Bij het zoeken naar eventuele bronnen moeten we natuurlijk in de eerste plaats bij de dichter zelf terecht. Als we de tekst aandachtig lezen merken we dat hij bijna zeker naar het Latijn gewerkt heeft: de dierenriemtekens krijgen meestal eerst hun Latijnse naam, waarna de dietsche volgt; zo zegt hij ook:
Cauernen heten si in latijn Dat willen in dietsche holen zijn (1829); venus Dats auonts sterre in duytsche woert (300); Lucifer ic seg v hoe Dats licht dragher (304); Dan heet si vesperus in latijn (309).
Dat deze bewerking vrij was, leiden we af uit talrijke persoonlijke opmerkingen, waar bv. de stad Gent als vergelijkingspunt gebruikt wordt t.o.v. Rome, of waar de dichter ons zegt dat zijn bronnen meer vermelden dan hij in 't dietsch kan vertellen (917-918), of dat hun tekst te moeilijk is in verhouding tot de opzet van zijn werk (1535-1536 en 1539-1540). Ook:
Pine sal icker an legghen Eer ict in rime sal ghesegghen (429-430).
Verder mogen we terecht veronderstellen dat de Natuurkunde niet vertaald werd naar één Latijnse compilatie, maar dat de dichter op eigen initiatief gecompileerd heeft. Deze overtuiging kreeg ik niet op grond van de talrijke bronnen die vermeld worden: we zouden immers die opgaven reeds in een eventueel Latijns voorbeeld kunnen hebben.
Als we echter lezen:
een boec doet mi weten (610), in boeken oec ic vinde (805), als mi die lettere verstaen doet (526), als mi leren die scrifturen (1164), enz...
dan is hier niet een vertaler, maar een zelfstandige compilator aan het woord, en wel om de volgende reden: het schermen met namen als Aristoteles, Ptolemaios, Alferganus, e.a. had in de Middeleeuwen meestal maar één doel: de lezer zand in de ogen te strooien, hem gunstig te beïnvloeden en de indruk te geven dat hij een standaard-werk in handen had waarin het ‘nec
plus ultra’ bijeengebracht was. (De vlag dekte trouwens lang niet altijd de lading.) Welnu, zelfs indien hij vrij zijn bron bewerkte, zou een vertaler die vage, nietszeggende verwijzingen naar anonieme werken zonder autoriteit niet zo talrijk overnemen. Zij verhoogden de geloofwaardigheid of de intellectuele standing van zijn werk niet. En als men meent dat het wellicht zijn bedoeling was belezen te ‘doen’, als men de dichter dus a priori een (trouwens typisch Middeleeuwse) oneerlijkheid op de hals wil schuiven, dan zou hij zeker (nu hij tóch aan het fantaseren was) de aangehaalde passages eerder aan een of andere beroemdheid hebben toegeschreven. Juist het anonieme karakter van de bronnenvermelding is een waarborg voor zijn goede trouw.
De vertalende dichter is dus tevens compilator voor eigen rekening, en daarmee mogen we alle hoop laten varen één enkele bron te ontdekken.
Wie zijn, naar eigen opgaven, 's schrijvers zegslieden? Geen Middeleeuws didactisch werk of één van de meest geciteerde bronnen is Aristoteles, apocrief of niet. Het vermelden van zijn naam is magisch en verleent aan om het even welke bewering de kracht van een dogma. Wat echter de dichter van de Natuurkunde aan de Stagiriet toeschrijft is inderdaad ook van hem. Op een enkel misverstandje na, heeft hij de Aristoteliaanse theorieën goed begrepen, er het essentiële van onthouden en dit op zeer eenvoudige en bevattelijke wijze in het Middelnederlands omgezet. Aristoteles wordt met name genoemd in de verzen 607, 623, 819, 837, 870, 917, 1815, 1825 en 1874. Zijn œuvre was slechts bekend in de Latijnse bewerking van o.m. Willem van Moerbeke (± 1204-1280), die door zijn commentariërende parafrasen Aristoteles' natuurhistorie ter beschikking van alle geleerden stelde. Misschien gebruikte de dichter het ‘Simplicii commentum in libros Aristotelis de coelo et mundo’, waarvan M. Jourdain (Recherches critiques sur l'âge et l'origine des traductions latines d'Aristote, p. 70) zegt: ‘Bunder nous apprend qu'elle existait sous le nom de Guillaume1 dans un monastère près de Gand (Index man. libr. belg.)’. Deze vermelding hebben we niet kunnen terugvinden.
Een andere vaak geciteerde naam is die van Ptolemaios (vv. 423, 550, 575, 1689), zonder wiens autoriteit geen astro-
nomisch werk denkbaar was. Claudius Ptolemaios was een Griekse astronoom uit de 2e eeuw na Chr., auteur van een Γεωγραφικης εφηγησεως, in 8 boeken, die ons verder niet interesseert, en een Μεγαλη Συνταξις της 'Αστρονομιας, in 13 boeken. Dit laatste werd, zoals zoveel andere Griekse teksten, in het Arabisch bewerkt (tussen 833-844) door een zekere Ahmad ibn Mohammed ibn Kathir, of Muhammed filius Ketiri Ferganensis, in de wandeling Alfraganus of Alfarganus. Hij gaf aan het werk van Ptolemaios de naam ‘Almagest’ (Arab. lidw. al + Gr. μεγιζη), waaronder het beroemd werd en bleef. In de 12e eeuw werd het door Iohannes de Sevilla in het Latijn vertaald, en wijd en zijd verspreid. Het succes werd nog groter toen er in de 13e eeuw een tweede vertaling kwam van Gerard van Cremona. De bewerking van Alfarganus werd, in het Latijn en voorzien van commentaar, gedrukt tot op het einde van de 17e eeuw! Er was dan ook geen 13e-, 14e-eeuwse bibliotheek van enig belang of Ptolemaios, alias Alfarganus, was er vertegenwoordigd.
Terloops moeten we Ups rectificeren, die het telkens over Affricaen heeft. De copiist verwarde met een andere auteur: Constantinus Africanus (+ 1087), die o.m. tweemaal in de Cyrurgie van Yperman genoemd wordt (cf. Van Leersum, p. 225). Deze Salernitaanse leraar werd vooral bekend door zijn Latijnse vertalingen van Arabische werken.
Opvallend is de nauwkeurigheid waarmee onze dichter uit zijn bronnen aanhaalt: de talrijke berekeningen, door hem aan Ptolemaios en Alfarganus toegeschreven, maar in werkelijkheid van Alfarganus alleen, kloppen precies met de oorspronkelijke getallen. Dat hij meestal beide schrijvers in één adem citeert, mag hem niet verweten worden: het was voor de Middeleeuwse lezer onbegonnen werk uit te maken waar Ptolemaios en waar Alfarganus aan het woord kwam. Bij wijze van uitzondering vermeldt hij in v. 550 Ptolemaios alléén i.v.m. de grootte van de maan: de gegeven berekening is ook daar weer van Alfarganus.
Ook Rabanus Maurus wordt genoemd (v. 527), maar zó terloops dat die kennelijk niet als directe bron gebruikt werd. Men veroorlove mij hier even vooruit te lopen op wat volgt, en meteen Rabanus Maurus geheel uit te schakelen; want hoewel deze auteur in het ‘Liber de Computo’ en vooral in het ‘De Universo’ dezelfde stof behandelt als de Natuurkunde, is het
psychologisch onaanvaardbaar dat de Middelnederlandse dichter die werken zou geraadpleegd hebben. Immers, Rabanus wordt bij name genoemd i.v.m. een tamelijk onbenullig detail over de cubitus. Waarom zou hij dan in andere passages, indien hij die geïnspireerd had, niet vermeld worden?
Verder worden nog terloops, ter illustratie en beslist niet als bron, aangehaald: Jeronimus (1423), Beda (ib.), Sint Denijs (1565) en Paulus (1579).
Ten slotte nog verscheidene anonieme vermeldingen: die lettere (526), grote clercken (535), een boec (610), boeken (805), scrifture (998, 1015, 1094, 1164, 1564, 1661, 1703, 1882, 18, 66) en die kalendier (1036, 1044).
Het laatste citaat dient soms als argument om de computus als een onderdeel van de Natuurkunde te beschouwen. Dit is beslist niet afdoende: een schrijver kan gerust naar de kalender verwijzen zonder dat die noodzakelijk in zijn werk opgenomen was: Maître Gossouin, om er maar één te noemen (met opzet trouwens, zoals later blijken zal), heeft het ook over de kalender:
si comme li kalendiers le nous ensaingne (II, Cap. XVIII),
en nochtans gaat die niet aan zijn werk vooraf. Het beste argument zijn nog de verschillende Natuurkunde-handschriften zonder kalender: Ups, B, O, U, W, M en M'.
Het opsporen van de werken die onder die verschillende referenties schuil gaan, staat gelijk met het zoeken naar een naald in een hooiberg. We hebben getracht zoveel mogelijk de in de Middeleeuwen gangbare astronomische encyclopedieën te onderzoeken: de meeste schrijven elkaar af en bevatten dus bijna alle dezelfde stof met dezelfde verklaringen.
Het was dan ook veel gemakkelijker aanvankelijk eliminerend te werk te gaan en geen overeenkomst, maar tegenspraak als criterium te doen optreden. Zo zijn alvast uit te schakelen Albertus Magnus en Roger Bacon. De ‘doctor universalis’ beweert nl. in zijn ‘De coelo et mundo’ dat de aarde beweegt, en in het ‘Liber meteorum’ dat de kometen géén dampen zijn, en geen oorlog of tirannen aankondigen. De ‘doctor mirabilis’ doet, evenals Albertus Magnus - dus beiden als voorlopers van Copernicus -, de aarde om haar as wentelen. Zijn berekeningen kloppen evenmin met die van de Natuurkunde: de zon is bv. bij hem 170 maal groter dan de aarde (Natuurkunde: 166 maal = Alfarganus).
Een ander zeer verspreid werk was dat van Helpericus, ‘Liber de Computo’ (IIe eeuw), dat o.m. reeds voorkomt op de 12e-eeuwse boekenlijst van de abdij van Rolduc. Ook dit gaat meestal rechtstreeks in tegen de beweringen van de Natuurkunde: de planeten en het firmament bewegen niet in tegengestelde richting; de zon is achtmaal groter dan de aarde, enz...
Het ‘Poeticon astronomicon’ van Hyginus komt af en toe voor in de kloosterinventarissen. Er is veel tegenspraak tussen beide werken. Eén voorbeeld volstaat: Hyginus beschouwt maan en zon niet als planeten, waardoor iedere vergelijking van tevoren uitgesloten is.
Isidorus de Sevilla in zijn ‘Etymologiae’ geeft aan enkele planeten een andere naam dan de gebruikelijke, en is vaak heel bondig waar de Natuurkunde uitvoerige commentaar geeft.
De ‘Astronomica’ van Manilius handelt vooral over de dierenriem en over sterren, planetenhuizen, e.d. waarvan in de Natuurkunde met geen woord gerept wordt; de vermelde afstanden kloppen helemaal niet; voortdurend worden toespelingen gemaakt op de Romeinse mythologie en geschiedenis.
Alexander Neckam (‘De Naturis Rerum’) komt tot een totaal van 16 grote sterren, waaronder de 7 planeten: de aarde is de zevende ster, Venus de achtste, de maan de negende en Mercurius de tiende. Bovendien is bij Neckam het weinige wetenschappelijke slechts een voorwendsel om onmiddellijk en uitvoerig aan het moraliseren te gaan. Zijn werk is vóór alles godsdienstig, en hoort beslist niet thuis in de categorie van de wetenschappelijke encyclopedieën. In ‘De laudibus divinae sapientiae’ worden de meeste verklaringen uit de ‘De Naturis Rerum’ herhaald.
Thomas Cantimpratensis (‘Liber de Nature Rerum’), reeds door Clarisse onderzocht en ‘te licht bevonden’ (pp. 459-472), toont meer overeenkomst met Helpericus en de proza-Natuurkunde dan met de berijmde versie. Ook Clarisse kwam dan, met enig leedwezen en misschien niet categorisch genoeg, tot een negatieve conclusie. Hij had nl. gehoopt op een eventuele invloed van Thomas om het Natuurkunde-gedicht aan Maerlant te kunnen toeschrijven, als een vervolg op Der Naturen Bloeme.
Daniel de Morley (‘Liber de naturis inferiorum et superiorum’); Martianus Capella (‘De Astronomia’, Liber octavus van het ‘De Nuptijs Philologie et Mercurij’); Alanus ab Insulis
(‘Liber de Planctu Naturae’ en ‘Anticlaudianus’); Lambertus de Audomaro (‘Liber Floridus’); Pierre d'Ailly (‘Ymago Mundi’) en anderen, verschillen werkelijk te veel om ook maar enigszins in aanmerking te kunnen komen.
Het is, meen ik, overbodig met deze opsomming verder te gaan: men kan de geraadpleegde werken vinden in de Bibliografie.
Inmiddels waren er natuurlijk ook schrijvers te voorschijn gekomen die misschien wel als gedeeltelijke bron konden gediend hebben. Hier moet echter de grootste voorzichtigheid aan den dag gelegd worden, want zoals reeds gezegd schreven ze elkaar maar gewoon over. De stof, grotendeels afkomstig van Ptolemaios of Aristoteles, is vanzelfsprekend identiek. Zo konden in aanmerking komen: Bartholomeus Engelsman (of Anglicus), ‘Van de eygenscappen der dingen’; Beda Venerabilis, ‘De Natura Rerum Liber’; Guillaume de Conches, wiens werken door Migne erratim aan Honorius Augustodunensis toegeschreven werden, ‘De philosophia Mundi’, ‘Summa de questionibus naturalibus’, ‘De Naturis Rerum’, ‘Phisica’, ‘De Imagine Mundi’; Iohannes de Sacrobosco, alias John Holywood, ‘Sphaera’; Robert Grosseteste, ‘De Sphaera’; Vincent de Beauvais (of Vincentius Bellovacensis), ‘Speculum Naturale’.
Ieder van hen kon voor het een of andere gedeelte voor de Natuurkunde gediend hebben. Daar de stof zelf, d.i. de behandelde onderwerpen en de gegeven verklaringen, geen keuze toelieten, moest er op een andere manier verder geëlimineerd worden, m.a.w. bepaalde details, vergelijkingen, interpolaties zouden als criterium moeten gebruikt worden.
Inderdaad, af en toe schemert er in de Natuurkunde een meer persoonlijke noot door, maar helaas levert ook dit niet veel op: ofwel blijkt de gebruikte vergelijking helemaal niet persoonlijk, maar gemeengoed te zijn (o.m. het beeld van het draaiende wiel met de vliegen; de voorstelling van de aarde als een eierdooier, enz...); ofwel komen ze nergens voor.
Zelfs al werd er dus gedeeltelijk geput uit één van de bovenstaande werken, dan nog blijft ten minste één bron zoek.
Daar die niet te vinden bleek onder de min of meer voor de hand liggende Latijnse tractaten en encyclopedieën, zijn we in het Middelnederlands zelf gaan kijken.
In U volgt op de Natuurkunde een proza-verhandeling over hetzelfde onderwerp. Meermaals werden deze twee teksten met
elkaar in verband gebracht. Oppervlakkige onderzoekers beweerden dat het proza een uitbreiding was van het gedicht, of omgekeerd wel de bron ervan zou kunnen zijn.
Vooral deze laatste stelling moeten we onmiddellijk verwerpen: er zijn hier en daar enkele punten van overeenkomst, maar niet méér dan we ook elders aantreffen:
Hoewel dus een en ander met het gedicht overeenstemt, is de gelijkenis te algemeen en te vaag om ernstig aan een bron te doen denken.
In de rest van de proza-tekst (het overgrote deel!) wordt trouwens totaal van het gedicht afgeweken: er wordt gesproken over dieren, metalen, de twee polen, de zeven artes liberales, enz... Ernstiger is rechtstreekse tegenspraak, o.m. waar beweerd wordt dat de zon slechts 8 maal groter is dan de aarde, de maan het 50e deel van de aarde, enz... (38v).
De proza-tekst is m.i. een bewerking van Thomas Cantimpratensis, en deze indruk wordt hoe langer hoe sterker. Ik meen echter dat dit hier niet ter zake doet, temeer daar ik van plan ben in een aparte studie een speciaal onderzoek aan dit onderwerp te wijden.
In het Mnl. is er verder, tot nog toe, geen enkele tekst waarmee we rekening kunnen houden als eventuele bron van de Natuurkunde. Hoogstens vinden we hier en daar een parallel, waarop gewezen werd in de Aantekeningen bij de Inhoud.
We hebben er dan enkele Franse soortgelijke werken bij gehaald, zoals Jean de Meung ‘Le Roman de la Rose’; Brunetto Latini, ‘Li Livres dou Trésor’; ‘Le Livre de Sidrac’; Leopold de Austria, ‘Li compilacions de la science des estoilles’. Maar alleen weer af en toe viel een louter traditionele overeenkomst aan te tonen.
Eén belangrijk werk ontbrak aan deze reeks: het bij R. Bossuat (pp. 271-2) vermelde ‘Image du Monde’ van Maître Gos-
In de haast onvindbare uitgave van de proza-redactie (ed. O.H. Prior) troffen onmiddellijk vele passages, die soms woordelijk overeenstemmen met de Natuurkunde. Ik denk aan de inleiding, de opsomming van de planeten, de omgang van de aardbol, die ze beide exclusief gemeen hebben. Bovendien zijn er nog andere overeenkomsten die echter ook elders voorkomen.
De berijmde versie is nog steeds onuitgegeven, hoewel uitvoerige citaten in artikels en studies verspreid staan. We konden ons met die uittreksels niet tevreden stellen en moesten dus een handschrift raadplegen. Maar daar werd de keuze erg moeilijk: er bestaan 70 manuscripten van de Image du Monde en geen twee daarvan bevatten helemaal dezelfde versie. De copiisten hebben voortdurend geïnterpoleerd, weggelaten, geborduurd, gewijzigd, kortom: het is onmogelijk, tenzij er jaren aan te besteden, uit te maken welke tekst formeel en ‘inhaltlich’ het dichtst bij die van de Natuurkunde staat. Daarvoor zouden de 70 onuitgegeven teksten stuk voor stuk moeten onderzocht en geclassificeerd worden.
Ik heb me er dan ook toe moeten beperken twee handschriften te copiëren (Arsenal 3167 en 3516) en in andere gevallen, waar dit wenselijk leek, gebruik te maken van Priors uitgave van de proza-redactie en van de verschillende brokstukken uit de berijmde versie, gepubliceerd door A. Hilka, P. Meyer, E.-D. Grand en C. Fant. Boven ieder citaat wordt de bron vermeld.
| Natuurkunde | Image du Monde
de Maître Gossouin1 |
|
23 - 32 | Ms. Harley, Proloog
(ed. P. Meyer) |
| Merct hoe ic dit sal beghinnen | Qui or vuet aprendre et oïr |
| Dont il ce porra esjoïr | |
| Verstatet wel in uwen sinnen | Ce lise ou oie entendanment |
| Want wildi emmer lesen voert | Par chapitles ensuanment. |
| Eer ghi wel verstaet elc woert | Si q'il ne oie riens apréz |
| Van dien dat ghi hier sult horen | C'il n'entent ce devant adéz |
| Vwe pine is dan verloren | Autrement petit li vaudra |
| Quant q'en ceste partie orra | |
| Dit en slacht anderen boeken niet | Ment sont qui tantost oïr veulent |
| La fin des choses dont il suelent | |
| Sovent mentir car nuls n'entent | |
| Nule fin sanz conmencement | |
| Qui droit vuet aprendre nul bien | |
| Want elc woert datmen hier siet | Il n'i doit ja trespasser rien |
| Moetmen onthouden ende verstaen | Q'il n'entende partout adés |
| Eer men voert sal lesen gaen | Ce devant ainz q'il lise aprés |
| 283 - 300 | Ars. 3167, fo 27v |
| Ende vanden vij planeten | De ces vij estoilles qui sont |
| Willic v rechte voert doen weten | |
| Haer loep is onder tfirmament | Ou firmament, qui lor tor font, |
| Dont noz avons parleit devant | |
| Ende gheen en isser so wel bekent | Ne cognoist l'en communement |
| Als die sonne ende die mane | Fors les .ii. qui aperent miaz: |
| Dese kent elc wel als ic wane | Ce est la lune et li soloialz. |
| Die ander viue altemale | Les autres ne connoist l'en mie |
| Die en kent men niet so wale | |
| Ten si dat astronomie doet | Se dont n'est par astronomie. |
| Si kennessen diere of sijn vroet | |
| Ende ic salse v noemen alle | Mais toute voie les nommons |
| Na dien dat elc sijn stede valle | Por ceu que parleit en avonz. |
| Van desen seuenen sijnre twee | De celles at .ii. sor la lune, |
| Bouen der manen min noch mee | |
| Die een bouen die andre gheset | L'une sor l'autre, dont chascune |
| Ende elc ghift propre cracht dat wet | At en terre propres vertus: |
| In aertrike dats marcurius | C'est Mercures et puis Venus. |
| Ende daer bouen loept venus |
| 311 - 319 | (vervolg) |
| Bouen dese drien planeten | De sus ces .iii. est li soloilz, |
| Ic heb v gheseyt hoe si heten | |
| So loept die sonne die es so claer | Qui tant est cleirs et purs et nes |
| Dat sijt al verclaert haerentaer | Que clarteit rent par tout le mont |
| Die bouen desen iij so hoghe es | Et est si haut assis amont |
| Dat haer cirkel gheloeft mi des | Que ses clers est plus grans |
| Wal twalef weruen also groot si | Que cilz a la lune cent tans1 |
| Als der manen dat segic di | |
| Die haren loep binnen xxx daghen doet | Que son cors en .xxx. jors fait. |
| 329 - 345 | (vervolg) |
| Mer veel hogher is der sonnen stede | Mais li soloilz, qui plus loing vait |
| Daer si loept bouen al aertrike | De la terre, met a son cors |
| Si loept omme sekerlike | |
| In ccc daghen tfirmament | .ccc. et .lxv. jours |
| Ende lxv al omtrent | Duret tant plus et .i. jour outre |
| Als ons toghet tkalendier | Si comme li kalendiers demoustre |
| vj wilen comen ouer hier | Et le quart d'un jor et .vij. hores. |
| Ende om dattet iaer en heuet niet | Mais por ceu que devisement |
| Dan een beghinsel als men siet | N'eüst li ans commencement |
| Ende tene iaer bi daghe beghint | Li uns de jor, l'autres de nuit, |
| Ende tander bi nachte als men wel kint | Car a plusors gens fust anuit |
| So sijn die vj wilen ghenomen | Fust cilz quans dou jor atorneis |
| Dus dat iiij iaer te gader comen | A ce qu'a .iiii. ans est sor neis. |
| xxiiij wilen heeft meer daer | |
| Dats een dach ic seg v waer | Uns jors outre qui nommeis est |
| Dus heeft dat iaer enen dach meer | |
| Dan ic v seyde voert eer |
| 353 - 357 | |
| Daer om heet dat vierde iaer | Bisextes, qui en .iiij. ans nest |
| Scrickeliaer ic seg v waer | Une fois, dont l'en met par us |
| Ende het tellet iiij der iaren | De .iiij. ans en autres .i. jor plus. |
| Scrickeliaer want dan gheuaren | Car lors est en son premier point |
| Die sonne comt ter eerster stede | Li soloialz revenus a point. |
363 - 372
De volgende verzen uit Arsenal 3167, fo 27v, kunnen vergeleken worden, wat de inhoud betreft, met vv. 363-372:
| Sor le soloil at .iii. estoilles | |
| Cleires luisans comme chandoilles. | |
| L'une desous, l'autre desus: | |
| Mars, Jupiter et Saturnus, |
| Qui est tant plus haute des .vij. | |
| Que .xx. ans a son cercle met. | |
| Et ces .iii. lor vertus retienent | |
| En chozes que sains1 aviennent. | |
| Comment l'une sor l'autre vait | |
| Regardeir poeis par ces .vij. |
373 - 402
De volgende passage stemt grotendeels, zij het dan niet overal woordelijk, met vv. 373-402 overeen:
| Arsenal 3167, fo 13v: | |
| Et par ce le puet l'en savoir | |
| Que tost convient le ciel mouvoir, | |
| Car faire li convient son tor | |
| Entor la terre chascun jor | |
| Si comme aperchevoir poons | In de Natuurkunde wordt als |
| Par le soleil que nous veons | bewijs de maan aangehaald. |
| Au matin leveir vers oriant | |
| Et couchier, devers occidant | |
| Et puis aprés au lendemain | |
| Le reveons nous au main, | |
| Car lors at il parfait .i. tor | |
| Que l'en claimme natureil jor, | |
| Qui jor et nuit en li contient. | |
| Ensi vait le soleil et vient | |
| Qui ja d'aleir n'avrat repos. | |
| Avec le ciel si guie li clos | |
| Qui fichiés est en une roie | |
| Et torne quant elle tornoie. | |
| Mais por ce qu'il at movement | |
| Contre le tour dou firmament, | |
| Si dirons une autre raison. | |
| S'une mosche aloit environ | Nat.: 7 vliegen |
| Une roie qui torniast | |
| Si que la mosche entors alast, | |
| La roie avec li l'en menroit, | |
| Qu'anchois maint tor faire porroit | |
| Que la mosche eüst fait .i. tor | |
| Et qu'elle euist aleir entor | |
| La roie jusqu'a premier point | |
| Le soleil aleir et la lune | |
| Par une voie commune |
| As .vij. planeteis c'ou ciel sont | |
| Que tuit par celle voie vont | |
| Tout adés devers orient. | |
| Et li ciel tornet en occidant | |
| Si comme sa nature le guie. |
415 - 421
Vergelijk eveneens vv. 415-421 en het volgende citaat:
| Ars. 3167, fo 28v: | |
| Mais puis quant cest secont escrit | |
| Avons le firmament descrit, | |
| Si dirons aprés d'aucuns cas | |
| Qui aviennent en halt ou en bas | |
| Et dou firmament la mesure | |
| Por meuz entendre la faiture | |
| De ceu qu'est sor le firmament. |
| 511 - 516 | Arsenal 3167, fo 38v |
| Nv wil ic v vroet maken dan | |
| Hoe veel een mile heuet an | Dont la mile selonc lor us |
| Een screde dat sijn voete viue | Contient .m. pas dont .i. pas tient |
| Beyde van manne ende van wiue | .v. piés dont chascuns des piez tient |
| Twee dusent screden dats een mile | .xii. poces en la longor. |
| Van groten voeten sonder ghile |
541 - 550
Bij Gossouin (Arsenal 3167, fo 38v) is de zon eveneens 176 maal groter dan de aarde (cf. Natuurkunde 541 vv.), die op haar beurt 39 maal groter is dan de maan (Nat. 547 vv.).
| 567 | Arsenal 3167, fo 38v |
| Vander minster sterre elke | Des estoilles dou firmament, |
| Dont tant y at, vos di briefment, | |
| Que toutes ont une haltesce, | |
| Mais ne sont pas d'une grandesce, | |
| Si convenroit longement lire | |
| Qui de chascune voldroit dire | |
| Le grant. Por ce nous en tenrons1. | |
| Mais au mains tant vous en dirons |
| 571 - 574 | |
| Ende daer en es sterre ne ghene | Qu'il n'i at nulle si petite, |
| Dat si nummer es so clene | Qui por veoir y sont eslite, |
| Viel si si en soude bedecken | Que molt plus grant ne soit sens doute |
| Aertrike ende ouerstrecken | Que la terre et l'yauwe toute. |
| 583 - 590 | Ars. 3167, fo 13r |
| Hier toe seg ic andwoerde goet | Or oiez aprés, s'il vous plaist, |
| Haer gote hoecheit dat al doet | Comment la terre reonde est. |
| Want weet dat seker ouerwaer | |
| Hinghe een ant firmament ende daer | Qui tant porroit en halt monter |
| Liet sijn oghen nedersinken | En l'air qu'il peuist esgardeir |
| La terre par val et par plaingnes, | |
| La hautesce des grans montaignes | |
| Et les grans valees et parfondes, | |
| Les flos de meir et les grans ondes, | |
| Hem soude al aertrike denken | Il li sambleroit tout de voir |
| Envers la terre mains paroir | |
| Niet also groot alst tscarpste es | Que ne feroit uns cheveux d'omme |
| Van eenre naelde sijt seker des | Sor son poing ou sor une pomme. |
Hetzelfde beeld komt iets verder terug: fo 13v:
| S'uns hons estoit ou ciel lassus | |
| Qui regardast vers terre jus | |
| Et la terre fust toute ardant | |
| Entor comme .i. charbons ardant, | |
| Plus petite li sambleroit | |
| Que la menre estoile qu'il voit | |
| Ou ciel de terre sa aval. |
| 631 - 636 | Ars. 3167, fo 26v |
| Voert v dunket dat sterren scieten | De sor, el aire, voit on souvent |
| Ende sterre ghescot vallen lieten | De cleir aire aucunes stiencelles |
| Qui samblent estoilles isnelles, | |
| Dont la gent dient que ce sont | |
| Estoilles qui courant s'en vont | |
| Et se remeuvent de lor leus, | |
| En sien gherechte sterren niet | Mais non sont, ains est aucuns feus |
| Die men also scieten siet | |
| Hets die lucht die onsteken es | Qui en l'air nest dune vapor. |
| Ic salt v vroet maken des |
Alles wat volgt, fo 26v en gedeeltelijk 27r, is in andere bewoording een samenvatting van de verzen 634-708.
| 709 - 710 | Proza-versie ii, Cap. xiv
(ed. O.H. Prior) |
| Dvuelen die sijn in die lucht | De cel air prennent leur habit |
| Ende den mensche dicke doen vrucht | es cors si maligne esperit. |
| 723 - 728 | Proza-versie II, (vervolg) |
| Minne dit sien duuelen alle | C'est anemis qui se met en samblance |
| Die ons gherne brochten te valle | d'aucune chose lors quant il se peut |
| Die duuel peynst nacht ende dach | aparoir en aucun lieu |
| Hoe hi ons verlistighen mach | pour decevoir aucun homme |
| Ende vten gheloue bringhen | ou pour faire issir de son sens |
| Ende proeft ons met menighen dinghen | dont il est aucune fois puissanz |
| 745 - 746 | Ars. 3167, fo 26r |
| Int sceden si dan luyt gheeft | Mais a l'estraindre qu'il fait lors |
| En la nue nest .i. sons fors: | |
| Donrelslach het name heeft | Cest la tonnoire que l'en doubtet.
(3 verzen) |
| 753 - 758 | |
| Nochtans so sien we tfier voren | Mais li espars apert anchois |
| Eer wi den slach moghen horen | Que dou tonnoire oie l'en la vois, |
| Onse horen dat comt bi dien | Car li veoirs est plus soutis |
| Es niet so scerp als onse sien | De l'omme que n'est li oirs, |
| Wi sien vorder dan wi horen | Si comme quant on voit de loing. |
| Beyde achter ende voren |
| 805 - 808 | |
| Maer in boeken ic noch vinde | |
| Dat donre coemt van vier winde | |
| Daer si te gader comen al | |
| Dits loghen als ic v toghen sal |
Hoewel de Natuurkunde hier rechtstreeks het Image du Monde tegenspreekt, is er een negatief aanknopingspunt. De ‘boeken’ waarin de Mnl. dichter de volgens hem terecht verkeerde theorie over de donder vond, kunnen best het werk van Maître Gossouin, of liever diens bron, zijn:
Proza-versie II, Cap. XV (ed. O.H. Prior):
‘Car tonnoires et esparz nest que deboutement de venz qui sentrecontrent desus les nues si durement que en leur venue naist souvent aucuns feus en lair Et ce est foudre qui chiet en main lieu que li vent destraingnent si durement que les nues en fendent et derrompent et fait tonner et espartir Et chiet aval par tel force pour le vent qui le destraint si durement que il confont quanquil ataint si que il ne dure riens contre lui’
Ik heb althans nergens anders een dergelijke verklaring van de donder aangetroffen.
| 1385 - 1398 | Ms. Harley, 271 - 280
(ed. P. Meyer) |
| Die viant weet alle nature | Por ce li diables por voir |
| Ende is bi ons alle vre | Nos fait covoitier teil avoir |
| Den mensche doet hi dicke sneuen | Qui a neant revient toz tens, |
| Dont a meins troble si les sens | |
| Ende iammerlijc verliesen tleuen | Que rien n'entendent vers lor mort. |
| God onse here ghehenghet dicken | |
| Dat gheuallen dese sticken | |
| In sinen handen esset al | |
| Ionc ende out groet ende smal | |
| Menich bi sijnre naturen soude | Maint sont ore dampné et mort |
| Qualiken termen al sijn oude | |
| Ten waer datten god daer wt keert | Qui peüssent estre salvei |
| Eer sine quaetheyt wort ghemeert | S'il entendissent veritei, |
| Menich verhaest sijn doet dicke | Mais clergie perit si toute |
| Ieghens nature bi enighen sticke | Que les genz ne voient mais goute. |
| 1401 - 1402 | Arsenal 3167, fo 28r |
| Om dat die heyden lieden saghen | Si comme li anciens sages |
| Eens iaers die astronomie plaghen | L'en cerchierent par lor usage. |
| 1409 - 1419 | (vervolg) |
| Ooec die daghe vander weke | De ces .vij. planeteis demaine |
| Hieten si na hem waerlike | Prennent li jors de le semaine |
| Lors nons si com voz orois chi, | |
| Na die sonne hiet si sondach ane | |
| Enten manendach na die mane | Car lune si ait le lundy, |
| Na maers den dinxsdach hieten si dus | Mars le mardy par teil nature |
| Et le merquedi at Mercure, | |
| Den woensdach na mercurius | De Jupeiter est li jeusdis |
| Den donredach na Iupiterre | |
| Om dat hijt donren dede verre |
| Na venus noemden si den vridach | Et de Venus li venredis, |
| Om datmen dan te vrien plach | |
| Den saterdach na saturnus | Li semedis est de Saturne |
| 1427 - 1428 | (vervolg) |
| Den sonnendach hieten si endeleke | Et li sains diemenges s'atorne |
| Den eersten dach vander weke | Au soloil qui est li plus bialz. |
| Por ceu valt li diemenges mialz | |
| Que nulz des jors de le samaine. |
1447 - 1484
In hs. Arsenal 3167, fo 27r en gedeeltelijk 27v, is de verklaring van de maansverduistering, hoewel niet woordelijk identiek, toch zeer verwant met passus 1447-1484. Over de maanvlekken wordt in de Image du Monde iets meer uitgeweid; we krijgen namelijk drie verklaringen, waarvan de laatste op theologische gronden steunt.
| 1449 - 1466 | Arsenal 3167, fo 29v |
| Die mane ghene claerheyt heeft | Puisque jor et nuit entendez, |
| Sonder die haer die sonne gheeft | Aprés, de la lune veez |
| Haerre gheen niet stille en staet | Comment elle rechoit lumiere |
| Als die mane an die sonne ontfaet | Del soleil en yteil maniere |
| Haren wech si vaste gaet dan | Qu'ades est, queil part qu'elle sort, |
| Ende emmer clarende meer an | La moitié plaine ensi endroit |
| Tusschen dien dat si comt gheronnen | |
| Rechte daer ieghen der sonnen | Com lors que plainnel l'apellons |
| Dan isse vol ter seluer tijt | Com plus reonde la veons. |
| Verstaet dit dat ghijs wel seker sijt | Mais com plus loing est dou soloil |
| Tant y voit l'en plus d'aparoil | |
| Et quant elle est tout droit desous | |
| Lors n'apert elle point a nous | |
| Als daerde tusschen dese twee | Car lors est elle entre la terre |
| Es dan recht min noch mee | Et le soloil qu'elle vait querre, |
| So bedecket aertrike dan | Si qu'elle est cleire par dela |
| Die sonne dat si niet bescinen en can | Et oscurre vers noz de cha |
| Et por ce ne veons noz point. | |
| Die mane dus moet si gaen | Puis va elle tant point a point |
| Met groter donckerheyt bevaen | Qu'en sus dou soloil se remuet. |
| In die scade van aertrike | |
| Tent si wt comt ende blike | Lors apert sa clarteit cornue. |
| 1477 - 1478 | Ars. 3167, fo 29v |
| So ist ghemeen ouer al aertrike | La lune souvent avient |
| Dat si veruaert ende niet en blike | Que clarteit perdre li convient. |
| 1485 - 1494 | Ars. 3167, fo 30r |
| Dou soloil qui pert sa splendor | |
| Die wil weten hoe veruaert | Aucune fois en mi le jor |
| Die sonne hi sie harewaert | Et vait ausi comme aclin |
| Als die mane is donker al | C'on appelle eclypse en latin. |
| Ende si an die sonne ontfaen sal | Ceste defaute de lumiere |
| Avient en yteille maniere | |
Tusschen aertrijc e der sonnen | Que, quant la lune vait desous, |
| Comt dan die mane gheronnen | Vient entre le soloil et nos |
| Die herde donker es dan | Tout en droit en la ligne droite, |
| Went dat haer claerheyt comet an | Si convient qu'elle nous retiegne |
| Der sonnen claerheyt decket so | La clarteit dou soleil en hault |
| Dat si ons niet en comet toe | Si qu'il nous samble qu'il nous faut. |
| 1549 - 1552 | Ars. 3167, fo 30r |
| Stonde hier ene kaerse nv | Tout ausi com d'une chandoille |
| Die mi lichte ende v | Qui loing sor nostre esgart seroit, |
| Ende dan yet vore quame | Puis tendissiez la palme endroit |
| La chandoille en vostre esgart | |
| Dat ons dat scone licht bename | Que point n'en verrois celle part. |
| 1560 - 1580 | Arsenal 3167, fo 30v |
| Dat was doe god ant cruce sterf | Quant Jhesu Crist morut en crois, |
| Haer licht verloes si al doe | Que li clarteit del jor fallit |
| Si comme entre noinne et mydi | |
| Et si estoit la lune ensus | |
| Dou soloil si comme pooit plus | |
| Com celle qui painne estoit | |
| Et desous terre demoroit, | |
| Ende wert puyr donker toe | Alors en fut li jors oscurs |
| Com nuit quant plus dut estre purs. | |
| Bi mirakel niet bi naturen | |
| Als mi toghen die scrifturen | |
| Dat tot athenen stont sent denijs | Dont saint Denis, c'or est en France, |
| Qu'an Grece estoit en grant doutance | |
| Die van sterren was herde wijs | Com paiens et grans clers estoit |
| Et d'astronomie savoit, | |
| Die sonne hi veruaren sach | Quant il vit ceste oscurteit grant |
| Ende verdonkeren den dach | |
| Hi wist wel dat niet en mochte sijn | Si le merveillant durment, |
| Want der manen manescijn | Et trova par astronomie |
| En was mer viertien daghe out | Que ce ne pooit estre mie |
| Des hadde hem wonder menichfout | Par nature ne par raison |
| Qu'eclypse fust en teil saison. |
| Doe sprac hi god der naturen | Lors dist une parole oscure |
| Ou li deus fist il de nature | |
| Ghedoecht nv tot deser vren | Soffret grant laidure a grant tort |
| Sinen onwille of al aertrike | Ou toz li mondez si estort |
| Wert nv te stoert sekerlike | Et se desjoint por defallir |
| Comme cilz qui doit defenir1 | |
| Dit was ene ware tale | |
| Nochtans en kende hi gode niet wale | Et penssat ains grans deus estoit |
| Qui sor toz grant pooir avoit, | |
| Com cilz qui creioit plusors deus | |
| Lonc sa loy est en plusors leus. | |
| Lors fist .i. auteil molt ensus | |
| Darriere toz les autres ou nus | |
| N'aprochoit, fors il seulement, | |
| Wanten paulus sint bekeerde | Tant que saint Polz celle part vint |
| Com cilz qui a grant clerc le sot, | |
| Ende tgheloue hem leerde | Dont il le conviertit plus tost |
| Par miracle et par clergie | |
| Si comme il le conte en sa vie. |
| 1618 - 1619 | Ars. 3167, fo 12r |
| Want die hadde goede vaert | Ausi poroit par tout le monde |
| Hi soude al omme gaen aertrike | Uns hons tant comme la terre dure |
| Aleir tout entour par nature. |
| 1629 - 1638 | (vervolg) |
| So soude hi comen daer ghegaen | Si que, quant desous venroit, |
| Il li sambleroit tout adroit | |
| Que non fussiens tres desous li | |
| Si comme il nous feroit de li, | |
| Dat sine voeten souden staen | Car ses piés viers les nos tenroit |
| Recht ieghen der gheenre voete | |
| Alsof hi soude doen ghemoete | Et la teste vers le ciel droit |
| Ter stede daer hi vte teerst | Ansi com nos faisons yci |
| Begonde te gaen alre eerst | Les pies sus vers enmi. |
| Ende in also langhen tiden | Et s'il aloit adés avant |
| Soude hi gaen an dander side | Drois devant li, il yroit tant |
| Ende comen ter seluer stede in | Qu'il revenroit au leu premier |
| Daer hi wt ghinc noch meer noch min | Dont il se prist a esloignier. |
| 1659 - 1666 | Ars. 3167, fo 11v |
| Dit doet dat aertrike is ront | Deus format tout reont le monde |
| Als ic v hebbe ghemaket cont | Comme une pelotte reonde. |
| Want scrifture ons dat seghet | Le ciel reont de toutes pars |
| Qui en tour la terre est espars, | |
| Entierement sen desevraille | |
| Ghelike dat die doder leghet | Tout autressi comme l'escaille |
| Recht int midden vanden witten | De l'euf qu'entor l'abun se donne, |
| Metten scalen diere an sitten | |
| Also scrijfmen dat is aertrike | Tout ausi le ciel environ ne. |
| Recht in midden sekerlike |
1701 - 1706:
De hel is het centrum van de aarde, zo ook bij Gossouin (proza-versie II, Cap. VIII; ed. O.H. Prior):
‘Tout ausi a dedenz la terre .i. lieu qui a non abisme et terre de perdicion’,
en in Arsenal 3167, fo 22v wordt gezegd dat de hel het zwaarst van alles weegt, en daarom het centrum van de aarde, en dus tevens van het heelal, moet zijn.
| 1776 - 1795 | Proza-versie II, Cap. XII
(ed. O.H. Prior) |
| Die wasem die in die hole gaen | Et ce avient par les granz yaues |
| Ende deen iaecht ende dander vliet | qui vont par dedenz la terre |
| So worden si wint ende el niet | si que par deboutement des granz ondes |
| Die wint als ghi hebt ghehoert | naissent aucun vent |
| Loep in die hole der aerden voert | es cavernes qui sont souz terre |
| Die aerde verroert bouen ende beeft | |
| Om dat si den wint binnen heeft | et li airs qui se serre dedenz |
| Diese also dueren rent | qui est enclos en grant destroit |
| In alle die hole ommetrent | |
| Die aerde gaet op ende neder | |
| Om dat hi loept haer ende weder | |
| Waer die aerde dan es dinne | se la terre est la endroit foible |
| Daer breect si ende vallet inne | que ele ne le puisse retenir |
| Ende maect daer een diepe dal | si s'uevre et fent la terre |
| Ende enen herden groten wal | |
| Groot wint ende starc daer wt dan vaert | pour l'air qui s'efforce a issir hors |
| Ende gaet climmende opwaert | |
| Stoeder oec dorp of enich poert | dont il est souvent avenu que viles |
| Daer dit gheviel dat ghi hier hoert | et citez |
| Het most algader daer versinken | en sont fondues en abbysme |
We zien dus een bijna woordelijke gelijkenis in de volgende passages: 23-32, 283-300, 311-319, 329-345, 353-357, 571-574, 631-636, 745-746, 753-758, 1560-1580, 1629-1638, 1776-1795. Tussen 758 en 1560 is er een vrij groot hiaat, en in de tekst tussen 808 en 1385 is zelfs niet de minste overeenkomst te bespeuren, zodat daar wel degelijk door de Natuurkunde-dichter uit andere bronnen geput werd.
Aangezien het nu zo goed als zeker is dat het Middelnederlandse gedicht niet naar het Frans, maar naar het Latijn bewerkt is (cf. p. 66), is het van het grootste belang de Latijnse bronnen van Maître Gossouin te ontdekken. Volgens Prior zijn dat vooral Neckam (die boven reeds geëlimineerd werd) en Honorius Augustodunensis (lees: Guillaume de Conches: cf. p. 71). Alleen de laatste kan dus in aanmerking komen.
Ik heb de indruk, - wil hier echter niemand zonder verdere bewijzen beschuldigen -, dat het bronnenonderzoek van de Image du Monde tot nu toe niet al te grondig verricht werd. Zoals gezegd is het niet moeilijk een zogenaamde (Latijnse) bron voor de hier behandelde stof te vinden. Alleen moet men zich ervoor hoeden niet de eerste de beste gelijkende tekst als voorbeeld te beschouwen. Ik vrees min of meer dat dit het geval geweest is bij Fritsche en Prior, die, verleid door een relatieve overeenkomst, misschien wat voorbarig besloten dat Guillaume de Conches door Gossouin als bron gebruikt werd. Inderdaad zijn er verschillende punten van overeenkomst, maar hun aantal is minder groot dan dat tussen Gossouin en de Natuurkunde, waar niet alleen de gedachtengang maar vooral de bewoording een treffende gelijkenis vertoont.
We staan voor een gesloten deur waarvan de sleutel zoek is: het Middelnederlands en het Frans hebben onder meer één Latijnse bron gemeen die nog onbekend is, en die vermoedelijk een bewerking is van de Imago Mundi en de Philosophia Mundi van Guillaume de Conches.
Tot nu toe hebben we ons alleen bezig gehouden met het wetenschappelijk deel van het gedicht. Ook voor de computus, of die nu al dan niet bij de Natuurkunde hoort, zijn bronnen of identieke redacties te vinden.
Zo is er in de eerste plaats de Middelnederlandse Cisiojanus, die in 3 handschriften onder iedere kalendermaand staat (H, S, L) en die in W in de proloog werd ingelast.
In hs. Arsenal 3516, 2v, staan naast de kalender die voorafgaat aan deze zeer volumineuze codex (357 folio's, groot formaat en klein beschreven), enkele computus-regels die, hoewel in proza, treffend lijken op die uit de Natuurkunde. Hoewel uit deze gelijkenis geen overhaast besluit mag getrokken worden, daar de formulering van éénzelfde manier van berekenen noodzakelijkerwijze steeds ongeveer eensluidend is, laat ik hier de Middelfranse tekst (het hs. is uit de 13e eeuw) volgen. Van alle tijdsberekeningen, proza of rijm, die ik tot nu toe onder ogen kreeg (en dat was héél wat), is deze tekst inderdaad de enige die zó dicht bij die van de Natuurkunde staat dat ze best mogelijk op eenzelfde bron teruggaan:
Tot besluit vatten we al deze bevindingen even samen: als onrechtstreekse bronnen hebben gediend Aristoteles, Ptolemaios en Alfarganus, wier theorieën via een Latijnse bewerking werden overgenomen;
als rechtstreekse bronnen: o.m. het Latijnse werk (< Guillaume de Conches?) dat tevens Maître Gossouin inspireerde, en één of meer van de Latijnse encyclopedieën die na eliminatie nog overbleven (zie p. 71).
De dichter is dus zowat overal gaan halen en vinden. Zijn originaliteit en grote verdienste ligt in de manier waarop hij uit zijn bronnen kiest, de geselecteerde stof ontwikkelt, indeelt, illustreert en presenteert. Hij is een uitstekend pedagoog, gaat eclectisch te werk, verkiest meestal één rationele verklaring boven een encyclopedische verzameling van gegevens (zoals bv. Isidorus of Vincentius Bellovacensis), begint niet te pas en te onpas te moraliseren maar blijft in de eerste plaats een wetenschapsmens, geeft uitstekende voorbeelden en vergelijkingen, waarvan verschillende tot nu toe oorspronkelijk lijken, helpt - waar het nodig is - een algemeen verspreid waanbeeld de wereld uit, en vertelt op een heldere, duidelijke en bondige wijze aan een niet ingewijd publiek het essentiële over een vaak moeilijk toegankelijke discipline.