|
|
|
| |
| | | |
het nederlandse beeldverhaal(1)
drs. j. storm van leeuwen
Geboren in 1943 te Leiderdorp. Studeerde kunstgeschiedenis en is momenteel als wetenschappelijk ambtenaar t.b.v. de kunstgeschiedenis verbonden aan de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage. Hij beheert er o.m. de kollektie beeldverhaal.
Adres: Prinses Irenelaan 10, Voorschoten.

Toen Henk Backer in 1921 de dagstrip Yoebje en Achmed in Het Rotterdamsch Nieuwsblad publiceerde kon hij nauwelijks vermoeden dat hij een kleine vijftig jaar later temidden van leden van het Stripschap(2) zou worden gehuldigd als de vader van het Nederlandse beeldverhaal. Pas in 1921 liep het eerste oorspronkelijke Nederlandse beeldverhaal van stapel! En dit terwijl in de Verenigde Staten al sedert de eeuwwisseling grote gedeelten van de zondagsbijlagen van kranten met ‘comic strips’ gevuld waren, waaruit vele figuren welhaast nationale populariteit genoten.
Ook al vóór de eeuwwisseling ontstonden er beeldverhalen, o.a. in de eerste helft der negentiende eeuw, waarin de bekende schrijver/illustrator Rodolphe Töpffer diverse beeldverhalen maakte, zoals zijn nog steeds vermaarde Monsieur Cryptogame, in het Nederlands Mijnheer Prikkebeen. Later in de eeuw was er de Duitse tekenaar-schrijver Wilhelm Busch, die o.a. zijn twee guiten Max Und Moritz wonderlijke avonturen liet beleven.
De termen ‘strip’ (‘stripverhaal’) en ‘beeldverhaal’, die al snel vallen, wanneer men spreekt over overmatig geïllustreerde kinderverhalen, moeten nu eigenlijk nader worden gedefinieerd. Het woord ‘beeldverhaal’ spreekt eigenlijk voor zichzelf: het bevat de woorden ‘beeld’ en ‘verhaal’. Het eerste suggereert plaatjes, het tweede tekst. Bovendien kan men al uit de kombinatie van beide afleiden dat het niet gaat om geïllustreerde verhalen, maar om verhalen waarbij de plaatjes, evenals de tekst, in een lopende volgorde worden gepresenteerd, zodanig dat de plaatjes alleen al in grote trekken het verhaal weergeven. Diverse fasen van één aktie kunnen zo in diverse plaatjes tot
| | | | uitdrukking worden gebracht. Het woord ‘strip’ komt van het Amerikaanse ‘comic strip’ (ook wel ‘Comic’) en is dus een anglicisme. De woorden ‘strip’ en ‘comic strip’ zijn onduidelijke woorden, daar de plaatjes - zeker tegenwoordig - niet steeds in stroken worden geplaatst. Evenmin is het onderwerp altijd van een luchtig karakter. Beide woorden ‘beeldverhaal’ en ‘strip’ zullen hier evenwel als synoniem gebruikt worden(3).
Het beeldverhaal komt in alle mogelijke vormen voor, vanaf verhalen (verhaaltjes), die uitsluitend uit beelden bestaan tot reeksen plaatjes die begeleid worden door een indrukwekkende hoeveelheid tekst. De tekst kan als ondertekst onder de plaatjes optreden, maar ook als tekst in de plaatjes. In het laatste geval ziet men vaak de tekstblazen of ‘ballons’ optreden, waarnaar deze strips ‘ballonstrips’ genoemd worden (afb. 1). Het zal blijken dat deze verschillende mogelijkheden verschillende instellingen van tekenaar en tekstschrijver vergen. De verhalen kunnen lang zijn of kort, soms erg kort, zó kort zelfs dat er eigenlijk meer sprake is van een grapje. Dit laatste soort strip, ballonstrip, noemt men ‘gagstrip’ (gag: mop, grap). Beeldverhalen komen in alle mogelijke gedrukte vormen op de markt. Het meest treft men ze echter aan als feuilleton in kranten en weekbladen, waarin menige strip lang voor de uiteindelijke publikatie in ‘boekvorm’ - in vele gevallen kan men beter spreken van ‘schriftvorm’ - verscheen.
Het feuilleton-karakter van die strips die in de kranten, week- en maandbladen worden gepubliceerd, brengt geheel eigen problemen met zich mee, ‘Want een strip is een verhaalvorm, die op ritme berust. ledere dag is een hoofdstukje, dat gevormd wordt door een kleine aanloop, een beschouwende middenmoot en een als spannend bedoelde climax aan het einde. Die climax dient om belangstelling voor de volgende dag te wekken - en dat houdt dus in dat men onmiddellijk voort moet om de volgende aflevering vorm te gaan geven. Verpozing is er niet bij. Zijn de tekeningen vandaag wat slap? Gooi dan wat extra in de tekst. Nadert het verhaal een zwak gedeelte? Zorg dan dat de plaatjes verwachting wekken.’(4)
Strips die in kranten verschijnen - en wie kent dit vertrouwde beeld niet? - bestonden tot voor kort bijna uitsluitend, en nu nog grotendeels, uit een opeenvolging van drie tot vier plaatjes met ondertekst. Sommige stripmakers plaatsen telkens twee strips tegelijk in de krant, die, wanneer het ballonstrips betreft, boven elkaar geplaatst kunnen worden. Dit geeft weer de mogelijkheid om bijv. één van de plaatjes vertikaal over beide stroken te laten lopen(5).
De afzonderlijke afleveringen worden gewoonlijk genummerd, veelal per verhaal. In de loop van een zestig (strip met ondertekst) tot tweehonderd (ballonstrip) afleveringen of stroken komt een verhaal tot ontwikkeling en loopt weer af.
Geheel anders is het gesteld met de beeldverhalen in tijdschriften en zondagsbladen van kranten. Hier blijken de ballonstrips verreweg in de meerderheid te zijn; één aflevering van een strip beslaat vaak een gehele pagina of zelfs meerdere. Dit laatste ziet men vooral bij striptijdschriften, zoals Donald Duck, Pep, Sjors, Kuifje, Robbedoes. Hier is het allerminst noodzakelijk om de plaatjes in stroken te plaatsen en veel tekenaars maken er dan ook dankbaar gebruik van om de makkelijk met de ogen te volgen stroken plaat- | | | | jes af te wisselen door plaatjes van ander formaat, groter, kleiner, rond of driehoekig, waardoor de artistieke vrijheid groter wordt. Fraaie voorbeelden hiervan vindt men tegenwoordig in de futuristische Franse strips, zoals Saga de Xam van Nicolas Devil en ook in de Nederlandse Iris van Khing en Hartog van Banda en Komkommertje van Julsing (afb. 1).

1.
Wisselende formaten van de plaatjes en het doorbreken van het kader in Fred Julsings Komkommertje.
In de tijdschriften verschijnen de verhalen in veel minder afleveringen dan in de dagelijks verschijnende kranten. De oorzaak hiervan moet men zoeken in het feit dat een verhaal toch binnen niet al te lange tijd geheel gepresenteerd moet worden.
Wanneer men als twee uitersten een dagstrip met veel ondertekst vergelijkt met een wekelijks verschijnende ballonstrip, dan blijkt dat het in de ballonstrip vooral de handelingen zijn die op de voorgrond treden. Belangrijke handelingen kunnen over meerdere plaatjes uitgesponnen worden en visuele grapjes verbreken een aantal malen de spanning van het verhaal(6). Daarentegen worden in de strip met ondertekst meer gedachten uitgesponnen, er wordt sfeer opgeroepen, waarbij de tekst over het algemeen aan waarde wint.
Het is opvallend dat juist in onze tijd, met zijn grote behoefte aan aktie, de strip met ondertekst in Nederland steeds meer het veld moet ruimen (vooral door de invloed van de Belgische strips) voor de ballonstrip, terwijl ook eindelijk een Nederlandse gagstrip zijn plaats in onze kranten gaat innemen(7).
Een ander verschil tussen de krantendagstrip en de wekelijks-verschijnende ballonstrip is dat de laatste veelal gekleurd gedrukt wordt, daarbij nog eens te meer de kracht van het beeld benadrukkend, en de eerste eigenlijk nooit. Deze kleuren kunnen de tekenaar geheel nieuwe mogelijkheden verschaffen bij het uitbeelden van handelingen(8). Daartegenover staat dat de ballons afbreuk kunnen doen aan het effekt van het plaatje; slechts weinig tekenaars kunnen de ballon als positief estetisch middel gebruiken (afb. 2). Het gebruik van beelden in de tekstblaas kan een ekstra charme geven (afb. 3). Bijzonder funktioneel is de ballon in Toonders Tom Poes en de Waggelgedachten, waar- | | | |

2.
Ekspressief gebruik van de ballontekst in Toonders Olivier B. Bommel (Hp-magazine).
in een ‘gedachtenknol’ de beelden die de figuren in hun gedachten zien kan konkretiseren door de wolk eromheen eraf te trekken (9). De tekst in de ballon kan in
3.
Beelden in de tekstblaas in de strip van Theo van den Boogaard in het album bij de tentoonstelling Wordt Vervolgd.
verschillende lettertypes gezet zijn, wat een indikatie kan zijn van het spreken van verschillende talen of verschillende gemoedstoestanden enz. (afb. 2).
Waarom zijn tot voor kort de strips met ondertekst in Nederland zo buitengewoon populair geweest, zó zelfs dat er voor de oorlog weinig tot geen originele Nederlandse ballonstrips in de kranten verschenen? Omdat de Nederlander zo graag oerserieus is, waarbij een breedsprakerige uitleg van het gebeuren en het filosoferen erover vooral in een ondertekst goed tot uitdrukking komt? Of is het omdat het Nederlands beeldverhaal van meet af aan gestoeld is geweest op andere beeldverhalen met ondertekst, als die van Busch en Töpffer?
Een aantal faktoren kan hebben samengespeeld: natuurlijk is de Nederlander erg serieus en moraliseert hij graag. Dit blijkt onder andere uit de waarschuwing die de minister van onderwijs in 1948 liet uitgaan naar ouders en opvoeders om hun kinderen de beeldromans te onthouden, omdat ze zijn ‘over het algemeen van sensationeel karakter zonder enige andere waarde’(10). Ook leest men wel in de kranten uit die tijd de verzuchting dat beeldverhalen bij de kinderen leesluiheid zouden bevorderen.
Dat hier een nadrukkelijk verband wordt gelegd tussen de strip en het kind is niet toevallig. Vóór de tweede wereldoorlog en ook nog lang daarna was in Nederland, in tegenstelling met name tot de V.S., de strip een zaak voor de kinderen, aanvankelijk zelfs uitsluitend voor heel kleine kinderen. Dat sommige ouderen, volwassenen, graag kinderverhalen lezen en dus ook strips is een andere zaak. Wanneer men de kranten doorbladert uit de jaren
| | | | 1915 tot 1925 dan blijkt al snel dat men er in die tijd steeds meer behoefte aan ging voelen om kinderverhalen te illustreren. De moderne reproduktiemetoden maakten het ook makkelijker om plaatjes in de kranten te zetten.
Al in de zeventiende eeuw waren er volksprenten, die niet één afbeelding te zien gaven, maar meerdere. Deze prenten ontstonden uit voorgangers, die veelal op één blad bv. het hele lijdensverhaal van Christus lieten zien. Ook de zeventiende-eeuwse prenten toonden verhalen, maar nu (na de reformatie) profane. De losse plaatjes waren vaak van een verklarende ondertekst voorzien, zodat in sommige gevallen, waarbij een dertigtal prentjes aan één verhaal werd besteed, iets ontstond dat toch erg veel lijkt op ons hedendaags beeldverhaal. Deze prenten waren ook in de achttiende en de negentiende eeuw populair; ze werden herdrukt en nieuwe werden bijgesneden. In de loop van de negentiende eeuw komen ze steeds meer in de kindersfeer terecht, en vlak daarna lijken ze te verdwijnen, zodat er voorlopig nog geen direkt kontakt is aan te wijzen tussen deze beeldverhalen en de onze(11).
De gagstrip komt, in nog sterkere mate dan de ballonstrip, voor de oorlog zelden voor, terwijl juist in de U.S.A. dit genre bloeit. Een verklaring hiervoor is wellicht deze: in het buitenland wordt de krant veelal door de man gekocht, op weg naar of van zijn werk. In Nederland echter is de krant meer een familieblad met rubrieken voor moeder-de-vrouw en aparte hoekjes voor het kind. De krant wordt niet op straat gekocht, maar als abonnement aan huis bezorgd. Zo krijgt men dus steeds dezelfde krant (iets wat bij straatverkoop lang niet zeker is) en zo kan men dus gemakkelijk een (strip)feuilleton volgen, heeft men meer rust om een ondertekst te lezen. Voor degene die de krant op straat koopt, heeft de gagstrip, die vaak vele afleveringen lang over dezelfde figuren gaat, het voordeel, dat hij telkens een heel klein verhaaltje gepresenteerd krijgt en niet ‘er uit’ kan zijn, terwijl door de vaste figuren toch het element van herkenning zijn belangrijke rol kan spelen(12).
In de loop van de jaren twintig gaan steeds meer kranten beeldverhalen plaatsen, let wel, hoofdzakelijk Nederlandse. De vooruitstrevende kranten liggen hierbij natuurlijk aan de kop(13). Zo genoot al vroeg in de jaren twintig een aantal strips bekendheid, zoniet beroemdheid. Een van de eersten daarvan was De wereldreis van Bulletje en Bonestaak van de schrijver A.M. de Jong (Merijntje Gijzen) en de tekenaar G. van Raemsdonck. De strip werd vanaf 1921 geplaatst in Het Volk, verscheen al snel in andere (socialistische) kranten en werd ook spoedig in boekvorm uitgegeven met vele herdrukken, waarvan de recentste, ongekuiste, nog loopt. Ongekuiste, inderdaad! Vooral in de eerste verhalen kwamen zoveel rauwe details voor dat men al snel besloot het allerergste (bijv. afbeeldingen van oorlogsinvaliden) weg
te laten. Ook na de kuising bleven er nog genoeg gruwelijke scènes over, vooral in de verhalen die de matroos Ouwe Hein aan de jongens vertelt. Ondanks deze bezwaren heeft de strip toch een geheel eigen charme. De duidelijk socialistische strekking van het verhaal, dat laat zien hoe twee van school weggelopen jongens als verstekeling op het schip van hun vaders de wereld rondreizen, geeft er een positieve waarde aan en... de verhalen zijn beslist span- | | | |

4.
Gevisualiseerde beeldspraak (Bonestaak zou Bulletje wel op kunnen eten) in Van Raemsdoncks Bulletje en Bonestaak.
nend. Bijzonder aardig en oorspronkelijk zijn de in de plaatjes gekonkretiseerde beeldspraken van de tekst (afb. 4).
In 1923 komt een strip uit die tijdelijk veel meer, maar op den duur toch minder sukses had dan Bulletje en Boonestaak, Tripje en Liezebertha (afb. 5), een typische

5.
Vriendelijke kinderlijke sfeer in Henk Backers Triple en Liezebertha.
kinderstrip gemaakt door de al eerder genoemde vader van het Nederlandse beeldverhaal, Henk Backer. De avonturen van het mannetje en vrouwtje, beiden door een fee uit luciferhoutjes gemaakt, verschijnen in He t Ro tte rdamsc h Nie uwsblad(14). In Rotterdam en omstreken heerst een ware Tripje-rage, die nauwelijks schijnt te hebben ondergedaan voor de Buster Brown-rage indertijd in de States (15). Tripje-mondharmonika's, -lollies en -chocoladerepen, evenals de in boekvorm verschenen avonturen van de helden worden grif verkocht. Het is wel duidelijk dat Tripje e n Lie ze be rtha ook heel wat volwassenen onder hun fans telden (16).
Een belangrijk tekenaar in deze tijd is ook G.Th. Rotman, die menig kind maandenlang in de greep hield van zijn Lotgevallen van Snuffelgraag en Knagelijntje, twee muisjes. De strip werd later overgenomen door Funke Küpper(17), die in dezelfde krant ook voortreffelijke politieke illustraties plaatste. Rotmans strip Pimpelmans werd al snel zó populair dat er een speciale aflevering van in Bandoeng (Ned. Indië) verscheen(18).
In de dertiger jaren plaatsen andere kranten in navolging van De Telegraaf nu ook buitenlandse strips, veelal Amerikaanse ballonstrips voor een meer volwassen publiek(19). Men heeft wel verondersteld, dat de Amerikaanse strip in deze tijd de blik van de vaderlandse striptekenaars verruimd zou hebben. In de verhalen is er weinig van te merken. Zij behouden ondertekst terwijl in Amerika de ballonstrip overheerst en zij blijven gericht op een zeer jeugdig publiek. De sfeer van de verhalen blijft dromerig en irreëel: heldhaftige kinderen zijn misdadigers te slim af, terwijl elfjes, kabouters en sprekende dieren voortdurend hoofdrollen spelen.
| | | |
Het lijkt wel of in Nederland bij uitstek sprekende en als mensen handelende dieren in de strip populair zijn. Het is niet zeker waarvan dit een gevolg is, maar zeker zal de populariteit van oude verhalen waarin dieren een hoofdrol spelen als Van de Vos Reynaerde en de fabels van De la Fontaine daartoe bijgedragen hebben(20). Maar ook in Frankrijk en vooral Engeland kwam dit soort beeldverhaal voor, getuige de strip Rupert the little lost bear van Mary Tourtel, die hier beroemd was en nog is onder de naam Bruintje Beer(21). In deze sfeer past ook de strip Sambo de Olifant van Mies Deinum, waarin twee jongetjes olifantsoren krijgen om de olifantentaal te kunnen verstaan. Andere verhalen van deze verdienstelijke tekenares hebben eenzelfde dromerige sfeer, zoals Myra het elfje en (de booze) kabouter Zwartvoet en De dierenjamboree. Hierbij sluiten weer aan de beeldverhalen van George Wildschut, zoals de Vlucht uit de poppenkast van Jan Klaassen en
Trijntje.
In deze tijd zijn er al zoveel tekenaars en schrijvers die strips maken, dat slechts een heel globale behandeling mogelijk is. Een bekend tekenaar die in de jaren dertig zijn leven aan het tekenen van beeldverhalen gaat wijden is Frans Piët, die al snel de spannende verhalen als De avonturen van Wo-Wang en Simmy, De lotgevallen van Piet Krent en Jan Oliebol, De gebroeders Goochem, lanceert. Halverwege de jaren dertig neemt hij de oorspronkelijke Amerikaanse strip Sjors van de Rebellenclub over, een beeldverhaal, op den duur door hem zodanig veranderd, dat het als ‘eigen werk’ zeer populair werd(22). (afb. 6).
Dan breekt in 1940 de tweede wereldoorlog uit, waarin de Duitser ook Nederland

6.
Sjors van de Rebellenclub en zijn vriend Sjimmie in Frans Piëts Sjors en Sjimmie.
bezet. Gedurende de inval en een tiental dagen daarna verschijnen er weinig of geen kranten, maar als ze weer uitkomen, is er wel veel veranderd aan de berichtgeving (en wanneer die niet veranderd is, verdwijnt de krant spoedig) maar niet aan de vaste rubrieken voor moeder en kind. Enige Amerikaanse strips zijn echter ineens verdwenen, zoals Mickey Mo use uit De Telegraaf, andere verdwijnen pas later door toedoen van de bezetter (23).
Op de lange duur heeft de Duitse bezetting wel degelijk een grote invloed op het al dan niet (vooral niet) verschijnen van strips hier. Steeds meer kranten moeten hun beleid ombuigen of verdwijnen. En als er een krant verdwijnt, is er weer een afzetgebied minder. Ook speelt de papierschaarste een rol, waardoor de kranten met een steeds bescheidener omvang moeten rondkomen, zodat de redakties bij een overvloed aan belangrijk nieuws er veelal toe overgaan onbelangrijke zaken als beeldverhalen op te geven. In dit kader is het wel interessant om te vermelden dat kranten als Voorwaarts tot het bittere
| | | | einde toe, als de krant nog maar één velletje groot is, een strip blijven plaatsen. Een andere reden voor het verdwijnen van beeldverhalen is ook de censuur, die om al dan niet vermeende redenen strips liet sneuvelen, zoals bijv. Dick Bos van Maz (Alfred Mazure), die weigerde zijn strip in een voor de bezetter gunstige richting om te buigen(24).
De strips uit de oorlogsjaren vertonen niet veel nieuws ten opzichte van die ervóór. De enkele propagandastrips voor de Duitsers zijn de moeite van het noemen niet waard(25). Toch komen er in deze benarde tijd nog twee belangrijke nieuwe strips op de markt. Dick Bos en Tom Poes.
In 1941 opent de serie van de vele Dick Bos-boekjes, beeldverhalen die nu eens niet van te voren in afleveringen in de krant verschenen(26). Het zijn heel kleine boekjes met steeds een plaatje op elk van de ca. 200 bladzijden. Alfred Mazure (Maz) die deze detektive ballonstrips voor pubers maakte, liet zich vermoedelijk inspireren door Amerikaanse voorbeelden als Secret Agent X9 van Alex Raymond(27) en Dick Tracy van Chester Gould(28). Dick Bos is een held, een detektive die eerlijk vecht, hij beheerst uitstekend jiu jitsu (afb. 7) en bezigt kernachtige uitdrukkingen. De boekjes zijn lange tijd enorm populair geweest, zodat ze tot voor kort herdrukt zijn.
De Tom Poes-serie, die vooral na de oorlog steeds grotere invloed op de Nederlandse strip uitoefende, tot voor kort aan toe, is al in 1938 gestart als gagstrip in Tsjechoslowakije en Argentinië(29), maar pas in 1941 verscheen zij voor het eerst in Nederland in de krant, in De Telegraaf en Het Nieuws van de Dag. Op de nog

7.
Een fraaie Jiu Jitsu worp en een typische Dick Bos dialoog in Alfred Mazures Dick Bos en het verzekeringsraadsel.
steeds onvermoeibare schepper van dit en vele andere beeldverhalen, Marten Toonder, zal wat nader worden ingegaan, omdat zijn werk tot het beste behoort wat het Nederlandse beeldverhaal heeft te bieden, terwijl bovendien de huidige herwaardering van de strip met zijn werk is gestart (30).
Marten Toonder heeft sinds hij zich op beeldverhalen ging toeleggen vele honderden voortreffelijke verhalen bedacht of mede bedacht, duizenden korte tekstjes geschreven of geïnspireerd en vele duizenden plaatjes getekend of laten tekenen. Alleen al voor de Tom Poesstrip,
| | | | waarvan tot nu toe ca. 7250 afleveringen in de krant verschenen, maakte hij 136 verhalen met 7250 korte teksten met ca. 21.750 plaatjes! Bovendien verschenen er nog Tom Poesverhalen in weekbladen, zoals de prachtige verhalen in Donald Duck van 1954-1968. Zijn strip Kappie telt ook al 134 verhalen, Hollewijn een 70-tal en Panda 112.
Toonder heeft zich tot nu toe eigenlijk alleen met strips beziggehouden en tekenfilms. Hij heeft zijn opleiding gehad aan de Academie voor beeldende kunsten in Rotterdam en daarna had hij lessen van Dante Quinterno, een vroeger animator bij Walt Disney. De invloed van Disney, vooral op zijn vroege werk is hierdoor wel verklaarbaar.
Zijn belangrijkste strip, Tom Poes (nu en dan ook wel Heer Bommel geheten) tovert een wereld van sprekende en als mensen handelende dieren voor de ogen van de

8.
Fijne details in Marten Toonders Tom Poes en de verdwenen Heer. (Tom Poes, Heer Bommel, Joost.)
beeldlezer. Hierin komt de strip overeen met het Nederlandse werk van de jaren twintig en dertig, maar ook met Disney. Aanvankelijk richt deze strip met ondertekst - een overigens zeer goede ondertekst - zich op een zeer jeugdig publiek en de sfeer is ook nog irreëel. Langzamerhand lijkt de strip echter mee te groeien met het publiek, waarbij de sfeer steeds reëler wordt, de problemen steeds echter en aktueler en een duidelijke maatschappijvisie wordt zichtbaar.
Tom Poes(31), een slimme jonge poes, overigens zonder uitgesproken karakter, gaat geheel ongekleed en wit door het leven (afb. 8, 10). Hij heeft dan ook niets te verbergen en heeft (bijna) altijd gelijk. Hij is in zekere opzichten dus een hinderlijk persoon. Tegenover deze held staat vanaf het derde verhaal de eigenlijk nog belangrijker ‘anti-held’ Heer Bommel, een beer, die als ‘Heer van stand’ wel- | | | | licht meer te verbergen heeft, en dan ook een jas, een royale ruitenjas, draagt. Hij is menselijk, oer-menselijk; het hele verhaal door begaat hij stommiteiten, maar op zo'n manier dat de lezer er steeds zijn eigen fouten in kan herkennen, waardoor hij bij uitstek akseptabel is en ons na aan het hart ligt. Heer Bommel is in tegenstelling tot Tom Poes omringd door attributen, waarmee hij haast onverbrekelijk verbonden is. Hij is dus een materialist, maar hij is ook in staat grootse gebaren te maken. Zijn ‘stamslot’ Bommelstein, zijn auto de Oude Schicht, zijn bediende Joost, zijn hoge bankrekening, dit alles is de materie zonder welke hij (haast) niet bestaat.
De sterkte van deze strip ligt niet zozeer in de avonturen zelf, die eigenlijk niet eens echte avonturen zijn. Heer Bommel en Tom Poes veranderen veelal niets wezenlijks aan de situatie waarin ze verzeild raken. Van waarde echter zijn hun reakties op het gebeuren, op veranderde situaties, normen e.d. De grote hoeveelheid vaste figuren, die dit beeldverhaal rijk is, garandeert in elk verhaal weer reakties van bepaalde maatschappelijke groeperingen op de gepresenteerde problemen; want elke figuur kan men zien als representant voor een groep: prof. Prlwytzkowsky voor de wetenschap, burgemeester Dickerdack voor de overheid, markies Cantecler de Barneveld (een haan) voor de adel, enz.
Herhaaldelijk is betoogd, dat Toonder een goed literator is. Hij is dat ongetwijfeld. Zelden hoort men echter ekspliciet vermelden dat hij ook een groot beeldend kunstenaar is en dat wil ik hier doen (afb. 2, 9). Uitgaande van de traditionele tekenscholing, heeft hij het in een totaal andere richting moeten zoeken, dan de tegenwoordige

9.
Een fraai nachteffekt (Wammes Waggel en bediende Joost) in Marten Toonders Tom Poes en de niks.
gevierde beeldende kunstenaars. Zijn werk heeft een hoge mate van herkenbaarheid en is daarom steeds heel dicht bij het publiek blijven staan, iets wat men van de moderne kunst als geheel niet kan zeggen.
Opvallend is het dat zijn plaatjes op de

10.
Nog vrij strakke tekening in Marten Toonders Heer Bommel en de bergmensen.
| | | | lange duur steeds meer aan detail hebben gewonnen (vgl. afb. 8 en 10), waarbij echter de overzichtelijkheid van het plaatje in plaats van kleiner gróter werd. De aanvankelijk overwegend ronde vormen werden op de duur steeds levendiger. Typerend zijn zowel de proporties als ook de details van een en het zelfde voorwerp die al op twee opeenvolgende plaatjes sterk verschillen kunnen, echter zonder dat de oppervlakkige toeschouwer (en dat zijn wij toch allen) er enige hinder van ondervindt. In elk plaatje schijnen opnieuw details en proporties van de voorwerpen en figuren niet alleen tegen het model, maar ook tegen elkaar afgewogen te worden. Dit komt de levendigheid van de strip ten goede.

11.
Minister-president Dreutel, Hollewijn en Wiebel Wip in Marten Toonders Koning Hollewijn en de Flutters.
Een andere strip van Toonder is Koning Hollewijn (afb. 11), een strip, die een twintig jaar lang vele mensen naar De Telegraaf heeft doen grijpen en onlangs (voor onbepaalde tijd?) zijn einde heeft gevonden(32). Evenals de volgende twee te behandelen strips heeft Toonder deze strip wel opgezet, maar op den duur is de bijdrage van zijn, helaas nooit met name genoemde medewerkers, steeds groter geworden. Koning Hollewijn is een goedige, filosofisch ingestelde koning, die met handen en voeten gebonden is aan de konstitutionele monarchie, geen macht heeft, en dus meer een symbool is. Zijn belangrijkste tegenspeler is zijn impulsieve sekretaresse, het meisje Wiebel Wip. Belangrijke vaste figuren zijn verder de minister-president Dreutel (met het uiterlijk van oud-minister-president Drees), de hofrechercheur Euvel, de bediende Plichtpleger en het onbetrouwbare echtpaar Alexander en Troubelle Soulouche. De tekening van de figuren, die als werkelijke mensen getypeerd zijn, is zeer goed. De laatste tijd schijnt Piet Wijn, een uitstekend tekenaar uit de Toonderstudio, de tekeningen gemaakt te hebben.
Panda, die niet lang na de oorlog door zijn avonturen werd gegrepen, is een pandabeertje, jong en naïef (afb. 12)(33). Hij

12.
Koning Leeuw, Graaf Isengrim, Panda, Hertog Bruno en Joris Goedbloed van Malpertuus in Marten Toonders Panda en de meester-edelman.
| | | | is de onschuld zelve, evenals Tom Poes is hij naakt, maar door zijn soms haast ergerlijke naïeviteit is hij nooit beterwetend. Hij leert graag. Hij woont in een deftig herenhuis, dat hij ternauwernood kan financieren, zodat zijn knecht Jollipop hem geregeld er op uit moet sturen om een gepaste betrekking te gaan zoeken, wat meestal de aanleiding is tot een avontuur, waarin hij zich steeds weer laat verleiden door de gladde praatjes van de pseudogeleerde Joris Goedbloed, baron van Malpertuus (een vos). De Panda-verhalen zijn in tegenstelling tot Tom Poes en Hollewijn altijd op een kinderlijk niveau gebleven, waardoor alleen de beste ook voor volwassenen een grote charme hebben. Door het kennelijk verschil in tekenaar is de kwaliteit van de plaatjes van de verschillende verhalen nog wel eens aan wisseling onderhevig. De laatste tijd, nu Piet Wijn de strip tekent, zijn de plaatjes weer erg mooi en suggestief, vaak sterker dan de tekst (afb. 13). Een tiental jaren geleden verschenen een paar heel mooie verhalen met sterke teksten, die Lo Hartog van Banda schijnt te hebben geschreven: De meester-riolist, De meester-flesser, enz.(34).
Ook het laatste belangrijke beeldverhaal van Toonder, Kappie, staat met uitzondering van een aantal sterkere verhalen, hoofdzakelijk op kinderniveau. De oplossingen zijn daarom wel eens wat erg goedkoop. Toch bezitten de beste verhalen, veelal in boekvorm gepubliceerd, een geheel eigen charme(35). Kappie is de kapitein van een sleepboot ‘De Kraak’. Hij is een klein mannetje met een enorme wil en grote kracht. Hij is vooral een materialist en hij verbergt dat ook niet. Toch gaat hij misstanden niet uit de weg, evenmin als zij hem. De bemanning van zijn

13.
Charmante Panda-tekening van Piet Wijn in Marten Toonders Panda en de Jokklikker.
| | | | sleepboot bestaat uit de Maat, Tjeerd Duizendschoon, een bangelijke figuur die prentbriefkaarten en koekoeksklokken verzamelt, en de Meester, een technisch bekwame machinist. Deze strip is het minst rijk aan vaste tegenspelers (afb. 14).

14.
De Meester, de Maat en Kappie in Marten Toonders Kappie en de automatische stuurman.
Marten Toonder heeft al voor de tweede wereldoorlog een studio opgericht, die in de oorlog een bron is geweest van illegaliteit(36). Na de oorlog is die studio enorm uitgegroeid en zij beheerst nu een groot deel van de Nederlandse stripproduktie. Vele belangrijke auteurs zijn of waren aan de studio verbonden. Het is daarom begrijpelijk dat Toonder een enorme invloed heeft uitgeoefend op het Nederlandse beeldverhaal van na de oorlog. Pas sedert korte tijd hebben de jongere striptekenaars zich van zijn invloed weten los te maken, onder invloed van vooral de Belgische strip.
Vanaf 1947 gaf Toonder een eigen stripweekblad uit voor de jeugd, Tom Poes Weekblad, dat op de duur toch niet op kon tegen het na de oorlog steeds meer opkomende werk uit de U.S.A., waarvan het tijdschrift Donald Duck een belangrijke eksponent is. In Tom Poes Weekblad treft men werk aan van belangrijke medewerkers, zoals Sim en Pans van Wim Lensen, Filo Fop van Ben van 't Klooster, Piloot Storm van Henk Sprenger, Tekko Taks van Henk Kabos, Eric de Noorman van Hans Kresse en Aram van Piet Wijn. Vele van deze strips zouden een afzonderlijke behandeling verdienen, maar dat is in dit kader helaas niet mogelijk(37).
Een belangrijk medewerker van Toonder bleek al Piet Wijn te zijn(38). Zijn bijdragen in Tom Poes Weekblad, Verowin en Aram, twee nogal romantische avonturenstrips, getuigen daarvan. Met de loop der jaren is zijn werk aanzienlijk in kwaliteit vooruit gegaan: de in Aram en Verowin nog voorkomende slechte proporties vindt men in zijn latere werk niet meer terug. Veel van zijn werk zal wel in nevelen gehuld blijven, want hij heeft erg veel anoniem meegewerkt aan de belangrijkste Toonderstrips. Een geheel eigen werk moet toch genoemd worden, Puk en Poppedijn, een ballonstrip over twee kinderen en hun dikke domme oom Rollo Bombast(39).
Een goed tekstschrijver uit de studio bleek Andries Brandt te zijn, vooral in zijn strip (met ondertekst) Horre, Harm en Hella, waarvan elf verhalen in De Telegraaf verschenen(40). Het is jammer dat deze strip over een geschifte wetenschapsman, zijn okkulte dochter en hun wonderlijke knecht, nogal eens van tekenaar is gewisseld. De beste tekeningen zijn die welke Geo (George Mazure?) gesigneerd zijn.
Nog één man uit de Toonderschool moet
| | | | genoemd worden, een zekere Peter Abel, over wie De Telegraaf bij de aanvang van zijn eerst bekende strip De Goeroe, alleen wist te vermelden, dat hij in Ierland woonde. Toevallig woont Marten Toonder tegenwoordig (ook) in Ierland en toevallig gebruikt Martens broer, Jan Gerhard, de schrijver, veelal het pseudoniem Jürgen Abel. Bovendien komen de uitstekend getekende figuren in De Goeroe zo duidelijk overeen met Marten Toonders stijl, dat men geneigd zou zijn deze voortreffelijke gagstrip aan Marten zelf toe te schrijven. Maar waarom dan die geheimzinnigheid? (afb. 15).

15.
Fraaie lijnvoering in Peter Abels Goeroe.
Belangrijk voor Toonders strips schijnt ook Phiny Dick, de vrouw van Marten, te zijn, die namen als Bommel schijnt te hebben verzonnen. Zij heeft een tijd lang een eigen beeldverhaal gehad, Olle Kapoen.
Als de oorlog voorbij is, plaatsen de opnieuw verschijnende kranten al spoedig weer strips in hun kolommen, sommige van een politieke anti-nationaalsocialistische strekking. De strips zijn nog steeds op een jeugdig publiek gericht, maar hun uiterlijk is wel veranderd. De sprookjesachtige sfeer begint te wijken voor een meer realistische opzet, ook in de avonturenverhalen.
Naast Toonder is een belangrijk man in deze tijd A. van Delden, die de studio Avan opricht. Bekendheid genoot vooral zijn strip Smidje Verholen. Goede strips maakte ook Siem Praamsma, die Jochem Jofel twee jaar lang avonturen liet beleven in De Waarheid. De stijl van zowel Van Delden, als Praamsma hebben veel gemeen met die van Toonder en het is wel mogelijk dat alle drie op Disney teruggaan.
Belangrijker waren echter Kresse en Kuhn. Pieter Kuhn, die QN signeerde, is de geestelijke vader en tekenaar van Kapitein Rob, zijn enige strip die van 1945 tot 1966 (Kuhns dood) o.a. in Het Parool verscheen. Na de eerste verhalen werden zijn teksten geschreven door de journalist Werkman op aanwijzing van hemzelf(41). Kapitein Rob is een stoere, rechtvaardige, eenzame (daaraan verandert zelfs zijn huwelijk niets) zeeman, die met vier zeilschepen ‘de Vrijheid’, die hij alle vier verspeelt, de wereldzeeën bevaart, wat hij later als kapitein doet op een sleepboot ‘de Bruinvis’. Door zijn kontakten met de fantastische professor Lupardi bereist hij ook ons halve zonnestelsel, de diepten van de oceanen, enz. De beste verhalen zijn vooral die waarin deze sinistere geleerde optreedt, die beurtelings het beste en het slechtste met deze aarde voorheeft. Ook erg fraai zijn de diverse verhalen, waarin Rob in het verleden wordt geplaatst, om als zeventiende-eeuws gezag- | | | | voerder de kaper Peer de Schuymer te gaan bevechten.
De tekst van de strip is krachtig, kort, soms te kort en daarom niet altijd overtuigend. De tekeningen zijn aanvankelijk onbeholpen, later beter, maar bij het winnen aan (verantwoorde!) details, verliest de strip de oorspronkelijke vlotheid. Ongeveer het derde tot het zestiende verhaal zijn het sterkst (afb. 16). Daarna gaat Kuhn zich steeds meer verliezen in het

16.
Goede illustratie uit Kuhns Kapitein Rob: De wraak van de zwarte tovenaar.
dokumenteren van de verhalen, zonder voor goede plots te zorgen. De spontaniëteit, die de vroege verhalen kenmerkt, vindt men later niet meer terug. Ook de onverantwoorde romantiek van de vroege verhalen verdwijnt geheel.
De karakterisering in de tekeningen van de figuren bleef kennelijk een probleem voor Kuhn, vooral waar het de goeden betreft. Slechte figuren als Peer de Schuymer, Prof. Lupardi en zijn assistent Yoto, Cigaret Larry zijn allen zo getypeerd, dat zij duidelijk van elkaar zijn te onderscheiden, maar goede figuren en vooral de vrouwen zijn, wanneer men de tekst niet leest, niet uit elkaar te houden, wat vaak verwarrend werkt. In tegenstelling tot Toonder streefde Kuhn ernaar een hoge mate van realisme in zijn tekeningen te leggen, waartoe hij zich vrijwel uitsluitend van de pen bediende (afb. 20).
Veel vloeiender, schilderachtiger werkt van meet af aan Hans G. Kresse, die zich grote populariteit verwierf met zijn belangrijkste strip Eric de Noorman(42). Eric verscheen vanaf 1946 als krantedagstrip met ondertekst. Het idee voor Eric ontstond uit een versmelting van ideeën van Kresse en Toonder, voor wie eerstgenoemde toen werkte. Al eind 1947 wordt de strip ook in Tom Poes Weekblad opgenomen en hij blijft daar tot het bittere einde in staan. Eric de Noorman is een held uit het verleden, uit welke tijd precies blijkt aanvankelijk niet. Dit heeft zijn voordelen voor een door sagen getint verhaal, waarin de auteur omwille van de sfeer rustig chronologische zonden kan begaan.
Het verhaal begint te spelen in Atlantis, een rijk dat, zo het ooit heeft bestaan, in de tijd van de laatste kretensische beschaving wordt geplaatst, dus ca. 1300 vóór Christus. Het verhaal in Atlantis is een science-fiction verhaal, want technisch staat de bevolking op een hogere trap, dan men in 1947 stond. Het rijk gaat ten onder door een soort atoombom (vlak na Hiroshima!), maar Eric met de dwerg Pum-Pum en de hoge priesteres Winonah, die zijn vrouw wordt, weten natuurlijk te ontsnappen. Zij komen dan in Rome aan in de keizertijd en wel ten tijde van keizer Commodus, 192 na Christus. Als Eric na veel avonturen weer thuis komt in het rijk dat zijn vader hem heeft nagelaten, blijkt hij een grote laat-romaanse burcht te bewonen. Nu volgt een reeks suggestieve verhalen, waarin Eric eerst erop uit trekt om een goudschat te bemachtigen en daartoe het Azteken-Amerika en China
| | | |

17.
Lugubere sfeer in Kresses vroege Eric: De boog van Allard.
bereist, waarna hij, teruggekeerd in zijn land, in de loop van diverse verhalen en evenzovele avonturen de eenheid in zijn land weer herstelt. Zowel de tekenstijl als de tekst van deze verhalen zijn (dankzij de chronologische onjuistheden?) zeer suggestief (afb. 17). De aanvankelijke houterige weinig detailrijke tekeningen ontwikkelen zich snel tot detailrijke, soepel gemaakte plaatjes, die al spoedig Kresse's voorliefde voor het penseel verraden.
Op de duur ziet hij steeds meer de chronologische belachelijkheid van het verhaal

18.
Minder detaillisme in de vlotte schetsen van Kresses latere Eric: De grote beslissing.
en hij besluit de datum steeds meer te fikseren op de zesde eeuw. Veel wordt daarvoor opgeofferd: de wapenrusting wordt aangepast, Erics erfslot, Wograms burcht, verbrandt en wordt vervangen door een palissadenversterking. Ook nieuwe figuren gaan de rusteloze koning vergezellen. De nu ontstane verhalen zijn zeker meer verantwoord, de tekenstijl is vloeiender met minder details, maar de suggestiviteit neemt toch af (afb. 18).
Kresse is een uitstekend tekenaar en schrijver, die nog steeds voortreffelijk werk levert, getuige zijn strips Vidocq en Erwin, beide voor het tijdschrift Pep.
Met uitzondering van de hier genoemde mensen geven de jaren vijftig geen opwekkend beeld te zien. De overweldigende hoeveelheid kwalitatief goed Amerikaans werk, de weerstand tegen de strips in Nederland(43) en het feit dat ons taalgebied toch vrij klein is, iets wat voor strips met ondertekst een sterker bezwaar zal zijn dan voor ballonstrips, zorgden voor een teruggang in aktiviteit. Nederlandse striptijdschriften waren er niet. Het enige striptijdschrift Donald Duck bracht naast al het werk van de Disneystudio één Nederlandse strip, de al eerder genoemde Tom Poes-strip van Toonder. De Sjors van de Rebellenclub, die weer herrezen was, bracht een aantal strips, meest anoniem, waarvan nog de beste waren die van Bert Bus, speciaal diens science-fiction strip Olaf Noort en Piëts Sjors natuurlijk.
Belangrijk is ook Paulus de boskabouter, een kinderstrip over een kabouter en zijn dierenvrienden. De strip is van Jean Dulieu (eig. Jan van Oort) en zij verscheen in Het Vrije Volk vanaf 1946 tot 1958. Deze strip die dus eigenlijk nog tot de jaren veertig behoorde, heeft haar hoogtepunt
| | | |

Het verschil in tekenstijl van resp. Toonder, Kuhn, Kresse is te zien in de wijze waarop zij hun schepen weergeven.
19.
Tom Poes en de tijwisselaar.
20.
De terugkeer van Peer de Schuymer.
21.
De koningin der eilanden.
vooral in de vroege jaren vijftig gehad (44).
Twee andere beeldverhalen moeten hier nog genoemd worden, professor Pi van Bob van der Born (Het Parool v.a. 1955)(45), een gagstrip en de strip Rechter Tie door Van Gulik(46) zelf bewerkt naar zijn beroemde detektives over de Chinese speurder, met plaatjes van Frits Kloezeman. De tekeningen van deze laatste strip zijn op zich niet zo verrassend, maar door een hoge mate van autenticiteit zijn ze erg suggestief (afb. 22).
In de loop van de jaren zestig komt er langzamerhand een herwaardering van de Nederlandse strip op gang. De jeugdbladen Kuifje en Robbedoes openen de ogen van kinderen en volwassenen van het voor ons geheel nieuwe werk van Belgische en Franse tekenaars en schrijvers. Het blad Pep gaat op de duur een eigen koers varen door te pogen meer oorspronkelijk Nederlands werk te brengen. In 1962 wijdt Marten Toonder een proostprikkel aan het beeldverhaal(47), terwijl een tentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum ook het belang van de

22.
Een autentieke sfeer wordt opgeroepen in Kloezemans illustraties bij Van Guliks Rechter Tie in stripvorm: Rechter Tie en de twintig goudstukken.
| | | | strip bevestigt(48). De nieuwe richtingen in de beeldende kunsten, waarbij een aantal kunstenaars voor hun werken van strips uitgaan, zoals Roy Liechtenstein, vestigen de aandacht op dit te lang verguisde medium.
Wanneer volwassenen, meest studenten, halverwege de jaren zestig gaan bekennen, dat zij van beeldverhalen houden, ze verzamelen, dan vinden zij medestanders en zo wordt het fundament gelegd voor het in 1967 opgerichte Stripschap(49). Het verenigingsblad Stripschrift groeit al snel uit van een paar gestencilde velletjes tot een keurig verzorgd gedrukt tijdschrift. Stripantikwariaten schieten uit de grond (en sommige verdwijnen er weer even hard in), stripveilingen worden gehouden en de classics worden herdrukt. De herleefde belangstelling geldt allereerst de strips uit de jeugd van de studenten, dus die uit de late jaren veertig en vroege jaren vijftig met Tom Poes van Toonder aan de kop, maar al spoedig krijgen ook de nieuwere strips een impuls.
Toonder-medewerker Julsing, die een belangrijk aandeel heeft bij het tot stand komen van de Tom Poes-plaatjes, probeert onder invloed van de nieuwe ideeën die uit het buitenland (en vooral België) overwaaien, zich los te maken van de traditionele stijlen. Eerst in zijn ballonstrip Klits, klets, klandere, voor de N.V.S.H., en later in zijn sterkere strips zoals Komkommertje in Journaal 2000, slaat hij nieuwe wegen in met nieuwe effekten (afb. 1). Julsing is een begaafd tekenaar, die echter te veel afwisseling wil aanbrengen, te veel nuances, waardoor het effekt wel eens onoverzichtelijk wordt. Van de overige tekenaars en schrijvers, die wel aan Pep meewerken, moet nog John Bakker genoemd worden met zijn wat ridikule superman Blook. Dick Matena, die vroeger meewerkte aan Toonders Panda en Tom Poes, heeft, tezamen met Lo Hartog van Banda, een belangrijke bijdrage aan Pep in de vorm van strips als Ridder Roodhart en De Argonautjes. In zijn ballonstrips is duidelijk de invloed waarneembaar van de voortreffelijke Belgische tekenaar Franquin (Robbedoes, enz.)(50). Een ander belangrijke Pep-medewerker is Martin Lodewijk, die in zijn agent 327 ook weer een afhankelijkheid toont van het werk van de Nederlandse zuiderburen(51).
Een geheel eigen stijl ontwikkelde Willy Lohman in zijn strip Kraaienhove, een strip over een okkulte vrouw en haar wetenschappelijke echtgenoot. Sedert 1961 verschijnt dit verhaal in Het Parool(52).
Vanaf 1961 verschijnt in het Algemeen Handelsblad de strip Wipperoen van R. Bär van Hemmersweil en Jan R. van Reek. De strip gaat over een dapper duinkonijntje, dat avonturen beleeft temidden van vele andere duindieren. De sfeer van dit bijzonder aardige verhaal is nogal kinderlijk (afb. 23).
De neiging om zich te verzetten tegen de

23
Graaf Raaf, Wipperoen, mijnheer Kwakebeen, Snipper, mijnheer Zeehond, mijnheer Otter en Holder Bolder in Bär en Van Reeks Wipperoen en de Opperduiner.
| | | | maatschappij en haar gevestigde orde door de jongere generaties is ook in de stripwereld doorgedrongen. In de U.S.A. had dit de Undergroundstrip ten gevolge, een soort beeldverhaal dat eigenlijk alles propagandeert, waarvoor in de maatschappij der gevestigden geen plaats is: openlijk bedreven seks, drugs, wreedheid, of juist sterk pacifisme e.d. Ook in Nederland komen tegenwoordig undergroundstrips voor, vooral in de bladen Aloha en Tante Lenie Presenteert.
Dat deze strips snel de neiging zullen hebben wat eenzijdig te zijn is duidelijk. Toch kunnen zij een belangrijke bijdrage gaan betekenen bij het zoeken naar nieuwe wegen. Mensen als Arne Zuidhoek met zijn Viege Nazels, Theo van den Boogaard met zijn Ans en Hans en Evert Geradts met zijn diverse strips in Tante Lenie Presenteert, moeten hier genoemd worden (afb. 3)(53).
Tot slot moeten nog twee namen genoemd worden, nl. Lo (Han Lode) Hartog van Banda en The Tjong Khing. Hartog van Banda is al eens eerder genoemd, als tekstschrijver voor de strips Ridder Roodhart en De Argonautjes. Hij is van 1952 tot 1966 medewerker geweest van de Toonderstudio's en hij schreef vele jaren de verhalen voor Panda en ook voor Kappie, maar ook vele andere teksten uit het Toonder-atelier zijn van zijn hand. Met Gideon Brugman werkt hij tegenwoordig aan Ambrosius(54). Zijn belangrijkste werk heeft hij echter in kombinatie met de tekenaar The Tjong Khing gemaakt. Ook The is een medewerker aan de Toonderstudio's; zijn tekenstijl toont evenwel nergens invloed hiervan. Het eerste werk van deze schrijver en deze tekenaar was de bundel Iris, die als ballonstrip over hele pagina's direkt in boekvorm werd gepubliceerd

24.
Invloed van recente kunststromingen in The Tjong Khing en Lo Hartog van Banda: Iris.
(afb. 24). Het was een Nederlands antwoord op de Franse strips als Pravda, Jodella en Saga de Xam. De strip speelt in de toekomst en daarom is het een science-fiction strip, maar nergens pro-
25.
Emotie op het gezicht van Arman in Arman en Ilva van The Tjong Khing en Lo Hartog van Banda. Verhaal 1.
| | | | beren de auteurs de mensen beter voor te stellen dan zij werkelijk zijn, en daarom is het verhaal aanvaardbaar. Nog sterker geldt dit voor hun volgende strip Arman en Ilva, die als ballonstrip dagelijks strooksgewijs in de regionale pers verschijnt.
Beide strips sluiten aan bij recente richtingen in de beeldende kunst die hun inspiratie o.a. in de Jugendstil zoeken, en waarvan de resultaten sterk de indruk geven dat de kunstenaars bekend zijn met de indrukken die men onder invloed van verdovende middelen kan ondergaan (afb. 25). Het resultaat is zeer geslaagd te noemen: Arman en Ilva behoort tot het beste wat Nederland op het ogenblik te bieden heeft. Hoewel het bekend is dat The Tjong Khing niet erg makkelijk tekent, tonen de tekeningen toch geen spoor van moeite, de gracieuze lijnen lijken allen met het grootste gemak te zijn neergezet. Prachtige suggestieve details, uitstekende observering van het menselijk lichaam en vooral van de emoties, zoals zij door het gelaat weerspiegeld worden, wisselen elkaar af. In weinig strips wordt zo'n rijkdom aan gezichtsuitdrukkingen gegeven; juist de aaneenschakeling van emoties, zoals die geregeld van het gezicht van Ilva zijn af te lezen, bewijzen de geheel eigen waarde die de strip heeft en die geen enkel ander medium zo kan presenteren (afb. 26). De teksten zijn natuurlijk vrij kort. Zij zijn erg sterk, nooit wordt iets te veel of te weinig gezegd en de woordkeus is steeds aangepast aan de figuur die spreekt en diens stemming.
Arman en Ilva zijn twee jonge mensen, die leven in een tijd dat de aarde een totaal ander aanzien heeft gekregen. Het leven wordt geregeld door superkomputers en ruimtereizen behoren tot de normaalste zaken. Ondanks al deze vooruitgangen is de mens op de aarde mens gebleven en alle verhalen spruiten tot nu toe juist uit dat nu eenmaal mens zijn voort. Het knappe is dat de reakties van de figuren precies zo zijn als wijzelf zouden kunnen reageren, wanneer wij in die situaties kwamen.
Zo komt dit overzicht tot een einde. De jaren zestig gaven een herleving te zien van de belangstelling voor het beeldverhaal en een daarmee gepaard gaande herleving van het beeldverhaal. Vooral de jongeren treden hierbij op de voorgrond, die zich zoals gezegd, met hun ballonstrips (niet voor kranten maar voor weekbladen) meer op het buitenland oriënteren, dan op wat hier traditioneel werd voortgebracht. Namen als die van de Bel-

26.
Emotie op het gezicht van Ilva in Arman en Ilva van The Tjong Khing en Lo Hartog van Banda. Verhaal 4.
| | | | gen Hergé met Tintin (Kuifje), Franquin met Spirou (Robbedoes) en Gaston (Guust Flater) Morris en Goscinni met Lucky Luke en Vandersteen met Suske en Wiske zijn hiervoor van betekenis(55). Het zou interessant geweest zijn een studie te wijden aan zowel de Noord- als de Zuidnederlandse strip. De overweldigende hoeveelheid materiaal noodzaakte echter een keuze te maken, terwijl ook gezegd moet worden, dat de geschiedenis van de twee landen wat strips betreft, pas kort nauw aan elkaar is verbonden. Het is te hopen dat zowel de Nederlandse als de Belgische strip nog lang hun kracht mogen behouden, ja, nog sterker worden.
| |
| | | |
Copyright.
Het copyright van de illustraties die bij het artikel ‘Het Nederlandse Beeldverhaal’ zijn afgedrukt, berust bij de volgende personen en ondernemingen:
| - | Marten Toonder te Greystones, lerland (Tom Poes, Koning Hollewijn, Panda, Kappie, Komkommertje, De Goeroe); |
| |
| - | Perscombinatie N.V. te Amsterdam (strips Kuhn); |
| |
| - | Uitgeverij Oberon bv te Haarlem (Piëts' Sjors); |
| |
| - | Wolters-Noordhoff N.V. te Groningen (Kresse's Eric de Noorman en Kloezeman's Rechter Tie); |
| |
| - | Haagsche Courant te 's-Gravenhage (Tripje); |
| |
| - | Uitgeverij Ten Hagen N.V. te 's-Gravenhage (Mazure's Dick Bos); |
| |
| - | N.V Uitgeverij De Arbeiderspers te Amsterdam (Bulletje en Bonestaak); |
| |
| - | Uitgeverij De Bezige Bij te Amsterdam (The Tjong Khing's en Lo Hartog's Iris, en Arman en Ilva; |
| |
| - | NRC - Handelsblad te Rotterdam (Wipperoen). |
We zeggen hun allen hartelijk dank voor hun toestemming de betreffende illustraties in Ons Erfdeel af te drukken.
Redaktie. |
(1)Veel gegevens voor dit artikel zijn ontleend aan Kees Kousemaker [en] Maria [Evelien] Willems, Strip voor Strip, een verkenningsto cht. Met een hoofdstuk over Vlaanderen door Dany de Laet. Amsterdam, 1970. Voortaan te noemen S.v.S.
Dank aan die scharen, die het aan dit artikel ten grondslag liggende materiaal bijeen knipten, zoals Mien, Moeke en Yvonne.
(2)Het Stripschap, Nederlands centrum voor belangstellenden in strips, ge eft uit het maandblad Stripschrift, Tijdschrift voor striplezers, 1967 - voortaan te noemen Stripschrift.
(3)Het totaal ontbreken van een communis opinio aangaande het gebruik van de woorden ‘strip’ en ‘beeldverhaal’ of ‘stripverhaal’ en ‘beeldroman’ deed mij besluiten, mij aan te sluiten bij het gangbare spraakgebruik, nl. om de eerste twee als synoniem te gebruiken, de derde niet en de vierde alle en voor een bepaalde kategorie.
De definities van bovengenoemde termen in enkele vooraanstaande woordenboeken mogen hier gegeven worden.
a) M.J. Koenen en J. Endepols, Verklare nd handwoo rdenbo ek der Nederlandse taal, uitg. 1969.
beeldroman - (avonturenroman bestaande uit prentjes met bijschriften).
stripverhaal - (verhaal in tekeningen met korte bijschriften). Geen andere definities. Opvallend is hier het - vermoedelijk onbedoelde - verschil dat gesuggereerd wordt tussen ‘tekeningen’ en ‘prentjes’.
b) C.B. van Haeringen, Nederlands handwoo rdenbo ek, uitg. 1967.
beeldroman - zie beeldverhaal.
beeldverhaal - verhaal bestaande uit prentjes, al of niet door korte bijschriften toegelicht.
strip - beeldverhaal als feuilleton.
c) J.H. van Dale, Nieuw handwoordenboek der Nederlandse taal, uitg. 1956.
beeldroman - avonturenverhaal in prentjes met korte bijschriften.
strip - miniatuurfeuilleton met tekeningen.
d) J.H. van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal, uitg. 1969 en suppl. 1970.
beeldverhaal - verhaal bestaande in een opeenvolging van tekeningen met in- of ondergeschreven korte tekst.
strip - (de afbeelding van een) stripverhaal.
stripverhaal - beeldverhaal in stroken van telkens 3 of 4 afbeeldingen naast elkaar, zoals veel in dag- en weekbladen geplaatst.
beeldstrook - tot een strook verenigde beelden, strip.
Opvallend is hier een duidelijke indeling in soorten.
Twee andere definities zijn te vinden in de Winkler Prins en S.v.S.
e) Winkler Prins, deel 3, 1967.
beeldverhaal of beeldroman - een verhaal bestaande uit een reeks naar inhoud samenhangende, maar gescheiden afbeeldingen, zonder, of met korte tekst.
f) S.v.S. p 7.
Onder beeldverhaal verstaan we een aantal grafische afbeeldingen, die in een zodanige volgorde ten opzichte van elkaar zijn geplaatst, dat ze een voortschrijdende handeling laten zien. Deze afbeeldingen zijn al dan niet voorzien van een tekst, die hun verhalend karakter ondersteunt.
S.v.S. geeft geen definities voor de woorden ‘strip’ en ‘stripverhaal’, die echter als synoniemen van het woord ‘beeldverhaal’ worden gebruikt.
Deze laatste definitie is de beste. Zij poogt geen onderscheid aan te brengen tussen de diverse uitingsvormen van de strip, maar zij is zeer nauwkeurig. Het is opvallend dat in Nederland, waar tot voor kort de strip met ondertekst, ja zelfs met veel ondertekst gebloeid heeft. de nadruk moet vallen op de korte ondertekst (a, b, c, d, e).
Opvallend is ook het verschil dat wel gemaakt wordt tussen ‘strip’ (‘stripverhaal’) en ‘beeldverhaal’. Bij (b) ligt het verschil kennelijk in het al dan niet als feuilleton geplaatst zijn. Deze gedachte speelt ook door in de definities van (d), waar bovendien een verschil wordt gevoeld tussen ‘strip’ en ‘stripverhaal’, het eerste slaat nl. voornamelijk op de afbeeldingen. De woorden ‘strip’, en ‘stripverhaal’ worden in het spraakgebruik als synoniemen van het woord ‘beeldverhaal’ gebruikt (zie ook f). Van de bovengenoemde definities lijkt ons Van Dale's definitie het meest adequaat. Het wél veel voorkomend verschil tussen de woorden ‘beeldverhaal’ (strip, stripverhaal) en ‘beeldroman’ wordt hier niet gemaakt. De beste definitie van dit laatste woord geeft Koenen Endepols (a), aan welke definitie nog kan worden toegevoegd, dat men in de spreektaal over het algemeen doelt op een inferieure soort strips, zonder ondertekst, maar met tekst in de plaatjes, gepubliceerd in de vorm van al dan niet oblong ‘schriftjes’.
(4)Marten Toonder, Marten Toonder kijkt om naar 5000 Tom Poez en. In De Vo lkskrant geplaatst bij de 5001e Tom Poes aflevering, zaterdag 5 oktober 1963, p. 23.
(5)Dit doet de Vlaming Willy Vandersteen nogal eens in zijn onvolprezen schepping Suske en Wiske.
(6)Voortreffelijk zijn vooral de grapjes, waarmee Vanderste en zijn Suske en Wiske-v erhal en doo rspekt.
(7)Kort geleden werd in De Telegraaf de niet onverdienstelijke strip met ondertekst Horre, Harm en Hella van Andries Brandt en George Mazure vervangen door de - overigens veel mindere - strip Aafje Anders van Brandt en Van Haasteren. De Go ero e van Toonder (?), die sinds enige tijd in dezelfde krant verschijnt is een voorbeeld van een Nederlandse gagstrip.
(8)Een fraai voorbeeld hiervan is een scene in To m Poe s en de Bombardonder, een ballonstripverhaal van Toonder, dat in 1966 in de Donald Duck verscheen, waarin een spookmusikus (die dus wit is) bij het lucht inhalen om bombardon te gaan spelen tegen een achtergrond wordt geplaatst, die in de loop van de plaatjes, die aan deze scene besteed zijn, van wit tot roze, rood, paars, kleurt.
(11)Maurits de Meyer, Volksprenten in de Nederlanden 1400-1900. Religieuze, allegorische, satirische en verhalende prenten... Amsterdam/Antwerpen, 1970. p. 110, p. 122, (platen), p. 113-151 (tekst). Het in de literatuur wel aangegeven verband tussen de 19 e-eeuws e cents-prent en de strip is m.i. minder duidelijk.
(12)Maarten Rooy, Het economisch-sociale beeld van het dagbladbedrijf in Nederland, Leiden 1956. Proefschrift Rotterdam, Passim, vooral u. 66, 67.
(13)De geg evens voor dit artikel werden bijeengegaard tijdens een onderzoek in een aantal Nederlandse kranten. Zij bevinden zich in de kollektie der Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.
Algemeen Handelsblad 1967-1971; Arnhems Dagblad 1946-1950; Eindhovensche en Meierijsche Courant 1934-1940; Gazet van Limburg 1947-1954; Leidsch Dagblad 1968-1971; Het Nationale Dagblad 1936-1941; Nieuwe Haarlemse Courant 1920-1941; Nieuwe Rotterdamsche Courant (nu gekombineerd met het Algemeen Handelsblad) 1969-1971; De Oost-Gelderlander 1946-1950; Provinciale Groninger Courant 1920-1935; De Residentie Bode 1920-1940; De Telegraaf 1920-1971; De Tribune (later Het Volksdagblad) 1930-1940; De Tijd (De Tijd - De Maasbode) 1965-1969; Utrechtsch Nieuwsblad 1963-1971; Het Vaderland 1968-1971; Ve luwe en IJsselbo de 1948-1953; De Volkskrant 1954-1971; Voorwaarts 1920-1944; Het Vrije Volk 1952-1963; De Waarheid 1945-1957. De door mij geraadpleegde boeken zijn alle aanwezig in de kollektie van de Koninklijke Bibliotheek.
(14)S.v.S. p. 67. Ik heb dit niet kunnen nagaan, daar deze krant in de Koninklijke Bibliotheek ontbreekt.
(15)Buster Brown is een strip uit het begin van deze eeuw van R.F. Outcault. In de jaren d ertig wordt zij st erk ge wijzigd voortgezet door Martin Branner als Winnie Winkle, in Nederland verschijnt dit verhaal aanvankelijk vertaald als Sjors van de Rebellenclub in De Humorist van de Week vanaf 1931. In 1936 verschijnt h et weekblad Sjors en zet Frans Piët de strip voort. Kort geleden heeft Piët na 33 jaar Sjors getekend te hebben de strip de rug toegekeerd en hem overgedragen aan Jan Kruis, die het weer in een heel andere, modernere richting zoekt. Deze is inmiddels ook al weer met het verhaal gestopt en Jan Steeman heeft het overgenomen. Zie ook George Perry en Alan Aldridge, The penguin book of comics, London 1967, p. 102, 104, 105, 124, 125. Stripschrift nr. 17, mei 1970, bijlage Sjors van de rebellenclub. Voor Jan Kruis, zie Rob van Eyck, Jan Kruis, ‘ Ik ben toch teveel illustrator om me helemaal aan een strip op te hangen’,
Stripschrift 25-26, jan.-febr. 1971, p. 32-35.
(17)Vermoedelijk Theodorus Fran cis cus Funke, gen. Küpper, zie ook: Pieter A. S cheen, Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars, 1750-1950, 's-Gravenhage 1969-'70, p. 356.
(19)Bijv. Inspecteur Charlie Chan van Alfred Andriola in Voorwaarts.
(20)In Toonders Panda en de Meester-Edelman en Panda en de Meester-Gemaskerde ontmoet het kleine Pandabeertje Joris Goedbloed van Malpertuus (een vos) en Graaf Isengrim (een wolf) en Hertog Bruno (een beer), t erwijl de koning een leeuw is (zie afb. 12).
(21)G. P erry en A. Aldridge o.c.p. 68, 77 en 204. Cornelius Rogge, B.B. 50 jaar ‘kind’ va n Mary To urtel geado pteerd doo r Alfred Bestall, Stripschrift 18, juni 1970 (Bruintje Beer-nummer) p. 6-11.
(23)Zie ook S.v.S. p. 75-78.
(26)Het eerste verhaal vers cheen eerst in de Weekrevue ‘ De Prins’ v.a. 20 juli 1940. Gegevens over Mazure en Di ck B os zijn te vinden in Stripschrift 29/30, mei-juni 1971, p. 54-20.
A. Reijnhoudt, Het liefdeleven van Dick Bos, Stripschrift, 8/9 sept. 1969, p. 4.
Bram Bruins, Enkele bijdragen tot beter begrip van Dick Bos en zijn werken, Stripschrift 4/5, dec. 1968, pg. 9-11.
(27)Deze strip wordt behandeld in Stripschrift nr. 16, april 1970, bijlage Secret Agent X9 ‘He t masker’, met inleiding door J.H. de Boer.
(28)Chester Gould The celebrated cases of Dick Tracy, 1931-1951. Ed. by Herb Galewitz. Intr. by Ellery Queen. New York, 1970.
(29)Theun de Winter, Het denkraam van Marten Toonder. Een weekend bij de maker van HP's weekstrip, HP/Magazine 3-9 de c. 1969, p. 49-53.
(30)Gegevens over Marten Toonder kan men o.a. vinden in S.v.S. p. 82, 83, 142-145 passim, p. 132, 125, 127. De uitleiding van Jan Gerhard Toonder in Martens bundel: Een Heer moet alles alleen doen, Amsterdam, 1969, p. 211-228
Theun de Winter o.c.
Stripschrift passim.
Beknopte striptologie zijnde een poging tot verheldering bij de bestudering van de oudste verhaalvorm die de mensheid kent, uit tekenluiheid in eenvoudig letterschrift opgesteld [door Marten Toonder].
Proostprikkels 261, Amsterdam februari 1962. Vooral p. 16-18.
(31)H.R. Mondria, Bibliografie in Martens bundel Geld speelt geen rol, Amsterdam, 1968, p. 269-288. H.R. Mondria, uitgebreide Bommelbibliografie, Stripschrift 8/9, september 1969, p. 8-11.
Marten Toonder, Naschrift, in zijn bundel: Een eenvoudige doch voedzame maaltijd, Amsterdam, 1970, p. [209-211].
D. Overkleefh, Ernst en on-ernst, Raam 52, februari 1969, p. 31-37.
H.R. Mondria, Tom Poes, Stripschrift 4/5, dec. 1968, p. 15-16 en 6 april 1969, p. [8].
(32)T. van der Kamp, Hollewijn behoeft geen krans, Stripschrift 12, de c. 1969, p. 10-12.
G.J. Hungerink, ‘Dag’tallen uit het bewind van Koning Hollewijn. Stripschrift 12, de cember 1969, p. 13.
‘Ik vind strips tekenen gewoon leuk’ zegt Aram-tekenaar Piet Wijn. Stripschrift 10, okt. 1969, p. 10-11.
(33)R.H. Fu chs, Panda of de overwinning van het burgerlijk fatsoen, Stripschrift 15, maart 1970, p. 8-10. Zie ook noot 20.
(34)Rob van Eyck, Lo Hartog van Banda ‘Het brein achter talloze strips’, Stripschrift 23, november 1970, p. 8-11.
(35)Hans Ramaer, Kappie of de ontmaskering van het onbenul, Stripschrift 23, november 1970, p. 14-17.
(36)Jan Gerhard Toonder o.c., p. 226.
(37)Henk Kabos (in gesprek met red. Stripschrift) Ik tekende Tekko omdat het zo nodig moest, Stripschrift 14, februari 1970, p. 8-9.
S.v.S., p. 128, 127, 139, 124, 148.
(38)S.v.S., p. 148, ‘Ik vind strips tekenen gewoon leuk’ zegt Aram-tekenaar Piet Wijn. Stripschrift 10, oktober 1969, p. 10-11.
J.J.N., Aram & Co., Stripschrift 6, april 1969 p. [3].
(39)Deze strip besloeg de hele achterkant van het weekblad De Spiegel. Toen dit blad ter ziele ging, verdween helaas ook de strip.
(41)P. Hans Frankfurter, Voorwoord in De Avonturen van Kapitein Rob (heruitgave) Laren, c. 1968, deel 1-8.
Margar etha Kuhn-Groenewoud, lets over de geestelijke vader, in De Avonturen van Kapitein Rob, Laren c. 1970, deel 10-21.
PHF (= P. Hans Frankfurter) Van Norden zag er wel wat in, maar dan niet met balloons!, Stripschrift 24 (Kapitein Rob-nummer) december 1970, p. 4-11.
Ann emarie Kindt, Science Fiction in de nederlandse strip, Stripschrift 31/32, juli/augustus 1971 (Scienc e-fictionnummer) p. 12-13.
Don van der Veer, Strips en stereotiepen, Stripschrift 4/5, december 1968, p. 6-7.
Kronk el (Simon Carmiggelt), Dag Rob (heruitg.) Stripschrift 11, november 1969, p. 4 (eerder verschenen in Het Parool).
(42)Stripschrift 25/26 (Kresse-nummer) p. 4-26. Met diverse bijdragen.
(44)De lotgevallen van een boskabouter getekend en verteld door Jean Dulieu, Stripschrift 19 (Paulusnummer) juli 1970, p. 8-10.
(45)Zi e ook S.v.S., p. 84.
(50)R. van Eyck, Dick Matena, neemt Nederland de fakkel over? Stripschrift 16, april 1970, p. 6-7.
(51)Rob van Eyck, Martin Lodewijk, ‘Ik teken niet graag’, Stripschrift 29/30, m ei/juni 1971 (Dick
Bosnummer), p. [10-13].
(52)Rudolf G eel, Kraaienhove, of de overwinning op de wetenschap, Stripschrift 11, november 1969, p. 10-13. Volgens S.v.S., p. 127, verschijnt deze strip van 21-12-62 in Het Parool, dit moet 21-12-61 zijn.
(53)Vouwblad uitgegeven bij de tentoonstelling Wordt Vervolgd, Rotterdamse kunstkring 17-2 tot 31-3-1971, Lijnbaancentrum Rotterdam.
Rob van Eyck, Theo van den Boogaard, Stripschrift 17,, mei 1970, p. 10-11.
(54)Rob van Eyck, Lo Hartog van Banda, ‘Het brein achter talloze strips’, Stripschrift 23, november 1970, p. 8-11.
H. van den Ham, Iris ironisch? Stripschrift 4/5, december 1968, p. 23.
(55)Dany de Laet, Het beeldverhaal in Vlaanderen, in Kees Kousemaker en Maria Willems, Strip voor strip, een verkenningstocht, Amsterdam 1970, p. 92-107.
Franquin et Gillain répondent aux questions de Philippe Vandooren, comment on devient créateur de bandes dessinés, Verviers, 1969.
|
|