Ons Erfdeel. Jaargang 40


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 40. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonkveer 1997


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Nieuw standaardwerk over Indisch-Nederlandse koloniale literatuur

Als weinig anderen zet E.M. Beekman zich nu al vele jaren lang in om de Nederlandse en Vlaamse literatuur in de Engelstalige wereld bekend te maken. Zijn Amerikaanse ‘eenmansguerrilla’ (zie Ons Erfdeel 29 (1986), pp. 541-545) heeft een indrukwekkende publicatielijst opgeleverd van vertalingen, boekuitgaven en wetenschappelijke artikelen. In zijn Library of the Indies heeft hij tussen 1981 en 1988 op voorbeeldige wijze een reeks Engelse vertalingen uitgegeven van de klassieken der Indisch-Nederlandse koloniale literatuur. Met deze mooie boeken, goed vertaald en voorzien van degelijke informatieve noten en nawoorden heeft hij een grote dienst bewezen aan indonesianisten, extramurale neerlandici en literatuurwetenschappers over de gehele wereld.

Als kroon op dit werk is er nu zijn nieuwe boek Troubled Pleasures. Dutch Colonial Literature from the East Indies 1600-1950, een literair-wetenschappelijke studie van ruim zeshonderd bladzijden, waarin hij een gedetailleerde behandeling geeft van in totaal zestien auteurs die het beste vertegenwoordigen van deze literatuur. In historische volgorde: Rumphius en Valentijn uit de VOC-periode (17e en 18e eeuw), daarna Franz Junghuhn, Multatuli, Louis Couperus, Alexander Cohen, P.A. Daum (Maurits) en Raden Adjeng Kartini voor de negentiende eeuw, en tenslotte de acht groten uit de twintigste eeuw: Edgar du Perron, Beb Vuyk, Maria Dermoût, H.J. Friedericy, Vincent Mahieu/Tjalie Robinson, Rob

[p. 304]

Nieuwenhuys/E. Breton de Nijs, Willem Walraven en A. Alberts. Het geheel is omlijst met een heldere inleiding en epiloog, en wordt gecompleteerd door een voortreffelijk apparaat van noten, bibliografie en register.

Beekmans centrale stelling is, dat de Nederlandse koloniale literatuur haar wortels heeft in de scheepsjournalen en zeemansverhalen van de vroege Nederlandse maritieme expansie. Het is daarom wel bijzonder passend dat zijn boek verschijnt precies vierhonderd jaar nadat Jan Huygen van Linschoten met zijn Itinerario de weg had gewezen naar Oost-Indië, en 350 jaar na de publicatie van het populairste boek van deze hele literatuur, het Journaal van schipper Willem Bontekoe van Hoorn.

Aan deze maritieme oorsprong schrijft Beekman niet alleen het gebruik van gewoon, alledaags Nederlands toe, maar ook het realisme, de ongebreidelde nieuwsgierigheid en het avontuurlijk individualisme in deze literatuur; en tenslotte de ongekunstelde en levendige stijl, die niet aan de Europese literaire canons gebonden was. Een goed voorbeeld is het schitterende anekdotische proza in de vijf delen van Oud en Nieuw Oost-Indiën (1724-1726) van Valentijn, een zeer knap verteller met een scherp oog voor ongewone en dramatische details.

De besproken werken worden door Beekman telkens gesitueerd in hun historische, geografische, culturele, sociale en linguïstische context. En ook in de context van de onbekende en overstelpende tropische natuur, die - met name in zijn hoofdstukken over Rumphius, Junghuhn en Maria Dermoût - naar voren komt als één van de meest fascinerende thema's in deze literatuur. Niet alleen om de ontdekking van die natuur - de schelpen, de zeetuinen, de vulkanen, de oerwouden, de flora en fauna. Maar vooral ook om de verhalen die aan deze tropische natuur vastzitten - de lokale legenden, mythen en fabels, die Rumphius als eerste verzamelt en vermeldt, maar die ook in het werk van een moderne schrijfster als Maria Dermoût nog met volle kracht aanwezig zijn.

De magie van de exuberante natuur, de betoverende kracht van de exotische werkelijkheid - het zijn evenzovele romantische thema's in deze literatuur. En zo zijn er meer. Beekman noemt: de magie van het mysterieuze Oosten bij Couperus, het leven in ballingschap en de strijd van het individu tegen de verstikkende burgerlijke orde van de koloniale maatschappij van Walraven en Cohen, de strijd tegen het koloniale onrecht van Multatuli en Vuyk. Indië deed bij hen de verbeelding ontvlammen, de behoefte om te schrijven en dan in dat schrijven de onachterhaalbare herinnering vast te leggen. En in deze dominante romantische inslag zit dan het verschil met de Nederlandse literatuur uit het moederland.

Het hoofdaccent ligt in Beekmans boek op de literaire interpretatie en waardering van de besproken werken. In dit opzicht biedt hij een radicaal andere benadering dan in Nieuwenhuys' Spiegel van 1972. Terwijl Nieuwenhuys vooral de werkelijkheid achter de literatuur zoekt en de Indische literatuur leest als een spiegel van het Indische leven, biedt Beekman uitvoerige literaire analyses van de besproken werken, en hij behandelt die in een uitgewerkt interpretatiekader, waarvoor hij aansluit bij bekende literaire theoretici als Todorov en Bakhtin. En terwijl Nieuwenhuys telkens het Indische en het Nederlandse contrasteert, biedt Beekman slag op slag verrassende en verhelderende literaire vergelijkingen tussen de Indisch-Nederlandse literatuur en die van het Amerikaanse Zuiden. Zo bijvoorbeeld tussen Tjalie Robinson en Mark Twain: hun vrijgevochten jongenswaarden, hun levendige realisme en onliteraire taalgebruik, het alledaags racisme en het geweld in de koloniale samenleving, en ook de tussenpositie van de Indo's met hun petjo tegenover het creools Missisipi-Engels in Huckleberry Finn.

Beekman heeft een schitterend boek geschreven, in geestrijk, robuust en zeer leesbaar Engels. Het boek is van een indrukwekkende rijkdom aan inzichten, eruditie, anekdotes en verrassende details, en is zonder enige twijfel het nieuwe standaardwerk over de Indisch-Nederlandse literatuur.

 

Reinier Salverda

e.m. beekman, Troubled Pleasures. Dutch Colonial Literature from the East Indies 1600-1950, Clarendon Press, Oxford, 1996, 629 p.