Ons Erfdeel. Jaargang 32


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 32. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer 1989


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Culturele samenwerking Nederland-Vlaanderen

Rapport over de Spelling

Op 28 februari 1989 werd het rapport van de Werkgroep ad hoc Spelling gepresenteerd. Dat rapport bevat voorstellen voor een takenpakket van een ‘echte’ of officiële spellingcommissie die in opdracht van het Comité van Ministers van de Taalunie een nieuwe spelling concreet zal moeten uitwerken, op voorwaarde tenminste dat dat Comité van Ministers het wenselijk vindt dat er aan de spelling wordt gesleuteld.

In het rapport worden de probleemgebieden aangegeven waarvoor een nieuwe regeling wenselijk is en ook wordt de richting aangeduid waarin de oplossing gezocht moet worden. De Werkgroep heeft hiervoor door twee onderzoeksinstituten twee onderzoeken laten uitvoeren, één bij een dwarsdoorsnede van de bevolking in Nederland en Vlaanderen en één bij groepen professionele taalgebruikers (o.a. linguïsten, journalisten, vertalers, schrijvers, leraren enz.). Bedoeling was niet om de vox populi over de spelling te laten beslissen, wel om op die manier de spellingproblemen beter te detecteren en hierdoor ook een maatschappelijk draagvlak te hebben voor de veranderingen.

Bij het formuleren van haar voorstellen liet de Werkgroep zich leiden door een aantal principes. Vormt een groep taalvormen een consistent geheel, is de spelling ervan regelmatig en systematisch, dan is er minder reden tot wijziging dan wanneer dit niet het geval is. Zijn bepaalde onderdelen moeilijk te leren of toe te passen en worden er dus veel fouten tegen gemaakt, dan is er reden voor wijziging. Wijzigingen die diep in het systeem snijden, komen minder in aanmerking voor invoering. Wensen van taalgebruikers voor wijziging van bepaalde onderdelen, komen eerder in aanmerking dan andere.

De onvrede over de huidige spelling heeft vooral te maken met de bastaardwoorden, woorden van vreemde oorsprong, waarvoor - volgens het Groene Boekje - de vreemde spelling en/of een vernederlandste spelling gebruikt moet/mag worden, al naar gelang van het woord. Nu eens is die vreemde spelling de enige spelling, soms de voorkeurspelling, soms de nakeur-spelling al naar gelang van het woord en dat geldt ook voor de vernederlandste spellingen van vreemde woorden. Dat is voor de taalgebruiker knap lastig, zeker als voor veel van die woorden twee spellingen officieel zijn: de voorkeurvorm die in het onderwijs en bij de overheid gebruikt moet worden en een toegelaten

[p. 464]

variant, de zgn. nakeurvorm. De Werkgroep stelt hier voor de dubbelvormen op te heffen en een gematigde vernederlandsing door te voeren, volgens vooraf bepaalde criteria. Dat zou spelvormen kunnen opleveren als kultuur, piknik, eksellent, eukumenisch, jen, preses, akku, maar niet als tiepies, bèzje, twalet, sentrum, ksenofobie, antikèr en sinjaal. Bepaalde categorieën zouden van vernederlandsing moeten worden uitgesloten: b.v. credo, ad hoc, casu quo, gêne, eau de cologne. De Werkgroep vindt het ook verantwoord om de woorden die met typisch-Engelse uit-spraakeigenaardigheden aan het Engels ontleend zijn, consequent als vreemd te beschouwen en te spellen. Die woorden worden door de meerderheid van de taalgebruikers als vreemd ervaren, waarbij komt dat aanpassing van de Engelse klankpatronen aan de algemene principes van de Nederlandse spelling een erg ingewikkeld en vaak onnatuurlijk beeld oplevert (vgl. b.v. computerkompjoeter, met de in het Nederlands verder nooit voorkomende combinatie pjoe). Verder zou er ook aan gedacht kunnen worden wetenschappelijke vaktermen, die nauwelijks in het algemene taalgebruik voorkomen en alleen in kleine wetenschappelijke kringen gehanteerd worden, van vernederlandsing uit te sluiten. In ieder geval wil de Werkgroep de dubbelvormen, waarover thans zoveel onvrede bestaat, drastisch beperken en in die gevallen waar toch nog dubbelvormen getolereerd worden (b.v. door spellingevolutie), zou er aan een van die vormen geen ‘voorkeur’ mogen worden toegekend, en zou hij niet verplicht mogen worden gesteld.

De praktijk wijst uit dat de bestaande regeling van de tussenletters (tussen -s en -(e)n) aanleiding geeft tot heel wat onzekerheid. Bij de tussen -s kan dat het gevolg zijn van de moeilijke hanteerbaarheid van het criterium van de analogie (moet raad(s)zaal geschreven worden naar analogie van raadhuis of van raadsvergadering?), bij de -(e)n van de omstandigheden dat de noties enkelen meervoudigheid niet voor iedereen direct toepasbaar zijn (waarom is het thans bessesap en niet bessensap en waarom bessestruik en niet bessenstruik?).

De Werkgroep stelt voor de verbindingsklank -(e)n als -en te schrijven als het eerste woord lid van de samenstelling op -en eindigt of een meervoud op -en heeft; in alle andere gevallen wordt -e geschreven. Voorbeelden: havenmeester, heldendaad, koninginnendag, perenboom, naast aspergebed, rijstepap, mallejan, lieve-heer, blindedarm. Deze regeling zou, en daarom heeft de Werkgroep er een voorkeur voor, het minste aantal wijzigingen aan de bestaande spelling impliceren.

De verbindings -s zou geschreven moeten worden als men die klank hoort en als die niet de laatste klank is van het eerste lid of de eerste van het tweede lid (liefdesuur, kapperszaak, dorpskom, naast waszak, dorpstraat). Verder wordt die geschreven als het eerste woord van de samenstelling een meervoud op -s zonder apostrof heeft en het tweede lid begint met een -s (meisjesschool, memoireschrijver naast doodstraf, tubaspel).

Bij de diakritische tekens (apostrof, trema en liggend streepje) springt de vervanging van het trema als scheidingsteken door het liggend streepje het meest in het oog. Dat geldt in die gevallen waarin de schrijver dit voor de leesbaarheid nodig acht (zaaiuien, radio-omroep, mee-eten). In bestaande spelvormen als weeïg, geëmancipeerd, reëel wordt het gewoon weggelaten.

Een delicaat probleemgebied is de werkwoordspelling, het heilige huisje van onze spelling, waartegen ook door zeer geoefende taalgebruikers steeds meer fouten worden gemaakt. De Werkgroep formuleert hier geen eigen voorstel, maar zet de mogelijkheden met voor- (leerbaarheid) en nadelen (grote maatschappelijke commotie) op een rijtje. Een eerste mogelijkheid is deze spelling ongewijzigd te laten. De tweede is

[p. 465]

de wijzigingen in te voeren die de commissie-Pée-Wesselings in 1969 voorstelde: jij/hij vind zonder slot -t en ik wachte en het brande (verleden tijd) zonder verdubbeling van de t en d. Derde mogelijkheid is bovenop de tweede ook nog de gelijkvormigheid anders toe te passen dan tot nu gebeurde, nl. de als t klinkende uitgang in de tegenwoordige tijd als d te spellen indien de verleden tijd - de heeft (dus uitsluitend bij een deel van de zwakke of regelmatige werkwoorden). Dan ontstaan vormen als het gebeurd, het gebeurde, het is gebeurd en hij speeld, hij speelde, hij heeft gespeeld.

De Werkgroep adviseert ook dat de toekomstige spellingcommissie een nieuwe Woordenlijst zou moeten opstellen, die periodiek wordt bijgesteld. Het huidige Groene Boekje is sinds 1954 niet meer bijgesteld, zodat recent in het Nederlands in gebruik genomen woorden - en dat is de groep die de meeste spellingproblemen geeft - niet zijn opgenomen. Door een periodieke bijstelling, b.v. om de tien jaar, zou ook gemakkelijker kunnen worden ingespeeld op evoluties die zich in de spelling voordoen.

Voor de inrichting van de lijst heeft de Werkgroep een rekkelijke en precieze optie. In het laatste geval worden alleen woorden opgenomen waarvan de spelling niet op basis van de regels ondubbelzinnig kan worden vastgesteld (woorden als boom, werken, in enz. vervallen dan). In het eerste geval zou ter wille van de anderstalige gebruikers de Nederlandse basiswoordenschat opgenomen moeten worden.

Tenslotte pleit de Werkgroep er ook voor om aardrijkskundige namen en historische woorden en namen niet te regelen in een algemene spellingregeling. Een regeling voor deze namen is immers in eerste instantie een kwestie van terminologie. Om die reden zouden ze beter geregeld kunnen worden in het kader van de terminologie. Ook het woordgeslacht, dat een grammaticaal probleem is en geen spellingprobleem, moet in het kader van de grammatica worden geregeld. Zeker wat de namen betreft, sluit deze optie niet uit dat gelijktijdig met een algemene spelling regeling, ook een regeling voor deze groep van woorden kan worden ingevoerd. Alles kan in een keer zijn beslag krijgen en dat is zeker voor uitgevers een belangrijk gegeven.

 

Werner Duthoy

Rapport van de Werkgroep ad hoc Spelling, Nederlandse Taalunie. Voorzetten 20, Stichting Bibliographia Neerlandica, 's-Gravenhage, 1988, 171 p.