ‘horen’, zijn het gevolg van een locale klankwet(6). En zo zijn er onder de door Van Ginneken aangehaalde vormen mogelijk nog woorden die teruggaan op een vorm zonder j, waar volgens de plaat-