Ons Erfdeel. Jaargang 36


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 36. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer 1993


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 163]

Een vriendschap in de twintigste eeuw
Donner in Mulisch' werk
Jeroen Vullings



illustratie

JEROEN VULLINGS
werd geboren in 1962 in Haarlem. Studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Is docent Nederlands aan het Gymnasium Felisenum te Velsen-Zuid. Publiceerde artikelen over Nederlandse literatuur in ‘Bzzlletin’ ‘Kritisch Literatuur Lexicon’ ‘Ons Erfdeel’ ‘Septentrion’ en andere. Is vast medewerker van ‘Ons Erfdeel’.
Adres: Madelievenstraat 25, NL-1015 NV Amsterdam

De mooiste passage in Harry Mulisch' roman De ontdekking van de hemel (1992) is wanneer Onno Quist, één van de twee hoofdpersonen, na de huwelijksplechtigheid een lofzang houdt op z'n vrouw: ‘Zie, je bent mooi, mijn bruid! Je ogen zijn de zon die opgaat over de vissers, die bleek de stad uit fietsen met wurmen. Je stem is het zingen van de eerste vogels in de dakgoten. Je haar glanst als olie, die in het gewassen licht van de vroege ochtend op straat ligt waar de auto's hebben gestaan. Je tanden zijn als de melk, die schoolkinderen in de pauze drinken, je lippen als de scharlaken bloedplas, die tussen de middag herinnert aan de overreden dame. Geheel ben je mooi, mijn vriendin! Je lach is als het bladgoud van de sirene in het oor van de fabrieksmeisjes. Je twee borsten lichten als de eerste neonreclames, ongezien in de naderende avond. Je navel is de oranje brand van de ondergaande zon in de ramen van de warenhuizen. Je buik is verborgen als de etalage achter het stalen rolluik, dat de juwelier na zessen over zijn schatten laat ratelen tot op de grond.’

In een interview vertelde Mulisch dat hij dit stuk al geruime tijd in portefeuille had: ‘Ik schreef een stuk voor Het stenen bruidsbed waarin een vrouw wordt bezongen zoals in het Hooglied.’ Al veel eerder, in zijn studie Mulisch, naar ik veronderstel (1971), had Mulisch' vriend J.H. Donner zich uitgelaten over de wordingsgeschiedenis van Het stenen bruidsbed: ‘De beeldspraak van het boek moest grieks zijn, had hij bedacht, en een hooglied op de schoonheid van de vrouw in termen van de wereldstad, moest er daarom uit. Ik vond het nu juist een van de betere stukken, maar het paste niet, vond hij, want Salomo's meer arcadisch hooglied was oudtestamentisch en niet grieks.’

[p. 164]

[De dbnl is niet gemachtigd een illustratie uit het origineel hier weer te geven.]

Mulisch heeft in zo ongeveer alle recente interviews wel laten weten dat hij aan zijn overleden vriend J.H. (Hein) Donner (1927-1988) heeft gedacht bij het schrijven van De ontdekking van de hemel: ‘Dit boek is

[p. 165]

een standbeeld voor Hein Donner.’ Uit de werkschema's-in-manuscript in het schrijversprentenboek De onderkant van het tapijt (1992) blijkt dat het personage Onno Quist gemodelleerd is naar Donner: Mulisch duidt daar de twee hoofdpersonen Onno en Max aan met ‘Hein/ik’. Dat Mulisch juist Onno het ‘Hooglied’-stuk laat uitspreken, is natuurlijk geen toeval. Het is een literaire hommage aan Donner.

Er is veel herkenbaars in De ontdekking van de hemel voor wie iets weet van Donners leven en - in het bijzonder - van zijn vriendschap met Mulisch. Mulisch karakteriseerde de omgeving waarin Donner opgroeide ooit als ‘een steil calvinistisch gezin met ministers en rechters’. Inderdaad was Donners vader vooral bekend als vooroorlogs minister van Justitie; de familie Donner telt van oudsher veel gereformeerde predikanten. J.H. Donner zelf is vooral bekend geworden als succesvol schaker; driemaal werd hij Nederlands kampioen en in 1958 kreeg hij de grootmeestertitel. In de jaren zestig kwam hij regelmatig in het nieuws om zijn politieke stellingname. Van het genootschap Nederland-Cuba was hij bij voorbeeld bestuurslid. In de jaren zeventig en tachtig slaagde Donner er niet meer in belangrijke schaaktoernooien op zijn naam te brengen. Meer en meer ontwikkelde hij zich als schrijver. In 1983 werd Donner getroffen door een hersenbloeding; vijf jaar later overleed hij in een Amsterdams verpleeghuis.

Als schrijver manifesteerde Donner zich in drie gedaanten: die van schaakscribent, die van columnist en die van Mulisch-exegeet. Sinds zijn eerste ontmoeting met Harry Mulisch, in 1958, heeft hij over diens werk gepubliceerd. Dat resulteerde in een drietal boeken en een veelvoud aan artikelen en ingezonden brieven over de schrijver.

Donner zag het als taak de verbanden bloot te leggen die in Mulisch' werk verborgen liggen. Zijn belangrijkste vondst was het ‘seautoscopisch zien’: dit komt er - versimpeld - op neer dat Mulisch altijd over het schrijven schrijft. Soms werd het hem wel eens te veel. ‘Vaak heb ik gedacht, was Mulisch maar dood, dan zou het alles veel makkelijker zijn. Grote schrijvers horen dood te zijn’, schrijft hij in zijn tweede Mulisch-boek Jacht op de inktvis (1975).

Was Donner de Eckermann van Mulisch? Nee, Donner gaf - anders dan Eckermann - ook zijn eigen mening. Wel richtte Donners tekstbegrip zich alleen op Mulisch' werk. Die gedrevenheid kwam, behalve uit bewondering, ook voort uit een gevoel van herkenning en verwantschap. Uit beider oeuvres blijkt dat Donner en Mulisch filosofisch gerichte auteurs zijn. Waar zich dat bij Mulisch uit in metafysica, ligt het accent bij Donner op ethica. Die ethica blijkt uit de felle standpunten, het zich uitspreken over wat goed en fout is (‘Een calvinist is voor of tegen’), en met name uit de ‘condition humaine’, het menselijk tekort - in Mulisch' werk amper aanwezig. Vooral in Donners latere verpleeghuiscolumns gaat het om de begrenzing van de menselijke conditie.

Waar kwam die vriendschap tussen Donner en Mulisch op neer? Bij het verschijnen van Donners schaakboek De Koning (1987) zei Mulisch in een toespraak het volgende: ‘Toen wij elkaar ontmoetten, toen wij dertig waren, ontstond tussen ons vanaf de eerste dag iets, waarvoor zelfs het grote woord ‘vriendschap’ te klein is. Het was een paradoxale zielsverwantschap, berustend op een gemeenschappelijke hang naar exuberantie in allerlei opzichten, gecombineerd met een soort totale fascinatie voor de

[p. 166]

volstrekt verschillende denkwerelden die wij vertegenwoordigden. Ik had nog nooit iemand als jij ontmoet en jij nog niemand zoals ik. Maandenlang raakten wij eenvoudig niet uitgekeken op elkaar.’ Zonder elkaar, concludeert Mulisch, zouden ze twee anderen zijn geweest. Donner zegt over die kennismaking: ‘Het was mij alsof ik eindelijk iemand gevonden had, die de dingen begreep, die niemand scheen te begrijpen.’ Donner verklaart veel van Mulisch' aforismen in ‘Manifesten’ (Voer voor psychologen) uit wat er in die intens beleefde periode tussen hen besproken werd.

Hun vriendschap kwam al eerder in Mulisch' werk tot uiting. In Voer voor psychologen (1961) waarin Donner figureert, wordt over die band geschreven: ‘Dit is een vriendschap in de twintigste eeuw.’ Bovendien droeg Mulisch niet alleen De Verteller verteld (1971) op aan Donner, maar ook de novelle Het beeld en de klok (1989): ‘Aan de nagedachtenis van Hein Donner, mijn aartsvriend’. Wederzijdse waardering was er in ieder geval te over.

Mulisch schreef geen necrologie voor zijn vriend, maar eerde hem in zijn laatste roman literair. Het wemelt in De ontdekking van de hemel van de verwijzingen naar Donner. Anekdotes zoals die opgetekend zijn in het vermaarde dubbelinterview van Cherry Duyns ‘De platonische vriendschap van Jan Hein Donner en Harry Mulisch’ (Hollands Diep, november 1975), komen vaak letterlijk in Mulisch' roman voor. Bij voorbeeld de afgesproken rolverdeling dat Mulisch ‘gek’ is en Donner ‘dom’, Donner die erop geattendeerd moet worden dat hij hoge koorts heeft, en de vraag waarmee Mulisch het hart van Donners amoureuze verhouding blootlegde: ‘Ik kan me herinneren dat ik bij een meisje woonde, daar ging ik naar toe als ik heel moe was en op een gegeven ogenblik komt Harry langs, die belt en ik hoor hem vragen: mag Hein buiten komen spelen? Ik ben meteen opgestapt en niet meer teruggekomen.’ De overeenkomsten tussen Donner en Onno zijn legio: het ouderlijk milieu, de belangstelling voor Heidegger, de theorie dat vrouwen geen intuïtie hebben.

Ronduit navrant is de verwijzing naar Donners situatie na de hersenbloeding, wanneer hoofdpersoon Max Delius zijn pleegmoeder in de conversatiezaal van een tehuis komt opzoeken: ‘Verder was er alleen nog een zware man van een jaar of zestig in een rolstoel, die volkomen willekeurig dwars in de ruimte stond, alsof iemand ver weg hem een zet had gegeven, waarna hij zwenkend en draaiend tot stilstand was gekomen; voor zijn rechteroog zat een zwart lapje.’ Logisch dat deze ‘meneer Blits’, die ‘een gerocheerde koning, in afwachting van het mat’ wordt genoemd, onmiddellijk Max' snode plannen met een verpleegster doorziet - wie anders?

Maar ondanks alle overeenkomsten is Onno Quist geen J.H. Donner. Onno is in het boek geen schaker, maar linguïst en later zelfs politicus. Hoewel zijn uiterlijke beschrijving en zijn manier van doen aan Donner doen denken, leidt hij een heel ander leven. Vermoedelijk om te benadrukken dat romanfiguren - hoezeer ook geënt op bestaande personen - toch

[p. 167]

ontsproten zijn aan het brein van de schrijver, laat Mulisch in De ontdekking van de hemel ook ‘de bekende schrijver’ en ‘de illustere schaakgrootmeester’ optreden. Als Max die schrijver zelfs ‘een kwal’ noemt, knikt Onno en zegt: ‘Je lijkt wel wat op hem’ - geen misverstand mogelijk. Hoewel De ontdekking van de hemel als tijdsdocument en sleutelroman goed te lezen is, gaat het Mulisch blijkbaar om iets algemeners: ‘een vriendschap in de twintigste eeuw’.

Een goed verstaander van Mulisch' werk kan de sluimerende aanwezigheid van Donner niet negeren, en zal op zoek gaan naar het waarom. Op verhaalniveau is De ontdekking van de hemel in feite het verslag van een laag-in-de-hemelse hiërarchie verkerende engel aan een hoger geplaatste over de wijze waarop hij in de wereld heeft ingegrepen om de stenen tafelen met de Mozaïsche Wet, het ‘testimonium’, naar de hemel terug te halen. Het grootste deel van de roman wordt vanuit de aardse personages verteld. De voorgeschiedenis van deze absurde familiekroniek begint al in 1914, maar het eigenlijke verhaal beslaat de periode van 1967 tot 1985. In 1967 vindt namelijk de ontmoeting plaats tussen Max Delius en Onno Quist. De twee vrienden voelen zich zielsverwanten. Max is sterrenkundige; Onno is eredoctor, omdat hij het Etruskisch schrift heeft ontcijferd. In Max en Onno kan men Gilgamesj en zijn vriend Enkidu, Apollo en Dionysos, Winnetou en Old Shatterhand, en Tom Poes en Olivier B. Bommel zien. In hun handelingen zijn beide vrienden elkaars spiegelbeeld, hoe verschillend ze ook geaard zijn. Zowel Max als Onno zijn voortdurend op zoek.

De relatie met hun ouders is van groot gewicht. Max' moeder is in de Tweede Wereldoorlog als jodin gedeporteerd en zijn vader, die onder andere deze daad op zijn geweten had, is later als oorlogsmisdadiger geëxecuteerd. Onno is de zoon van een legendarische, calvinistische staatsman. Waar Max zijn leven lang worstelt omdat hij is verlaten door zijn moeder, moet Onno evenzeer in het reine komen met zijn dominante vader, zelfs na diens dood. Dat schept een band. Hun eigenlijke gesprek bestaat niet uit de onafgebroken theorieën, grappen, beschouwingen en anekdotes: ‘dat vond daaronder plaats, zonder woorden, en het ging over henzelf.’ Max leest Onno Kafka's Brief an den Vater voor; via Onno leert Max het Gilgamesj-epos kennen, waarin het gaat om moeder/zoon- en vader/zoonproblematiek. Op instigatie van Onno reist Max later naar Auschwitz, om zich te verzoenen met het verleden. Als Kafka schrijft Onno in het vierde en laatste deel van de roman een brief - over macht en fatsoen - aan zijn overleden vader.

Max en Onno delen ook het vaderschap. Beide vrienden leren de celliste Ada Brons kennen, eerst de vriendin van Max, later de vrouw van Onno. Tijdens een bezoek dat de drie aan het revolutionaire Cuba brengen, verwekt Max een kind bij Ada, buiten medeweten van Onno. Tijdens haar zwangerschap raakt Ada in coma, hetgeen haar niet belet om in die comateuze toestand een zoon te baren: Quinten geheten. Max besluit het kind op te voeden en Onno is officieel Quintens vader.

Aan het begin van de roman wijdt talenkenner Onno zich vergeefs aan de ontcijfering van de Discus van Phaestos, het in 1906 op Kreta gevonden kleitablet; Max werkt wetenschappelijk aan de ontraadseling van het

[p. 168]

heelal. Hun werk is in wezen identiek. Onno slaagt er niet in de geheimen der mensheid te ontraadselen; z'n wetenschappelijk zoeken strandt. Hij stort zich vervolgens in de politiek, die even vruchteloos blijkt te zijn. Max' leven vertoont geen breuk: vlak voor zijn dood krijgt hij een kosmologisch vermoeden omtrent ‘de oersingulariteit’. Kort nadat bètawetenschapper Max dat rationele inzicht over de geheimen van de hemel gekregen heeft, sterft hij door een vallende meteoorsteen. Vanwege zijn doorbraak van wetenschap naar mythe, wordt hij dus gedood door een ingreep van Hogerhand. Alfa-wetenschapper Onno zal zijn vruchteloos zoeken naar het geheim van de Discus later sublimeren in een mythische queeste naar de Tien Geboden.

Onno krijgt besef van zijn mythische bestemming door Quinten. Het derde deel van de roman gaat voornamelijk over Quinten, het instrument waarvan de hemel zich zal bedienen om het ‘testimonium’ terug te krijgen. Zeventien jaar lang groeit hij naar zijn ongeweten opdracht toe, op een kasteeltje waar een aantal mensen wonen die allemaal met kunst of taal te maken hebben, en die hem kennis en vaardigheden aanreiken die hem ten slotte goed van pas zullen komen. In het vierde deel gaat Quinten op zoek naar zijn vader: Onno. Onno is dan, uit afkeer van politiek en mensheid, al vier jaar spoorloos verdwenen, ‘ondergedoken’. Quinten vindt Onno echter al snel in Rome, alwaar hij zijn ‘opdracht’ beseft. Volgt een spannend einde waarin vader en zoon de Tien Geboden in de kapel Sancta Sanctorum vinden, waarna ze dit testimonium naar Jeruzalem smokkelen. Daar brengt Quinten ze terug naar de plaats van herkomst, om vervolgens vanwege zijn hemelse missie terug te keren tot het Licht waarvan hij gekomen is. Ten teken daarvan verbrandt hij, op hetzelfde moment dat zijn moeder Ada gecremeerd wordt. Onno blijft machteloos achter op aarde.

Niet alleen Onno en Max, maar àlle personages zijn zetstukken in de mythologische roman De ontdekking van de hemel. Eerst wordt een vertrouwde wereld geschetst, die Mulisch vervolgens opheft door van zijn personages allegorische personificaties te maken, door die personages te sublimeren. Alle romanfiguren lossen langzamerhand op in hun symboolfunctie. Onno verandert zelfs driemaal: eerst lijkt hij op Donner, daarna geeft hij als politicus een beeld van de macht, en uiteindelijk doet hij sterk denken aan Edgar Allan Poe. Max sterft als symbool van de mens die streeft naar de waarheid. De personages in De ontdekking van de hemel worden uiteindelijk slachtoffer van hun symbolische bestemming. Ze willen wel even mens zijn, maar ze staan ten slotte alleen in dienst van hun bestemming.

Onno helpt Quinten omdat hij z'n vader is en omdat het zijn bestemming is. Net als Max is hij slechts een katalysator voor alle ontwikkelingen, een werktuig voor Quinten. Elke triomf over de volvoering van de queeste wordt Onno ontnomen door Quintens hemelopneming; Onno is

[p. 169]

mythisch machteloos gemaakt. Beide protagonisten, Max en Onno, zijn slechts marionetten van hogere machten. Zowel wetenschappelijk inzicht als mythisch besef is spel van God, lijkt dit te willen zeggen.

De ontdekking van de hemel geeft Mulisch' visie op de mens duidelijk weer: een wezen dat er vruchteloos naar streeft te ontkomen aan het conflict tussen z'n rationeel en zijn mythisch bewustzijn. Inzicht in de mythe die hem stuurt, is niet voor hem weggelegd. Als de mens denkt greep op de wereld te hebben, wordt die hem ontnomen. Mogelijk dat het wonder van Quintens verdwijning, samen met de stenen tafelen, erop wijst dat het mythische wint. Maar ja, Quinten is dan ook meer hemeling dan aardling.

De rol van Donner als romanfiguur blijft op verhaalniveau dus beperkt tot een psychologische verdieping van de vriendschap tussen Max en Onno. Al interpreterend roept Donners ‘aanwezigheid’ onmiddellijk de vraag op wat deze Mulisch-kenner bij uitstek - los van alle door hem traceerbare, autobiografische fratsen van Mulisch - over De ontdekking van de hemel gezegd zou hebben. Het blijft speculeren, maar vermoedelijk zou hij het niet eens zijn geweest met Mulisch in de naamgeving ‘Intermezzo’: het kaderverhaal - proloog, drie intermezzi, epiloog - is juist essentieel voor de roman. Misschien zou hij in het gesprek tussen de engelen wel de gespiegelde dialoog tussen Max en Onno gezien hebben; in de engelen de personificaties van ratio en mythe, als de sinnekens in het rederijkersdrama. Zeker zou hij zich uitgelaten hebben over de rol van God in De ontdekking van de hemel.

Mulisch schreef een roman over het goddelijk gezag, hoe de wereld bestierd wordt in naam van God. De ontdekking van de hemel is een marionettenspel: het is Gods wil dat de Tien Geboden teruggehaald worden, terwijl God zich in het boek niet vertoont. Om het lot van de mensheid is blijkbaar reeds gestreden en de hemelse ‘opdracht’ is de afwikkeling: de ontbinding van Gods contract met de mensheid. Waarom moet dat ‘testimonium’ per se terug?

God wil zijn verantwoordelijkheid voor de schepping terugnemen: niet de daad - de schepping - maar het Woord. Hij distantieert zich van de schepping door zijn sporen uit te wissen en de enige manier waarop hij zich heeft vertoond, is in het Woord, zijn taal. In het boek Genesis wordt immers beschreven hoe hij de wereld schiep door te spreken. En daarmee is het Woord de schepping geworden.

Via een enorme omweg - Quinten én de hele roman - slaagt God in zijn opzet. Die omweg is nodig, omdat God alleen macht heeft over het Woord; niet over iets anders. Waarom wil God die Tien Geboden terug? Hij wil het bewijs terug, niet de alombekende ideeën. Voor God geldt het contract: alleen wat geschreven is, is waar - Donner zou dit vast en zeker poëticaal duiden. In laatste instantie gaat De ontdekking van de hemel alleen over woorden. Het is Mulisch' geloofsbelijdenis in de centrale positie van het woord.

Dat zou koren op de molen zijn geweest voor Donner, die bij bestudering van Mulisch' werk op een monolithische, wettische manier met de tekst omging. Lang kijken, het woord analyseren en uitgaan van gelaagdheid, om op die manier achter de waarheid te komen. ‘Zoiets als ‘waarheid’ was er voor mij alleen in het geschrevene. Het leven is in wezen onin-

[p. 170]

zichtelijk. Alleen wat binnen het kader van een boek gebeurt (of van een schaakbord, wat dat betreft) kan zinvol zijn’, schreef hij. Mulisch zal hem dat niet tegenspreken.

Bibliografie

harry mulisch, De ontdekking van de hemel, De Bezige Bij, Amsterdam, 1992, 905 p.
marita mathijsen, De werken van Harry Mulisch. Een bibliografie, De Bezige Bij, Amsterdam, 1992, 157 p.
De onderkant van het tapijt. Schrijversprentenboek Harry Mulisch, De Bezige Bij en Nederlands Letterkundig Museum, 1992, 104 p.