‘Een innerlijk toneel’. Zo schetste Hella Haasse in een interview met Ischa Meijer in 1984 haar verhouding tot het schrijven. Voor de schrijfster van achttien zo verschillende romans als Het woud der verwachting (1949), De tuinen van Bomarzo (1968), Een gevaarlijke verhouding of Daal- en Bergse brieven (1976), Mevrouw Bentinck of onverenigbaarheid van karakter (1978) en Heren van de thee (1992) is dat innerlijk toneel voortdurend in beweging. ‘Niets is ooit geheel voorbij’ is een van de andere sleutels die toegang geven tot de diversiteit en de coherentie van haar oeuvre. In een openhartig gesprek vroeg ik Hella Haasse of haar personages haar ooit verlaten.
Nooit. Zij vormen mijn familie, wezens die mij altijd begeleiden, wat ik ook doe. Of het nu historische figuren zijn zoals Charles d' Orléans [de hoofdpersoon van Het woud der verwachting, CB-S], Charlotte Bentinck of fictieve figuren, ik kan hen in mijn gedachten oproepen zoals ik hen maakte. Van hun kant hebben zij een eigen dimensie en vervolgen zij hun eigen weg. Voor een groot deel vielen hun belevenissen samen met projecties van dingen in mijzelf. Waarschijnlijk heb ik me daarom ook tot hun leven en lot aangetrokken gevoeld. Door die persoonlijke inzet vertegenwoordigen zij, hoop ik, gevoelens en ervaringen die iedereen kan herkennen.
Verlangens en emoties, het blootleggen van gedrags-structuren en het zoeken naar waarheid vormen een vierstermmig ‘Leitmotiv’ dat de lezer in uw boeken onmiddellijk hoort. Toch kiest u voor uw romans thema's uit die hemelsbreed van elkaar verwijderd zijn. Wat maakt van een roman onmiskenbaar een roman van Hella Haasse?
In de loop der jaren is mijn manier van schrijven veranderd. He heb gezocht naar andere verteltechnieken, veel meer weggelaten, strakker geformuleerd. In Het woud der verwachting was ik nog bezeten van de ‘Lust zu fabulieren’ uit mijn kinderjaren. Met die vijftiende eeuw was ik al bezig toen ik nog op de middelbare school zat. Vandaar dat epische, traditionele, romantische vertelprocédé. Ik gaf me geen rekenschap van problemen in verband met tijd, ruimte, standpunt. Pas later realiseerde ik me hoe bepalend de compositie, het aanbrengen van een structuur is. Om aan een bepaalde gebeurtenis recht te doen, moet ze vanuit meerdere kanten belicht worden. De visie van één personage is betrekkelijk, zodat de schrijver genoodzaakt is deze ene visie te nuanceren door andere gezichtspunten te geven. Er is nooit één narrator die de enige juiste uitleg geeft. De schrijver moet ‘présent partout, visible nulle part’ zijn en de complexiteit van het leven suggereren. Dat betekent dat je voortdurend van focus moet wisselen, veelkantige waarnemingen moet geven en weinig beslissende uitspraken over de realiteit kunt doen.
In mijn latere zogenaamde ‘historische romans’ heb ik steeds minder mijn fantasie laten spreken. Daarvoor in de plaats heb ik geprobeerd mijn interpretatievermogen van authentieke teksten aan te scherpen. Je kunt van Mevrouw Bentinck niet zeggen dat het fictie is. Het boek bestaat uit authentieke brieven, dagboeken en andere documenten, met verbindende teksten van mij. Op basis van hetzelfde materiaal had je wel twintig romans kunnen schrijven. Mijn keuze is geweest de realiteit waarin die mensen leefden te interpreteren. Wat er bij dat interpretatieproces gebeurt, hoe het in zijn gang gaat, weet ik niet precies. Ik ga nooit van tevoren een blauwdruk voor een roman ontwerpen. Het ontstaat door het schrijven. De personages gaan leven en voor zichzelf acteren. Be ‘leef’ die mensen dan, mimisch. Zo wordt de tekst geboren.
Misschien is het deze nabijheid tot mijn personages die mensen herkennen.
Nederlandse literaire critici hebben altijd moeite gehad zich een houding ten opzichte van u aan te meten. Oeroeg (1948) prijkt hoog op de eindexamenlijst van de schoolverlater, de Franse vertaling van Heren van de thee vindt gretig aftrek bij elke FNAC, de verfilming (1985) van Mevrouw Bentinck werd als een succesvol feuilleton door vele televisiekijkers gevolgd en het humeurige karakter van Charlotte Sophie de volgende dag hartstochtelijk op schoolpleinen en in collegezalen besproken. Het succes logenstraft de kritieken. Komt dit fenomeen misschien voort uit het feit dat op Hella Haasse geen enkel gangbaar literair etiket past?
Ik heb mezelf nooit gerekend tot een bepaalde stroming. Ik voel me aangetrokken tot literatuur waarin indirect, door verbeelding, wezenlijke maar letterlijk onbeschrijfelijke elementen van de werkelijkheid worden uitgedrukt. Voor mij is iedere goede roman een filosofische roman. In die zin ben ik waarschijnlijk meer gevormd door een niet-Nederlandse traditie. In mijn jeugd heb ik Engelse, Franse en Duitse klassieken verslonden. Ik vind het heerlijk een boek te lezen van een schrijver die op een originele erudiete eigentijdse manier genres verwerkt. Ooit kocht ik De naam van de roos van Umberto Eco op het station in Parijs en werd zo door dat boek gefascineerd dat ik vergat op tijd in Nederland uit te stappen. Montaillou van Emmanuel Le Roy Ladurie heb ik zeer interessant gevonden vanwege de manier waarop hij de methode van de Ecole des Annales, het onderzoek van zakelijke en officiële documenten uit het verleden, toegepast heeft in een spannend verhaal. Sommigen noemen mij met hem verwant. Toch is er een groot verschil. Hij is een schrijvende historicus, terwijl ik mezelf zie als een schrijfster die in historie is geïnteres-

Foto: Flip Franssen.
seerd. In wezen ga ik met historisch materiaal niet anders om dan met ander materiaal. Het belangrijkst voor mij is personages te bedenken die voor mij iets herkenbaars belichamen.
In uw oeuvre wordt een ander ‘Leitmotiv’ steeds pregnanter: de zoektocht naar een nieuwe samenhang. Lang voordat de literaire kritiek kwistig met het predikaat postmodern ging rondstrooien, was u dat stadium allang gepasseerd. Uw bekende uitspraak: ‘Alles hangt met alles samen’ dateert intussen van een behoorlijk aantal jaren geleden. Had u toen en misschien nu nog het gevoel niet begrepen te worden?
Dat de manier waarop ik met mijn onderwerpen omging vaak niet herkend werd, heb ik maar voor lief genomen en naast mij neergelegd. Het hing samen met het feit dat rond de jaren zeventig de romankritiek van karakter veranderde. Ik was toen al vijftig jaar oud en werd beschouwd als een schrijfster van middelbare leeftijd die niet ‘dérangeant’ genoeg was. De critici van toen waren verplicht geweest Oeroeg op school te lezen. In een nadere kennismaking met de boeken die ik daarna geschreven had - en daarbij zijn er die ik zelf tot mijn beste werk reken, zoals Een nieuwer testament (1966) en De tuinen van Bomarzo (1968) - hadden zij geen zin. Zo ontstond er, denk ik, een eenzijdig en dus vertekend beeld dat nu aan herziening toe is, mede door de ontvangst van vertalingen van mijn boeken in het buitenland. Aan wat nu bij uitstek hedendaags lijkt, de aandacht voor het zoeken naar samenhang, heb ik in al mijn werk geprobeerd vorm te geven. Of ik daarbij mijn tijd vooruit ben, vind ik moeilijk vast te stellen. Waar het mij om ging en gaat, is de samenhang te tonen tussen het persoonlijke lotgeval van mensen in heden of verleden en bepaalde gebeurtenissen in groter verband in de tijd waarin zij leven, en op die manier iets waarneembaar te maken van ontwikkelingen in mentaliteit, in denken. Er zijn momenten waarop je waarneming zich schijnt te verdiepen en je de indruk hebt dat er een netwerk, een patroon, zichtbaar wordt onder de oppervlakte van de verschijnselen, onder de voor de hand liggende aspecten van de werkelijkheid.
Christiane Berkvens-Stevelinck
Van Hella S. Haasse is zojuist bij Querido verschenen: Uitgesproken, opgeschreven. Essays over achttiende-eeuwse vrouwen, een bosgezicht, verlichte geesten, vorstenlot, satire, de pers en Vestdijks avondrood. ISBN 9021464934 (ƒ 39,50).