Met pauzes van zeven jaar verschenen tussen 1940 en l954 de drie bundels van M. Vasalis. Haar kleine oeuvre heeft de canon gehaald en kan al bogen op halve-eeuwigheid. Zoals gebruikelijk is dat vooral te danken aan een beperkt aantal overbekende gedichten, zoals ‘De idioot in het bad’ en het rouwende ‘Sotto voce’. Juist het gelegenheidskarakter en de toepasbaarheid van dat laatste gedicht, dat met de verzen
menig bidprentje en advertentie siert, behoedt ook de andere gedichten van Vasalis voor vergetelheid.
Ook het bundelen van een oeuvre moet de herinnering eraan levendig houden. Bovendien verleent een bundeling een oeuvre de schijn van eenheid en coherentie, van doelgerichtheid en volkomenheid zelfs. Zo is een bundeling één bepaalde versie van het oeuvre. Ook Vasalis bestaat nu in die versie. De verzameling heet eenvoudigweg Gedichten en bundelt Parken en woestijnen, De vogel Phoenix en Vergezichten en gezichten.
Hoewel de eerste bundel toen hij verscheen veruit de meeste aandacht en lof heeft gekregen, is het hier vooral de laatste die indruk maakt. Het anekdotische, soms naïeve karakter van Parken en woestijnen is in Vergezichten en gezichten volledig verdwenen en heeft plaats gemaakt voor haast mystieke gedichten. Het vertellende karakter van de eerste gedichten is overgegaan in een veel intensere en gebaldere zegging. De lezer die toegankelijkheid verlangt en zich dus absoluut toegang wil verschaffen tot Vasalis' gedichten kwam in de eerste bundel nog wel aan zijn trekken, maar wordt verderop terecht afgestraft. Hij moet zijn lezen nu aanpassen aan de poëzie en niet omgekeerd. De taligheid staat meer op de voorgrond en is niet louter de vorm waarin een bepaalde gedachte-inhoud gegoten is.

Vasalis is geen blijmoedig dichter. Zij ervaart een sterk gevoel van tekort. Dat tekort moet gesitueerd worden in het subject, de werkelijkheid daarbuiten valt niets te verwijten. Zij is dus zelf de zwakke schakel in haar wereldbeeld. Het is eerst haar waarneming die tekortschiet en vervolgens ook haar beschrijving van de dingen. Zo is haar poëzie altijd minstens dubbel vervormend: door het zien en vervolgens door het opschrijven. De problematiek van het zien neemt een vooraanstaande plaats in in Vasalis' poëzie. Zien is voor Vasalis een veel te machteloze en zwakke benadering van de werkelijkheid. Soms ervaart ze het zien zelfs als een obstakel tussen haarzelf en de werkelijkheid. Ze verzucht: ‘Dat ik u zien moet en u niet kan zijn, van u gescheiden door mijn eigen ogen.’ (p.65). Zien betekent hier afstand, gebrek aan intimiteit. Zien kan ook verbrokkeling betekenen: ‘Afzonderlijk, vervreemd, is alles wat ik zie.’ (p.53). Er staat duidelijk niet dat alles afzonderlijk en vervreemd is, maar dat alles wat ze ziet afzonderlijk en vervreemd is. Het zien zelf maakt de werkelijkheid zo. Zien levert haar een minderwaardige variant van de werkelijkheid op: de blik verwijdert en verbrokkelt. Hij vermin-
dert zelfs: ‘Als ik omhoog kijk 's avonds, is de hemel er niet meer.’ (p.52). De hemel is er uiteraard nog wel, maar de blik raakt er niet bij. Die machteloosheid lezen we onder meer ook in het gedicht ‘De Trek’:
Ze kan enkel nakijken, afstand houden, niet deelnemen.
Toch is Vasalis een gulzige kijker: zo staat ze ook vaak aan het raam, in de ijdele hoop zoveel mogelijk werkelijkheid te betrappen. Ook in de motieven van licht en kleur uit zich haar preoccupatie met het visuele. De waarneming wordt gethematiseerd in het gedicht ‘Zien’ op p. 118:
De indruk wordt gewekt dat Vasalis zich jonger waant naarmate ze de werkelijkheid laat voor wat zij is en zich oud voelt wanneer zij aan het interpreteren en associëren slaat. Hoe jonger, hoe onbevangener ze tegenover de werkelijkheid staat, hoe ouder, hoe meer ze er van zichzelf inlegt. Het oud worden is een afstand nemen tot de werkelijkheid, je greep erop verliezen. De blik wordt troebeler, vooringenomener. Het kind-zijn staat bij Vasalis dan ook voor oorspronkelijkheid, zuiverheid. Kinderen kent ze ‘diepdoorzichtige ogen’ toe; hun blik is ‘nog onvermengd’ (p.113). De mens verleert dus duidelijk het zien. Of: elk leren verleert.
Wat volgt op het zien is het zeggen. Ook dat schiet schromelijk tekort:
Of nog:
De werkelijkheid ontsnapt moeiteloos aan de woorden: ze zijn geen partij voor haar. De taal moet het doen met de waargenomen en dus vervormde werkelijkheid. Bovendien is ze zelf van een zo totaal andere orde dan zowel waarneming als werkelijkheid dat in de beschrijving geen weergave maar iets geheel nieuws ontstaat. Waarom dan zo koppig blijven dichten? Het antwoord daarop ligt in de evolutie van haar dichtwerk. In de loop van haar poëzie vervangt ze immers het visuele steeds meer door het visionaire en het zeggen door het beelden. Hoewel op het eerste gezicht de poëzie daardoor nog verder van de werkelijkheid komt te liggen, blijkt ze integendeel waarheidsgetrouwer te worden. Vasalis heeft het vaak over ‘tover’. Dat is voor haar de omweg waarlangs ze de werkelijkheid onverhoeds wil vangen. De tover van de poëzie ligt in het ondeelbare van inhoud en vorm. Het is die ondoorzichtige taligheid die ze in haar latere poëzie weet te bereiken.
Wat nu zo bijzonder is voor de lezer van vandaag is niet die twijfel aan zichzelf en haar instrumenten als de waarneming of de taal, maar integendeel juist het rotsvast geloof in een oorspronkelijke zuiverheid en voorafgegeven werkelijkheid. Dat is ontstellend. Dat er zoiets als een eenheid is, staat voor Vasalis vast. De veelheid en het fragmentarische die haar dwars zitten, beschouwt ze als haar eigen tekortkoming. De beperktheid, de grens ervaart ze in zichzelf. Zo steunt ze in het gedicht ‘Kennen’:
Haar kennen schiet tekort. Die onmacht drijft haar soms zover dat ze doodsgedachten koestert. Zijn is immer beperkt zijn. Daaraan te ontsnappen belooft verlossing van het lijden:
Volledigheid betekent in alle letterlijkheid een ervaring van zowel het volle als het lege, zowel de kennis als de onwetendheid, zowel de liefde als de wanhoop. De onmogelijkheid van haar aspiraties blijkt daar duidelijk uit. Ze wil de paradox, maar die kan niet gevat worden. Als hij gegrepen wordt, heft hij zichzelf op. Het onzegbare zeggen, het onzichtbare zien is Vasalis' tomeloze ambitie. Zoals al gezegd belet het gevoel van onmacht niet dat de grondtoon van haar werk vertrouwen is. Zeer opvallend afwezig is overigens het geloof in God, religie in de strikte zin. Naar mijn mening is dat een belangrijk element in de aantrekkingskracht die haar poëzie uitoefent op de lezer van nu. Haar zoektocht is er een van ondogmatische onbevangenheid, en de manier waarop zij hem verwoordt, is eigenzinnig en ongehoord. Vooral haar beelden zijn vaak een aangename verrassing. Ze zijn letterlijk vanzelfsprekend: ‘Wanneer ik sterven moet, wil ik bij kleine vogels sterven’, schrijft ze en ik ben het er volledig mee eens, al had ik zoiets eenvoudigs in de verste verten nog niet gedacht.
Is Vasalis nog leesbaar? Heeft de canon gelijk gehad? Is de verzamelbundel welkom? Wat mij betreft, driewerf ja. Naast enkele ronduit zwakke gedichten (zo bijvoorbeeld het openingsgedicht ‘Drank, de onberekenbare’) bestaat Vasalis' kleine oeuvre voornamelijk uit rake, beeldende, ongrijpbare verzen, die naast de bekende twijfel merkwaardig zeker zijn. Zeker dat er zin is, zeker dat Het mogelijk is. Zoals zij het verwoordt, zou je het bijna gaan geloven.
Elke Brems
| m. vasalis, Gedichten, Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1997, 137 p. |