Ons Erfdeel. Jaargang 17


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 17. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonk-dorp 1974


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

De verfransing van Noord-Frankrijk.

De bekende en hoogstwaarschijnlijk beste toponymist van onze Lage Landen heeft in dit artikel, hoofdzakelijk op grond van de toponymie, de vooruitschrijdende romanizering van de Franse Nederlanden door de eeuwen heen op de voet gevolgd, U leest ‘hoofdzakelijk’, omdat de auteur, vooral voor de latere eeuwen, gelukkig maar, ook uitgaat van andere bronnen en getuigenissen.

Gysseling begint met het boeiende feit te konstateren dat Artezië en het Boonse, afgezien van het noordelijke poldergebied, tijdens de Romeinse bezetting sterker geromanizeerd geweest zal zijn als de Vlaamse Westhoek in Frankrijk. Dit blijkt uit de dichtheid van plaatsnamen op -iacum in het eerstgenoemde gebied, terwijl die eerder zeldzaam zijn in Vlaanderen. Toch is het Romaans in Noordelijk Artezië te gronde gegaan in de Merovingische tijd, door Germaanse kolonizatie zowel over land als vanuit de zee. En al is die germanizering natuurlijk niet op slag tot stand gekomen, toch is die vrij vlug een feit geworden. De taalgrens, of liever taalgrenszone uit de achtste eeuw, is vrij duidelijk aan te wijzen door ontwikkeling van de -iacum-namen in Germaanse vorm in het noorden en in Romaanse vorm in het zuiden. Die taalgrens valt samen met de bekende scheidingslijn tussen de noordelijke hem-namen en de zuidelijke court-namen. Ofschoon hier en

[p. 796]

daar Romaanse of Germaanse voorposten even van die lijn afwijken, kunnen we toch zeggen dat die taalgrenszone al ten zuiden van de Kwintemonding begint, bijv. bij Waben, dat nog zuidelijker ligt als Berck, maar dan alleen als een kuststrook, verder langs de Kwinte tot aan monding van de Créquoise, verder langs de Créquoise naar Fruges toe, en vandaar over Bethune en Rijsel naar Moeskroen en Aat. Enkele Romaanse taaleilandjes zijn bijv. bij Estrée en Estréelles langs de Course nabij Monsterhole, Rumilly, Fruges zelf, en Lugy vlak in de buurt, en vooral een strook lopend van Meregem, Stegers, Sailly tot Fleurbaix in de buurt van de Leie; deze laatste waarschijnlijk vanwege de moerassige omgeving, al blijkt deze streek in de Merovingische tijd eerder tweetalig geweest te zijn: Fleurbaix is oorspronkelijk kennelijk een beke-naam. De talloze thun-namen in het Boonse en verder zelfs tot Fouquetun (Sint-Venants) en Waasten, wijzen op een Anglo-Saksische immigratie in 7e en 8e eeuw. Ook de plaatsnaam Haute-Grève (Hochreve in ± 1170) bij Acquin en de apokope van strate tot straat in Kales en Sint-Omaars in 12e en 13e eeuw wijzen op Engelse invloed. Toch is die streek nooit Engels maar altijd zuiver Nederlands geweest.

 

Al in de 9e eeuw vallen Romaanse kolonizering en gewoon romanizering te bespeuren: bijv. Hosmond, dat vroeger Hethenasberg heette, en ook Le Waast en zelfs Coulogne tot bij Kales, terwijl Kales in de 13e eeuw zeker weer helemaal tot het Nederlandse taalgebied hoorde. Voor het overige zal het hele besproken gegermanizeerde gebied wel lange eeuwen Nederlands gebleven zijn. Pas in de 11e eeuw ontwaren we een grootscheepse romanizering, te herkennen aan het ontstaan van toponiemen op -ville die doorgaans niet ouder zijn als de 11e eeuw. Ze komen vooral voor in het vroegere graafschap Bonen en weinig of niet in Ternasland, misschien omdat juist de graaf van Bonen Romaanssprekende pioniers naar z'n gebied aangetrokken heeft. Vandaar precies de naam Conteville misschien, uit het eind van de 11e eeuw. Hetzelfde kan gezegd worden van de namen op -mes (mansus) en -maisnil (mansionile), alsook van andere Romaanse namen zoals die op -val, al werd een Romaans achtervoegsel als sart (gerooid bos) ook wel als leenwoord gebruikt in Nederlands gebied zoals Davidsart in de buurt van Ferques.

 

In de 12e eeuw treedt dan een Romaanse klankevolutie op bij Germaanse toponiemen. Maar hierbij moeten we voorzichtig zijn om daaruit tot werkelijke romanizering van die plaatsen te besluiten, omdat die soms alleen wijzen op een verfransing van hogere standen, terwijl het gewone volk nog eeuwen lang sterk Nederlands blijkt te zijn. Dit is het geval met de Romaanse klankevolutie die waar te nemen is in plaatsnamen als Tournehem, Pihem, Journy of Guémy. In de 13e eeuw zal namelijk het Frans het Latijn als officiële taal opvolgen in het hele gebied ten westen van de A, en zelfs in leper... Veiliger is het om na te gaan in welke streek al Romaanse familienamen in zwang geraakt zijn, als aanwijzing voor de werkelijke taaltoestand. En dat is in de 12e eeuw het geval met een heel gebled in de buurt van Ariën (Roquetoire, Guarbecque).

De romanizering van het Boonse blijkt uit Ponthieu herkomstig te zijn terwijl die van Ternasland en Artezië uit hun eigen zuidelijk Romaanse gebied. Het Romaanse reliktgebied aan de Leie blijkt zelfs in 11e en 12e eeuw naar de Leie toe ingekrompen te zijn. Het Nederlands houdt vrij goed stand langs een strook die loopt van Marquise naar Lumbres. Zo worden de rechtszittingen in de abdij van Andres in de 13e eeuw uitsluitend in het Nederlands gehouden en zijn de plaatsnamen tussen Marquise en Wijnen (Guines) zuiver Nederlands. Hetzelfde is zelfs in de 15e eeuw nog waar voor de streek van Quelmes en Boisdinghem. Kales is zeker tot het einde van de 13e eeuw nog uitsluitend Nederlands en Marcq blijkt nog sterk Nederlands in de 14e eeuw. Wat Sint-Omaars betreft: al is hier vanaf de 13e eeuw het Frans de officiële taal, toch blijkt alleen de hogere stand verfranst vanaf die tijd, terwijl het gewone volk zeker tot in de 17e eeuw z'n eigen taal blijft spreken: in de 19e eeuw hield het Vlaams nog stand in Lijzel en Hoogbrug: twee oostelijke wijken van die stad. Het land van Bredenaarde (Ouderwijk en omgeving) was nog niet helemaal verfranst in 1772.

 

Ondanks de officiële Franse taal van het gebied ten westen van de A zijn er merkwaardig genoeg Nederlandse teksten bewaard uit Polincove van 1602-1615 en uit Sint-Volkwin van 1637-1638. Sperleke is nog duidelijk tweetalig midden in de 18e eeuw in Rumingem verliest pas z'n oude taal in de 19e eeuw.

 

Hierna bespreekt Gysseling de verfransing van het stuk Vlaanderen dat door Lodewijk XIV ingepalmd werd: de Vlaamse West-

[p. 797]

hoek in Frankrijk. Tot aan de Franse Revolutie bestond er alleen en in beperkte mate taaldwang wat de ambtelijke schrijftaal betrof, en niet eens in de plaatselijke besturen of gerechten. Vanaf 1794 wordt de administratie verfranst terwijl het onderwijs pas goed vanaf 1833 deze taaldwang ondergaat. Vanaf 1854 moet zelfs de katechismus tweetalig worden en in 1890 werden Vlaamse preek en Vlaams katechismusonderricht verboden. Ondertussen zijn beide ondanks broodroof en vervolging veelal blijven doorgaan, meestal tot aan de tweede wereldoorlog. De Vlaamse Beweging in Frankrijk (vanaf 1853) heeft weinig kunnen bereiken.

 

In de loop van de 19e eeuw werden Broekburg en Duinkerke nog grotendeels verfranst, maar sindsdien is de taalgrens nagenoeg onveranderd gebleven. ‘De aanvreting gebeurt nu van binnen uit’ zegt Gysseling terecht. Alleen Nederlands onderwijs kan de eigen taal in Zuid-Vlaanderen nog redden, maar het is de hoogste tijd.

 

De auteur zal me wel toestaan om tot slot enkele bedenkingen te uiten. Vooreerst valt het op dat Gysseling in veel gevallen de romanizering later dateert in dit artikel als in z'n Toponymisch Woordenboek. Vervolgens mis ik in z'n studie de taalevolutie in de streek ten zuiden van de Leie tussen Armentiers en Halewijn. Wat bijv. Komen betreft, pas vanaf 1722 wordt er de eed van de schepenen ook in het Frans vertaald en nog in 1770 wordt er een Vlaamse kapelaan geëist. (Zie: A. Schoonheere, Histoire du vieux Comines, Rijsel, 1951, blz. 186). Van de hervernederlandsing van het genoemde gebied, tot in Rijsel toe, is er ook jammer genoeg geen sprake. Tenslotte, wat de bewuste verfransingspolitiek van de Zuidvlaamse Westhoek betreft, blijkt Gysseling, m.i. ten onrechte, meer vertrouwen te stellen in het werk van Coornaert als in dat van Verbeke. Zo is het besluit van de Conseil Académique du Nord van 1853 duidelijk veel nefaster geweest voor het Nederlands onderwijs als de wet Montalivet van 1833. Want niet alleen moest de katechismus voortaan tweetalig worden, maar alle Nederlands onderwijs werd nu radikaal geweerd. Ook na 1833 blijken Léonard Boones boeken, niet alleen z'n dictionnaire français-flamand, maar ook z'n leesboek ‘Den nieuwe Kabinet’ op school gebruikt te worden, zoals we kunnen opmaken uit het boek ‘Les Flamands de France’ van L. de Baecker, blz. 226, uitgegeven in 1850. Coornaert beweert ten onrechte dat Den nieuwe Kabinet een vertaalwoordenboek was (La Flandre française de langue flamande, blz. 226). Zo kunnen we ook beter aannemen dat het Comité Flamand de France grotendeels uit reaktie tegen het schandelijk besluit van 1853 ontstaan is.

 

C. Moeyaert

 

M. Gysseling, De verfransing van Noord-Frankrijk. Overdruk uit Naamkunde, 4e jg. (1972), afl. 1-2, blz. 53-70.