Nieuw Letterkundig Magazijn. Jaargang 19


auteur: [tijdschrift] Nieuw Letterkundig Magazijn


bron: Nieuw Letterkundig Magazijn. Jaargang 19. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, Leiden 2001  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 34]

Who's who in ‘Jan van Zutphen's afscheidsmaal’ van Piet Paaltjens

Dick Welsink

Het is algemeen bekend dat in de bundel Snikken en grimlachjes (1867) van Piet Paaltjens, alter ego van François HaverSchmidt, nogal wat personen uit het Leidse studentenleven voorkomen. Dat geldt in bijzondere mate voor het lange gedicht ‘Jan van Zutphen's afscheidsmaal’, in dat bundeltje te vinden in de afdeling ‘Romancen’, als een na laatste vers in die uitgave. Het wordt daar nog gevolgd door ‘Drie studentjes’ en werd geschreven ter opluistering van een promotiediner.

 

Dit gedicht is al in 1857 afzonderlijk verschenen. Dat uitgaafje diende kennelijk om de bij de maaltijd aanwezigen de gelegenheid te bieden mee te luisteren naar de gezongen voordracht. In de handschriftencollectie van onze Maatschappij bevindt zich onder de signatuur Ltk 1817-IV een map met manuscripten van HaverSchmidt met daarin ook een handschrift van dit gedicht, door hem voorzien van aantekeningen.1 Met behulp van die aantekeningen en door aanvullend literatuur-en archiefonderzoek is het mogelijk gebleken de identiteit en de personalia van de diverse, onder bij- of schuilnamen in deze ballade voorkomende (oud)medestudenten vast te stellen. Die bijnamen vallen uiteen in twee categorieën: ze verwijzen naar de geboorte-of woonplaats, dan wel naar een eigenschap van de persoon in kwestie. Dit soort naamgeving was in de Middeleeuwen gebruikelijk en past perfect in de setting van het gedicht.

Bij Jan van Zutphen in de eerste regel van het tweede couplet plaatste HaverSchmidt de volgende noot: ‘Gerard Jan Bernard Henny, van Zutphen, Theol. Cand., promoveerde den 6 October 1857 te Leiden in de Regten, met plan om naar Oost-Indie te vertrekken, gelijk ook geschiedde den 19 dier maand, per Jason van Rotterdam naar Batavia. - Bij zijn Promotiepartij, in 't Hôtel Muller, werd deze Ballade voorgedragen, terwijl accompagneerden met gezang de H.H. Dr. P. Hoekema Kingma, Dr. J. Bosscha, Dr. H.M. Adriaans en Mr. I.C.M. Adriaans. Ook op den avond van 18 Octob. daarop werd zij gereciteerd bij Leygraaff te Rotterdam. - Henny is gestorven te Bandong, September 1866.’ (Overigens zou uit deze laatste zin afgeleid kunnen worden dat dit handschrift eerst veel later vervaardigd is, maar ook is mogelijk dat alleen die toevoeging van later datum is). Gerrit Jan Bernard Henny werd op 21 september 1850 onder de naam Gerrit Janus Bernardus Hennij, Zutphaniensis, 20 jaar, als student theologie ingeschreven aan de Leidse universiteit.2 Hij woonde van 1851 tot 1855 op de Hooglandse Kerkgracht, bij Van der Voorden. In de almanak voor 1854 wordt hij vermeld als lid van de Commissie voor de Redactie van de Almanak, het jaar daarop als praeses van die Commissie. In het laatste jaar van zijn studie (hij was in 1854 overgestapt naar rechten) woonde hij op het Rapenburg, bij juffrouw Labree. De titel van zijn proefschrift, waarop hij cum laude promoveerde, was De bekentenis volgens de Nederlandsche wetgeving. Henny werd op 30 januari 1830 geboren te Zutphen, was oprichter van het advocatenkantoor Henny te Batavia en overleed op 13 september 1866 te Bandoeng.3

Jacobus van Meerenbergen in de tweede regel van het elfde couplet kreeg de volgende toelichting: ‘C.W.C. Jacobus, Med. Dr., 3e Geneesheer op 't Gesticht Meer en Berg, 1e paranymph v. Dr. Henny’. Cornelis Wilhem [sic!] Christoph Jacobus werd op 7 september 1849 onder de naam Cornelis Guilelmus Christophorus Jacobus, Vlardingensis, 19 jaar, als student medicijnen ingeschreven. In 1851 woonde hij op het Noordeinde bij Sleyffers, van 1852 tot het eind van zijn studie in dezelfde straat, bij Weydenberg. Hij promoveerde op 14 maart 1856 cum laude op Eenige waarnemingen over scheurbuik. Hij werd op 21 december 1829 te Vlaardingen geboren als zoon van een politiecommissaris en vestigde zich begin augustus 1882 te 's-Gravenhage, waar hij op 23 december 1886 als rustend arts overleed.4

[p. 35]

In het twaalfde couplet worden maar liefst drie personen genoemd. Ten eerste Janus van Steenbeek, over wie HaverSchmidt aantekende: ‘Adrianus van Wessem, Jur. Utr. Cand., voerde - naar men zeî - in zijn wapen 't Asyl van Steenbeek.’ Op 20 september 1852 (één dag eerder dan HaverSchmidt!) werd Adrianus van Wessem, Tielanus, 18 jaar, als student rechten ingeschreven. Het eerste jaar van zijn studie woonde hij bij Walle aan de Aalmarkt, daarna verhuisde hij naar Corts op de Nieuwe Rijn. In de almanak voor 1857 wordt hij vermeld als lid van de Commissie voor het Muzijkgezelschap Sempre Crescendo. Hij promoveerde op 22 december 1858 magna cum laude tot doctor in de rechten op stellingen. Van Wessem, een boezemvriend van HaverSchmidt, werd op 22 augustus 1834 in Tiel geboren, was van 1857 tot 1906 mededirecteur van de Nederlandsche Maatschappij voor Brandverzekering en van 1863 tot 1907 kantonrechter-plaatsvervanger aldaar en overleed er op 15 juli 1913.5 Ten tweede de zwarte slotvoogd van Bommel, door HaverSchmidt van de volgende toelichting voorzien: ‘L.J.H. Philips, Jur. Utr. Cand., van Zalt-Bommel.’ Leonardus Isaak Hendrik Philips werd op 23 juni 1852 als Leonardus Isaacus Henricus Philips, Bommelianus, 19 jaar, ingeschreven als student rechten. Hij woonde eerst bij de weduwe Meerburg aan de Vliet, daarna twee jaar aan de Aalmarkt bij Wolvekamp, vervolgens twee jaar in de Maarsmansteeg bij Izenburg, en in zijn laatste studiejaar bij de weduwe Labree op het Rapenburg. In de almanak voor 1856 wordt hij vermeld als lid van de Commissie voor de Redactie van de Almanak. Op 27 april 1858 promoveerde hij op stellingen cum laude tot doctor in de rechten. Philips werd op 4 februari 1833 geboren te Zaltbommel, vestigde zich daar na zijn studie als advocaat, en werd later president van de arrondissementsrechtbank in Tiel, waar hij op 7 september 1902 overleed.6 En ten derde Cocqjen van Gorcum, volgens de toelichting van HaverSchmidt: ‘A.G. Kok, Theol. Cand. Litt. Stud. van Gorinchem.’ Op 16 augustus 1851 werd Adriaan Gerard Kok, Gorichemiensis, 19 jaar, ingeschreven als student theologie. Zijn eerste studiejaar woonde hij op de Hooigracht bij Secreve en vervolgens vijf jaar bij Sasse op de Langebrug. In de almanak voor 1857 wordt hij voor het eerst als student letteren op dat adres vermeld. In 1858 en 1859 wordt hij, zonder adres, nog steeds als student letteren vermeld. Hij promoveerde pas, cum laude, op 29 mei 1863, op een Dissertatio literaria exhibens quaestiones Plutarcheas. Kok werd op 15 juli 1832 geboren in Gorinchem waar zijn vader predikant was.7 In 1878 volgde hij dr. H.J. Matthes, vader van zijn studiegenoot P.A. Matthes, op als rector van het gymnasium in Zutphen, een functie die hij tot zijn pensionering in 1897 vervulde.8 Hij overleed aldaar op 18 november 1908.9

Met de astroloog in het dertiende couplet bedoelde HaverSchmidt ‘M. Hoek, Phil. Theor. Doctorandus, Observator aan de Sterrewacht te Leiden; 2e paranymph van den Doctor gezegd “Vader”’. Martinus Hoek, Haganus, 17 jaar, werd op 7 september 1852 ingeschreven als student medicijnen. Hij woonde het eerste jaar van zijn studie in de Maarsmansteeg bij Kropfft, de volgende drie jaar bij Kraaijenstein op de Nieuwe Rijn en daarna nog een jaar bij juffrouw Labree op het Rapenburg, op hetzelfde adres dus als Henny. De studie in de medicijnen verruilde hij na twee jaar voor die in de wis- en natuurkunde. In de almanak voor 1857 wordt hij vermeld als lid van het Collegium Civitatis Academicae Lugduno-Batavae Supremum. Hij promoveerde op 30 oktober 1857 magna cum laude op De kometen van de jaren 1556, 1264 en 975, en hare vermeende identiteit. Martinus Hoek werd op 13 december 1834 te 's-Gravenhage geboren. Hij werd in 1859 benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de sterrenkunde in Utrecht, waar hij op 3 september 1873 overleed.10

Drie personen maken weer hun opwachting in het veertiende couplet. Ten eerste Karel de Kaper: ‘Charles W. Thalman Biccard, Med. Cand. te Amsterdam, van de Kaap de Goede Hoop.’ Carl Wilhelm Thalman Biccard werd als Carolus Guilelmus Talma Biccard, e Promontorio Bonae Spei, 17 jaar, op 17 augustus 1852 ingeschreven als student medicijnen. Het eerste jaar van zijn studie woonde hij bij Sparenberg op de Breestraat, daarna drie jaar bij de weduwe Najer op de Hogewoerd. In de almanak voor 1857 wordt hij zonder adres vermeld als student medicijnen, in die voor 1858 als woonachtig in Amsterdam. Hij promoveerde op 18 juni 1858 cum laude op Over tracheotomie bij croup. Thalman Biccard, wiens ouders enkele

[p. 36]

jaren voor zijn geboorte op 14 januari 1836 in Kaap de Goede Hoop11 uit Leiden waren geëmigreerd, trad op 22 september 1858 te Warnsveld in het huwelijk met Albertina Petronella Johanna Geselschap12 en keerde vervolgens terug naar zijn geboorteland, vestigde zich als arts te Kaapstad en overleed op 29 december 1885 te Rondebosch.13 Ten tweede Peter den Langen: ‘Peter A. Matthes Jur. Utr. Cand. was lang van gestalte.’ Peter Adriaan Matthes werd op 1 april 1853 ingeschreven als student rechten als Petrus Adrianus Matthes, Bommelianus, 17 jaar. Zijn eerste studiejaar woonde hij bij Schaap op de Hooglandse Kerkgracht, het tweede jaar bij Wijnstroom op de Nieuwe Rijn, en de volgende twee jaar bij Van Amerom aan de Bloemmarkt. In de almanak voor 1857 wordt hij vermeld als lid van de Commissie voor de Redactie van de Almanak, in die voor 1858 en 1859 zonder adres als student rechten. Hij promoveerde op 26 november 1858 cum laude op stellingen. In 1857 was hij aan de Koninklijke Akademie te Delft begonnen aan de opleiding voor Oost-Indisch bestuursambtenaar, waarvoor hij in 1859 het diploma behaalde.14 Peter Adriaan Matthes werd op 29 april 1836 te Zaltbommel geboren als zoon van Hendrik Justus Matthes, rector van de Latijnsche school aldaar.15 Hij maakte carrière in Nederlands-Indië en overleed te Malang op 30 september 1884.16 En ten derde de eedle van Mackum: ‘Dr. P. Hoekema Kingma, Med. te Leiden, geboren te Makkum in Friesland, was een goed tenorzanger.’ Paulus Hoekema Kingma, Makkumo-Frisius, 19 jaar, werd op 22 september 1849 ingeschreven als student medicijnen. Hij woonde bij Van Amerom, eerst aan de Boommarkt, later aan de Bloemmarkt. In de almanak voor 1854 wordt hij vermeld als thesaurier van de Commissie voor de Schermschool Arena Studiosorum, het jaar daarop als praeses van dezelfde Commissie. Op 3 november 1855 promoveerde hij magna cum laude op Eenige vergelijkend-ontleedkundige aanteekeningen over den otolicnus peli. Hoekema Kingma werd op 20 december 1829 geboren te Makkum in de gemeente Wonseradeel.17 Na zijn promotie vestigde hij zich als arts te Leiden, waar hij op 8 januari 1868 overleed.18

In het vijftiende couplet voert Haver-Schmidt twee nieuwe personages ten tonele. In de eerste regel Jan van den Bossche, een tamelijk doorzichtige vermomming van ‘Jan Bosscha, Phil. Doct., Adsistent op 't Physisch kabinet’. Johannes Bosscha, zoals zijn naam officieel luidt, werd op 4 oktober 1848 als Joannes Bosscha, Bredanus, 16 jaar, honoris causa ingeschreven als student wis- en natuurkunde. Hij woonde de laatste drie jaren van zijn studie bij Menzel op het Rapenburg. In de almanak voor 1853 wordt hij vermeld als lid van de Commissie voor de Redactie van de Almanak en als lid van het Collegium Civitatis Academicae Lugduno-Batavae Supremum, in die voor 1854 als ab-actis (secretaris) van laatstgenoemd Collegium. Hij promoveerde op 31 maart 1854 magna cum laude op een Dissertatio physica inauguralis de galvanometra differentiali. Bosscha werd op 18 november 1831 geboren te Breda, waar zijn vader hoogleraar was aan de Koninklijke Militaire Academie. In 1860 trad hij in zijn voetspoor, maar na drie jaar hield hij het voor gezien. Nadat hij enkele andere functies in het onderwijs had vervuld, werd hij in 1878 directeur van de Polytechnische school in Delft. Hij overleed op 15 april 1911 in Heemstede.19 Dorus de Mooie uit de derde regel zou zonder de toelichting van Haver-Schmidt niet gemakkelijk te identificeren zijn geweest: ‘Theodorus F. van Krieken, Jur. Stud. - vervulde, om zijn fijnbesneden gelaat, bij de Maskerade van 1855 en bij 't Cambrinusfeest damesrollen.’ Theodorus Fredericus van Krieken, Tielanus, 18 jaar, werd op 11 april 1853 ingeschreven als student rechten. Zijn eerste studiejaar woonde hij op de Breestraat bij de weduwe Bakker, daarna nam hij voor een jaar zijn intrek bij v.d. Togt aan de Bloemmarkt om de volgende drie jaren bij Garrer op het Noordeinde een kamer te betrekken. In de almanak voor 1858 wordt hij vermeld als praeses van de Commissie voor de Schouwburg. Hij promoveerde op 15 april 1859 cum laude op een Specimen juridicum inaugurale ad L. 7 § 1 D. qui potiores in pignore vel hypoth. habeantur (XX. 4). Hij volgde van 1858 tot 1861 de opleiding voor Oost-Indisch bestuursambtenaar aan de Koninklijke Akademie te Delft zonder een diploma te behalen.20 Van Krieken werd op 16 maart 1835 in Tiel waar zijn vader deurwaarder was, geboren.21 Hij bracht het tot eerste substituut griffier bij het Hooggerechtshof van Nederlands-Indië te Batavia,22 waar hij op 27 maart 1866 overleed.23

In het zestiende couplet introduceert Ha-

[p. 37]

verSchmidt weer drie nieuwe personen. Ten eerste een broederpaar, te weten Zutphens grijze lijfarts: ‘H.M. Adriaans, bijgen. Senex [grijsaard], Med. Doct. te Amsterdam’ en ‘Mr. Jan C.M. Adriaans op studie te Delft voor O.I. ambtenaar.’ Henricus Marinus Adriaans, Lugduno-Batavus, 20 jaar, werd op 21 augustus 1849 ingeschreven als student medicijnen. Op dezelfde dag werd Johannes Cornelis Matthaeus (volgens de geboorteakte luidt de spelling van de derde voornaam Mattheus24) Adriaans, Lugduno-Batavus, 21 jaar, ingeschreven als student rechten. De broers woonden tijdens hun studie bij hun vader op de Haarlemmerstraat. De oudste, J.C.M., werd op 27 augustus 1827 geboren te Leiden. Hij promoveerde op 20 maart 1854 op stellingen en volgde van 1855 tot 1858 de opleiding voor Oost-Indisch bestuursambtenaar aan de Koninklijke Akademie te Delft zonder een diploma te behalen. Dat vormde geen beletsel griffier van de landraad in Soerabaja te worden.25 Hij keerde echter terug naar Nederland en werd advocaat in Amsterdam, waar hij op 31 augustus 1868 overleed.26 De jongste, H.M., werd op 27 mei 1829 geboren te Leiden en trad door zijn studiekeuze in de voetsporen van zijn vader.27 Volgens de almanak voor 1852 was hij lid van de Commissie voor het Muzijkgezelschap Sempre Crescendo, het jaar daarop was hij thesaurier van die Commissie. Hij promoveerde op 31 oktober 1855 magna cum laude op een Specimen pathologico-anatomicum inaugurale continens descriptionem pelvis oblique-angustatae atrophica. Op 16 november 1871 is hij te Weert overleden.28 Over blonde Janje van de Rotte, alias ‘Jan L.H. Bouman, Theol. Stud. van Rotterdam’ is minder bekend. Hij werd op 11 juni 1853 als Johannes Henricus Lambertus Bouman, e pago Voorhout, 18 jaar, ingeschreven als student theologie. Hij woonde in zijn studiejaren bij Beusemaker, eerst in de Nieuwsteeg, later op de Breestraat. Gepromoveerd is hij niet. Bouman werd op 2 maart 1834 geboren te Voorhout, waar zijn vader predikant was.29 Hij overleed op 4 maart 1911 in Nijmegen.30

Voor Eligius van 't Oversticht uit couplet zeventien is de aantekening van HaverSchmidt onontbeerlijk: ‘Eelco Verwijs, Litt. Hum. Doctor; had onder den naam van Eligius van 't oversticht (hij was van Deventer), minderbroeder te Leiden, oud-Hollandsche vaerzen gemaakt in de Leidsche Studentenalmanakken voor 1855 en 1857.’ Eelco Verwijs, Daventriensis, 23 jaar, werd op 29 september 1853 ingeschreven als zesdejaars student letteren. De eerste twee jaren woonde hij bij Groen in de Nieuwstraat, in de almanak voor 1856 wordt hij in het geheel niet vermeld, in die voor 1857 wel, maar zonder adres. In de almanak voor 1855 publiceerde hij een bijdrage in quasi-Middelnederlands: ‘Hoe die duvel die menscen ten verderve leet’. In die voor 1857 deed hij dat nogmaals: ‘Van Cambrinuse den coninc van Brabant, ende hoe hi te Leiden quam’. Hij promoveerde op 22 april 1857 magna cum laude op Jacob van Maerlant's Wapene Martijn, met de vervolgen kritisch uitgegeven en toegelicht. Verwijs, zoon van een predikant, werd op 17 juli 1830 te Deventer geboren. In 1848 werd hij student aan het athenaeum in zijn geboorteplaats, twee jaar later begon hij aan een studie theologie in Groningen. Na zijn promotie werd hij eerst leraar nieuwe talen op het gymnasium in Franeker, toen archivaris-bibliothecaris van de provincie Friesland en ten slotte in 1868 mederedacteur van het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Op 28 maart 1880 overleed hij te Arnhem.31

In de eerste regel van het negentiende couplet, het eerste van het tweede gedeelte van de ballade, maken we kennis met Melchior,

illustratie

[p. 38]

de page: ‘Melchior van den Heuvell, Jur. Cand.’, Roterodamensis, 17 jaar, werd op 6 mei 1853 als student rechten ingeschreven. Hij woonde bij zijn ouders op de Breestraat. Hij werd op 24 februari 1836 te Rotterdam geboren als zoon van de uitgever en boekhandelaar P.H. van den Heuvell.32 In 1837 vestigde deze zich te Leiden.33 Melchior werd advocaat en procureur in Soerabaja, kwam voor 1880 terug naar Nederland, nam zijn intrek in een woning aan het Spui, later aan het Korte Voorhout te 's-Gravenhage,34 en overleed op 6 maart 1897 te Menton.35

De dode minstreel uit de derde regel van het twintigste couplet ten slotte is Piet Paaltjens zelf: ‘Piet Paaltjens, naar 't verhaal in den Studentenalmanak v. 1856, verdwenen 9 October 1853 op de Stud.societeit Minerva tusschen de 2 biljarten, circa half zeven 's avonds. Sinds verschenen er nog 3 malen gedichten van hem in 't licht.’ Inderdaad vindt men in de Studenten-Almanak voor het jaar 1856 op blz. 238-241 een door F.H. ondertekend ‘Voorberigt’ voor een ‘Bloemlezing uit de Dichterlijke Nalatenschap van Piet Paaltjens’ met een beschrijving van deze raadselachtige verdwijning. Voor meer licht over deze zaak verwijs ik graag naar de in 2002 te verschijnen uitgave van de Snikken en grimlachjes in de Delta-reeks.



illustratie