Ons Erfdeel. Jaargang 33


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 33. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer 1990


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Jeanne Brabants



illustratie

Jeanne Brabants (o1920).


Op 25 januari 1990 werd ze 70 jaar, Jeanne Brabants, ‘de vrouw die Vlaanderen professioneel leerde dansen’.

Geboren in Antwerpen als oudste dochter van Karel Brabants, een turnleraar, en Emma Naessens werd Jeanne van jongsaf met theater, opera en ballet geconfronteerd. De drang tot bewegen en dansen uitte zich heel vroeg en haar eerste ‘choreografie’ ontwierp ze toen ze elf jaar oud was. Ze volgde turnlessen bij haar vader en kreeg haar eerste dansopleiding op de balletschool van Lea Daan. Daar volgde ze later bovendien de drie jaar durende beroepsopleiding, maar ondertussen legde ze ook examen af voor lerares lichamelijke opvoeding.

Jeanne Brabants werd lid van de Dansgroep Lea Daan, danste met de groep tijdens het ‘Internationaal

[p. 761]



illustratie

‘Cantus Firmus’, een belangrijke choreografie van Jeanne Brabants, die deel uitmaakte van het eerste programma waarmee het pas opgerichte Kon. Ballet van Vlaanderen in Vlaanderen op reis ging.


Dansfestival’ in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel in 1939 en presenteerde er ook drie eigen creaties, o.m. ‘Boerendans’ op muziek van Paul Gilson.

België bood toen onvoldoende gelegenheid om zich verder te volmaken, zodat ze stage ging lopen in Engeland bij Rudolf von Laban, Kurt Jooss en Sigurd Leeder. Het uitbreken van W.O.II maakte daar een einde aan. Vanaf dat ogenblik ijverde Jeanne Brabants voor de oprichting van een eigen school en dansgroep. De ‘Brabants Balletschool’ kwam er in 1941, het ‘Dansensemble Gezusters Brabants’ in hetzelfde jaar. Dat bestond, zoals de naam al zegt, in de eerste plaats uit Jeanne en haar zussen, Jos en Annie, maar groeide in de loop der jaren aan met leerlingen uit de Brabants School, zoals Jeanine en Arlette Van Boven, nu respectievelijk artistiek leidster van het ballet van de Opéra Royal de Wallonie en leidster van de tweede groep van het Nederlands Danstheater (NDT2). Voor dit ensemble ontwierp Jeanne Brabants tal van choreografieën die in heel Vlaanderen te zien waren, maar door gebrek aan subsidies kon ze haar dansers geen behoorlijk loon uitbetalen. Dat werd verholpen toen ze in de balletgroep van de Koninklijke Vlaamse Opera werden opgenomen, geen gemakkelijke integratie.

Bewust van het feit dat de dansers een betere scholing nodig hadden om hun niveau en techniek te verbeteren, begon Jeanne Brabants vervolgens te ijveren voor de oprichting van een balletschool van de Koninklijke Vlaamse Opera, een instelling die professioneel en gratis dansonderwijs zou kunnen verstrekken. Bij het begin van het seizoen 1951-'52 was het zover. Men startte met avondonderwijs, maar al snel werd de balletschool een dagopleiding met leerlingen vanaf veertien jaar, en Jeanne Brabants als directrice en enige lerares. Tien jaar later werd de balletschool van de KVO op aandringen van Jeanne Brabants opgenomen in het Stedelijk Onderwijs van Antwerpen en in 1964 bood het Stedelijk Instituut voor Ballet een volledige opleiding tot beroepsdanser, van acht tot achtiep jaar.

De eerste tien jaar had de balletschool van de KVO tal van uitstekende dansers afgeleverd. Meestal echter keerden die Vlaanderen de rug toe om in het buitenland een carrière op te bouwen. Voor Jeanne Brabants betekende dit een extra aansporing om meer dan ooit voor de oprichting van een autonoom en professioneel balletgezelschap in Vlaanderen te vechten.

Op 2 december 1969 werd het Ballet van Vlaanderen opgericht: een zelfstandige groep, ook belast met de divertimenti in de KVO. Jeanne Brabants werd aangesteld als directrice en liet de leiding van het Stedelijk Instituut voor Ballet over aan haar zuster Jos.

Jeanne Brabants opteerde voor een gevarieerde programmatie die het publiek een zo breed mogelijke waaier van technieken en stijlen moest tonen. Zelf choreografeerde ze tal van werken voor haar ensemble, zoals ze vroeger al voor het Dansensemble Brabants, de KNS, de KVO en de balletschool had gedaan. Tot de glansnummers van het Ballet van Vlaanderen behoorden ‘Cantus Firmus’ op muziek van Bach, ‘Amelia’ (Weiner), ‘Pierlala’ op muziek van Daniel Sternefeld en oorspronkelijk ontworpen voor het ballet van de KVO in 1954, ‘Een dag aan het hof van Boergondië’, ‘Grand'Hôtel’ gechoreografeerd op filmmuziek, ‘Nostalgie’ (Schubert) en ‘Drinklied’ op Mahlers ‘Lied von der Erde’. Dit laatste was een bewerking van een pas-de-deux ontworpen voor haar neven Ben en Tom Van Cauwenbergh voor deelname aan de bekende balletwedstrijd van Varna. Bij deze wedstrijd verwierf Jeanne Brabants in 1968 de prijs voor de beste choreografie met ‘Arabesque’ en in 1970, 1974 en 1983 maakte ze deel uit van de jury.

Om Vlaanderen, en dan vooral de jongeren, nog beter met de danskunst vertrouwd te maken,

[p. 762]



illustratie

Maurico Kagel en de Heilige Sint Caecilia (Irmgard Först) in Kagels hoorspel (live uitgevoerd in het Holland Festival): ‘Caecilia: ausgeplündert’. (Foto: Jaap Pieper).


richtte Jeanne Brabants in 1972 binnen het BvV een initiatiegroep op die naar scholen en jeugdverenigingen werd gestuurd. In 1980 kwam daar het ‘Jeugdballet’ bij, een ensemble dat met een aangepast programma de link moest leggen tussen het initiatieprogramma en de ‘normale’ voorstellingen van het ondertussen reeds ‘Koninklijk’ Ballet van Vlaanderen.

Om de dans en balletopleiding in Vlaanderen op alle gebieden zo professioneel mogelijk te laten verlopen, pleitte Jeanne Brabants bij het Ministerie van Onderwijs voor een ‘Pedagogische leergang voor klassiek ballet en bewegingsleer’. In 1973 werd daarmee bij wijze van proef gestart, onder leiding van Jeanne Brabants. In 1989 werden bij de ‘Hogere leergangen voor dans en danspedagogie’, sedert 1981 onder het directeurschap van Aimé de Lignière, de eerste gehomologeerde diploma's uitgereikt. In 1979 voerde Jeanne Brabants daar een permanente choreografiecursus in, die ze aanvankelijk zelf leidde. Daarbij aansluitend werden choreografische workshops georganiseerd, waarin jonge choreografen hun werk konden voorstellen.

Toen Jeanne Brabants de 65 naderde, werd naar een opvolger voor de directie van het KBvV uitgekeken met de bedoeling dat die nog een jaar door Jeanne Brabants ingewerkt zou worden. De keuze van Valerg Panov vond ze verkeerd en ze verliet het ballet dan ook in 1984. Stilzitten deed ze echter niet, en in de volgende vier jaar richtte ze drie organisaties op die verder moeten meehelpen de danskunst in Vlaanderen te stimuleren en te verspreiden, en het statuut van de dansers te verbeteren. In 1984 ontstond ‘Jeugd en Dans’ een soort tegenhanger van ‘Jeugd en Muziek’ dat o.m. al ‘Kadans’ organiseerde, een grote dansmanifestatie met meer dan 800 leerlingen uit het amateur- en professioneel dansonderwijs. In 986 stichtte Jeanne Brabants de ‘Beroepsvereniging voor Dans kunstenaars’, die choreografen, danspedagogen en dansers groepeert en hun beroepsbelangen verdedigt. In 1988 tenslotte werd ‘Danza Antiqua’ geboren, een ensemble dat zich toelegt op het reconstrueren van oude dansen uit de renaissance- en barokperiode.

Zoals uit dit alles blijkt, denkt Jeanne Brabants beslist nog niet aan ophouden. Ze blijft op de barricaden staan en luidt de alarmklok telkens als ze meent dat de danskunst als autonome kunst en volwaardig beroep in gevaar komt en de moeilijk verkregen verworvenheden van de dansers bedreigd worden.

 

Erna Metdepenninghen