Nieuw Letterkundig Magazijn. Jaargang 16


auteur: [tijdschrift] Nieuw Letterkundig Magazijn


bron: Nieuw Letterkundig Magazijn. Jaargang 16. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 1998  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 2]

Nederlandstalige Zuid-Afrikaanse literatuur, 1652-1925

Het is weinig bekend dat het enige standbeeld voor de Nederlandse taal in Zuid-Afrika staat. Het werd in de gedaante van een vrouw met een tablet op haar arm in 1893 opgericht in het plaatsje Burgersdorp om te herdenken dat in 1882 het Nederlands weer officieel erkend werd als taal van het parlement van de Britse Kaapkolonie. De inhuldiging van het beeld was in 1893 een grote gebeurtenis: vijfhonderd bereden boeren vormden een cavalcade en uit het verre Kaapstad waren de leiders van het opkomende Afrikaner nationalisme overgekomen. Een van hen, Jan Hofmeyr, bracht een toast uit op ‘onze taal’, waaronder hij de taal van ‘Hooft en Vondel, Helmers en Tollens, Bilderdijk en Da Costa, [...] Van der Palm en Van Oosterzee’ verstond en ook het ‘Afrikaans-Hollands’ (Zuid-Afrikaans), de speciale variant die in Zuid-Afrika werd gesproken.

Lang heeft het beeld niet kunnen staan. In 1900 werd het door Engelse troepen vernield en afgevoerd, maar in 1908, in een gebaar van Wiedergutmachung, door een identieke kopie vervangen. In de jaren dertig werd het oorspronkelijke beeld op een vuilnisbelt in King William's Town teruggevonden en later achter de kopie opgesteld. Maar dat laatste gebeurde toen het Nederlands al in 1925 door het Afrikaans was vervangen als officiële taal van de Unie van Zuid-Afrika, naast het Engels. Van het standbeeld voor het Hollands heeft men later maar een Afrikaans Taalmonument gemaakt door er een poortje met een passend opschrift bij te bouwen.

 

Het begon allemaal in 1652. Met de vestiging van een verversingspost van de VOC ging het Nederlands een rol als schrijftaal spelen in Zuid-Afrika. Dat heeft in meer dan 270 jaar, van 1652 tot 1925, een vrij omvangrijk corpus geschriften opgeleverd die pas de laatste jaren zijn (her)ontdekt. Vóór 1800 gaat het vooral om teksten die door de omvangrijke bureaucratie van de VOC zijn voortgebracht: brieven, dagregisters, berichten van veldkornetten en reisjournalen. Deze teksten zijn vooral vanuit historisch gezichtspunt interessant. Ze geven een beeld van het leven in de Kaapkolonie en zijn de enige getuigenissen over het leven van de later Khoikhoi (Hottentotten) in hun oorspronkelijke toestand.

Na 1800 verandert de situatie drastisch. Eind achttiende en begin negentiende eeuw voltrekt zich op allerlei terreinen een modernisering. Drukpersen worden geïnstalleerd en culturele instituties zoals een schouwburg en een tak van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen worden gesticht. Intussen verandert de Kaapkolonie ook van eigenaar. De kolonie wordt eerst tijdelijk Engels, tussen 1795 en 1803 en, na een Bataafs tussenbewind van drie jaar, definitief in 1806. Daardoor kwam de heterogene groep inwoners van de kolonie die zich bediende van de Nederlandse schrijftaal en in de omgang meestal Afrikaans sprak in een isolement te verkeren ten opzichte van het Nederlandse taalgebied in Europa. Door deze situatie ontstond een relatief zelfstandig Nederlandstalig cultureel circuit in Zuid-Afrika. Nederland verdween na 1806 langzamerhand achter de horizon, maar nog steeds ging men in Zuid-Afrika voort om in het Nederlands te schrijven. Aanvankelijk ging dat maar moeilijk door een volgehouden angliseringsbeleid van de Engelse koloniale overheid. Al het openbare onderwijs was immers in het Engels en zelfs in de Nederduits Gereformeerde Kerk werd er gepreekt door Schotse predikanten. Pas aan het einde van de negentiende eeuw keerde het tij.

In de eerste plaats waren de Boerenrepublieken in het binnenland, Transvaal en Oranje-Vrijstaat, onafhankelijk geworden van het Britse rijk. In beide staten was het Nederlands de officiële taal. Dit leidde onder andere in de jaren 1890 tot het opzetten van een efficiënt Nederlands onderwijsapparaat in Transvaal. Een tweede ontwikkeling was het Afrikaner nationalisme. Beïnvloed door Europese nationalistische denkbeelden vormde zich een politieke beweging die streefde naar zelfbeschikkingsrecht van de ‘Afrikaans-Hollandse’ bewoners van Zuid-Afrika. Deze nationalistische beweging koos het Nederlands aanvankelijk als officiële taal. Een en ander leidde tot een toename in de literaire activiteit. Het Afrikaans-Hollandse volk moest een eigen literatuur krijgen. Doordat de nationalistische beweging in de twintigste eeuw de voorkeur gaf aan de spreektaal, het Afrikaans, heeft het Nederlands uiteindelijk toch het onderspit moeten delven. De grondwetswijziging in 1925, waarbij het Afrikaans in de plaats van het Nederlands werd gesteld, was daarbij de laatste stap.

 

In welke opzichten is deze Nederlandstalige Zuid-Afrikaanse literatuur nu interessant? Vanuit Zuid-Afrikaans perspectief gaat het onder meer om de oudste geschriften die op Zuid-Afrikaanse bodem zijn geschreven. Je vindt daarin de oudste beschrijvingen van landschappen en inheemse bewoners, de eerste gedichten, reisbeschrijvingen en historische verhandelingen. Voor de koloniale neerlandistiek is de Zuid-Afrikaanse Nederlandstalige literatuur van na 1800 ook van bijzonder belang. Meer dan de Indisch-Nederlandse letterkunde en de Nederlandse literatuur uit Suriname en de Antillen zijn de Zuid-Afrikaanse geschriften in het Nederlands deel van een afzonderlijk circuit. Zuid-Afrikaanse schrijvers schreven in Zuid-Afrikaanse boeken, tijdschriften en kranten voor een Zuid-Afrikaans publiek dat steeds minder verbonden was met het oude koloniale moederland. Er ontstond een literatuur die geheel in de lokale behoeften moest voorzien. Zo wijdde het eerste Zuid-Afrikaanse tijdschrift, Het Nederduytsch Zuid-Afrikaansch Tydschrift (1824-1843) een groot gedeelte van zijn ruimte aan eigen Zuid-Afrikaanse geschiedenis. Door bronnenpublicaties, geschiedverhalen en historische anekdotes probeerde men het publiek bewust te maken van een eigen historische traditie.

 

De Nederlandstalige Zuid-Afrikaanse literatuur is slecht bestudeerd. In de jaren twintig en dertig was er in Zuid-Afrika wel enige belangstelling voor, maar toen het lite-

[p. 3]

ratuurwetenschappelijke perspectief zich na de oorlog vernauwde tot de studie van het monumentale literaire kunstwerk, raakte wat er voor 1925 in het Nederlands was geschreven totaal in vergetelheid. Weinig daarvan kon immers de twintigste-eeuwse esthetische toets doorstaan. Pas de laatste jaren is daar verandering in gekomen. Daar hebben weer ontwikkelingen in de literatuurwetenschap voor gezorgd. Met het ontstaan van het studieveld van het koloniale en postkoloniale discours werden de oude Nederlandstalige Zuid-Afrikaanse geschriften ook weer interessant. Naast traditioneel literairhistorisch onderzoek lenen ze zich voor studies over koloniale representatie, en de ontwikkeling van identiteiten van kolonisten en gekoloniseerden op een manier die in het buitenland onder andere door Edward Said, Homi Bhabha en Mary Louise Pratt is gedaan.

 

Siegfried Huigen

Literatuurverwijzingen

F.C.L. Bosman, Drama en toneel in Suid-Afrika. Deel I: 1652-1855. Kaapstad/Pretoria 1929.
E. Conradie, Hollandse skrywers in Suid-Afrika. 2 delen. Kaapstad/Pretoria 1934-1949.
S. Huigen, De weg naar Monomotapa. Nederlandstalige representaties van geografische, historische en sociale werkelijkheden in Zuid-Afrika. Amsterdam 1996.