Ons Erfdeel. Jaargang 21


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 21. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer 1978


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 579]

Kulturele kroniek

[p. 580]

Literatuur

Walter Haesaert: Langzaam naar het zand.

Een eerste poging om je in te leven in Walter Haesaerts jongste dichtbundel Langzaam naar het zand laat je met beslagen brilleglazen in een mistlandschap achter. Je krijgt zelfs even de indruk op enkele kilometers van de begane grond in een ijlte rond te zweven, maar als - na herhaalde lezing - de zon door de wolken breekt en de nevels optrekken, tekenen zich de kontoeren van een wonderlijke wereld af. Waarmee ik maar zeggen wil, dat Walter Haesaert een heel estetische poëzie schrijft, sterk verhullend en verguldend, abstrakt, verijld en ogenschijnlijk een tikje wereldvreemd, waarin weinig sporen van konkrete en direkte werkelijkheidsweergave te onderkennen zijn. De dichter beaamt dit trouwens: ‘(...) de lange / nevel hult in hulzen wat ik zeggen wil.’ (p. 16). Walter Haesaerts ‘werkelijkheid’ is een verdroomde, eterische, ja mytische werald, waarin motieven als tederheid, stilte, zon, zomer, dieren (paard), regen, droefheid, angst en dood dualistisch afwisselend als sleutelwoorden fungeren.

 

‘In zijn warme, en thans volle en geschakeerde taalakkoorden’, schrijft Eric van Ruysbeek in een publicitaire tekst ‘bezingt hij vreugde en leed, melancholie en prille verwondering, doch wat ook zijn thema's wezen, steeds komen ze tot ons of verwijderen zich van ons achter een fascinerende waas van mysterie. Dit volgt uit het feit dat hij zijn gegevens niet rechtstreeks behandelt, doch steeds elke emotie, elke gedachte, elke sensatie en elke intuïtie transponeert in beelden, symbolen en subtiele taalschermen. Zo kan men deze gedichten zo dikwijls lezen als men wil: nooit geven ze hun intieme geheimen geheel prijs.’ Een weinig aantrekkelijk vooruitzicht voor de recensent, lezer, jawel, maar een uitspraak van Rutger Kopland geeft mij nieuwe moed: ‘Als het goed is, blijft de lezer na het lezen van poëzie met vragen zitten, met zinnen die hij niet kwijt kan raken. Een gedicht moet voor mij een vragende kracht bezitten, moet mij aansporen tot nader onderzoek. Het is wat er niét staat, het oningevulde, wat mij intrigeert.’ Terzake dus.

 

Walter Haesaert heeft zijn bundel streng symmetrisch gestruktureerd in een inleidende cyklus van vijf gedichten, waarvan het titelgedicht apart vooraan is geplaatst, een middenluik van driemaal zes gedichten en een sluitstuk van weer vijf gedichten. De hoofdtematiek van geboren worden, leven en sterven zit al anticiperend besloten in het aanvangsgedicht Langzaam naar het zand, dat in de O.V.T. is gesteld. Het gedicht evokeert immers geboorte en euforisch leven (jeugd): ‘Het zand liep heerlijk in die dagen. / Er bleef geen taal, geen woord als hinder / in mijn stilte. (...)’ (p. 5). Aan het slot duikt echter ongenadig het verglijden van de tijd op, verbeeld in de zandloper waaruit langzaam de korrels lopen die zich ophopen en verwijden tot cirkel:

 
Het zand liep langzaam
 
naar het zand, de korrels
 
werden cirkel.

In het mytische denken is de cirkel het steeds weerkerend oersymbool. Een beeld, gekopieerd naar de zon die in de dagelijkse wenteling van opgang (geboorte), via hoogste punt (leven) naar ondergang (dood) ook de eeuwige kringloop van de tijd symboliseert. (Het is trouwens merkwaardig hoe vaak het cirkelbeeld van de zon in Haesaerts gedichten voorkomt.) Zo is het beeld van het zand tegelijk symbool van de verglijdende tijd én van de dood.

 

De vier daaropvolgende gedichten dragen in hun titel éénmaal een stofnaam: zilver, en driemaal een dierenaam: paard, zwaluw, vlinder. De eerste twee worden gevolgd door de abstrakte substantieven: tederheid en droefheid (sleutelwoorden); de twee andere door aarde en adem (levenwekkende symbolen). Het gedicht Het zilver tederheid evokeert ontvangenis en geboorte: ‘Het zilver tederheid ontvangt mij hagelwit / en donzig als een wolk, voordat zij / morgen uitbarst in een regenbui.’ (p. 9). Een uitnodiging tevens om in het vaderhuis te verblijven: ‘Kom hier naast mij aan tafel. / Drink enkel wijn uit zilver tederheid. / En blijf. Gewoon. Verblijf. / Het remspoor tijd verdwijnt.’ (p. 9). Dit laatste vers introduceert het opheffen van de tijd, de mytische tijdeloosheid van de jeugd, die niettemin, vanuit het bewustzijn van de dichter nu, overschaduwd wordt door een fatalistisch levensgevoel: ‘(...) De trage / inspraak van de worm is te versmaden / en de noodzaak van een wonder / is niet zichtbaar.’ (Het paard droefheid, p. 10) ‘En zo werd ik geboren, glad en vloeibaar / in het huis dat eens mijns vaders was. / Nachten in het duister starend, wachtend op / niemand, tenzij op Iemand.’ (Mijn vlinder adem, p. 12). Iemand: de Dood, het zand.

 

In de cyklus Met het oog op warmte overweegt de dichter ‘tonnen / tedere adem rond (zijn) lichaam op te slaan’, want ‘de winter is nog lang’; met het oog op warmte, geborgenheid en stilte (= geluksmomenten) zal hij ‘de lampen van de rust naar binnen halen (...)’ (p. 15). Soms beleeft hij de vreugde van zon en zomer, zoals in het mooie Ik woon te midden van een boom (p. 17):

 
Wanneer de weegbree breder wordt
 
het stof der landerijen vloeibaar of bijna,
 
adem dan mee met mij de trage
 
niets ontziende vreugde van een zomer.
 
Maar toch:
[p. 581]
 
(...)
 
weet dat verdriet en liefde uit hetzelfde
 
bed te pletter vallen, in de etter van de dood.

Soms vlucht hij in een droomwereld ‘van wondere zomers’ (p. 16), vindt hij vertroosting bij zijn geliefde paarden (‘Ik hoor de takjes kraken / onder de teerste hoeven’ (p. 18) zoekt hij soelaas in de liefde’ (‘als ik de slaap niet vind tussen / de vezels van een nacht, denk ik aan jou / en aan je ledematen’ (p. 19) of in zijn dichterschap: ‘Er zijn weer nieuwe woorden / in de maak: verwonderd licht na dagenlange / nachten, dood verkleed in wijde broek / naast feestjapon. (...)’ (p. 21).

 

In de cyklus Van levend gras verwijlt de dichter even in zijn Umwelt, bevindt hij zich onder de mensen: ‘In mijn armen fok ik rustig / vuur en water, kat en hond, / en ook nog mensen.’ (p. 26). Uit dit laatste vers klinkt een vage misantropie op die zich herhaalt in een fatalistisch pessimisme: ‘Niets is belangrijk, / niemand aardig (...)’ (p. 27). - ‘Alsof ik vrienden had, / of andere narigheden.’ (p. 29).

 

De cyklus Nacht en dag bezingt de kortstondige vreugde van stilte, rust, zon en zomer, alternerend met de melancholie om de regen, de nacht, de herfst en de alomtegenwoordige angst voor de dood. Deze angst wordt op een morbide, sterk in de verlenglijn van Paul Snoeks Gedrichten liggende wijze uitgebeeld in het m.i. mooiste, maar ook meest konkrete gedicht uit de bundel: ‘Ik verblijf met vrienden’ (p. 37).

 
Ik verblijf met vrienden in een somber
 
klooster waar we veel verzwijgen.
 
De lange tafel in geharnast
 
eikenhout, vergast de gasten op de fijnste
 
molm. Dan met een klaarziend
 
oog schuift men de leegte in de borden.
 
Tedere forellen kijken in de richting
 
van de stilte, levenslang.
 
En in de droge witte wijn
 
is een vermoeide traan van haar nog
 
nauwelijks, wat smaak betreft, te onderscheiden.
 
 
 
Niemand spint zijn woorden in.
 
Aan de klank van de vorken te horen,
 
ontbreekt de honger volledig. Maar de dorst is
 
er zodat ik mijn breekbare lippen
 
in wijn laat verdrinken. De anjers die ik
 
naar haar had genoemd, zijn
 
nu gedoemd kortstondig te sterven.
 
 
 
Achter en onder het mes van de griezel
 
sluipen er mieren, het vlees is
 
tot vezel herleid, de saus te opdringerig.
 
 
 
Aan de deuren rukt een nachtelijke wind
 
dermate dat de angst de vormen aanneemt van
 
een nagerecht: veelkleurig fruit,
 
natuurlijk ijs en het gerucht daarbuiten.
 
 
 
De stemmen van de gasten vragen zacht
 
maar angstaanjagend: waarom en hoelang nog
 
sidderen de wakers?

Het laatste gedicht van de cyklus, Toen ik uw vingers (p. 39), kon een volmaakt orgelpunt op de hele bundel wezen: de overgang van leven naar dood wordt uitgebeeld door de mytische regenboog. De kring die de dichter ‘geschetst had met (zijn) warmste adem’ (geboorte - leven) wordt koud en cirkel (dood).

 
Kwam dan een vreselijke nachtvorst
 
en de kring werd koud en cirkel.
 
 
 
Is dit het einde,
 
is dit het begin?

Aan de kringloop van geboren worden, leven, sterven voegt de dichter in de laatste cyklus ‘Dan zinkt de stilte’ nog een nieuw / verhaal, dat van de verte, / waar ik van een huis de heldere plannen / maak (...)’ (p. 43): dat van het ‘leven’ post mortem, voorbij de dood, waarin ‘de tijd loodrecht gevangen staat’ (p. 43). Vanuit de verbeelde kosmos bereist zijn geest de aarde, ervaart hij als fantoom de wereld, is gelukkig als zijn metgezel, het eerste paard dat hij bereed, is teruggekeerd in het Jenseits. Van hieruit groet hij in het laatste vers de geliefde: ‘Het ga je méér dan goed.’ (p. 48). Het prenatale stadium is overgevloeid in het postmortale: de cirkelstruktuur is perfekt.

 

Verstechnisch getuigt Walter Haesaerts bundel van biezonder kundig en kunstig vakwerk, al klinken hier en daar echo's van Paul Snoek op en reminisceert Haeesaerts overvloedig beeldenmateriaal wel eens aan Gwij Mandelincks poëzie. Haesaert is een bij uitstek melancholisch dichter, die zijn elegisch levensgevoel verhult en verguldt in gezuiverde estetische en sferische poëzie, die vooral vloeit op verstechnische verworvenheden en een afgewogen taalvaardigheid. Met een waar meesterschap bespeelt Haesaert het hele instrumentarium van assonanties, binnenrijmen, kundige enjambementen en getuigt zijn poëzie voortdurend van een verrassend associatief vermogen dat uitvloeit in precieuze en verfijnde maar vaak kryptische metaforiek. Dit impliceert dat veel van zijn verzen moeilijk toegankelijk worden en nogal wat van de lezer eisen. Eric van Ruysbeek heeft gelijk: nooit geven deze gedichten hun intieme geheimen geheel prijs. Maar de vraag of ‘zulke krachttoer alleen aan echte dichters (is) gegeven’ laat ik voor zijn rekening.

 

Lionel Deflo.

Walter Haesaert, Langzaam naar het zand, Uitgeverij Orion, Brugge en Uitgeverij B. Gottmer, Nijmegen, 1976, 52 blz.