|
|
|
| |
| | | |
+ Eenen
Brief van
Clement Henricksz, die hy wt de geuanckenisse ghesonden
heeft tot Amsterdam, ende is daer na ter seluer stede aen eenen
staeck geworcht ende gebrant, int iaer 1569. den 17. Decembris
1).
ICk wensche v mijn lieue ende beminde in den Gheest ende na der
waerheyt (als ick dat verhope) ende in een kennisse des ge- | | | | loofs,
ende in een gesintheyt Christi Jesu, ende een claere ghesicht, ende een open
herte in allen Godlijcken saken, ende in Godts woort, om daer mede een rechte
onderscheyt te maken, ende af te meten, twelcke tlicht ofte duysternisse,
luegen oft die waerheyt, ia vleysch oft geest is, op dat ghy moecht onbedrogen
blijuen, ende vast by Gods woort,
* opdat ghy
vollen loon moecht ontfangen.
Voort mijn lieue ende seer beminde, so en can icket niet wel gelaten
om v. l. een weynich te schrijuen, hoe dattet met my noch al staet in mijne
banden, ende hoe dattet gemoet noch alle staet om den Heere te vreesen wt
gantscher herten, ende wt gantscher crachten, ende wt gantscher sielen, daer
voor ic den almachtigen grooten ende alwijsen God
† nemmermeer
ten vollen gedancken ende gheprijsen en can, voor zijn onwtspreeckelijcke, iae
onbegrijpelijcke genade, die hy my door Jesum Christum met hantreyckinghe tot
hier toe //
+ bewesen
heeft, ende noch dagelijcx bewijsende is, hier voor dancke ick den almachtighen
God, ende buyge mijn knyen des herten voor den Vader vol van genaden ende der
waerheyt, die de rechte Vader vol van genaden,
‡ ende een God
van allen troost is, die ons can troosten, als wy in druck ende benautheyt
zijn. Daerom mijn lieue ende getrouwe,
* desen goeden
schat bewaert die wel, die v toebetrout is, ende van God wt ghenaden is
geschoncken,
† want het
ghelooue dat is een gaue van God,
‡ ende daer door hebben die
Ouderen een goet getuychenisse ende versekeringe in haerder herten vercregen,
door dat oude woort des gheests Christi, die te voren met haren geest getuycht
hadde, dat sy Gods kinderen waren, ende oock erfgenamen van alle die heerlijcke
beloften, daerom so hebben zijt ooc alle willichlijck versaect,
* ende hebbent
nochtans voor veel meer ende grooter rijckdommen geacht, met die kinderen Gods
ongemack te lijden, dan alle die tijtlijcke genoechte deser werelt, want sy
sagen op die belooninghe, ende op het gene dat eewich ende niet tijttelijc en
was, want het gelooue schict hem na het gene dat nv hier niet en schijnt, noch
met vleyschelijcke oogen hier nv niet ghesien en wort, welcke den
1) inwendigen verborgen mensche ende oogen des | | | | herten sien, ende houden dat daerom also vaste, als oft zijt voor
oogen sagen, ende metter hant consten grijpen, want sy achten ende houden hem
getrouwe diet beloeft heeft, dat hijt ooc doen sal,
† want hy en
can hem seluen niet versaecken. Daerom mijn lieue ende getrouwe, en wilt niet
sien op het gene dat sienlijck is, want het ghene dat sienlijck is, dat is
verganckelijck, maer dat onsienlijck is, dat is eewich. Ende Christus seyt: //
+
‡
Soo wie yet lieuers heeft dan my, die en is mijns niet weerdich. Ende noch so
seyt Christus op een ander plaets:
* Soo wie
dat achter laet huys, hof, landt, sandt, Vader, Moeder, iae oock zijn eyghen
leuen, die sal dat hondertfout weder ontfanghen, Daeromme so moeten wy hier nv
oock alles versaken, ende hebben niet lieuers dan den leuendighen Godt, ende
dat dan met de wercken ende metter daet te bewijsen, dat wy Gods kinderen zijn,
ende geen bastaerden,
† Die
gherechtighe moeten door veel lijdens int Rijck der Hemelen ghaen, maer die
Heere helptse in alle haer lijden,
‡ hy en laet
de zijne niet in becoringhe bouen haer vermoghen, ende neffens die becoringhe
soo heeft hy een wtghanck ghestelt,
* maer die
Godtloosen hout hy om te pijnighen inden dach des ordeels.
Daeromme mijn lieue ende seer beminde, ghedenckt aan Joseph,
† die vanden
Egiptischen wijue ghetenteert worde, om hoerderie met haer te bedrijuen, ende
sy hadde hem gheuat by zijnen rock ofte mantel, ende sy en wilde hem niet laten
gaen, ende hy is haer ontloopen, ende heeft haer den rock oft mantel laten
houden, lieuer als dat hy hoerderie met haer soude willen bedrijuen.
Daeromme mijn lieue ende seer beminde, als wy van die hoere van
Babel
1) by onsen rock ofte mantel gheuat zijn, soo laet door des
Heeren ghenade lieuer v aertsche rock ghaen, als dat ghy hoerderie met haer
sout moeten bedrijuen, te weten, v aertsche leuen, wel wetende,
‡ dat onsen
sterffelijcken rock moet eerst wt ghetrocken wesen, al eer den onsterffelijcken
mach aengedaen worden.
* Ende ist dat
onse aertsche Huys deser wooninghe vergaet, en soo wy dan een //
+
Timmeringhe hebben in den Hemel, een Huys niet met handen ghemaect, maer dat
eewich is.
Voort mijn lieue ende seer beminde, soo hebbe ick noch een weynich
voor my ghenomen, om v. l. noch een weynich te schrijuen van die woorden
Christi, dat hy seyt:
† Bemint ghy
my, so hout mijn gebodt, ende ick sal den Vader voor v bidden, dat hy v een
ander
* vertrooster geuen sal, den
Geest der waerheyt, den welcken de werelt niet ontfanghen en can. Het is noch
een cleyne tijt, soo en sal my de werelt niet meer sien, maer ghy sult my | | | | sien, maer ghy kent my, seyt de Heere. Noch soo waerschout ons
Christus op een ander plaets, daer seyt hy also: ‡ Wacht v voor
die valsche Propheten, die tot v comen in Schaeps cleederen, maer inwendich so
zijn het grijpende Woluen, aen haer vruchten so sult ghyse kennen: Machmen ooc
druyuen vergaderen van de doornen, ofte vijgen van de dijstelen. Eenen goeden
boom die brengt goede vruchten voort, ende eenen quaden boom die brengt quade
vruchten voort, ende een yeghelijck boom die geen goede vruchten voort en
brengt, die sal afgehouwen ende int vyer geworpen worden. Hier mede so segge
ick v Adieu, tot in die wedercoemste toe, met dat onbedriechelijcke woort
zijnder genaden. Des Heeren vrede sy met v, van eewicheyt tot in der eewicheyt
toe, Amen. Hout my dit weynich schrijuen ten besten.
By my
Clement Henricksz. onweerdich gheuangen inden Heere, In
mijne banden wt liefden geschreuen. //
§
+ Een
Liedeken van
Clement Henricksz, Na de wyse: Te Munster staet een
steynen huys.
SO
* wie op den Steen Christum bout
Diens timmering mach blijuen
Dus wie ghy zijt, v daer aen hout
Een Jongelinck tot Amsterdam
Wert int geuanck gesmeten
Daer hem seer veel strijts ouerquam
Van die valsche Propheten.
† Dat tweesnijdende sweert Gods woort
Nam hy tot zijn verstercken
God gaf hem sterckheyt en confoort
1)
Tegen des Duyuels wercken.
| | | |
Siet wanneer alsmen hem ontboot
Morgen so sult ghy steruen
Sachmen hem vruecht verweruen
Verblijdende seer totten doot
Dat hy de
‡ Croon soud eruen.
Ick had (sprac hy) noyt blijder huer
De tijt van al mijn leuen
Dan God my nv heeft gegeuen
So stercket God de creatuer
Van zijnen Geest gedreuen.
De Schout die heeft ter laetster stont
Quam voort met zijnen losen vont
Doende het woort voor allen.
Aelbert Marcus
1) van cloeck beuroen
Hadden met Clement veel te doen //
+ Maer
sy mochten niet winnen.
Dus wachten sy opt Clocken geclanck
2)
Die den Raet mochten louen
Als sy niet hoorden spraeck oft sanck
Van Clement so verschouen
3).
Met tclocken geclanck quam hy wt
Maer weynich bescheyts gaft geluyt
Door tgewelt dat sy deden.
Tyrannich dreuen sy hem an
Dat velen heeft verdroten
So deerlijck is den Christen man
Ras aen den pael gesloten.
| | | |
Die Diefhencker nijdich en fel
Nam hem haestich het spreecken
Met worgen ende breecken
1)
Hem docht hy hadt gemaect seer wel
Dat Clements sanck bleef steecken.
Men hoorde een geluyt aldaer
Onder dat volck vermeeren
Hy is in de rust des Heeren
Dit geroep was onder de schaer
Wie sou sulcx mogen keeren?
Dus is Gods vrient in God ten ent
Aen den staecke
*
ontslapen
En hebben niet meer aen Clement
Sy mogen wel staen gapen.
Broeders ten sal ons baten niet
Een Christen naem te dragen
In banden, lijden en verdriet
Dat sal God wel behaghen.
finis. //
|
1)Een der slachtoffers van de spaanschgezinde
reactie te Amsterdam na 't jaar 1566 en na de komst van
Alva. Zie over hem
Ter Gouw,
Geschiedenis van Amsterdam, VI, bl. 280 en de
daar aangehaalde plaatsen en stukken. - Behalve dezen brief hebben de
verzamelaars van het Groot Offerboek van 1615 nog vier andere brieven van
Clement Hendriks in handen gekregen en afgedrukt: ook
Van Braght nam alle vijf op. Volgens de amsterdamsche sententie- en
justitieboeken is Clement te gelijk met
Quirijn Jansz., een varensgezel uit
Haarlem (die evenals Clement den doop nog niet had ontvangen maar
betuigde hartelijk daarnaar te verlangen, en die insgelijks evenmin nog
‘'t Breecken des broots ontfangen’ had), en
Willem Jansz. uit Waterland 12 Maart 1569
wegens hunne deelneming aan menniste vergaderingen en hardnekkige ketterij
veroordeeld om geëxecuteerd te worden met den viere. Dit vonnis is toen
ook aan de beide laatsten en aan nog een ander - ‘onse andere drie
broeders sijnder al doorgestreden’, schrijft Clement aan
Grietje Dirks, Van Braght, bl. 496 b, -
voltrokken. De executie van Clement daarentegen is telkens uitgesteld totdat
ook hij 10 December 1569 op den brandstapel stierf. Zie over dat uitstel
J. Koning,
Geschiedkundige aanteekeningen betr. de lijfstraffelijke
regtsoefening te Amsterdam, 1828, bl. 21-21, en
Dr. Hoog,
De Martelaren der Hervorming, bl. 175,
176. Clement is, hoewel amsterdamsch poorter, eenmaal zwaar gefolterd,
'tgeen hij zelf in een zijner brieven omstandig beschrijft; dat het niet nog
een tweede maal gedaan werd, had hij aan de tusschenkomst van den bekenden
Joost Buyck te danken, zie zijn brief bij Van Braght,
bl. 500 b. Ook de burgemeester
Albert Dircks Marcus, die, roomschgezind, bij de
genoemde reactie weêr op 't kussen was geraakt, wendde volgens fol. 278
v o met anderen alle moeite aan om Clement tot afval te bewegen.
‘chepenen, ghehoort het rapport van eenighe gheestelijcke Heeren, ende
den voorz. Clement, selfs in judicio ghehoort hebbende, verhoepen mitten hulpe
Goods, dat hij bij acces van goede heeren tot onsse oude catholijcke religie
bekeert soude moeghen worden, ende zijn zyele ghewonnen’: Confessieboek
der stad Amsterdam, fol. 169 v o, Koning, t. a. p., bl. 22. Al die
bemoeiingen alsmede het herhaalde uitstel van de executie maken het vermoeden
waarschijnlijk van
Ter Gouw, t. a. p., dat
Clement een jonkman van deftigen huize was, al pleit
de omstandigheid dat hij in den kerker twee brieven aan zijne ouders schreef
niet voor diens meening, dat deze te dier tijd om het geloof voortvluchtig
zullen zijn geweest. Iets karakteristieks heeft deze brief van Clement
niet; evenmin de vier andere. Ook bij hem komt het op de verzoeking vlieden,
het kruis dragen, rechtschapen handelen aan, fol. 277
v o.
1)‘Hetwelk de inwendige
enz.’
‡Mat.10.d.37. Luc.14.c.26.
1)Zie aanteekening 1 op fol. 260
r o.
†Eph.6.b.17. Heb.4.b.12.
Apo.1.b.16.
1)Comfort; versterking, bijstand,
troost.
‡4.Esd.2.e.43. 2.Ti.4.a.8.
Apo.2.b.10.
1)Over
Albert Dircks Marcus, den amsterdamschen
burgemeester, zie
Ter Gouw,
Geschiedenis van Amsterdam, VI, bl. 120,
121, en aanteekening 1 op fol. 276 v o.
2)Het klokgelui moest beletten, dat het
volk kon hooren (verdoven, doof maken voor) wat Clemens, die aldus verhinderd
werd zich te doen gelden (werd verschoven, in den hoek geduwd), sprak of zong;
op deze wijze benam men der menigte de aanleiding om het gedrag van den raad af
te keuren, kon zij allicht dit gaan prijzen.
3)Die zoo verstooten, in versmaadheid
was.
1)Den nek breken, een gevolg van 't
hangen en worgen.
|
|