Nieuw Letterkundig Magazijn. Jaargang 5


auteur: [tijdschrift] Nieuw Letterkundig Magazijn


bron: Nieuw Letterkundig Magazijn. Jaargang 5. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1987  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Mijn leven met Huygens

Gedurende mijn studie Nederlandse taal- en letterkunde te Nijmegen, aangevangen in september 1950, heb ik de lessen mogen volgen van een begenadigd Huygens-kenner: professor L.C. Michels. Die man heeft - tegen alle didactische maatstaven in - mij een filologische opleiding gegeven, die de basis is geworden voor mijn verdere studie. Aan hem heb ik het ook te danken, dat mijn belangstelling voor Huygens gewekt is. Een van zijn colleges zal ik zeker nooit vergeten. Daarin verzuchtte hij (ik garandeer niet, dat ik letterlijk citeer): ‘De taal van Huygens levert zoveel stof tot onderzoek, dat tot nu toe niemand de moed heeft gehad, er een uitgebreide en diepgaande studie aan te wijden.’ Daarop heb ik, in een opwelling, mijn buurman toegefluisterd: ‘Dan doe ik dat.’ Van dat moment af was ik een ‘verloren man’. Ik begon te lezen in Huygens' gedichten, en ik raakte er zozeer door geboeid, dat ik me er voor de rest van mijn leven aan verslingerd heb. Spijt heb ik daar nooit van gehad.

In november 1954 leverde ik mijn taalkundige doctoraalscriptie bij Michels in: een materiaalverzameling voor een gedeeltelijke klankleer van Huygens' gedichten. Die moest de basis vormen voor een dissertatie met als titel: Huygens' taal. Klankleer. Ongeveer tegelijkertijd kreeg professor Asselbergs mijn letterkundige scriptie thuisgestuurd: De verstechniek van Huygens' Nederlandse gedichten.

Na mijn doctoraal examen (december 1954) heb ik tien jaar gewerkt aan mijn dissertatie. Dat was een moeilijke maar vooral een boeiende periode. Al gauw kwam ik tot het inzicht, dat een volledige klankleer van Huygens' gedichten een te pretentieuze onderneming was. Ik besloot me te beperken tot één verschijnsel daaruit, dat me heel bijzonder interesseerde: de sandhi-n en de genus-n. Maar ook dat onderwerp bleek te breed; het werd ten slotte deze -n in de dialectische teksten.

IJverig heb ik aanvankelijk materiaal verzameld uit Worps uitgave. Maar bij een bezoek aan de handschriftenafdeling van de Koninklijke Bibliotheek, waar P.J. Vermeeren toen de scepter zwaaide, moest ik opnieuw tot de bevinding komen, dat ik verkeerd bezig was: de autografen bevatten voor mijn onderzoek een schat aan gegevens, die niet in Worp te vinden waren, met name de vele veranderingen. Ik heb dus het hele tot dan toe verzamelde materiaal weggegooid en ben opnieuw begonnen.

Eerst aan de hand van fotokopieën en vervolgens met de originelen onder mijn neus heb ik alle dialectische teksten nauwkeurig getranslitereerd, inclusief alle (grondige) doorhalingen. Om steeds terugkerende problemen te kunnen oplossen, heb ik een beschrijving vervaardigd van Huygens' schrift, met de specifieke moeilijkheden, daaraan verbonden. Deze episode uit mijn leven is voor mij beslissend geweest: de dagelijkse confrontatie met de eigenhandig door de grote meester vervaardigde teksten heeft een zeer persoonlijke binding met hem tot stand gebracht, rationeel en emotioneel.

Mijn dissertatie kreeg zo twee delen: Handleiding bij het lezen van Huygens' manuscripten; De -n in het Antwerps en het Hollands van Constantijn Huygens. Toen het werk klaar was, heb ik professor Weijnen gevraagd of hij mijn promotor wilde zijn. Hij wilde dat gelukkig. Overeenkomstig mijn aard en ten gevolge van de omstandigheden waarin we in die tijd studeerden, heb ik deze lange weg in eenzaamheid afgelegd, zonder de begeleiding van iemand die meer wist en wijzer was dan ik. Vandaar dat ik terugzie op veel fouten en onnodige omwegen, waarvan ik overigens ook veel geleerd heb.

De belangrijkste bron voor mijn onderzoek was Huygens' klucht Trijntje Cornelis. De reeds omstreeks 1957 gemaakte transliteratie is de basis geweest van de uitgave die in maart 1987 verschenen is. Deze tekst is voor mij het hoogtepunt van Huygens' oeuvre; hoe meer ik me erin verdiep, hoe groter mijn bewondering wordt. Maar dat zal, hoop ik, voldoende blijken uit mijn uitgave. Tot zover de feiten van mijn bemoeienis met Huygens. Maar het verslag van mijn motivatie levert zeker zoveel gegevens voor een dankbare terugblik.

In eerste instantie was ik niet getroffen door de esthetische aspecten van Huygens' poëzie; ik werd geboeid door de virtuositeit van zijn taal, de vorm dus. Huygens' taal is kunstig in de oude zin van het woord: ‘kunst’ is vakmanschap. Zijn dichtwerk is primair cerebraal, vernuftig. Daarnaast kenmerkt zijn taal zich door natuurlijkheid: bij geen enkele zeventiende-eeuwse auteur zijn de constructies uit de omgangstaal zo kwistig over de regels verspreid als bij hem. Dat levert die intense spanning: de geconstrueerde vorm in constructies die recht uit de omgangstaal komen. Door mijn jarenlange omgang met zijn teksten kan ik met zekerheid zeggen: Huygens was een hoogst begenadigd taalwaarnemer; hij is onze belangrijkste bron voor de zeventiende-eeuwse taal. Met name geldt dit voor twee dialecten: Hollands en Antwerps. Uit mijn dissertatie kan iedere onbevooroordeelde lezer opmaken, dat hij

[p. 11]

het subtiele verschijnsel van de genus-n en de sandhi-n met onfeilbare trefzekerheid heeft genoteerd, zowel in de Antwerpse als in de Hollandse gedeelten. Dat alleen al rechtvaardigt de stelling, dat we voor alle subtiele taalverschijnselen veilig bij hem te rade kunnen gaan.

Inhoudelijk zijn Huygens' gedichten vooral een genot voor de geest: ze leveren door hun vernuft stof tot spitsvondig denken. Het genot dat ze verschaffen is dus allereerst rationeel. De rationaliteit ontleent de dichter voornamelijk aan een dubbele inspiratiebron: de theologie en de klassieke filosofie. Het meest opvallend in hem is de wijsheid die we met ‘constantia’ kunnen benoemen, de egaliteit van geest en gemoed temidden van voor- en tegenspoed. Zijn consigne ‘Constanter’, dat we vanaf 7 maart 1619 geregeld als ondertekening aantreffen, duidt daarop; het is een elliptisch gebruikt bijwoord, aan te vullen tot: ‘constanter se gerere’, zich gelijkmatig gedragen. In Cluijs-werck (v. 106 e.v.) getuigt hij omtrent zijn aard:

 
Mijn Schepper zij gelooft; sijn' hand heeft mij geschapen
 
Met een' Gevoeghlickheit, die alle bochten lijdt,
 
En, als in alle soet, in alle bitter bijtt.
 
'Ten waere soo geweest, hoe hadd ick soo 'tlangh leuen
 
Door soo veel gins en weers Standvastelijck gedreven?

In vers 122 komt de variant ‘standvastig’ voor, met in de marge: ‘CONSTANTER’. Ik kan het niet helpen, dat deze levenshouding mij bijzonder aanspreekt. Ze gaat gepaard met een sterk gevoel voor relativiteit, waardoor we dit aardse leven, eindigend met de dood, ondergeschikt kunnen zien aan hogere waarden. De ‘vanitas’, de vluchtigheid van het aardse, is dan ook een constant thema bij Huygens. Hij beleefde deze gedachten zeer intens en zeer consequent. Daarom bewonder ik hem als mens. Daarom vind ik Ooghen-troost een indrukwekkend gedicht.

Een tweede deugd, die rechtstreeks voortkomt uit de eerstgenoemde, is zijn ‘modestia’, zijn gematigdheid in oordeel en emoties. Zelfs in godsdienstig opzicht bezat hij deze matiging in hoge mate. Hij was een orthodox protestant, die de kerk van Rome hartgrondig verfoeide. Maar dat belette hem niet, waardering en liefde te voelen voor leden van die kerk. Zijn houding tegenover Tesselschade is daarvan een sprekend voorbeeld. Die kan samengevat worden in de onsterfelijke regel: ‘Ick spaer de roede niet, ick heb het kind te lief.’

Boeiend vind ik ook steeds weer, te zien hoe Huygens in zijn belangstelling voor het aardse de Schepper ervan centraal stelde. Van tijd tot tijd, in de begenadigde ogenblikken, is zijn religieuze poëzie zelfs sterk emotioneel. In dat verband citeer ik het bekende kwatrijn van 1 februari 1656:

 
De Boomen die ick sie
 
Van d'aerd ten hemel gaen met uijtgestreckten armen,
 
Zijn als de Goddeloos' in nood, die opwaert karmen,
 
En weten niet tot wie.

Dit is een klein meesterwerk. Het hangt dan ook, gecalligrafeerd en ingelijst, vlak bij mijn bureau. Michels zegt ervan op pagina 261 van het tweede deel van zijn Filologische opstellen: ‘De gewone Huygens is het niet, die hemel en aarde verbindt in dit grootmachtig-troosteloze visioen van vier regels.’ Ook in de uiting van zijn verdriet, voornamelijk bij de vroege dood van zijn Sterre, is een sterke emotionaliteit voelbaar. Maar die uit hij in een geconstrueerde vorm, zijn hevigste verdriet beheerst en sublimeert hij in woordspelingen, die in eerste instantie voor de moderne lezer gekunsteld, zelfs smakeloos lijken. Maar als je erdoorheen kijkt, komt dat verdriet des te intenser tot je.

Ik ben begonnen met Michels. Ik eindig er ook mee. Hij heeft één pagina eerder zo'n rake omschrijving gegeven van Huygens' dichterschap en tegelijkertijd van de kleine groep zonderlingen die zich tot dit dichterschap aangetrokken voelen, dat ik beter met zijn woorden kan besluiten dan met de mijne: ‘Hij is geen van die groten der wereldlitteratuur die bij ieder kunstgevoelige een onvergankelijke indruk achterlaten, omdat zij met de machtige greep van het genie, en de oorspronkelijke visie van het eeuwige en algemeen menselijke in onderling verband, de goddelijke eenvoud weten te verbinden, die het kenmerk van het ware is. Behoudens dat ook die hoge worp hem een enkele maal gelukt en dat ook uit zijn werk bijwijlen de kreet opklinkt die mensenzielen elkaar uit hun diepten toeroepen, is Huygens toch meer een man van een zo bepaalde geestes-tournure, dat de kring zijner getrouwen zich altijd beperken zal tot degenen die met geestelijk genot zich in een biezondere wijze van denken en zeggen kunnen voegen. Met opzet spreek ik van geestes-tournure en van geestelijk genot, omdat het voornamelijk de geest is, meer dan het verstand, en zeker meer dan hart en gemoed, die zijn litteraire werk karakteriseert.’

H.M. Hermkens