geving van een bepaald gebied van kracht is voor iedereen die daar woont, wordt afgedaan als oubollig en ondemocratisch. De auteur beklemtoont dat dit principe in Franstalige streken evengoed wordt gebruikt. In Frankrijk is het zelfs een belangrijk punt van de grondwet (pp. 132 en 135).
Vanneufvilles analyse van de communautaire problematiek is heel boeiend. Eerst schetst hij chronologisch de verschillende periodes in de Vlaamse Beweging. Veel aandacht gaat uit naar de decennia na de Tweede Wereldoorlog, met onder meer de koningskwestie, de tweede schoolstrijd en Leuven Vlaams. Het Nederlands- en Franstalige deel van het land reageerden toen opvallend verschillend. Bovendien groeide ten zuiden van de taalgrens een Waals-nationaal gevoel, vooral na de goedkeuring van de eenheidswet (1961). Mede door de rampzalige ‘wafelijzerpolitiek’, waarbij aan Franstalige kant ‘evenredige’ middelen werden geëist voor elke politieke toegeving of elke belangrijke investering in Vlaanderen, bleek een verregaande federalisering van het land noodzakelijk. Dit gebeurde in verschillende stadia, met als hoogtepunt de staatshervorming van 1993.
Voor Vanneufville hoeft 1993 geen eindpunt te zijn, een mening die niet door iedere Franstalige publicist of politicus zal worden gedeeld. Het verder uit elkaar groeien van Nederlands- en Franstaligen kan slechts door één politiek feit worden afgeremd: het onoplosbare probleem Brussel. De middelen of symbolen die Vlamingen en Walen aan elkaar binden, worden minder talrijk: de invloed en symboolwaarde van het koningshuis nemen af, althans volgens de auteur, de Belgische Frank moet plaats maken voor de Euro, de eertijds gewaardeerde maar nu stroefwerkende nationale instellingen boezemen weinig ontzag in. Ondertussen is er het groeiende belang van de Euregio's met als mooi voorbeeld de Euregio Kent - Vlaanderen - Brussel - Wallonië - Nord-Pas-de-Calais.
De belangrijkste factor die Vlamingen en Franstaligen uit elkaar drijft, is de economie en hier strooit Vanneufville heel wat zout in de wonde. Met tal van cijfers over o.a. economische groei, productiviteit en werkloosheid toont hij de verschillen aan tussen het relatief gezonde Vlaanderen en het noodlijdende Wallonië. De kloof tussen beide gemeenschappen wordt nog versterkt door een voorbijgestreefd economisch beleid in het zuidelijke landsdeel, waar ten dode opgeschreven sectoren tegen beter weten in jarenlang worden gesteund. Door de bredere economische context te schetsen, kan ook de Vlaamse eis tot splitsing van de sociale zekerheid beter worden begrepen.
Af en toe kan de lezer Vanneufville op een slordigheidje of een foutje betrappen.
De auteur heeft de neiging de termen ‘néerlandais’ en ‘flamand’ kriskras door elkaar te gebruiken, wanneer hij het heeft over de taal van de Zuidelijke Nederlanden. Voor een Franstalig publiek lijkt ons het consequente gebruik van ‘le néerlandais’ voor de hand te liggen. De politica Nelly Maes maakt tot nader order deel uit van de Volksunie. Zij is geen lid van de CVP en zeker niet een van de meest in het oog springende medewerkers van de Belgische eerste minister (p. 158). De laatste aanmerking is meer van inhoudelijke aard. Vanneufville gaat nogal losjes over de verschillende staatshervormingen heen. De belangrijkste bepalingen worden samengevat op goed twee pagina's (pp. 115-117). De hervormingen op zich zijn droge kost, maar een meer gedetailleerde analyse had niet misstaan. Le coq et le lion blijft echter een heel verdienstelijk werk, waarin de auteur het niet schuwt in te gaan tegen algemeen aanvaarde opvattingen ten zuiden van de taalgrens. Wie dit boek leest, kan het ‘Belgisch probleem’ niet zomaar vanuit één standpunt bekijken.
Hans Vanacker
| eric vanneufville, Le coq et le lion. La Belgique à la croisée des chemins, Editions France Empire, Parijs, 1998, 184 pp. |