Ons Erfdeel. Jaargang 21


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 21. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer 1978


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Paul van den Abeele: een gelukkige akwarellist.

Pablo Picasso, zaliger, moet eens gezegd hebben, dat er op onze wereld twee soorten van ongelukkige mensen rondlopen: tandartsen en fotografen, want tandartsen willen altijd dokters zijn en fotografen altijd schilders.

 

Wat u daar ook van denkt (en misschien verwondert u zich mét mij over het feit dat Pablo het rijke assortiment gefrustreerden tot slechts twee groepen beperkt), in elk geval is het zeker dat de uitspraak niet toepasselijk is op de 50-jarige Vlaamse fotograaf, schilder, tekenaar en akwarellist Paul van den Abeele, die in september 1977 in het Vlaams-Brabantse kultureel Centrum

[p. 280]



illustratie

‘Zelfportret’ (akwarel)
door Paul van den Abeele.


Westrand te Dilbeek zoveel sukses heeft geoogst met een akwarellen-tentoonstelling.

Paul van den Abeele is geen fotograaf die onherstelbaar gebukt gaat onder een plastische droom: hij had al een schildersezel toen hij nog met de reportage-auto moest leren rijden. Hij is fotograaf geworden omdat hij kon tekenen. En zijn droom, die ook de kunstrichting heeft gekozen, heeft er een aforisme van gemaakt: ‘Een goede fotograaf moet kunnen tekenen’.

Ondergetekende die zich al zo'n dertig jaar de journalistieke kollega van Paul van den Abeele mag noemen, heeft hem altijd gezien als een Siamese tweeling onder één hoedje: een Paul en een Tegenpaul, een Noordpaul en een Zuidpaul, die goed samenwerken. De ene is de nerveuze beeldenjager, die altijd maar heen en weer wipt te midden van de mensheid, de andere is de rustzoeker, die de verbroken harmonie wil herstellen in simpele vormen, olijke verbeelding en kleuren, die wel eens geheim en heimwee oproepen, maar altijd troostend blijven. Beide Paulen zijn onafscheidelijk en de ene kan niet zonder de andere en omgekeerd.

Paul van den Abeele is in 1927 in Aalst geboren, als de zoon van een steenhouwer. Zijn aanleg voor het ambachtelijke en zijn tekenlust brachten hem naar de stedelijke akademie. Maar het was oorlog en Paul moest al vroeg een baantje zoeken. Hij vond het bij een fotograaf, als retoucheur. In 1947, toen het dagblad De Standaard in Brussel een nieuwe start kon nemen, werd hij daar dank zij een vriend als piepjong fotoreporter geëngageerd. Het was voor de Vlaamse journalistiek een pionierstijd, met veel moeilijkheden en weinig middelen en Van den Abeele moest zijn beroep, nee, zijn kunst, met de ogen stelen.

Vol jeugdsentiment bekijkt hij nu de vele schetsboeken die hij toen heeft volgetekend, terwijl hij in de reportagewagen door het land snelde. De fotograaf was altijd vergezeld door de tekenaar die, tussen twee ronden van de roemruchte Vlaamse ‘klassieker’ in, telkens weer ontsnapte in de richting van het dichtsbijzijnde museum of het schildersatelier van de plaatselijke Rubens. Tussendoor trok hij naar het Vrije Atelier in Woluwe, waar hij o.m. met Edgar Tytgat mocht werken, een man die hij altijd is blijven bewonderen om zijn eenvoud en zijn verteltrant, die zo dicht bij de oude volkskunst aansluiten. Géén ander heeft zo'n diepe invloed op hem uitgeoefend.

Tot nog toe heeft de druk werkende Van den Abeele maar weinig werk uit zijn atelier verkocht, al gunt hij ons af en toe een tentoonstelling. Zo heeft hij thuis in Aalst een vrij grote serie schilderijen staan. Hij bewaart ze rustig, ten eerste omdat er zoete soevenirs bij zijn, ten tweede omdat hij ze nog eens, zoals dat in schilderstaal heet, wil ‘herpakken’. Voor deze zenuwachtige, snelle reporter en voorzichtige kunstenaar is ‘herpakken’ een van de sleutelwoorden.

In zijn kollektie zitten zowel portretten als landschappen, interieurs van kerken als details van wandtapijten, die hij alle op zijn manier interpreteert. En al dit werk is gestyleerd, soms tot een bijna abstrakte konstruktie herleid en geschilderd in zachte kleurvlakken.

Wat hij wél onder het publiek

[p. 281]



illustratie

Uit de reeks:
‘Comment peut-on être Persan?’ (akwarel)
door Paul van den Abeele.


heeft gebracht (buiten zijn acht fotoboeken), dat zijn de mappen met lino's bij gedichten van Gery Helderenberg, bij een beschrijving van Aalst door een andere streekgenoot, Louis-Paul Boon, of bij de tekst over de Liefde van zijn geliefde patroonheilige. Ook heeft hij etsen gemaakt.

Urbain van de Voorde, die hij jarenlang als kunstkritikus bij de krant heeft gekend, vond dat zijn ‘hang naar samenvatting’ het meest tot uiting is gekomen in de lino's. Hij had ook woorden van lof voor de etsen die ‘in enkele essentiële lijnen het onderwerp sprekend tot zijn recht laten komen’. Van de Voorde dacht, dat de toekomstmogelijkheden van Paul van den Abeele vooral in de grafiek lagen. En dat hebben anderen na hem gedacht. Misschien een beetje dààrom heeft hij zich sindsdien nog méér dan vroeger naar het genre begeven waarin tekening en kleur innig samenwerken...

 

De laatste tien jaar heeft Van den Abeele zich inderdaad op akwarellen toegelegd, een aktiviteit die hij einde 1974 nog op de spits heeft gedreven. Deze tweede periode is begonnen onder de invloed van sommige naïeven, die hem op hun beurt tot verzet tegen een bepaalde kunstmatigheid aanspoorden. Het was alsof hij, die zo kon aarzelen en zoeken, nu ineens in het subtiele genre van de akwarel ‘zijn draai had gevonden’.

 

Het verschil met zijn vroegere schilderijen is nu dat zijn jongste prenten niet meer zo'n bedachte konstrukties zijn, maar dat zij voortkomen uit een frisse inspiratie, terwijl zij ook naïever van stijl en vaak bovendien geestig zijn. Die inspiratie weerhield hem er niet van ook zijn akwarellen zorgvuldig op te bouwen en ‘herpakken’. Een deel ervan is geïnspireerd door zijn lektuur. Want deze visueel ingestelde man is een verslinder van lees- en lettertekens, vooral in boeken als Les Lettres Persanes en Candide. Zijn bedoeling was niét, deze werken te illustreren: hij nam ze eerder als aanleiding voor prenten waarin hij een kleurig spelletje speelde, met zichzelf als één der personages.

Er heeft in het werk van Paul van den Abeele altijd wel een speels element gezeten, iets humoristisch en relativerends - en dat komt nu meer naar voren. Graag maakte hij varianten op bekende tema's of figuren van grote voorgangers. Op zijn manier tekende hij een zelfportret van Rubens na en gaf de Sinjoor het aangezicht van ene Van den Abeele, alsof hij wilde spotten met zijn eigen artistieke ambities.

Wanneer Salomé als honorarium voor haar optreden in een Strauss-operette het hoofd van Johannes de Doper voorgeschoteld krijgt, blijkt dat afgekapte hoofd treffend op dat van Paul te gelijken. Hier moet onmiddellijk aan worden toegevoegd, dat Salomé het aangezicht heeft van zijn vrouw. (En let eens op die grote verwonderde ogen waarmee zij u, net als zovele van zijn personages, aankijkt). Ook tijdgenoten zijn voor de minzame koppensneller niet veilig. Als hij de borstbeelden in de Brusselse Warande, vóór het parlement, op papier brengt, geeft hij hun de gelaatstrekken van onze achtereenvolgende ministers van kultuur. Maar de spotlust van deze Aalstenaar, die zo graag naar karnaval kijkt, is nooit bits. Wie hem kent, weet dat zijn meest gebruikte stopwoord luidt: ‘Ach

[p. 282]

ja, man...’. Menig gesprek, waarin hij de wereld met een vlammenwerper uitroeit, beëindigt hij met dat ‘Ach ja...’. En dat zal ook wel het woord geweest zijn, dat die oudere gebaarde man sprak die hij in de Warande op een bank heeft neergezet, lezend in het rode boekje van voorzitter Mao. Anarchist met rust heet die prent.

 

Sommige akwarellen zijn gebaseerd op ervaringen uit zijn reportersleven. De meeste echter stellen gebouwen en monumenten voor of pittoreske plekjes, die hij met zijn fototoestel heeft verzameld en later op het tekenpapier weer heeft opgebouwd en geürbaniseerd naar eigen inzicht en droom. Het zijn huizen, bomen en parken, die hij uit de banale realiteit knipt en die hij door middel van wat lijnen en kleuren een ziel onder hun dakpannen stopt of over hun bladeren legt.

 

Van den Abeele dramatiseert af en toe, meestal niet. Hij wil alles rustiger en eenvoudiger maken. De dramatiek wordt stilgelegd, statisch gemaakt. Wel wordt alles wat vreemder, wat irreëel, soms angstaanjagend in... zijn vriendelijkheid. De huizen hangen niet meer af van de mensen die ze bewonen. Ze leiden een eigen vreemd leven, dat buiten de aktualiteit is gaan staan. Het zijn de buitenverblijven van de nieuwsjager, die de wereld van het dramatische krantenpapier ontvlucht in de wereld achter het witte tekenpapier. Maar in die rust blijft vaak, ‘ergens’, iets onrustigs meetrillen.

Paul van den Abeele heeft in zijn akwarellen een harmonie en een atmosfeer gevonden, die hij vroeger vanuit andere richtingen moeizamer benaderde. Noorden Zuidpaul hebben elkaar zodanig geholpen, dat de kunstenaar onlangs de schokkende verklaring aflegde: ‘Ik ben een gelukkig man’.

 

Gaston Durnez.