Ons Erfdeel. Jaargang 7


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 7. Jozef Deleu, Rekkem 1963-1964


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 42]

De hedendaagse muziek in Nederland
door Wouter Paap
Utrecht

Er bestaat in Nederland een zeer intensief muziekleven. Er is bijvoorbeeld geen ander land ter wereld, waar op zulk een klein oppervlak zo veel symfonieorkesten worden aangetroffen. Met de radio-orkesten medegerekend zijn dit er een 15-tal. Er zijn zeer beroemde onder, zoals het Amsterdamse Concertgebouworkest, welke hun koncertreizen tot Amerika hebben uitgestrekt. Wereldbekendheid genieten ook het Nederlands Kamerorkest en het Nederlands Kamerkoor, welke ensembles op vrijwel alle internationale festivals worden aangetroffen. Bovendien speelt het serieuze amateurisme een belangrijke rol. Wij denken aan de bijna honderd amateur-symfonieorkesten, harmoniegezelschappen, enz. Intussen moet de muzikaliteit van een volk toch in de eerste plaats beoordeeld worden op grond van zijn scheppende kunstenaars. Op dit gebied mogen de Lage Landen op een roemrijk verleden bogen. Men denke aan het tijdperk van de 15e en 16e eeuw, de zogenaamde Nederlandse of Bourgondische Scholen. Voor het Koninkrijk der Nederlanden moet de trots hierop weliswaar getemperd worden door het feit, dat het merendeel der polyfone meesters afkomstig was uit Vlaanderen, Henegouwen en Noord-Frankrijk, doch deze vormden één kultuurgebied met de noordelijker Nederlanden, waaruit meesters afkomstig waren als Jacob Obrecht, Clemens non Papa en Jan Tollius. Nederlands belangrijkste komponist uit het verleden was Jan Pieterz. Sweelinck, wiens invloed reikte tot J.S. Bach. Na Sweelincks dood in 1621 heeft het wonderlijk genoeg drie eeuwen geduurd, alvorens in Nederland weer een scheppende toonkunst van werkelijke betekenis ontstond. Heeft muzikaal Nederland gedurende deze drie eeuwen dan geslapen? Zeker niet, want er werd veel gezongen en gemusiceerd (de vele muziektaferelen op de schilderijen uit de Gouden Eeuw geven dit duidelijk te kennen) en al waren er wel degelijk komponisten (wij noemen Antonie van Noordt, Servaes de Koninck, Gerard Havinga, Pieter Hellendaal en Willem de Fesch), deze hebben tot de ontwikkeling der Europese toonkunst

[p. 43]



illustratie

JOHAN WAGENAAR




illustratie
BERTUS VAN LIER
(foto Hans De Leeuw Baarn - Nederl.)


[p. 44]

toch niet noemenswaardig bijgedragen. In de 19e eeuw begon de scheppende toonkunst te ontwaken. De in 1829 opgerichte Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst (welke nog bestaat) heeft hiertoe een stimulans gegeven. Johannes Verhulst, vriend van Schumann, was een der eersten, die ging meetellen in de Europese komponistenwereld. Een typisch-nationale muziek werd in het leven geroepen door figuren als Richard Hol (1825-1904) en Bernard Zweers (1854-1924). Zweers schreef de symfonie ‘Aan mijn Vaderland’, welke een uitgesproken Nederlands karakter droeg. Omstreeks 1880 maakte Nederland een sterke kulturele opleving door, zowel op het gebied van de literatuur (de zg. ‘Tachtigers’ als Kloos, Van Deyssel en Gorter), van de schilderkunst (Vincent van Gogh, Toorop, Breitner), als op dat der muziek. Alphons Diepenbrock en Johan Wagenaar, beiden in 1862 geboren, hebben een nieuw tijdperk in de Nederlandse toonkunst ingeluid. Twee zeer verschillende figuren, die elkander op gelukkige wijze aanvulden. Diepenbrock, doktor in de klassieke letteren, was een man van grote eruditie. Zijn literaire begaafdheid was even groot als zijn muzikale. Hij heeft een groot aantal prachtige liederen gekomponeerd, zowel met piano als met orkest. Tot deze laatste kategorie van het ‘symfonische lied’ behoren zijn beide ‘Hymnen an die Nacht’ op teksten van Novalis. Als liedkomponist slaagde Diepenbrock er op zeer persoonlijke wijze in om (zoals hij het zelf uitdrukte) met het geestelijk oor de achter de woorden verscholen melodie op te sporen. Ook schreef hij suggestieve toneelmuziek, onder meer bij ‘Elektra’ van Sofokles. Johan Wagenaar was minder literair ingesteld. Hij was een typische ‘muzikant’, die over veel humor beschikte (hij schreef een aantal komische opera's) en wiens schitterend geïnstrumenteerde orkestwerken, onder meer de sprankelende Ouverture ‘Cyrano de Bergerac’ tot ver over de grenzen bekend werd. Door zijn groot vakmanschap was Johan Wagenaar in staat, een eigen komponistenschool te stichten. Hiertoe behoorden Peter van Anrooy (1879-1954), wiens ‘Piet Hein-Rhapsodie’ nog vrijwel bij ieder nationaal feest ten gehore wordt gebracht, Alexander Voormolen (geb. 1895), die verscheidene van zijn werken inspireerde op het Hollandse leven uit de 18e eeuw (o.m. zijn suite ‘Baron Hop’) en Willem Pijper (1894-1937), die zich reeds spoedig ontpopte als een overtuigd modernist.

 

Willem Pijper, een man van grote intelligentie en een scherp kritikus met een vaardige pen (zijn markante opstellen over muziek zijn verzameld in twee bundels: de Quintencirkel en De Stemvork), had een zeer levendig aandeel in de vernieuwingen, welke zich omstreeks 1920 in de Europese toonkunst voltrokken. Hij huldigde de kiem-cel-theorie, welke hieruit bestond, dat zich uit een klein gegeven (soms slechts enkele tonen) een heel muziekstuk ontwikkelde. Tot zijn belangrijkste komposities behoren het Pianokoncert en de Derde Symfonie, welke laatste werk vooral door de beroemde dirigent Pierre Monteux overal ter wereld werd gepropageerd. In die tijd zeer vooruitstrevende komponisten waren ook Daniël Ruyneman (geb. 1886), Matthijs Vermeulen (geb. 1888) en Sem Dresden (1881-1957). Merkwaardig genoeg waren deze drie komponisten vrijwel autodidakt. Ruyneman schreef reeds in 1920 zijn ‘Hiëroglyphen’ in de ongebruikelijke bezetting voor drie fluiten, celesta, harp, piano, mandolines,

[p. 45]



illustratie

TON DE LEEUW
(foto Harry Van Steenis Amsterdam)




illustratie
MATTHIJS VERMEULEN
(foto Hans de Leeuw Baarn - Nederl.)


[p. 46]

gitaren en klokken, een stuk dat als klank-eksperiment zijn tijd vér vooruit was. Matthijs Vermeulen was een zeer revolutionnaire figuur, die een polymelodische stijl schiep, en wiens muziek van een diep temperament getuigt. Zijn werk, dat onder meer zes symfonieën telt, heeft zeer lang op erkenning moeten wachten. Sem Dresden was een zeer fijnzinnig komponist, die vooral op latere leeftijd een grote produktiviteit ontwikkelde. Zijn ‘Dansflitsen’ voor orkest treft men nog wel op de programma's aan, doch hij dreigt helaas vergeten te worden.

 

Hendrik Andriessen (geb. 1892) is de grote vernieuwer van de Nederlandse katolieke kerkmuziek. Zijn missen en lofstukken deden een geheel nieuw, sober, doch diep geïnspireerd geluid doorbreken in de liturgische muziek. Deze stijl heeft H. Andriessen ook op enige van zijn meest begaafde leerlingen overgedragen: Jan Mul (geb. 1911), Herman Strategier (geb. 1912) en Albert de Klerk (geb. 1917). H. Andriessen, die een groot orgel-improvisator is (hij was lange tijd organist van de Utrechtse Katedraal) heeft de Nederlandse orgelliteratuur verrijkt met een aantal opmerkelijke komposities, waarin de orgelstijl van César Franck tot deze tijd wordt doorgetrokken. Ook op andere gebieden: het lied, de kamer- en orkestmuziek, heeft H. Andriessen zich doen kennen als een zeer persoonlijk komponist met een eigen, onmiddellijk herkenbare stijl, welke iets meditatiefs, maar ook iets extatisch heeft, en hier en daar aan Diepenbrock doet denken, van wiens muziek hij een vurig bewonderaar is.

 

Tot dezelfde generatie behoort Oscar van Hemel, Antwerpenaar van geboorte (geb. 1892), doch reeds vroeg naar Nederland gekomen. Hij trad eerst op gevorderde leeftijd als komponist naar voren. De gevoelstoon van zijn muziek verraadt veelal de Vlaming, hij weet een speelse inslag met een lyrische inspiratie te verbinden, hetgeen aan zijn muziek een grote aantrekkelijkheid verleent. Oscar van Hemel heeft een uitgebreid oeuvre op zijn naam staan, waarin allerlei genres vertegenwoordigd zijn. Marius Monnikendan (geb. 1895), leerling van Vincent d'Indy, gevoelt zich vooral tot het monumentale in de toonkunst aangetrokken, getuige indrukwekkende werken als zijn ‘Te Deum’, de ‘Zeven Boetpsalmen’ en het oratorium ‘Noé ou La Destruction du Monde’.

 

Willem Pijper heeft een groot aantal jonge komponisten gevormd: Guillaume Landré (geb. 1905), wiens orkestwerken vooral (vier symfonieën, Mouvements Symphoniques, Anagrammen e.a.) internationale belangstelling getrokken hebben, Bertus van Lier (geb. 1906), wiens ‘Hooglied’ voor solisten, koor en orkest een moderne poëtiek bevat, Henk Badings (geb. 1907), die wel de meest produktieve Nederlandse komponist genoemd mag worden, want er is geen instrument of ensemble, of hij heeft ervoor geschreven, tot elektronische middelen toe, Rudolf Escher (geb. 1912), wiens orkestwerken voor grote bezetting: ‘Musique pour l'esprit en deuil’ en ‘Hymne du Grand Meaulnes’, een eigen, poly-melodische stijl verraden, en Hans Henkemans (geb. 1913), een internationaal bekend pianist, die zich als komponist vooral tot het solokoncert aangetrokken voelt. Hij schreef koncerten voor piano, voor viool, voor

[p. 47]



illustratie

MARIUS FLOTHUIS
(foto Hans de Leeuw Baarn - Nederl.)




illustratie
JAN VAN VLIJMEN
(foto Harry Van Steenis Amsterdam)


[p. 48]

altviool, voor fluit en voor harp. De reeds genoemde komponisten Jan Mul en Herman Strategier hebben zich ook buiten het domein van de kerk- en orgelmuziek bewogen. Mul komponeerde liederen, een Symfoniëtta, ballet- en filmmuziek (o.m. bij de speelfilm ‘Fanfare’ van Bert Haanstra). Strategier komponeerde verscheidene oratoria (o.m. ‘Koning Swentobold’ en ‘Henric van Veldeke’) en een ‘Arnhemse Psalm’ voor koor en orkest, waarin, op een gedicht van Jan Engelman, een beeld gegeven wordt van de strijd om Arnhem gedurende de tweede wereldoorlog. Léon Orthel (geb. 1905) schreef een zestal symfonieën, waarvan vooral de ‘Piccolo Sinfonia’ bekendheid verwierf. Géza Frid, Hongaar van geboorte (geb. 1904) heeft als leerling van Kodaly en Bartók in zijn muziek altijd een Hongaarse inslag behouden, al past zijn levendige muziek volledig in het Nederlandse patroon. Marius Flothuis (geb. 1911) heeft zich lange tijd tot kleine bezettingen aangetrokken gevoeld, doch zijn eerste grote orkestwerk: ‘Symfonische Muziek’, geschreven voor het Concertgebouworkest, waarvan hij de artistieke leider is, was een schot in de roos. Lex van Delden (geb. 1919) maakte veel indruk met zijn orkestwerk ‘In Memoriam’, gekomponeerd onder de indruk van de stormramp welke de Nederlandse kust in 1953 teisterde.

 

Het is ondoenlijk, in kort bestek alle Nederlandse komponisten aan de orde te stellen. De Nederlandse scheppende toonkunst toont een grote verscheidenheid. Merkwaardig genoeg heeft men zich lange tijd afzijdig gehouden van de dodecafonische schrijfwijze, waarvan Kees van Baaren (geb. 1906) een der eerste vertegenwoordigers werd. Zijn ‘Variazioni per orchestra’ vormen het eerste streng-seriële, in deze stijl volledig geslaagde Nederlandse werk. Sedert ongeveer 1950 zijn meerdere experimentele-serië komposities in Nederland tot stand gekomen, onder meer van de leerlingen van Kees van Baaren: Jan Wisse (geb. 1921), Peter Schat (geb. 1935) en Jan van Vlijmen (geb. 1936). Ook Ton de Leeuw (geb. 1926) is met zijn Strijkkwartet de seriële richting ingeslagen. In zijn muziek valt de laatste tijd een sterke invloed op te merken van de muziek van het Oosten, vooral nadat hij een studiereis door India gemaakt had. Hiervan getuigt zijn orkestwerk ‘Ombres’. Terwijl enerzijds het ‘experimentele’ in de muziek der jongeren sterk naar voren treedt, zijn er ook talenten, die zich op een meer traditioneel standpunt stellen, bijvoorbeeld Jaap Geraedts (geb. 1924), Jurriaan Andriessen (geb. 1925), Hans Kox (geb. 1936) en Otto Ketting (geb. 1935).

 

Van overheidszijde wordt aan de stimulering der scheppende toonkunst veel aandacht besteed, niet alleen door het verstrekken van opdrachten, maar ook door de subsidiëring van instellingen als de Stichting ‘Donemus’, welke zich bezighoudt met het uitgeven en propageren van Nederlandse werken en de Stichting ‘Gaudeamus’, welke door het organiseren van muziekweken en persoonlijke ontmoetingen vooral de jongere komponisten ten dienste staat. De Nederlandse komponist verkeert zodoende in een aanzienlijk gunstiger omstandigheid, dan in vroeger jaren het geval was.