Ons Erfdeel. Jaargang 34


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 34. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer 1991


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 23]

Gerrit Komrij

De Redders (fragment)

Don Juan:

Beest. Kom, laten we beestachtig zijn. Het is met de beschaving als met de mensen: hoe meer ze in zich opstapelen, hoe minder ze eraan hebben. Honderd ben ik, honderd, honderd. Je gedachten worden er met het klimmen der jaren niet mooier op. Je visioenen worden wat vettig. Je aanbidt de simpelheid, omdat je steeds meer kronkels in je hoofd moet bezweren. Maar ze blijven aansluipen, de perverse houdingen, de uitnodigende beelden, de dwangposities. Je raakt ze niet kwijt. Ze nemen niet toe in tal, ze worden juist beperkter. Ze nemen niet toe in glans, ze verstijven juist, verbleken, verdorren. Maar ze verschroeien je des te meer. Een handjevol houd je er over, een klein, vast gezelschap, ze zijn kleurloos als vissebloed, maar God, wat spoken ze door je hersens. Opophoudelijk. Je hoeft ze niet eens meer op te roepen. Hoe vaker ze zich herhalen, hoe groter hun kracht. Tenslotte blijf je alleen door je sjablonen in leven, een armzalig skelet dat maar tekeergaat. Steeds stereotyper zweept het je op, steeds hitsiger word je, steeds goedkoper worden de fantasieën die je drijven. Je leeft tussen coulissen van het ordinairste soort. Nonnen. Slangen. Maagden. Zwepen. Toortsen. De onbenulligste dingen ook. Open en dicht. Open en dicht. Gulzige kelken. Bloed. De een ziet een te kleine maat schoen, de ander iets wat al zwellend om de hoek verdwijnt - steeds even banaal. Steeds meer overbekende gebaren waar je nooit genoeg van krijgt, steeds meer attributen die het werk van je overnemen. Het eindigt ermee dat-je-je-geilheid-vindt-in-een-volstrekte-willoosheid.

Uit: De Redders, International Theater Bookshop in samenwerking met Zuidelijk Toneel Globe, 1984.
[p. 24]

Twee werelden [IV]

 
Glasscherven op een schutting. Prikkeldraad.
 
Brandbommen. Tot het kweken van barbaren
 
Is enkel en alleen cultuur in staat.
 
‘De woorden zijn niet langer wat ze waren’.
 
 
 
We hebben ze met zoveel tooi behangen
 
En voor zoveel gewichtigs ingelijfd,
 
We zijn door ze verplet. Geen zwanezang
 
Is ons vergund: alleen een echo blijft.
 
 
 
De echo van een taal die, onbedorven,
 
Van mond tot mond ging. Halte paradijs.
 
Nog even, en ook die zal zijn verstorven.
 
Geen requiem. Geen oog zelfs voor de zeis.
Uit: Twee werelden, Stichting Koninklijk Paleis te Amsterdam, Vrij Nederland, Amsterdam, 1987.
[p. 25]

Twee werelden [V]

 
De Ark gekapseisd, maar we dansen door.
 
We veinzen met een magazijn coulissen
 
Een Hof van Eden en we houden voor
 
Een Gordiaanse knoop de slapste klissen.
 
 
 
Soms vonkt er iets genie na, iets talent
 
Te midden van het grauwe straatrumoer.
 
Maar niemand die het koestert of herkent.
 
Men rent een koene sprint zonder parcours.
 
 
 
Waar steden en cultuur zijn als tumoren
 
In één groot waterhoofd, vermag alleen
 
Een afgezaagd refrein - als dit - de oren
 
Nog te bereiken. Slaap en nieuws zijn één.
Uit: Twee werelden, Stichting Koninklijk Paleis te Amsterdam, Vrij Nederland, Amsterdam, 1987.
[p. 26]

Na de nachtmerrie (2)

 
Ooit schreef je lange, idiote brieven.
 
Je kon op feesten voor de vuist weg speechen.
 
Je stootte zin na zin uit, naar believen,
 
Met quotes doorregen, grotendeels uit Nietzsche.
 
 
 
Ooit schaarde je je graag onder de dieven.
 
Geen metafoor ontsnapte aan je klauwen,
 
Om nog maar niet te spreken van motieven.
 
Die kon je maag bij honderden verstouwen.
 
 
 
Nu is elk woord bijzonder. Eén voor één
 
Probeer je ze. Je bent op je qui-vive.
 
Wat grauw en algemeen is stuur je heen.
 
Je kent alleen de weg in hiëroglyfen.
Uit: Een en ander. NRC-Handelsblad, 24 juli 1985.