Ons Erfdeel. Jaargang 28


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 28. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer 1985


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Edgar Cairo's verzamelde poëzie.

 
Hoera! Hoera!
 
Ik hou mij staande
 
in Holland
 
vanuit... roots!.

De bekende zwarte Nederlandse schrijver van Surinaamse afkomst Edgar Cairo, heeft met zijn 25ste uitgave Lelu! Lelu! Het lied der vervreemding een monument opgericht, waarover nog lange jaren geschreven zal (moeten) worden. Een monument omdat er in het Nederlandse taalgebied geen tweede is tot nu toe, die zo ingaat (kwantitatief en kwalitatief) op zijn positie van postkoloniale auteur, in de klem tussen zijn herkomst (laten we het modewoord ‘roots’ nog maar eens gebruiken) en zijn huidige positie als schrijver voor een overwegend ‘vreemd’ publiek.

Het resultaat is vervreemding, allereerst in de auteur zelf. De tijd gaat door en als de 20e-eeuwer moet hij zich erbij neerleggen dat hij anders komt te staan tegenover oude literaire tradities (als b.v. het orale vers). Dat is een algemene wet; ontwikkeling houdt groter wordende afstand in. Cairo probeert deze tóch te overbruggen. Maar ernstiger is de vervreemding die hij als derdewereld auteur ondergaat. Cairo is geworden van Surinaamse auteur tot minderheden-auteur in Nederland; een feit dat hij lijkt te accepteren en dat hij zelfs verde-digt in de inleiding op zijn bundel.

Van de andere kant wordt hij van de Surinaamse literatuur vervreemd doordat men de laatste tijd in Suriname zelf de in Nederland verblijvende auteurs aan het afstoten is als niet echt eigen meer (Rappa!). Begrijpelijk dat Surinamers weinig boodschap hebben aan thema's als vervreemding en minderhedenproblematiek!

Cairo ziet de vervreemding tussen hem en zijn eigen, Surinaamse publiek dat verhollandst en het Nederlandse lezerspubliek, die hij beide niet kan bereiken als hij te diep Surinaams schrijft: het voortdurende dilemma van de schrijver die het van een niet cultuur-identiek publiek moet hebben. ‘Wie aan bod wil komen in het Nederlandse literaire wereldje moet veel van zijn/haar oorspronkelijke identiteit opofferen.’

Daarbij gaat hij voortdurend in de aanval tegen zijn critici door wie hij zich niet begrepen acht. Hij doet alle pogingen om de kloof van onbegrip te overbruggen, maar de wijze waarop, de zelfverheerlijking, valt slecht en maakt de vervreemding alleen maar groter. In Nederland moet je nu eenmaal bescheiden doen, wat de Antilliaanse auteur Frank Martinus Arion ook tot zijn schade moest ondervinden indertijd.

Dit zijn de marges van de papieren arena waarbinnen Cairo met de pen zijn strijd levert; geen spiegelgevecht maar een existentiële strijd voor een Derde-Wereld-auteur in het Westen. Een strijd die hij verliest zodra hij gaat klagen, maar een gevecht die hij glansrijk wint als hij zich concentreert op zijn taal.

Het zeer omvangrijke Lelu! Lelu! Het lied der vervreemding bestaat uit drie delen. In het eerste deel van de inleiding geeft Cairo zijn visie op de Surinaamse literatuur en zijn rol daarin; in het tweede een uitleg op zijn poëtisch werk; daarna volgt zijn verzamelde poëzie zelf, die gevormd

[p. 257]

wordt door alle zeven tot nu toe verschenen bundels en een aantal nieuwe gedichten.

Over het eerste deel kan ik maar het best kort zijn: het had in deze vorm beter ongeschreven kunnen blijven, omdat Cairo zich hier in hoge mate zelf schuldig maakt aan wat hij in zijn criticibestrijdt: het uitgaan van vooropgezette normen, waardoor het werk zelf geen recht gedaan kan worden. Mineke Schipper schreef in haar Afrikaanse letterkunde over ‘inclusieve’ en ‘exclusieve’ kritiek, waarbij de laatste van een vooropgezet model uitgaat en de eerste ‘open’ ‘probeert’ te lezen vanuit de achtergrond van de teksten zelf.’ (p. 299). Cairo verwijt, om een voorbeeld te noemen, Trefossa zijn sonnetten en andere ‘Europismen’ zonder dat hij daarbij de ontwikkelingsfase van de Surinaamse literatuur waarin Trefossa zich bevond, betrekt. Bekijk een werk positief vanuit wat een auteur pretendeert, niet van wat hij achteraf volgens jou eigenlijk had moeten doen. Trouwens, zijn op langere termijn gezien, heel wat 17de eeuwse Renaissancistische ‘navolgers’ niet belangrijker gebleken dan 19de eeuwse ‘oorspronkelijke’ nationalisten?

Dat is een kwestie van optiek van de criticus waarover discussie mogelijk is. Cairo maakt deze discussie onmogelijk als hij over diverse auteurs beschermend denigrerend doet zonder een enkele vorm van bewijsvoering. Een voorbeeld: ‘onze Julian’, in wiens ‘geval’ ‘een minimum aan talent wordt gepaard aan een maximum aan geldingsdrang. Zelden heb ik iemand met zo weinig talent zoveel in Holland zien bereiken.’ (p. 79) Op de ruim 850 pagina's had er toch wel een korte argumentatie bij gekund, zou ik zo denken... Nee, laten we deel één vergeten!

In de tweede ‘afdeling’ probeert Cairo zijn eigen werk dichter bij de (Nederlandse) lezer te brengen door de vroegere gepubliceerde bundels in te leiden en van commentaar te voorzien. Hij neemt hier de taak van de criticus over, want ‘we missen een goede begeleiding via recensies.’ (p.91) Op zich een ongewoon verschijnsel in de literaire wereld.

Achtereenvolgens komen de zeven in het verleden veelal in eigen beheer gepubliceerde bundels aan de orde naar hun thematiek en vorm, vanaf Kra (Geest) van 1970 tot en met Powema di rutu (Gezangen van oorsprong en toekomst) in 1982. Zo lezen we ook heel wat over de ontstaansgeschiedenis van de bundels. Deze afdeling is instructief en verhelderend voor de lezer.

Belangrijker nog dan dit historisch overzicht, zijn de inleidingen en commentaren bij de gedichten zelf in de derde afdeling. Met name zijn inleiding op de orale traditie en haar kenmerken in de poëzie-praktijk vond ik erg de moeite waard. Nu is Cairo in die materie ook goed thuis, getuige zijn doctoraal-scriptie ‘Krioro fa? Een funktioneelanalytische studie van strukturele aspekten van de kreools-orale literatuur in Suriname’, waarvan hij aankondigt dat ze nu ook in een handelseditie zal verschijnen. Ook de uitleg van de Afrikaanse culturele tradities die veelal achter de gedichten schuilgaan, zijn verhelderend.

Als uitleggend didacticus is Cairo me heel wat liever dan als klagende miskende. Dat laatste heeft hij helemaal niet nodig met zijn rijke kennis van Afrikaans-Surinaams cultured erfgoed.

Verreweg het grootste deel van deze 877 pagina's tellende uitgave wordt gevormd door de verzamelde poëzie zelf. In vier ‘boeken’ geeft de dichter ‘een optelsom van praktisch alles wat er was’ en nog een aantal nieuwe gedichten. Deze gedichten zijn hier volledig opnieuw gerangschikt volgens vormelijke criteria en inhoudelijke als ‘het weerwoord van de poëzie’, ‘negerschapsverzen’, ‘kreools orale verzen’, ‘revolutionaire gedichten’ en een aantal losse gedichten overal verspreid of bijeengebracht in de afdeling ‘gebroken rijst’.

Deze herschikking gaat dwars

illustratie

Edgar Cairo (o1948).


door de oorspronkelijke chronologic van de uitgaven heen, maar dat merken we eigenlijk alleen als we de herkomst onder het gedicht lezen. Het is verrassend te zien met welk een monomanie Cairo gedurende nu bijna vijftien jaar bezig is met zijn taal, de Surinaamse negercultuur, de Hollandse reacties en zijn onbe-grepen-zijn.

De bundel is drietalig: Sranan Tongo, Surinaams-Nederlands en A.B.N. Door middel van een stip geeft de dichter de voor de lezer gemakkelijk toegankelijke gedichten aan.

Cairo vertaalt de Sranan gedichten voortdurend zelf in het Nederlands. Hij heeft voor deze verzamelbundel wijzigingen aangebracht in de Sranan-tekst zoals ze oorspronkelijk verscheen; de vertalingen zijn vaak geheel nieuw. Maar het is eigenlijk niet juist om van vertalingen te spreken; Cairo maakt eerder zeer vrije bewerkingen die de bedoeling en thematiek van de Sranangedichten op eigen wijze in het Nederlands vertolken.

Deze poëzie vormt het monument waarover ik in het begin schreef. Ze is van een zo verrassende omvang en variatie dat er voorlopig wel niemand gevonden zal worden die daar een samenvattend oordeel over zal kunnen of durven geven.

Cairo's verwerking van orale principes in geschreven poëzie is binnen de Nederlandse traditie nieuw. Hij moet als eenling proberen een vorm te vinden die

[p. 258]

adequaat zijn opvatting over poëzie uitdrukt.

Wie een bloemlezing over de moderne Surinaamse poëzie als Wortoe d'e tan abra, samengesteld en ingeleid door Shrinivasi met Cairo's werk vergelijkt, zal pas kunnen constateren hoe nieuw Cairo is met zijn precédés in de Surinaamse traditie. De enige voorgangers heeft hij eigenlijk alleen in de door hem in zijn inleiding gedepricieerde Trefossa (Henny de Ziel), en misschien Johanna Schouten - Elsenhout.

Ooit heeft de Curacaoenaar Frank Martinus Arion in zijn debuutbundel Stemmen uit Afrika (1957, 19782) een poging gedaan de Afrikaanse culturele erfenis een eigen vorm te geven. In New York publiceerde de jonge van Aruba afkomstige Lasana M. Sekou (Harold Lake) zijn Engelstalige Moods for Isis (1978) dat ook in deze traditie past. Ook Elis Juliana zoekt nu naar op Afrika geinspireerde ritmen in zijn Papiamentse gedichten.

Ik denk dat men Cairo's poëzie pas recht kan doen door ze te vergelijken met wat in het overige Caraïbische gebied ontwikkeld is door een Braithwaite, een Walcott, een Guillén en vele anderen. Ook zou zijn werk vergeleken kunnen en moeten worden met zwarte schrijvers in Noord-Amerika en Afrika. In Oso jaargang 3, nr.l maakte Vernie A. February daarmee een begin, dat verduidelijkend is.

Daar zouden we de context kunnen vinden waarin Cairo's werk in zijn zoeken zijn negerschap poetisch vorm te geven geplaatst moet worden. In de Westers-Nederlandse traditie is hij tot nu toe een eenling en buitenbeentje en daarom onbegre-pen; onbekend maakt immers onbemind?

Cairo zelf zou ook eens wat meer naar zijn kunstbroeders in de Derde Wereld moeten kijken en hun werk meer in zijn kritieken betrekken, dan alleen te kla-gen over zijn Surinaamse collegapoëten en zijn Nederlandse critici; het zou zijn eigen kritische werk ten goede komen. Ik wacht op ‘het lied der herkenning.’ Lelu! Lelu!

 
Ikzelf ben de vrucht van oerkracht en van kracht.
 
Warm is mijn hart, maar kit de klacht
 
die ik in 't schreien van mijn woorden draag:
 
de toorts van alle leven dat vergaande is.
 
Ik, jonger van het jongst gevoel!
 
Doch, ouder dan de oudste dagen.
 
In mij 't gekerm van de Afri-kaanse
 
geestesmacht. In mij de verre, verre
 
klank der Surinaamse oerwoudbodems.
 
Verloren ben ik in de lichaamslast
 
van wie ik ben en die ik als het ware was,
 
ontworteld op de akker van de wereld!

Edgar Cairo: Lelu! Lelu! Het lied der vervreemding. Of het Grootboek voor de Surinaamse (minderheden-)literatuur waarin de auteur behalve met zijn al of niet kreools-orale powesie, óók door middel van taalbeschouwing, kultuur-historisch overzicht en algemene literatuurbespreking in de vorm van feiten, jaartallen en personen van toen en nu een totaalvisie schept, die gericht is op het doorgronden van zijn werk binnen een zo breed mogelijke actuele en blijvende maar vooral levende context: Sranankulturu in de meest breedlevende zin!

Wim Rutgers

edgar cairo, Lelu! Lelu! Het lied der vervreemding, In de Knipscheer, Haarlem, 1984, 877 p.