|
|
|
| | | | | |
Toen de Gids werd opgericht... door
Albert Verwey.
| | Gedachten over Hollandsche Letteren.
1800-1830.
I.
Wat de menschen in boeken schrijven is een deel van wat zij denken
in zichzelven en spreken onder elkander. En al hun gedachten en gesprekken zijn
een deel van hun daaglijksche leven, de manieren van hun zitten en opstaan, het
verkeer in hun huizen en hun handel, het gaan langs hun straten en pleinen. Wie
hun boeken verstaan wil moet zien dien ganschen gedurigen omgang en de
vertrouwelijkheden dier levens beluisteren, waarin zij de gedachten denken,
waar hun schrijvers en kunstenaars woorden en monumenten van maken.
Daarom is het een mooi, maar droevig werk de boeken te begrijpen
van een volk, dat vóor ons geleefd heeft. Want omdat wij dat volk niet
om ons heen zien en het tóch willen begrijpen, daarom moeten wij,
langzaam aan, van het weinige dat wij weten, hunne steden opbouwen in onze
verbeelding en ons rijk maken met groote fantasieën van hun kleine leven,
en hen doen bewegen en spreken in onszelven, zooals | | | | wij meenen dat
zij bewogen, wat wij gelooven dat zij spraken, en dan zeggen tot onszelf dat
wij nú hun vertrouwden zijn. Maar als wij dat gedaan hebben, dan
wenschen wij zoo dikwijls, al was het maar even, en maar éenen mensch
bij het kleed te grijpen, en hem in het gezicht te kijken, en hem te vragen of
het waar is wat wij meenen van hem te weten; en dan is het zoo vreeselijk
droevig te bedenken, dat ook die mensch, als al die anderen, lang vóor
ons is doodgegaan.
Ik nu weet dat ik weinig weet van de menschen wier boeken ik
begrijpen wil. En omdat het moeielijk is veel te begrijpen uit weinig
wetenschap, zal ik het niet vreemd vinden als ik niet begrepen heb, wat ik
meende dat ik begreep.
| |
II.
Het volk van Hollanders, dat het laatste vierde der vorige eeuw
doorleefde, zie ik in mijn verbeelding als een opgewonden volk.
De opgewondenheid hunner vroolijke weelde was als een lichtmakende
wijn in de hoofden der jeugdige rijkaards, en zij lachten langs de straten met
veile vrouweu, en lazen des morgens, vóor het opstaan, de romans der
Fransche filosofen, omdat zij het zoo aardig vonden te lezen van lieve
natuurmenschen, die hun heerlijk-naïve deugdzaamheid voor hen uitspeelden,
zonder hun kwaad te doen.
Ook veel deftige, verlichte burgers kenden de ideeën, die als
onschuldige fantasieën in de boeken der aandoenlijke schrijvers leefden.
Maar zij kenden ze als deftige stellingen en ontzaglijke waarheden, waarover
zij schreven voor een deel van het volk, dat op markten en in club-lokalen
luidruchtig debateerde, en zich opwond voor
Franklin, en
Washington den Vrijheidsheld. Als heldhaftige
burgerwachten maakten die lezers de achtbare raadzalen der hoofdstad rumoerig,
in 1787,
1) en
verstoorden, als leden der Kamers, in 1798, door hun geschreeuw en geroezemoes
de gemoedsrust van klassiek-gevormde Amsterdammers en bezadigde Hagenaars
2). | | | |
Maar onder en rondom die allen woelde het volk, dat arm was. Ook
arm aan ideeën was het en dacht niet aan deugdzame natuurmenschen. Maar
het had honger en daarom schreeuwde het; het was koud en daarom maakte het de
wegen onveilig voor lieden, die warm gekleed waren. Vrijheid, dat was: niet
altijd zoo vol zorg wezen; Gelijkheid, dat was: brood hebben; Broederschap, dat
was: deelen met de rijken. Die menschen waren te grof en te dom om iets te
voelen van de platonische liefde der idealistische hervormers; maar zij
verlangden bitterlijk met brutale liefde te omhelzen de lieve werkelijkheld
hunner woedende begeerten.
De vroolijke of teêrzielige opgewondenheid der rijke heeren
en dames; de ernstig-ijverende opgewondenheid der brave burgers en dominees; de
wilde, verlangende opgewondenheid der armen en werkeloozen hoorde men weenen en
schaterlachen door elkander, in de dwaze belachelijkheid der opgewonden
Revolutie. Dat arme, zenuwachtige volk van menschen, die als gekken de
Carmagnole dansten, op den Dam om den Vrijheidsboom, en de vriendelijke pleinen
en huiselijke grachtjes onzer kleinere steden luidruchtig maakten met de
bespottelijkheid hunner opwinding, dat wás geen volk, dat iets
verstandigs doen zou voor de kunst der negentiende eeuw
3).
| |
III.
Toen het nieuwe leven zich openbaarde in de gedachten der
achtiende-eeuwers, toen was het natuurlijk dat het zich ook zou openbaren in
hun kunst. De harten der rijkste menschen waren vol met het gevoel der nieuwe
gedachten, en
Wordsworth in Engeland en
Bilderdijk hier verklaarden met gelijke geestdrift,
dat Poëzie niet anders dan de daadlijke uiting van machtige aandoening was
4).
Maar terwijl Wordsworth zijn gedachten zoo innig gevoelde, en zoo
kalm wou beschrijven, en zoo zag, als ze tot hem kwamen met hun nieuwe
bewegingen, en zoo hoorde als ze in hem spraken met hun nieuwe geluiden, dat
zij alle in niets | | | | geleken op de dichterlijke frazen der vroegere
menschen; - terwijl hij begreep en gevoelde dat hij een nieuwe taal zou maken,
als hij wezenlijk zóó als het in hem leefde zijn nieuwe volk van
gedachten deed uitgaan; - zag Bilderdijk opgewonden-geestdriftig,
ongedurig-onnauwkeurig zijn nieuwe ideeën komen, en frommelde
om hun veronachtzaamde leden de niet-passende kleeren der klassicistische
rhetoriek.
Dit was het: - en dit is de hoofdzaak - dat Bilderdijk als
groot mensch, groot door het hebben èn waarnemen van
stemmingen, de mindere was van Wordsworth en diens Engelsche tijdgenooten. Dit:
- en dit is het gevolg - dat het nieuwe leven, dat in Wordsworth een macht was
tot het bouwen eener nieuwe dichtkunst, in Bilderdijk sterk werd in het
vermenigvuldigen der oude; - zóozeer, dat in onze letteren vóor
noch na hem zoo groote wanstaltige hoop poëtische taal te zien is, en hier
eerst in 1880 werd uitgesproken, wat Wordsworth in 1802 had gezegd.
Dat alles zou niet gebeurd zijn, als dat volk niet zoo opgewonden
was geweest. Want juist als de geestdrift van dat volk was de geestdrift van
onze poëten. De geestdrift van lieden, die, als beelden uit een
tooverlantaarn, de gestalten hunner begeerten vooruit wierpen op den ledigen
voorhang der negentiende eeuw. Gelijk aan de opgetogenheid eens reizigers, die
zich rond laat voeren in een rijk, Moorsch huis, van kamer in kamer, en al de
schittering aanziet van gouden schildering en kunstig snijwerk, en als hij er
uit komt voor een vriend aan 't vertellen staat, maar het fijne vergeten is, en
alles banaal maakt; ijdel, dom.
Omdat dat volk zoo opgewonden was én omdat er bij ons
zooveel Latijnsche dichters waren.
Dat er bij ons zooveel Latijnsche dichters waren is de tweede,
groote reden voor het voortbestaan der Dichterlijke Taal. De Hollanders waren
altijd beroemd geweest om hun Latijnsche verzen. Zij werden er om genoemd bij
de vreemden. Zij waren er trotsch op in een eeuw, toen ze weinig anders hadden
om trotsch op te zijn. Er was aldoor geweest bij ons een deftige officieele
côterie van Latijnsche geleerden. | | | | En toen de nieuwe tijd kwam
met zijn nieuwe menschen, was het geen wonder, dat men daar ook nieuwe
Latijnsche poëten onder vond. Maar niet alleen dat die er waren;
dát zij er waren en dat de Ouden met vernieuwden ijver bestudeerd
werden, werd door velen van hen, die zich met literatuur bemoeiden,
noodzakelijk gevonden en een groot bewijs van de herleving onzer letteren
genoemd.
5) Daarom
was het niet vreemd, dat op de vaderlandsche gebeurtenissen dier dagen zoo goed
Latijnsche als Hollandsche verzen werden geschreven en gedeclameerd, niet
vreemd dat de Hollanders gevleid waren, toen
Napoleon hen prees om den roem hunner Latijnsche
poëzie. Maar even weinig vreemd was het, dat voor het beste deel onzer
Hollandsche poëten het schrijven van verzen bleef, wat het was voor de
Latijnsche, een bewerken en combineeren van de vormen der Romeinsche kunst.
| |
IV.
Thans, als ik dien grooten hoop papier naast me neerleg, waarop ik
vroeger - het is nog zoo lang niet geleden - mijn Dichterlijke Taal schreef,
die ik geleerd had van
Da Costa en
Ten Kate; en als ik dan denk dat mijn mooie jonge
gevoel daar was weggestopt in woorden, die er niets op lijken, al schreef ik ze
toen, bevende van groote blijdschap; dan voel ik een droevig medelijden met al
die doode Hollandsche dichters, die zijn gaan sterven met de gedachte, dat ze
iets van hun ziel achterlieten bij hun volk. Dan bevangt me een weemoedige lust
om mijn eigen jonge zelf te verdedigen, om hen állen te verdedigen tegen
mij en mijn vrienden, en te zeggen: Wij hebben hen niet begrepen: ik zal u
zeggen hoe ge hen kunt verstaan. Maar dan bedenk ik dat de Dichterlijke Taal
niet is te verdedigen: want dat men hare uitdrukkingen
dáárom tchoon vond, omdat zij de illustraties waren van een
samenstel van dichterlijke figuren, waarvan men beredeneerde dat zij schoon
waren; en dat de woorden van menschen niet mooi of dichterlijk kúnnen
zijn, alleen omdat zij een uitdrukkingswijze illustreeren, die | | | | men
schoon heeft geredeneerd. Doch als ik dat dan bedacht heb, wordt het mij
duidelijk, dat Bilderdijk en zooveel andere poëten toch geen onwillige
domooren waren, die met opzet het leelijke mooi en het ondichterlijke
dichterlijk noemden; maar dat zij wel wezenlijk die beredeneerde schoonheden
als mooi voelden en werkelijk zeer innig en vertrouwend
geloofden, dat Dichterlijke Taal dichterlijke schoonheid was. Ik begin
te begrijpen dat Bilderdijk en die anderen even natuurlijk waren in hun
mooivinden als wij in het leelijkvinden dier taal. Ik voel toch den lust hen,
zoo niet te verdedigen, dan toch te verklaren en te be oordeelen,
openlijk, daar ik hen openlijk ver oordeeld heb.
Bilderdijk meende het, toen hij schreef, dat Poëzie niet
anders dan uitstorting van gevoel was. En zijn verzen zijn de
uitstorting van zijn gevoel. Zij hebben, in zijn beste gedichten, de
onbelemmerde bewegingen, de ieder dichter kenbare gedragenheid van klank, de
brutale zorgeloosheid van keeren en stilstaan, die alleen zijn op te merken in
het werk van schrijvers, die schrijven met de volle overtuiging dat hun woorden
gelijk zijn aan hun gevoel. Zijn gevoel wás nu eenmaal opgewonden en dus
grof, met oppervlakkige rhythmen, maar met zijne rhythmen en
zijnen klank heeft hij dát gevoel gezegd.
6) Dat was voor hem het voornaamste en dat
kón niet anders. Want hij vulde zijn rhythmen en formeerde zijn
klankenreeksen met zijn tallooze illustraties van rhetorische en dichterlijke
figuren, - maar was dat vreemd?
Immers was het in Nederland nooit gezegd, dat de dichterlijke
figuren der Latijnen iets anders dan schoonheden waren. En Vondel, de groote
Dichter, had ze voor niets anders gehouden, in theorie noch praktijk. In de
achtiende eeuw had men Vondel en de klassieken en op het einde dier eeuw
voorál nog eens de klassieken gelezen, en dat doende had men voortdurend
en liefst van al genoten van de kunst en de bekwaamheid, waarmee die dichters
hier deze, daar gene rhetorische figuur hadden te pas gebracht. Zoo waren die
figuren voor heele geslachten van | | | | schrijvers denkvormen geweest,
waarin en waaaraan zij voornamelijk dachten als zij schrijven gingen in vers.
En daarom was het niet vreemd, maar o zoo natuurlijk, dat toen Bilderdijk
schrijven ging,
Bilderdijk, die, van dat hij kind was, zijn ziel had
volgemaakt met al de rhetorica eener heele klassicistische letterkunde;
Bilderdijk, die door aanleg en opvoeding geen mooi-vinden kende dan het
mooi-vinden van al die geprezen vormen zijner beminde schrijvers; Bilderdijk,
die het leven niet zag en niet wou zien dan in de boeken enkel, of in den
chaos, dien hij van de woorden dier boeken had opgebouwd in zijn brein; - dat
hij, toen hij begon te schrijven en op de maten van zijn gevoel de
fantasieën voor zich bewegen zag, die in hem waren, geen andere zag en te
schrijven had dan die altijd nieuwe illustraties tot de vormen der oude
rhetoriek.
7)
Zoolang het mooi-vinden der Dichterlijke Taal, het in gegedachte
herleiden van de figuurlijke uitdrukking tot de directe, een gevoels-afspraak
bleeft onder de menschen; - zóo lang wás het werk van Bilderdijk
kunst. Zoolang men het aardig vond en een prettige vertrouwelijkheid tusschen
lezer en schrijver
8), dat de schrijver een
aantal woorden schreef met een beteekenis, waarvan de lezer vooruit wist, dat
een ónwetende een lastige, kleine redeneering zou moeten maken, eer hij
ze kon verstaan; - zoolang men het een pleizierig werkje achtte, om, als de
schrijver zoo dichterlijk geweest was eene Metaphora te gebruiken, d.w.z. om
b.v. te schrijven: Gij zijt een Pilaar van den Staat, - die Metaphora in
gedachte te herleiden tot het meer geloofwaardige: de vergelijking, waaruit ze
ontstaan was: Indien ik den staat vergelijk bij een huis en de menschen in dien
staat bij deelen van dat huis, dán vergelijk ik u bij een pilaar
9): - zoolang men het verheven vond in een
schrijven, dat hij schreef, en verheffend voor een lezer, dat hij las, hoe
allerlei abstracties en levenlooze zaken dingen deden, die in de werkelijke
wereld alleen heusche personen doen, en zich dán zeer aangenaam gestemd
voelde door zich, in gedachte, en op eigen gelegenheid, te verbeelden, dat al
die | | | | abstracties en levenlooze zaken werkelijk heusche personen
waren
10); - zoolang men dat alles deed en dan nog bij
zichzelven de tevredene opmerking, maakt dat de dichter wiens verzen men - in
gedachte - reconstrueerde tot wat eenvoud, nu zoo een heel groot dichter was,
ómdat hij zoo veel te denken gaf aan wie hem begrijpen wou, en
ómdat men bij ieder zijner verzen ‘wel eene gansche
commentarie’ schrijven kon
11); - ja, zoolang men dat alles
doen kon, zonder lachen, en zich daar en boven verbeelden, dat men dus doende,
diepzinniger en wijzer was dan de besten, die in Nederland geleefd hadden
12): -
zóolang moest
Bilderdijk een Dichter heeten, én
Helmers, én
Wiselius én de rest.
Voor den verstandige is dat spelletje van in-gedachte-herleiden,
dat oplossen van raadseltjes in gedichten
13), te
kinderachtig en niet geestig genoeg. Het moest op den duur vervelend worden,
zelfs voor niet-zoo-verstandigen. Dit alleen zou reeds een voldoende reden
wezen, waarom de Dichterlijke Taal bij het menschdom niet altijd kon blijven
bestaan.
Dan, het was natuurlijk dat
Bilderdijk schreef zooals hij schreef. En, daar ik
geenen lust gevoel Bilderdijk te benadeelen in de waardeering van het
nageslacht, zal ik zeggen dat hij wezenlijk in zijne soort een groot en ernstig
kunstenaar is geweest. Hij heeft gezocht en gevonden die gedragenheid van klank
en die bewegingen van rhythme, die ik niet mooi vind, maar die de oprechte
uitdrukking waren van zijn gevoel. Hij heeft, weergaêloos knap, een
aantal maten bewerkt en groote oratorische wendingen geschreven, die eenig zijn
in hun soort. Hij heeft voor het eerst na Cats en Vondel, alles durven zeggen
in verzen, en in groote, grove lijnen, in zijn Ondergang der Eerste Wareld, de
schetsvormen geteekend van een breeden Hollandschen stijl. Hij heeft de woorden
der Hollandsche taal - wel met al hun figuurlijke beteekenis, maar toch heeft
hij - in zijn boeken bij elkander verzameld, tot zulk een aantal, dat weinig
poëten voor hem er zoo veel hebben gebruikt
14). Eindelijk schreef | | | | hij een proza, dat even knap en
iets minder vervelend dan zijn verzen was.
| |
V.
Dichterlijke Taal werd geschreven door ál de poëten
van dien tijd.
Feith schreef ze, zoo goed als Bilderdijk. De
fantasieën in beider taal, als in beider ziel, waren niet gelijk aan de
werkelijkheid-zelve of er op gelijkende, maar gedachte vormen die in de lucht
hingen boven de werkelijkheid, bereikbaar alleen langs trappen van redeneering.
Van den een zoowel als van den ander zouden zij vergeten worden, zoodra de
menschen geen lust meer voelden die trappen op te gaan. Maar terwijl de
dichterlijke-taal-fantasieën van Bilderdijk uit de rhetoriek der Latijnen
waren genomen en in niets meer leken op eenige werkelijkheid, waarmeê zij
vroeger verbonden waren, bewoog onder die van Feith op niet al te verren
afstand een natuur en een leven, die een deel waren van zijn tijd. Zijn werk
óok was onnatuurlijk: van zijn ruischende beekjes en zijn gevoelvol
kloppende harten zou hij zóo niet geschreven hebben als zijn oogen niet
geschreid hadden over de blaêren van
Klopstock. Maar achter zijn werk was de natuur
bemerkbaar, want de beekjes waren aan 't ruischen op Boschwijk en er klopten
veel harten sentimenteel-gevoelvol in zijn jeugd. Daarom schreef hij met zijn
veel minder gedragen blank, met zijn veel minder ontwikkelde rhythmen, met zijn
veel onbeduidender intellect, met zijn alles veel minder en onbeduidender dan
Bilderdijk, op allerlei plaatsen veel directer, veel verstandiger wat hij te
zeggen had. Daarom was
Bilderdijk de poeët, dien men bewonderde, Feith
de dichter van wien men hield
15). Daarom hielp het
niets of Bilderdijk-zelf en
Kinker en de schrijvers der Letteroefeningen altijd
door scholden op het sentimenteele en parodieën maakten op Feiths verzen,
- waarbij er komieke waren, zeker! maar toch niet komieker dan van eenigen
Hollander, - want ondanks dat schelden en die parodieën lazen de meeste
Hollanders heel graag de verzen van | | | | den zeldzame, die met al zijn
aandoenlijkheid, niet zoo héel veraf stond van hun leven en hun
natuur.
Wat
Wordsworth wilde: dat de dichters de taal zouden
schrijven der eenvoudigste menschen, daarmede maakte Feith, misschien onbewust,
en met een talent buiten vergelijking kleiner dan dat van zijn Engelschen
tijdgenoot, een begin. Soortgelijke invloeden werkten op beiden om soortgelijke
dingen te doen. Was hij sterker geweest en grooter, zóo als Wordsworth,
en waren er meer geweest dan die enkele: misschien zou ook dán onze
kunst reeds tachtig jaar lang een goede kunst geweest zijn.
Nu was zijn niet-te-ver van de natuur staan een groote som goeds,
waarmee der som de kwade dingen in Bilderdijk verminderd werd. Hij werd gelezen
en begrepen beter dan deze en herinneringen aan zijne gedichten werden een
aangenaam deel der werken van de meeste der Hollandsche dichters. En een
zonderling ding was het, toen, nog bij zijn leven,
Tollens, de dichter der Hollandsche natuurlijkheid van
vóór '30, de huiselijk-sentimenteele, wiens lievelingsschrijver
Rhynvis Feith geweest was, als de populaire dichter
begon geprezen en bewonderd te worden, óók door dezelfde
menschen, die Feith hadden gelaakt om zijn sentimentaliteit
16).
| |
VI.
Men kan, als men de verzen van Tollens gelezen heeft, beweren dat
het geslacht, dat Tollens voortbracht als zijn grootsten dichter, minder
krachtig moet geweest zijn dan dat vorige, dat
Bilderdijk voortgebracht had. En wie de waarheid van
dat beweren bewijzen wil zal redeneeringen kunnen vinden, die het tegendeel van
onaannemelijk zijn.
Want de menschen van dat geslacht hadden zich moê gemaakt in
de dagen van hunne opwinding. Zij hadden met handen willen grijpen de
droombeelden hunner vervoering, maar de dingen der wezenlijke wereld hadden hun
voor de voeten gelegen, en zij waren gestruikeld en gevallen, zoodat
| | | | ze pijn voelden bij het opstaan. Zij hadden geschreeuwd om
vrijheid, gelijkheid en broederschap, en toen was tot hen gekomen een zwerm
fransche mannen, haveloozen, die zij moesten kleeden, hongerigen, die zij
hadden te spijzigen, vreemden, die zij behoorden te gehoorzamen.
Ruwe knechten hadden den baas gespeeld in hun huis, hadden
geschranst aan hun tafel, hadden hun straten uitheemsch gemaakt met de kleuren
van hun kleeding en het geluid hunner gesprekken. Zij haddden de muntstukken
uit hun kasten moeten geven als belasting voor een vreemde regeering; zij
hadden brieven gekregen vol berichten van schepen en lading, door de Engelschen
gekaperd op reis. Zij hadden een koning zien komen, die gestuurd was door den
grooten Man in Frankrijk, en de woorden in hun mond moeten houden, die op
straat, ja, in hun huizen, door zijn spionnen konden worden gehoord. Zij hadden
de Dekreten van dien man gelezen, waarin hij schreef dat hij nu maar eens zoo
met Holland doen zou en dan weer anders. Zij hadden hemzelf eindelijk op zijn
witte paard door de straten van hun Hoofdstad zien rijden, en om hèm
hadden zij keer op keer een droevig afscheid genomen van vrienden en kinderen,
die zouden worden doodgeschoten door zijn vijanden, ver van hun
huis. En terwijl zij dat alles leden, hadden zij niet mogen spreken over hun
leed, niet dan stil, met elkander, als de deuren gesloten waren en er niemand
vreemds was. Daarbuiten hadden zij geleerd te kruipen en te huichelen - en
kruipen en huichelen bleef twee geslachten Hollanders eigen, - maar daarbinnen
was het goed te zamen zijn, als ze vrijuit spraken over hun aller rampen, en
zichzelf, - och, ook dat was zoo menschelijk - verheerlijkten als brave
martelaars en modellen van ongelukkige deugd. Al die eigenaardigheden zijn zeer
lang in een groot deel van dit volk aanwezig geweest. En toen
Napoleon nu verslagen was en gevangen, en de Prins in
het land kwam, toen was het niet zoo bizonder om dien lieven Prins te doen,
dien zij nooit gezien hadden
17); maar toen voelden zij de hoop, dat het
eindelijk uit zou wezen met al die beroerdheid, | | | | die als de golving
van groote wateren over hun hoofden gegaan was, dat zij het gelukkiger zouden
hebben en voordeeliger en rustiger; zoodat heel het vaderland éen groot
huisgezin zijn zou, met een Koning, die voor allen zou zorgen. En zeker was het
een hunner aangename gedachten: dat nú heel de wereld zou erkennen
wélke brave martelaars zij geweest waren, en wélke modellen van
ongelukkige deugd. Dan mochten zij ook, nog zoo heel lang niet geleden, geen
goeds hebben gezegd van het Huis van Oranje en heel erg hebben gekeesd, en
gedanst om den vrijheidsboom, - zij hadden zóo lang moeten huichelen
toen het niet pleizierig was te huichelen, waarom zouden zij het nu niet nog
een poosje langer doen, daar het wèl pleizierig was. En dan, over
staatszaken moest nu maar zoo weinig mogelijk gedacht worden, en bij een volk,
dat voortaan éen groot huisgezin zou wezen, was het héel slecht,
heel onvaderlandslievend over de oude factiën te praten en dat mocht
volstrekt niet gebeuren en de Koning was een nobel mensch, die gezegd had dat
alles vergeten en vergeven was, en ieder die het niet zei was dat niet.
Dat zij van al dat gedoe sentimenteel waren geworden en gebleven,
dat was niet vreemd. Sentimenteel, al verschilde hun sentimentaliteit in soort
van de Duitsche. Want als sentimentaliteit is: een zekere onredelijkheid in het
overmatig voelen voor een kleine groep dingen, afzonderlijk, zonder die dingen,
redelijk, te voelen, in hun groot verband met al het bestaande
18); -
dan was
Klopstock sentimenteel door het voelen van de
betrekkingen tusschen den mensch en zijn Maker, en
Tollens door het voelen van de betrekkingen tusschen
huisgenooten en vaderlanders onder elkaar.
De Hollanders die de Duitsche sentimentaliteit uitscholden, waren,
zonder het zelf te begrijpen, slechts af keerig van éene
soort sentimentaliteit. Sentimenteel waren ook zij.
19)
Toen Tollens zich de dichter maakte van de stemmingen dier
menschen, toen was het zeker dat hij geen dichter van groote aspiraties zou
zijn. Het was vooruit te zeggen dat hij niets zou hebben van het groote, niets
van het intellec- | | | | tueele van
Bilderdijk. En misschien was dat een nadeel voor de
literatuur. Maar even mogelijk als het nadeel geweest is, even stellig is ook
het voordeel geweest.
En dit was het voordeel - het voordeel, dat toen voor
onze kunst zoo noodig was -: dat in Tollens een schrijver beroemd werd, die
vrij was van álle klassicistische invloeden. Zijn taal óok was
onzuiver met de brokken der Poëtische Dictie, maar hij, de
niet-classicist, was niet, als Bilderdijk, met den lust bezeten, altijd nieuwe
Dichterlijke Taal te maken; en hij, de populaire dichter, moest er naar
streven, hoe langs hoe meer te schrijven de - ten minste voor een gedeelte
zuivere - spreektaal van het boekenlezend publiek. Ook was het natuurlijk, dat
hij, bij een volk en in een tijd, als dit volk en die tijd waren, door het
schrijven van huislijke verzen, van alle dingen des levens alleen die dingen te
gevoelen en te beschrijven kreeg, waarvoor hij voelen en waarvan hij schrijven
kón.
O, dit was een voordeel, dat als thans weer jongeren kwamen, wier
vroolijke wijsheid al heel dwaas uitklonk boven het zeurig gedeun der
Tollens-lezende huisvaders, - dat zij dan aspiraties genoeg zouden aanbrengen
en intellectueel genoeg zouden wezen, maar tevens zich gewend hebben eene
werkelijkheid op te nemen in hun verbeelding en te schrijven in een taal, die
wat meer op de spreektaal geleek.
| |
VII.
Bilderdijk en
Feith in de eerste, Bilderdijk en
Tollens in de verdere jaren van dit tijdvak, waren
groote machten in het leven der Hollandsche dichters. De klank hunner woorden
was in de ooren van tal van schrijvers, die hun gedachten overpeinsden in hun
hart. Zij en al die dichters te zamen zien we in onze verbeelding, met hun
geschreven werken voor hen, als een klas leerlingen met hun schrijfproeven. En
als wij die nazien, de proeven van die grootsten eerst en dan van de kleineren,
dan vinden wij in de pogingen der laatsten de stijlelementen, die wij, 't zij
bij Bilderdijk, 't zij | | | | bij Feith of bij Tollens, hebben gezien. Als
wij achter Helmers stilstaan, dan voelen wij iets van wat wij voelden bij het
lezen van Feith's gedichten; dat er toch wel wezenlijk gevoel is in dien
mensch. Maar wij voelen niet minder wat ons aangreep, toen wij bij Bilderdijk
stonden: dat het zoo jammer is, dat iemand, die zoo stoute bewegingen kan
maken, met al die bewegingen niets anders omhoog jaagt dan de snippers der
Dichterlijke Taal. En wij staan achter Loots, en wij kijken over dwars naar
Bilderdijk, en naar Feith heel eventjes; en wij komen aan
Kinker en wij zien Bilderdijk alleen aan; en de
broeders Klijn laten hunne proeven kijken en wij schudden het hoofd naar den
kant van alle drie de grooten. En dan zien wij een in elkaar gedoken troepje,
in de buurt van Tollens, zitten: de leerling
Warnsinck, de leerling
Nierstrasz, de leerling.....
| |
VIII.
In de Letteroefeningen van dien tijd kan men veel van het
daaglijksch letterkundig leven lezen,
20) van de groote en kleide
feiten, beschreven op een intieme manier. Terwijl men zich buigt over de geel
geworden blaêren, al lezende, gaat men vóor zich zien de bewegende
gezichten der schrijvers, goedig of driftig bedrijvig, met kleine
huichelachtige glimlachjes, of booze, venijnige mondtrekken; hun heele
gestalten, met smadende bewegingen of belangzuchtige draaien of vleiend gebuig.
Men gaat ze zoo kennen en begrijpt hun humeur zoo: men gaat weten, dat men
letten moet op den klemtoon hunner woorden, wat zij bedoelen met iedere
beteekenisvolle zinsneê. Men vindt het zoo menschelijk, zoo natuurlijk,
dat zij de dingen schrijven, niet de dingen enkel, maar met hun kleine
stemmingtjes, hun berekeningetjes van ijdele, gewichtige menschjes. Men
herinnert zich dat zij levende schepselen waren, die een huis hadden in een
deftige stadsbuurt, die over straat gingen en bezoeken brachten en menschen
ontvingen, met wie ze praatten en zich opwonden voor of tegen ieder stukje van
het leven om hen heen. En | | | | men wordt niet boos op hen, zooals men
worden zou op nog levende menschen; want zij leven nu nog maar in onze
verbeelding, waarin we ze verkleinen, voor de beknoptheid, als poppetjes uit
een speelgoeddoos.
Zij waren een paar menschen uit de gegoede burgerij, met
aangename, zoowel als onaangename eigenschappen. En als men leest wat zij
schreven over boeken en menschen, dan moet men er om denken, dat zij dat
waren.
Zij hadden een mooien tijd beleefd, de laatste vijftien jaren der
achtiende eeuw. Van die burger-deftige verlichte lieden waren zij, die
alleraardigst veel belang stelden in de nieuwe gedachten, die de menschen toen
uitvonden. Zij waren patriotten met edelaardige gevoelens, en oprechte
bedoelingen voor het welzijn van het algemeen. Zij schreven in dien tijd
voornamelijk over de vertaalde of oorspronkelijk-Hollandsche werken, waarin de
rechten van den mensch allernatuurlijkst en de tyrannie der vorsten
onbehoorlijk werden genoemd. Als verstandige uitgevers en schrijvers schreven
zij niet, dat zij zelf die rechten natuurlijk en die tyrannie onbehoorlijk
vonden, anders dan in het abstracte, maar zij maakten groote citaten uit de
boeken van anderen en drukten er achter kleine zinnen met gematigde
bewondering, zooals onpartijdigen schrijvers schoon stond.
21) Want zóo onpartijdig waren zij dat
zij ook soms boeken van vorstenvrienden aankondigden en er zeer
vorstenvriendelijke zinnen uit overschreven en dan niets kwaads er van zeiden,
maar den lezers aanrieden, nu zelf maar te oordeelen. Ook gematigd waren zij en
hielden niet van vorsten dooden, al konden zij het óok niet velen, als
iemand een boek schreef, waarin te veel goeds bij elkaâr stond van
Lodewijk XVI; en al vonden zij het voorzichtig niet te
veel te gelooven, van wat allerlei menschen verhaalden van de gruwelen in
Parijs. Den Prins wilden zij volstrekt niet dat iets kwaads zou overkomen,
ofschoon het de schuld was van hem en zijn ‘aanhang’, dat zij, tot
1795, allerlei dingen in hun hart hadden moeten bewaren, die zij veel liever in
hun Maandwerk hadden bewaard.
22) Toen de Prins dan ook in
Engeland was en zij een versje | | | | citeerden, waarin hem een minder
prettige dood beloofd werd, toen citeerden zij het enkel als een voorbeeld van
nog niet eens heel fraaie poëzie.
23)
Tot de eerste jaren na 1795 hadden zij al hun best gedaan om hun
lezers te doen gelooven, dat brave menschen eigenlijk geen andere ideeën
kenden, dan die als gesneden brood in den winkel van hun Tijdschrift lagen, en
in 1796 waren zij daar prijzenswaardig open voor uitgekomen. Maar in 1799
verklaarden zij, dat zij zich ‘zeer ongaarne inlieten met staatkundige
bedrijven’
24) en verscheidene jaren na
elkander schenen zij niet anders dan preeken, romans en geschiedkundige werken
te lezen, en maar een enkele maal schreven zij een zeer benauwd overzicht van
een boek over Nederlands handel en financiën,
25) of een ander, van een werk waarin betoogd werd, dat de
inlijving van Holland bij Frankrijk schadelijk, maar een ‘naauwe
verbintenis’ tusschen beide voordeelig zijn zou.
26)
Hun opgewektheid van de jaren vóor de Revolutie was weg:
zij waren niet zoo bazig meer. In 1811 hielden zij na September op met
schrijven, en toen zij weer begonnen, met 1812, toen heette hun tijdschrift:
Tijdschrift van Kunsten en Wetenschappen van het Departement der Zuiderzee, en
verscheen met Keizerlijke vergunning, en de schrijvers der Algemeene
Vaderlandsche Bibliotheek waren hun compagnons. En och, het was zoo'n hard ding
voor hen, die zoo gedweept hadden met vrijheid en gelijkheid, dat zij nu, in
een voorrede, van ‘de vereerende opdracht’ moesten schrijven, en
beloven ook de Fransche letteren te bespreken, en blijmoedig gewagen van
‘de vereeniging van Holland met het groote Rijk’.
Toen daarop de Prins kwam, moeten zij wel aanhoudend geplaagd zijn
door benauwde gedachten aan den inhoud hunner vorige Jaargangen; maar dat
lieten zij niet merken. Integendeel; zij hielden zich zoo, alsof ze eigenlijk
nooit naar iets anders dan naar de komst van den Prins verlangd hadden.
27) Zij begonnen weer, in 1814, zonder compagnons, hun oude
Tijdschrift met den ouderwetschen titel en | | | | schreven een voorrede
vol met hun brave, eerlijke boosheid tegen Napoleon en de censuur, gezamenlijk
met een om-te-huilen-aandoenlijke ontboezeming over Vorst en Landaard,
Godsdienst en Vaderland en den standaard van Willem den I.; maar waarvan de
versierde zin was dat de Hollanders nu wèl zouden doen, indien zij zich
abonneerden op het Maandwerk
28).
Als voorzichtige menschen, die niet te veel konden beloven, schreven zij:
‘Tijden en omstandigheden uitgezonderd, zullen deze
Letteroefeningen meestal blijven, wat het Tijdschrift
was, en zij in vroeger dagen ten naaste bij mede geweest zijn.’ En
zij durfden ‘even gerust beloven, dat de weldadige invloed der straks
geschetste verandering doorgaans merkbaar (zou) zijn in (hun) werk, als (zij),
om die zelfde reden, op meerdere en meerdere aanmoediging staat
(maakten)’.
Dat jaar en het volgende waren zij opgewonden aandoenlijk en
scholden op Napelon en schreven voor Koning en Vaderland, maar ook wel een
beetje voor het vaderland weg. Zij behoorden, natuurlijk, tot hen, die alles
zoo rustig mogelijk wilden houden en heel verlicht waren toen de Koning zoo
vergevensgezind bleek. Daarom werden zij niet onrustiger dan toen een al te
Oranjegezind geschiedschrijver zich herhaaldelijk te buiten ging in het
leelijke dingen zeggen van de Patriotten van '95. -
29)
Rust en vergevensgezindheid waren voortaan hun groote liefden: om die te
behouden weerden zij alles wat anders was. Als iemand hen ónrustig
maakte, dan werden zij wrevelig, maar zij wonden zich niet meer op voor een
doel, zooals voorheen. Zij hadden hun mooien tijd gehád.
| |
IX.
Een grooten tijd zijn de Letteroefeningen het meest gelezen
recenseerend Tijdschrift geweest. De letterkundige kritiek dier dagen staat in
honderden recencies te lezen op hunne bladzijden. Hun schrijvers waren
menschen, die het poëtendom niet oproerig maakten met hun eigen,
oorspron- | | | | kelijke meeningen, maar de meeningen der Theoristen en van
tal van dichters verwerkten in hun ordinaire hersenen en ze dan beschreven als
de letterkundige kritiek van den dag. Omstreeks 1790 waren de nieuwe gedachten
hunner aesthetische tijdgenooten hun langzamerhand gemeenzaam geworden en sints
dien tijd waren zij ouderwetsch, als zij romans
30), maar
werden al nieuwerwetscher als zij verzen beoordeelden. Romans moesten, volgens
hen, zoo nuttig als vermaaklijk wezen en vooral niet minder nuttig dan
vermaaklijk. Maar verzen moesten zuiver gevoel zijn, en dat gevoel moest de
dichter uiten door dichterlijke gedachten en denkbeelden in een schoonen of
verheven vorm.
31)
Indien zij goed werd omschreven, kon deze meening over wat de
dichter doen moet zeer redelijk zijn. Verstandige menschen zullen niemand het
recht ontzeggen het woord gedachte te gebruiken ter aanduiding van dien
onomschrijf baren geestes- of gemoedstoestand, die vooraf gaat in den mensch
aan het zeggen of schrijven van woordenreeksen, die men in het dagelijksch
leven gedachten noemt. En evenmin kan men zich dom houden, als zij die dit
gewoon zijn, spreken van een gedachte, in een of anderen vorm. Maar zooals in
tijden, waarin de menschen de dingen des levens niet sterk meer voelen, zij
behoefte krijgen die dingen met hun verstand te ontleden, doch dan, vergetende
dat de deelen hunner ontleding in de werkelijkheid niet op zichzelf bestaan, er
over gaan praten alsof zij wel op zichzelf bestonden, - zoo heeft geslacht na
geslacht van schrijvers en critici in Europa gepraat over de gedachte en den
vorm der gedachte, alsof die vorm en die gedachte, die zij, voor het gemak,
geabstraheerd hadden, op zichzelf bestonden in realiteit.
Uit deze groote onzinnigheid is, in ouden en nieuwen tijd, de
geheele Wetenschap der Rhetorica opgebouwd.
Een der eerste gevolgen toch van het geloof aan een vorm, die op
zichzelf bestond, moest dit zijn: dat men de eigenschappen van den
‘vorm’ bepaalde, zonder te bedenken, dat men dusdoende ook de
eigenschappen der ‘gedachte’ had bepaald. Dat men sprak van een
sierlijken vorm, een verhe- | | | | ven vorm, een onaangenamen vorm, zonder
te gevoelen, dat men nauwkeuriger zeggen kon: een sierlijke gedachte, een
verheven gedachte, een onaangename gedachte. Toen men dit gedaan had, was het
natuurlijk, dat men ging spreken van den vorm, waarin men de gedachte
‘kleeden’ kon, en dat men, toen dit eenmaal natuurlijk leek, sprak
van de soorten van vormen, waarin men een gedachte kon kleeden
32).
En zoo overtuigd was men van het natuurlijke dezer dwaze
redeneering, dat men, eeuwen door, er niet aan dacht dat als eene gedachte de
abstractie was, die men uit éene woordenreeks gemaakt had, er dan met
geen mogelijkheid meer dan éen woordenreeks voor die gedachte kon
zijn.
Maar als dit dan zoo is, zal men zeggen, hoe bestond het dan, dat
niet alleen de Theoretici er over schreven, maar ook de schrijvers
voorbeelden gaven voor die stelling: dat men eene gedachte in dezen en
dezelfde gedachte in genen vorm kleeden kon? Daarop antwoord ik: Dit bestond
niet. Als éene gedachte niet anders dan in éen vorm
bestaanbaar is, dan kán men geen voorbeelden geven voor éen
gedachte in twee verschillende vormen. Als men voorbeelden gaf van twee vormen,
dan moesten die twee vormen - en dat waren ze - twee
verschillende gedachten zijn. - Maar waardoor kwam het dan, dat de menschen die
twee gedachten éene gedachte noemden? - Dit kwam daardoor dat die twee
gedachten, die zij éene gedachte noemden, twee aan elkander verwante
gedachten waren, en wel zoodanig verwant, dat zij twee deelen van eene
vergelijking hadden kunnen zijn. Zoo zal ik een voorbeeld aanhalen, dat
Blair in zijn Lessen over de Redekunst geeft. Hij
schrijft daar
33): ‘Wanneer ik, bij voorbeeld, zegge:
‘Een deugdzaam man vindt troost midden in tegenspoed,’ zoo heb ik
mijne gedachte op de eenvoudigste en natuurlijkste wijze uitgedrukt. Maar
wanneer ik zegge: ‘Den oprechten gaat licht op in de duisternis,’
zoo is deze zelfde gedachte in eenen Figuurlijken stijl voorgesteld.’ -
Het is duidelijk dat deze twee uitdrukkingen niet eenzelfde, maar, als vanzelf
spreekt, twee verschillende | | | | gedachten zijn. Maar óok is het
duidelijk dat deze twee gedachten aan elkander verwant zijn als twee deelen
eener vergelijking, zóo dat men zeggen kan: Als licht dat hem opgaat in
de duisternis, zoo vindt de deugdzame troost in tegenspoed. Blair begreep dit
zelf eenigszins, daar hij voortgaat: ‘er is een nieuw denkbeeld
ingevoerd, daar Licht in plaats van Troost, en
Duisternis in plaats van Tegenspoed gebruikt wordt.’
Maar hij begreep niet, wat wij wèl begrijpen: dat dat nieuwe denkbeeld
nergens anders was ‘ingevoerd’ dan - niet op het papier - maar in
de gedachten van den schrijver, en ook in die van den lezer, zoolang die lezer
uit vroegere lectuur het gebruikelijke van die vergelijking wist en
goedkeurde. Hij begreep niet, wat erger is, dat voor ieder verstandig
mensch die niet wist van dat gebruikelijke, of er niet van weten wou,
die figuurlijke uitdrukking zonder zin was, omdat hij zeggen zou: Niet
alleen den oprechte gaat licht op in de duisternis, maar ieder die gaat
wandelen bij het opkomen van de maan. Hij begreep niet - wat niet minder erg
was - dat als iemand twee dingen vergelijkt, licht bij troost, tegenspoed bij
duisternis, hij die dingen wèl vergelijken mag, omdat zij
sommige eigenschappen voor hem gemeen hebben, maar dat als iemand
éen lid dier vergelijking en daarmede de vergelijking wegneemt,
het andere lid onjuist is voor het gezond verstand.
Dit alles hebben alle rhetorici niet begrepen. Dit niet, dat
iedere wegneming van een voorgaand deel eener vergelijking, zoodat het alleen
bestaan bleef in gedachte, éen afwijking was van de logische
ontwikkeling der gedachten op het papier. Dit, dat, als eenmaal een tijd kwam,
waarin de menschen zeggen zouden: wij begrijpen niet, of wij zijn vergeten,
wélke zinsdeelen ge hebt weggelaten, wélke redeneeringen ge hebt
achtergehouden in gedachte: wat daar staat, zooals het daar staat, lijkt ons
onzin; dat dan hun heele kaartenhuis van Rhetorische Wetenschap, hun heele
kaartenpaleis van Poëtische Dictie in elkaar zouden storten en blijken
zouden leeg te zijn. | | | |
Evenzoo als hier, tot 1880, de Poëtische Dictie de taal der
poëten bleef, evenzoo was hier de kritische wetenschap de Wetenschap der
Rhetoriek. Het bespreken van de verschillende ‘vormen’, die door
wegdenking en in-gedachte-houden van zoo en zooveel zinsdeelen ontstonden, dat
was de letterkundige kritiek van dat tijdperk.
Blair's boek, waarvan de derde druk voor het
eerst vertaald werd door
Bosscha, in 1788, werd in 1837 nog eens door
Lulofs vertaald. Dat de Letteroefenaars den onzin dier
boeken rondwentelden door hun leege hoofden en den rommel nog wat meer
verknoeid opschreven - och, waar waren zij anders voor.
| |
X.
De fout, waarmeê de geschiedenis der Rhetorica begonnen
wordt, is een dier groote natuurlijke fouten, die de menschheid soms moet
maken, als het schijnt of de Natuur geen haast heeft, en een eeuw of wat schik
wil hebben van de woordspelingen en raadseltjes in menschenhoofden, - een
kinderachtigen schik als men géén eeuw den tijd heeft. - Een
tachtig jaar geleden schreef
Wordsworth, dat hij geloofde, ‘that the time
(was) approaching when the evil (would) be systematically opposed’
34) - hij
dacht waarschijnlijk aan Engeland. Engeland of Holland, om 't even. Wij
ge looven niet, maar be loven, dat het kwaad
zal weerstaan worden. Al of niet systematisch dan. Verstandige
lieden willen niet lijden van de fouten, die hun domme vaderen maakten. En de
dichterlijke taal ónzer vaderen haten wij, omdat zij door
ónverstandigen is gemaakt. Het goede en groote hebben wij lief en haten
het kwade. Wie zegt ons wat wij beters zullen doen?
|
1)Zie in: Het Leven van Mr. C. van Lennep.
1751-1813 door Mr. J. van Lennep, bl. 99-104 en bl. III, de beschrijving der
grappige tooneelen, die in Burgemeesters Kamer voorvielen.
2)De Amsterdammer was Cornelis van Lennep en
de Hagenaar - door Van Lennep niet genoemd - waarschijnlijk Baron van
Heeckeren, die in een brief aan D.J. van Lennep o.a. schreef: ‘Fynje, een
man van veel bekwaamheden, doch overdreven driftig, en een huichelaar in de
hoogste graad, had met alle zijne verkregen kundigheden, met al zijn vernuft,
geen denkbeeld van politicque, schoon hij daarin een Phoenix meende te zijn,
hij was wraakzuchtig en boven mate hoogmoedig en kwaaddenkend, hij vertrouwde
geen sterfling, omdat hij zelf niet te vertrouwen was. - Vrede, een kundig,
doch violent man, minder werkzaam dan Fynje was hij niet minder immoreel en
agterdogtig. Van Langen, een hoogmoedige laatdunkende gek, die zich honderdmaal
onvoorzichtig uitlaat.’ Deze aldus gekwalificeerde heeren waren drie
der vijf Leden van het Uitvoerend Bewind in 1798. Even aardig is de
kenschetsing hunner karakters, als de ontroerdheid van den briefschrijver, die
vermeldt dat hij door den omgang met de Leden der Regeering in den Haag de
menschen had ‘leeren haten en mistrouwen’. Zie het bovengenoemde
werk bl. 267.
3)Een voorbeeld van de komieke
opgewondenheid en zenuwachtigheid der Hollanders in den revolutie-tijd vond ik
in de Algem. Vaderl. Letteroefeningen voor 1795 Dl. I bl. 262-65. Daarin komt
het verslag voor van een boekje, getiteld: Naauwkeurig Bericht van het
Volksfeest te Franeker, op den 5 Maart 1795, bij gelegenheid van het verbreeken
der ketenen en het herstellen van de Poorten aldaar. Voorafgegaan door een kort
betoog van de redenen, welke de Ingezetenen van Franeker bewoogen, om hunne
Blydschap, over de gewichtige verandering van zaaken, op eene byzondere wyze
aan den dag te leggen. Door Jacobus Scheltema. Derde Druk. Te
Franeker, bij D. Romer en D. van der Sluis, 1795. - Na in hun Verslag te
hebben meegedeeld, dat Franeker bij de omwenteling van '87 nog al te lijden had
gehad, daar verscheidene personen gevangen gezet en de stadspoorten weggenomen
en aan ketens vastgesmeed waren, maar dat nu, in '95, was besloten de ketenen
te verbryzelen en daar een feest by te vieren, gaan de Letteroefenaars
voort: ‘Wie leest, zonder hartelijke deelneming, de beschrijving van
den welgeregelden Train, opdat wij er dit uit aanstippen: ‘‘De
burger Dirk Waardenburg, met een stok, waaraan een zwaar touw, en een
aan driekleurig linten hangend schild, in de gedaante van een Romeinsche
Legervaan, met het opschrift:
Met zulke touwen.was ik aan mijn Zoon gebonden!
‘‘Zestien kleine kinderen van geweezene
Gevangenen, onder de tien jaaren; draagende de verbrookene Boeyen, waarin hunne
Vaders waren gekneld geweest; voorafgegaan door een paar lieve kleine
Tweelingen, elk met een stuk van een boei in de hand.
‘‘Vijftien grootere kinderen van dezelven, waarvan de oudsten twee
Ketenen met sloten droegen, waaraan de Deuren waren gekluisterd geweest:
waarbij een ander Jongeling het slot droeg, 'twelk al de Ketenen vereenigd
hadt. ‘Zeventien Vrouwen en Moeders van gevangene en gevluchte
Burgers; ééne derzelven droeg een Banier, met opschrift:
Wij deelden in de droefheid, nu deelen wij in de
vreugde!’’ ‘Naa dat alles in orde geschaard was, hield de
aangeheven Muzyk stil. ‘‘De President der Municipaliteit gaf
den wenk aan de Draagers, om de Ketenen en het Slot op den grond te werpen.
Deezen volbragten die order op het treffendst en smeeten die teekenen der
slavernij, met de zichtbaarste blijken van afkeuring op den grond, terwijl de
kleine kinderen met de gebrooken boeijen rammelden. - Een ijskoude huivering
overviel alle de omstanders, eene doodlijke stilte en de traanen van de
meesten, waren de beste getuigen van de algemeene aandoening, totdat aan de
Smeden den wenk gegeeven werd om de Ketens te verbrijzelen, 'twelk, onder een
onbeschrijfelijk vreugdegejuich, het luiden van alle klokken en het lossen van
het geschut, geschiedde.’’ ‘De Schrijver zelve beklom,
naa bekomen stilte, een Stoel, die op de Deuren geplaatst was en riep de
Burgery tot het Gezang op, door een schoon Recitatief, waarop de Jonge
Burgeressen een Lied aanhieven; een Lied, door de Jonge Burgers beantwoord:
terwijl alle de aanwezigen een derde Zangstuk zongen. Welgepast en treffend
zijn deze Dichtstukjes. ‘De Fransche Commandant
Dumaine beklom den Stoel, deed eene
Aanspraak, en hief, met zijne Medeofficieren, een Vryheidademend Zangstuk aan.
De Burger,
A. Caudoir, Hoogleeraar, deedt eene
dankbetuiging in de Fransche Taal aan de Fransche Natie.
‘Hierop volgde de weder terugbrenging en inhanging der stadspoorten in
een staatlyken Optocht. ‘‘Onder deezen was de Zoon van een der
Gevluchten, draagende het groot verbrooken Slot, en eene Banier, met het
opschrift:
‘‘De kluisters zijn verbrooken, Franeker is
vrij!’’ ‘De Burger
J. van Voorst, Hoogleeraar in de
Godgeleerdheid, deedt, naa het weder inhangen der Poorten, eene Aanspraak, hier
vermeld. Waarop de Burger B. van Rees een welpassend Dichtstukje
voorlas, hem door eene ongetrouwde Burgeres ter hand gesteld. ‘Naa
dat dit alles met de goedkeurende toejuiching der Burgery vereerd was, deedt de
Burger Jan Scheltema eene Aanspraak, waarbij hij eene aanmoediging
voegde om de Carmagnole te dansen. Eer de dans aanving, las de Burger
Sicco Roorda nog een Dichtstuk voor. Naa
het eindigen van den Dans verzogt de Municipaliteit den Schrijver om alle de
aanwezigen te bedanken. Spoedig bragt men een der grootste Ketens, met het
Slot van de Poorten na den Tooren en hechtte dezelve aldaar vast, tot
gedagtenis van den tijd der Slaaverny, en plaatste een Bord bij dezelve met het
opschrift:
‘‘Gesmeed in 1787.
‘‘Verbrooken in 1795.’’
Dit document van menschelijke dwaasheid is geschreven door een
Stads-Secretaris, besproken door de Letteroefenaars, en er is sprake in, niet
alleen en niet voornamelijk van het mindere volk, maar van Gemeentebestuur,
Leger-officieren, Professoren en de beste burgery.
4)Wordsworth:
Observations: For all good poetry is the
spontaneous overflow of powerful feelings: and though this be true, poems to
which any value can be attached were never produced, on any variety of subjects
but by a man, who, being possessed of more than usual organic sensibility, had
also thought long and deeply. For our continued influxes of feeling are
modified and directed by our thoughts, which are indeed the representatives of
all ous past feelings. Bij
Bilderdijk zijn de plaatsen, waarin hij zegt dat
poëzie uitstorting van gevoel, een zaak van het hart, de taal der natuur
is, in proza en verzen, ontelbaar. Voor ‘het waar en oorspronkelijk
doel’ der Dichtkunst hield hij ‘Godsdienstige uitboezeming.’
(Zie de Voorrede tot de
Nieuwe Mengelingen.) Hoezeer Poëzy voor
mijn ziel een noodwendige uitgolving is, weet mijn Vaderland sedert ruim een
halve eeuw. (Voorrede tot
Navonkeling. 1826.) Elk waarachtig Poeët
drukt zichzelven uit, in hetgeen hij gevoelt; en het is de onderscheiden wijs
van gevoelen, die den een van den anderen Dichter verschillen doet.
(Voorbericht tot de Proeve eener navolging van
Ovidius'
‘Gedaanteverwisselingen.’ 1829.)
5)Bij het noemen der voorwaarden, waaraan
ons volk voldoen moet om een grooter tijd te beleven, zegt
Jero. de Vries in zijn
Geschiedenis der Nederd. Dichtkunde 1805. II. 391:
‘de Grieksche en Romeinsche letteren, door latere Dichters, tot hun
nadeel, van minder invloed ten goede geacht, zouden weder met zooveel ijver en
geestdrift moeten worden geleerd en geëerd. De Letteroefenaars waren
nog in 1816 van meening, dat studie der Ouden zou noodig zijn om de kunst te
verlevendigen. (Alg. Vad. Lett. 1816. I. 149. De recensie van
Da Costa's vertaling van de Perzen.)
6)Deze gedragenheid van klank en rhythmen,
die dus eigenlijk het eenig-natuurlijke element der stemming was in de verzen
der rhetorici, is de oorzaak van dat meedrijven op den klank der woorden, dat
door onnadenkende lezers zeer spoedig gedaan wordt, en dat een der redenen is
voor het lang in zwang blijven der Dichterlijke Taal; want zelfs menschen,
verstandig genoeg om de onzinnigheid der Dichterlijke Figuren te erkennen als
zij ze op zichzelf zagen, bemerkten die niet in verzen, omdat het voor hen een
genot was meetedrijven op dat gedragen geluid, waardoor wezenlijk
stemming werd vertolkt.
7)‘Men kan de Figuren in 't algemeen
beschrijven, als de taal der verbeelding en der hartstogten.’
Blair. Lessen over de Redekunst.. door Prof.
Bosscha. 1788. I. 400.
8)‘It would be highly interesting to
point out the causes of the pleasure given by this extravagant and absurd
language; but this is not the place; it depends upon a great variety of causes,
but upon none perhaps more than its influence in impressing a notion of the
peculiarity and exaltation of the poet's character, and in flattering the
reader's selflove by bringing him nearer to a sympathy with that character; an
effect which is accomplished bij unsettling ordinary habits of thinking, and
thus assisting the reader to approach to that perturbed and dizzy state of mind
in which if he does not find himself, he imagines that he is balked of a
peculiar enjoyment which poetry can and ought to bestow. -
Wordsworth. Appendix.
9)Voor wie logisch denkt is iedere Metaphora
een onjuistheid en in goed werk onbestaanbaar. Eveneens de Synecdoche, de
figuur waardoor een deel voor het geheel of het geheel voor een deel genomen
wordt. Zoo zou men b.v. spreken van ‘kielen’ terwijl men
‘schepen’ bedoelde, van ‘het volk’ terwijl men van
‘een gedeelte van het volk’ spreken wil. Dat dit gedaan is door tal
van schrijvers is een feit. Maar dat die daad een afwijking is van het gezond
verstand is ook een feit. Als goede schrijvers ‘kielen’ schreven,
dan bedoelden zij ‘kielen’ en ‘het volk’ dan meenden
zij ‘het volk.’ De Hyperbole is even onaannemelijk. Dit is de
figuur der vergrooting. Als iemands verbeelding is opgewekt, redeneert men,
ziet hij alles grooter en zoo zegt hij het. Als hij dan iemand hard ziet
loopen, zegt hij: Die man is vlug als de wind. Dat is dan wel niet waar, maar
de Figuur, die hij gebruikt is dan ook een Hyperbole. Nu begrijp ik volstrekt
niet dat iemand, in wat soort verbeelding hij zij, er voor het pleizier van
welke figuur óok te maken, het recht heeft iets te zeggen, dat niet waar
is. Ook is het wel natuurlijk dat men de vlugheid van een man en de vlugheid
van den wind, als men die gevoelt, met elkander vergelijkt; want twee op
eenigerlei wijze gelijksoortige dingen kunnen altijd met elkaar vergeleken
worden. Maar het is niet natuurlijk, dat men een man en den wind gelijk stelt,
juist in een eigenschap, waarin ze allesbehalve gelijk zijn, n.l.: in hun
vlugheid. In goede kunst bestaat de Hyperbole, evenmin als de Metaphora. Beide
zijn verknoeide vergelijkingen.
10)De Persoonsverbeelding. Deze figuur is
stellig een der natuurlijkste. Dan namelijk: als men abstracties en levenlooze
dingen geheel en al als personen voorstelde, en den lezer onder den indruk
bracht, dat hij niet met abstracties maar met levende wezens had te doen. De
Allegorie b.v. lijkt mij een van de meest verdedigbare Figuren. In de
klassicistische literaturen heeft men de Persoonsverbeelding als vorm
geaccepteerd, alleen, zonder zich de dingen, waaraan men de daden en
eigenschappen van personen toeschreef, wezenlijk als personen te
verbeelden. Zoo werden verzen mogelijk, waarin abstracties gezegd werden
dingen te doen, die men zich niet eens kan verbeelden dat zij, al of
niet als personen, gedaan hebben. Zie o.a. de volgende verzen uit Bilderdijks
Ondergang der eerste Wareld. Zang I.
(Wie) schildert de overmoed, als ze eenmaal losgebroken
De teugels afschudt? als in 't bruischend hart aan 't
koken,
De drift zich uitzet en het zuizlend brein besmet?
Dan gaat ze in stroomen bloed, in bloed en brein, te
wed,
En holt zich-zelven blind, en stoot op post en wanden
Het hoofd te barsten om den Hemel aan te randen,
Tot eens de Godswraak, door die gruwlen afgemat,
Den bliksem aangrijpt en het schuldig brein verspat!
Indien ik mij niet vergis wordt nog thans op Hoogere
Burgerscholen de schoonheid van verzen aangetoond met verklaring van het
gebruik der Dichtfiguren. De leerlingen worden dusdoende onderwezen in de leer,
dat men allen mogelijken onzin zeggen mag, mits men het doet in Metaphoras,
Synecdoches, Hyperbolen, Metonymias en hoe al dat moois meer mag heeten. 't Is,
godbetert, schande.
11)‘Wanneer Young den gekruisten
Zaligmaker beschouwende, uitroept: Die Nagel draagt een vallende waereld;
zo hy losgaat, storten wy neder; dan kan men daar een geheele commentarie over
maken en een geruimen tijd bij stil staan’.
Van Alphen.
Theorie der Schoone Kunsten en Wetenschappen II.
bl. 250. - Met al zijn gezonde denkbeelden over den innerlijken aard der
Poëzie, het zielsleven, dat zich uit in gedichten, dacht hij over het
‘Mechanische’ net als alle anderen. De nieuwe Aesthetica behandelde
den innerlijken mensch om zoodoende de Poëzie te verklaren, maar hield,
evenals het vroegere geslacht, de innerlijke aanleiding en den zoogenaamden
vorm der Poëzy van elkaar gescheiden.
12)Men heeft
Helmers wel eens van dwaze opgewondenheid
beschuldigd, niet alleen om zijn verzen, maar ook om de voorrede tot zijn
eerste Gedichten (1809) waarin hij schreef: ‘onze Vaderlandsche
Dichtkunst is, naar mijne gedachte, thans tot eene hoogte opgevoerd, waarop,
zij zich nimmer bevonden heeft’. - Doch deze beschuldiging geldt niet
alleen voor Helmers. Behalve dat ook
Feith zich bizonder hooggestemd uitliet over de
Literatuur van na 1800 (Voorberigt voor het vierde deel der
Oden en Gedichten: Wij bezitten Dichters, zoo als
wij ze nimmer bezeten hebben’) ligt er een nationale verklaring in de
woorden, die
Yntema schreef in zijne recensie van De Hollandsche
Natie: ‘Wij zijn het met den Heer Helmers volkomen daarin eens,
dat onze Vaderlandsche Dichtkunst (over het geheel genomen) nooit tot zulk eene
hoogte is opgevoerd, als waarop wij haar thans aanschouwen. - - Dit althans is
voor tijdgenooten en nakomelingen, voor allen, die onze taal verstaan en niet
door partijdigheid verblind zijn, zeker geworden, dat de Hollander, in het vak
der poëzy met ieder ander volk kan wedijveren; ja dat hem, wanneer men
onderscheiden omstandigheden in aanmerking neemt, de lauwer boven anderen
regtmatig toekomt. (Tijdschr. v. Kunsten en Wetensch. v.h. Dep. d.
Zuiderzee. 1813. I 175.) In een brief aan
Tollens, ook in 1809 geschreven, zegt Helmers
nagenoeg het zelfde als in de bovengenoemde voorrede en verklaart zijn meening
door de woorden: ‘Waren er voorheen in ons vaderland zoo vele dichters,
die bij de gelukkigste talenten zoo veel theorie voegden?’ (Dr.
Schotel,
Tollens en zijn tijd. bl. 32).
13)In process of time metre became a symbol
or promise of this unusual language, (dichterlijke taal) and whoever took upon
him to write in metre, according as he possessed more or less of true poetie
genius, introduced less or more of this adulterated phraseology into his
compositions, and the true and the false became so inseparably interwoven that
the taste of men was gradually perverted; and this language was received as a
natural language: and at length, by the influence of books upon men, did to a
certain degree really become so. Abuses of this kind were imported from one
nation to another, and with the progress of refinement this diction became
daily more and more corrupt, thrusting out of right the plain humanities of
nature by a motley masquerade of tricks, quaintness, hieroglyphics, and
enigmas, (Wordsw. Appendix. On Poetic Diction.)
14)Dat gebruiken van veel woorden is eene
betrekkelijke verdienste, die
Bilderdijk altijd hoog is aangerekend, ook bij zijn
leven. Een goed dichter zal bij voorkeur met weinig woorden werken, omdat een
groot deel der woorden, in iedere taal, op zich zelf reeds een figuurlijke
beteekenis hebben, waardoor ze voor wie nauwkeurig wil schrijven onbruikbaar
zijn.
15)Van
Feith hielden veel Hollanders daarenboven om nog
andere zijner eigenschappen, wier afwezigheid in Bilderdijk hen ergerde. De
Letteroefenaars schreven: ‘Maar een nog levendiger genoegen verschafte
ons de overtuiging, dat een tijdsverloop van elf jaren in 's Mans beginselen en
gevoelens geenerlei verandering heeft te wege gebracht. Wat er ook intusschen
gebeurd zij, wie zich ook geschikt en geplooid hebbe.... Feith is
dezelfde gebleven. - - Wij onthouden ons opzettelijk van vergelijkingen - -
Feith, de beroemde, de in Nederland sinds langen tijd zoo algemeen beminde
dichter, is steeds zich gelijk gebleven; - - hij verdient nog evenals te voren,
de Lievelingsdichter der Nederlandsche Natie genoemd te worden.’ (Alg.
Vaderl. Letteroef. 1810. I, 465-68). Mr.
M.C. van Hall schreef in zijn Lofrede op Mr.
Rhijnvis Feith: ‘Heerlijk onderscheid voorwaar tusschen de
Engelenreinheid van zijn leven en dat van anderen, die, nog op den rand van het
graf, zich niet schamen om de kunstlier, die het vernuft hun in handen gaf,
niet alleen voor morrende toonen van kwaadaardigen wrevel jegens hunne eeuw,
vaderland en geheel het menschdom, tot vereeuwiging van burgertwist of
sektehaat, snood te misbruiken; maar die de lier zelfs, wanneer zij nog natrilt
van aan God gewijde zangen, wellicht nog te zelfder ure, door het afschilderen
van tooneelen, die alleen de grove zinnelijkheid en het walgelijk
cynisme eens ouden wellustelings knnnen bekoren, schandelijk te
ontheiligen!’ Zie ook Algem. Vad. Letteroef. 1832. II. 81 etc. een
plaats, die ik een volgende keer zal overschrijven.
16)De Letteroefenaars berispten
Tollens, in hunne beoordeeling van zijn
Proeven van Sentimenteele Geschriften en Gedichten, omdat hij
daarin sentimenteel à la
Feith was. (Algem. vad. Lett, 1800. I. 258). Ook
toen hij zijn Nieuwe verhalen uitgaf (1801) en zij in de voorrede
eene verdediging van het Sentimenteele lazen ‘namen (zij zich) al
aanstonds voor, om over (de)zelve geen ernstig woord te verliezen.’
(Lett. 1802. I. 426). Maar toen de Gedichten (1808) verschenen,
was de Recencent éen en al bewondering en citeerde als voorbeeld: 't
kruipend rupsje, moegekropen. (Letteroef. 1809. I. 25-28).
17)In het Dagboek van
Willem de Clercq (dat niet in den handel is), heeft
de schrijver aangeteekend, in de maand Maart 1814, dat toen reeds de
geestdrift, waarmee de Prins ontvangen was, geheel was verdwenen. Onder de
redenen, die hij daarvoor opgeeft zijn, m.i. de voornaamste: ‘de
invordering der belasting op denzelfden voet en meerendeels zwaarder dan onder
de dwingelandij; de oproeping der landmilitie, die toch door het volk als een
pendant van de konscriptie wordt aangezien; het in bewind blijven of in gunst
dringen van diegenen, die zich onder de overheersching door hun aankleving aan
den dwingeland verdacht gemaakt hebben.’ (W. de Clercq, Dagboek
1811-1824, Bladz. 40-41).
18)Eene eerste definitie van
Sentimentaliteit gaf Nieuwland. Hij stelde dat zij ontstond uit een onjuiste
‘betrekking of reden tusschen gevoeligheid’ en ‘kracht van
geest.’ Maar met kracht van geest bedoelde hij niet het vermogen om de
dingen, die men voelt, redelijk te voelen in hun groot verband met al het
bestaande; maar het vermogen om ze zóo te voelen dat ‘het gevoel
onze vermogens van ziel en ligchaam niet verzwakke of verniele, ons niet buiten
staat stelle om aan onze bezigheden en plichten te voldoen, door ons van die
rust en tevredenheid te beroven, welke tot derzelver vaardige en volkomene
vervulling noodig is.’ Eigenlijk dus het vermogen om de dingen, die men
voelt, redelijk te voelen in hun verband met de plichten en omstandigheden der
samenleving. Zijn definitie is de zuiver gestelde bepaling van een Hollandsch
burgerman. (P.
Nieuwland, Gedichten en Redev. bl. 191).
19)Dat ook de afkeer van de Duitsche
sentimentaliteit bij de Letteroefenaars zoo heel diep niet zat, blijkt uit hun
mooi-vinden van een plaats als de volgende, uit ‘Voor
Eenzamen’, in 1789 door Mej.
E.M. Post uitgegeven. ‘Vergramde Natuur?
neen, haar woede is weldadig, en hare grimmigheid schoon! Welk een gezigt!! Een
dreigende - hemel, en - een wagtende aarde!! Droevig is de zuidelijke
hemelstreek - droevig de grond, dien zij bedekt. Het grootsche bosch, dat
ginder zijn kruin opsteekt, en het kleien hutje, dat zich herbergt in zijn
schaduw; - de bemoste eenzame schaapskooi en de trotsche eik, die daar naast
grijs wierd - alles schijnt mij nu zoo verlaten, zoo zwijgend, zoo vreezend,
zoo verwachtend. De stilte is treffend, en alles, zelv de heuvelen, schijnen te
luisteren.
‘Alles luistert en God spreekt!!!
- - - - - - - - - - - - - - - - - - ‘Wat zie ik, een bliksem schiet neer in het veld,
en een rook gaat op! - Een ouden wilgenboom verbrijzelt hij en anders niets!!!!
De koe, die daarbij lag - en de hut die daar omstreeks stond, wordt beveiligd,
de Reiziger, op zijn pad, en het vogeltje, in zijn boom, worden verschoond!
ô hoe goed is Jehova! hoe goed! hoe groot!’ Zoo gaat Juffr.
Post nog een poosje door en de Letteroefenaars citeeren. (Algem. Vad.
Letteroef. 1791. I. 30-33). Iets soortgelijks van dezelfde juffrouw
(Mijn kinderlijke Traanen) prijzen ze nog in 1794. (Alg. Vad.
Lett. 1794. I. 98 - 99) schoon ze in dienzelfden jaargang spreken van lieden,
‘die met het sentimenteele besmet zijn’ (Alg. Vad. Lett. 1794. I.
478). Eigenlijk was ál hun afkeer van sentimentaliteit niets anders
dan een zeer beperkte afkeer van de verliefde sentimentaliteit.
Alle andere soorten vonden zij net zoo mooi als de meeste Hollandsche
lezers.
20)‘Wij willen ons maandwerk gaarne
beschouwd hebben als een overzicht gevende van de Letterkundige Geschiedenis
van den dag;’ (Alg. Vad. Lett. 1808).
21)Om zich een denkbeeld te vormen van de
activiteit der Letteroefenaren in het verspreiden van politieke idees gedurende
1794, - toen was zij het grootst - leze men de volgende, niet onbelangrijke
serie van artikelen. 1794. I. 13-21, 47, 168, 168-176 en 632-640,230-37,
315-19, 322-25, 350-54, 367-76, 459-466, 470, 492-497, 497-501. - In deze, alle
vrij uitvoerige, verslagen komen nagenoeg alle onderwerpen ter sprake, die in
een onstuimigen tijd moesten behandeld worden: de rechten en plichten van
volken en vorsten, de eerbied voor het oude, de privilegies der standen, de
zelfregeering, de verschillende soorten van volksvertegenwoordiging, het nadeel
dat men van het huis van Oranje geleden had, de invloed der schrijvers op de
Revoluties etc. En reeds sinds 1783 waren zij zóo met de behandeling
dier dingen bezig geweest, dat de Recensent ook der Recenten later dreigen kon
met de publiceering van uittreksels uit de Letteroefeningen van 1783-1814 (Rec.
o.d. Rec. 1821. II. 45 etc. Het stuk is geteekend D.S. Waarschijnlijk spreek ik
er later uitvoeriger over.)
22)Bij de bespreking van twee boeken, door
A. Kluit, Professor te Leiden, schreven de
Letteroefenaren: ‘Wel bekroop ons, bij de ontvangst en het doorlezen, den
lust, om onze pen te versnijden tot het ontdekken der drogredeneering, waarmede
een en ander Werk doorzaaid is; doch het voldoen aan dien lust zou ons zeker
zeer kwalijk bekomen zijn: wij bedwongen dien. Thans zijn, door de jongste
omwenteling, de zaaken zodanig veranderd, dat wij denzelven vrij zouden mogen
botvieren, die beide Werken ontleeden, en ons desweegen met volle vrijheid
uitlaaten.’ Zeer verdraagzaam of beminnelijk is hun verdere bespreking
niet. (Alg. Vad. Lett. 1795. I. 296-302).
23)Request aan Neerlands vertrokken
Stadhouder, en Triumphzang voor zijne ten dienste van het Vaderland bedreevene
Heldendaaden. In Holland. In gr. 8 o. 48 bl. De Letteroefenaren
vinden de ironie dier omgekeerde heldendaden wat kinderachtig en vertellen dat
zij na de aardbeving van Lissabon, in 1755, een paar keer
het verwoeste Lissabon zeer ‘hobbelig’ gedrukt gezien
hebben ‘zonder dat die hobbeligheid der Letteren iets toebracht om ons
denkbeeld van de Verwoesting te vergrooten.’ Maar toch zou dit
Request, waarin het niet aan ‘een geestigen trek, veelmin aan een
scherpen zet’ ontbrak uit dien hoofde door veelen nog al met genoegen
geleezen worden.’ ‘Doch weinigen, gelooven wij, zullen voldaan
weezen over den Triumphzang voor
Willem Den V, of het moest alleen weezen
over de kortheid: want dezelve beslaat maar ééne bladzijde, en
het slot luidt:
'k Zie u bij George zitten,
Den wakk'ren koning van de Britten.
Toeft hier nu, Lafaart! met die snooden,
Die met u hunne straf ontvloden,
Tot dat de Gallen en de Belgen
U eerlang met king Georg verdelgen.
(Alg. Vad. Lett. 1795. I, 173-75.)
24)In de recensie van: Neopolem Buonaparte,
door
Bern. Bosch. In den Haag, bij S. van de Graaff en
Comp. 1799. ‘- - - een kort Voorbericht (welks scherpen inhoud wij, als
zeer ongaarne ons met staatkundige bedrijven inlaatende, met stilzwijgen
voorbijgaan). (Alg. Vad. Lett. 1799. I. 460)
25)De toestand van Nederland, in
vergelijking gebragt met die van eenige andere landen van Europa. Door Mr.
R. Metelerkamp, IIde deel. Te Rotterdam bij Cornel
en Van Baalen 1804. De Letteroefenaars jammeren even hard als de
schrijver.
26)Memorie over Holland, deszelfs bevolking,
koophandel, algemeene geaardheid van deszelfs inwoners, en over de middelen om
het in deszelfs onaf hankelijkheid als Staat te behouden en deszelfs alouden
luister, als handeldrijvende Natie te hergeven. Uit het Fransch. Te Haarlem bij
A
Loosjes Pz., 1805. - (Toegeschreven aan den heer
Garat) (Alg. Vad. Lett. 1805. I. 451). Brieven
over de tegenwoordig in omloop zijnde geruchten omtrent eene nadere Vereeniging
van de Bataafsche Republiek met Frankrijk. Te Amsterdam, bij J. ten Brink en
Zn., 1806. De schrijver van deze Brieven stelt den Nederlanders de vraag,
of zij het plan van nauwere verbinding met Frankrijk, 't zij door een koning
uit het geslacht van
Napoleon, 't zij door inlijving van Holland bij
Frankrijk, goed- of afkeuren. ‘- keurt gij het voorstel af, zonder den
moed te hebben uwe afkeuring te kennen te geven, dan worde de naam van
Nederland op de lijst der volken uitgewischt; dan zinke uw koophandel in het
niet; dan betreure ons hart op de graven der voorvaderen niet het verlies van
hun geluk, maar van hunnen, moed en hunne vaderlandsliefde; dan eindelijk
vloeke een rampzalige Nakomelingschap het Volk, dat zijne Regten verloor, niet
omdat het die na rijp beraad wilde afstaan, maar omdat het te vadsig was, die
voor zijne Nakomelingen te bewaren.’ De Letteroefenaren waren niet
ijverig genoeg om te zeggen dat zij het voorstel afkeurden. Het was al heel
wat, dat zij onder het citaat den wensch schreven: ‘Mogt 's edelen
Schrijvers vrije taal, als een woord op zijn pas gesproken, doel
treffen.’ - (Alg. Vad. Lett 1806, I. 216-18).
27)Indien ik mij niet vergis, is de eerste
recensie, waarin zij van de komst van den Prins spreken, die van drie gedichten
door M.
Westerman, getiteld:
Het Herstel van Nederland, Nederlands
Wapenhreet, en
Vreugdezang, bij de komst van Z.D.H. Willem Frederik,
Prins van Oranje, in Amsterdam, en het laatste artikel van den
jaargang 1813. ‘Wij zelven zijn veel te zeer gestemd tot juichen,
medejuichen en toejuichen, dan dat koude kunstregterlijke uitmonstering van de
vlekjes, die vaak het beste stuk aankleven, ons zou mogelijk zijn. Men kent de
lier van Westerman, die voor gade en kroost, voor huiselijk geluk en
stil genot zoo zuiver klinkt. En kan men dan twijfelen, dat het vaderland, dat
deszelfs bevrijding van het alles verpletterend juk, dat de vreugde der
moeders, die geene kinderen meer in des Molochs armen zullen
behoeven te werpen, hem treffende toonen doen slaan? Inderdaad, hij voldoet
geheel aan deze verwachting. Hij doet meer: gelijk de uiterste teederheid van
het zogende dier in woede verkeert tegen den aanrander van zijn kroost; zoo
blikkert en blakert het dichtvuur van den Vaderlandschen zanger met ondoofbaren
gloed, waar hij, in zijne
Wapenkreet vooral, tegen onze geweldenaars
uitvaart. In het laatste stuk echter, vinden wij geheel onzen
Westerman weder, wien geheel Nederland
één huisgezin, de Prins van Oranje de wedergegeven vader is;
terwijl hij al verder, aan zijn liefde voor huwelijkstooneelen bot vierende, op
den jongen Vorst het oog slaat, als eenmaal op des Vaders armen het vaderland
verlatende, en evenwel toen reeds de hoop en troost van dien vader en
dat vaderland.’ (Tijdschr. voor Kunsten en Wetensch. v.h.
Dep. d. Zuiderzee 1813. I. bl. 717-720. De cursiveering aan het einde is van
mij.)
28)De voorrede van 1814 is te curieus om
haar niet ten deele over te schrijven. ‘Gelijk de Schrijver, zoo is
de Beoordeelaar en Uitgever voortaan wederom een vrij man. Geen gevaar, geene
hatelijke censure zal zijn vernuft meer boeijen. Gelijk het
verstand ziet, en het hart gevoelt, spreekt de mond; zoo vloeit hij over van
waarheid, van ongekunstelde aandoening, van vrije en zuivere zucht voor
godsdienst en vaderland, voor eigen Vorst en Landaard, voor alles, waarop wij
boven of met anderen mogen roemen, ô Gouden tijd, om met lust te
schrijven, om den langgekeerden vloed rijk en weldadig te zien stroomen, en met
even veel lust te lezen, met even onbekrompen hand zijne, dan weer
onuitputtelijke schatten te openen, ten einde wijsheid te koopen! Ja, snel gij
der geheele vervulling tegen, beste, eeniglijk gevoelde onzer wenschen! Snel ze
tegen op vleugelen der geestdrift van een goed en dankbaar, van een vrij en
moedig volk! Snel ze tegen, beschermd door den Allerhoogste, wien vader
Willem's laatste bede gewis nog tegenwoordig was: ó God wees
dit arme volk genadig! Ja, daarbij gedachtig aan zijn andermaal verdrukte volk
van Nederland, rigtte hij voor ons op nieuw den standaard van
Willem Den I op; en onder dien standaard
zullen wij zegevieren!’ Aandoenlijk-vromer bede om vermeerdering van
inschrijvers op een Maandschrift, geloof ik niet dat nog geschreven is.
29)De gehate schrijver was
Cornelis van der Aa, een hevig Oranjegezinde, die in
allerlei historische en politieke geschriften, voor en na 1813, zijn
verontwaardiging tegen de Patriotten uitte. In zijn ‘ Historische
Brieven, over den staat der zaken in Utrecht, gedurende het verblijf van den
beruchten Franschen Generaal Molitor aldaar en deszelfs
vertrek’ betuigde hij zijn verlangen alleen
‘ eigendunkelijke wraakbetooningen over vroeger gebeurde
zaken verwijd te zien’ en de Letteroefenaars, die alle reden hadden om
het niet met den briefschrijver eens te wezen, vonden dat deze ‘de
duidelijkste sporen van een ouden partijgeest’ met zich omdroeg.
‘Ja’, schreven zij ‘misschien was het de overhaasting, die
hem, ten aanzien van het eerste, het wel onderscheiden, om juist te
onderrigten, deed uit het oog verliezen. Misschien was het slechts de eerste
warmte van de zegepraal der zake, door den schrijver steeds zoo ijverig
aangekleefd, die hem meer dan ooit de grenzen der welvoegelijkheid enz. drong
te overschrijden? Misschien is het den man, onder deze omstandigheid, niet zoo
volkomen ten kwade te duiden, dat hij geenszins tot die hoogte der
vergevensgezindheid, tot die zuiverheid van alle partijschap, tot die volkomene
allesvergetende, alles achterstellende zucht voor het eenige behoud des
gemeenen vaderlands zij gekomen, welke in de stukken van den zoo zeer
gewenschten, en nu reeds door allen geliefden Vorst weldadig pralen. Het
blijven daarom echter wezenlijke, in onzen tijd nimmer geheel verschoonlijke
gebreken. En wij roepen daartegen, met den Vorst zelven, uit: Weg met alle
denkbeeld van wraak, die altijd den christen onteert! Weg met alle herinnering
aan oude partijschappen die, als de bron van zoo vele rampen, door iedereen
vervloekt, en, door de verheffing van Oranje tot de Souvereiniteit, in de
wellen zelve verstopt, nu nog maar alleen door deze herinnering en wraak zouden
kunnen verlevendigd en staande gehouden worden! Dat de schelmachtige verrader
en dief met den tijd worde gestraft of ten toon gesteld; maar regt vorstelijke,
regt staatkundige, den grooten naam van I sten Willem
waardige liefde het jammertooneel onzer oneenigheden voor eeuwig, als met een
mantel bedekke! Zoo stá Nederland, als een eenig man, tegen het
uitwendig geweld! Zoo vinde overal bekwaamheid en deugd gelegenheid deszelfs
heil te bevorderen! Zoo volge het algemeen gevoel en gevoelen den schoonen, den
hemelschen geest, die in de eerste toespraken en gedragingen van onzen vorst
ademt!’ (Alg. Vad. Lett 1814, I. 31-33) Deze godzalige dieventaal is
wel het overtuigendst bewijs van het bestaan dier huichelarij, waarvan ik boven
gesproken heb. Het praatje, dat het land was achteruit gegaan door
partijschappen en oneenigheden, was een uitvinding van zulk soort Hollanders,
die partijschappen vreesden omdat zij de zwakste partij zouden zijn.
30)In het beoordeelen van de tallooze
romans, die in het begin van deze eeuw in Holland verschenen, keurden zij goed
alles wat vermakelijk was zonder schadelijk d.i. onzedelijk te zijn.
‘Fijn vernuft, rijkheid in vinding, bevalligheid van voordragt, mensch-
en characterkunde, fraaie schikking en zoetvoerige aaneenschakeling der
bijzondere voorvallen, zoowel als blijkbare achting voor deugd en
braafheid’ waren de aangenaamste dingen, die zij in een roman konden
aantreffen. (Alg. Vad. Lett. 1800. I. 174). Kotzebue mochten zij soms wel
lijden, maar soms niet, al naarmate hij meer of minder ongeregeld en spotziek
was in het stuk, dat ze voor zich kregen. Aug. Lafontaine was een hunner
lievelingsschrijvers, van wien zij zeiden: ‘Met een zeer gunstig
vooroordeel nemen wij ieder opstel van dezen schrijver in handen; het is vooraf
bij ons reeds uitgemaakt, dat wij niets zullen aantreffen, hetgeen de zeden
eenigszins kwetst, maar vele uitmuntende lessen in den hem eigenen
aandoenlijken toon, en dat wij onze kennis van het menschelijke hart zullen
uitbreiden en zuiveren.’ (Alg. Vad. Lett. 1804. I. 257-60.
31)Naar de reden van dit verschil kan ik
slechts raden.
32)‘De eenvoudige Manier van Spreken
geeft blootelijk onze gedachten aan anderen te kennen, maar de Figuurlijke
spreekmanier geeft daar te boven aan dezelve een zeker kleed; en wel zodanig
kleed, 'twelk haar tot sieraad verstrekt, en de aandacht meer op haar doet
gevestigd worden. (Blair. Lessen over de Redekunst, door Bosscha, 1788. I.
399). Volgens Blair zou een gedachte eerst in woorden zijn
‘gekleed’, als ze in figuurlijke taal is uitgedrukt. Maar in de
praktijk heeft men dat onderscheid nooit vastgehouden, zoodat men zelfs spreekt
van een geheelen stijl als den vorm, waarin iemand zijn gedachten
‘gekleed’ heeft.
33)Blair. Lessen over de Redekunst door
Bosscha. 1788. I. 400.
34)Wordsworth. Observations.
|
|