Ons Erfdeel. Jaargang 45


auteur: [tijdschrift] Ons Erfdeel


bron: Ons Erfdeel. Jaargang 45. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem / Raamsdonksveer 2002


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 751]

Een Marokkaanse Nederlander in het spoor van Diderot en Voltaire

Een Nederlandse schrijver is een schrijver die zijn werk in het Nederlands schrijft, eenvoudiger kan het niet gedefinieerd worden. In Nederland of Vlaanderen wonen is niet voldoende en evenmin noodzakelijk (Leo Vroman en Ivo Michiels), zoals ook het geboorteland of de moedertaal er niet toe doen. Niettemin zijn er twijfelgevallen. Ethel Portnoy woont al meer dan haar halve leven in Nederland, maar schrijft haar boeken in het Engels (niet voor de Engelstalige markt), waarna ze door echtgenoot of kind in het Nederlands worden vertaald. Haar werk wordt tot de Nederlandse literatuur gerekend. Terecht, lijkt me.

Dat van Fouad Laroui werd, tot voor kort, niet tot de Nederlandse literatuur gerekend. Eveneens terecht: Laroui, geboren in Oujda, Marokko, maar sinds 1990 woonachtig in Nederland, schreef zijn boeken, een drietal romans, in het Frans. Dat ze later in het Nederlands werden vertaald is mooi, maar dat kan er strikt genomen evenwel niets aan veranderen dat ze tot de Franse literatuur behoren. Maar zoals iemand kan emigreren of van nationaliteit veranderen, zo kan een schrijver van literatuur veranderen. Dat geldt voor Laroui. Na in Parijs gestudeerd en enige tijd aan de universiteiten van Cambridge en York gedoceerd te hebben, moet Laroui zich na een jaar of tien wonen en werken in Amsterdam (waar hij economie doceert aan de Vrije Universiteit) zeker goed genoeg gevoeld hebben ten aanzien van zijn Nederlands om zijn literaire werk voortaan rechtstreeks in zijn nieuwe taal te schrijven. In 2001 publiceerde hij Vreemdeling: aangenaam, een essay van beperkte omvang, in 2002 Verbannen woorden, poëzie. Met terugwerkende kracht, lijkt me, moet ook het vroegere werk een beetje tot de Nederlandse literatuur gerekend mogen worden.

Al het werk van Laroui gaat over de belangrijkste thema's van deze tijd: culturele ontworteling, onderontwikkeling, armoede, domheid, religieus en politiek dogmatisme en fanatisme. En vanzelfsprekend put hij daarbij ook uit eigen ervaring. In Vreemdeling: aangenaam gaat Laroui in precieze en speelse, allerminst klagerige formuleringen in op de vraag wat het betekent vreemdeling te zijn. En vooral: waar het aangenaam is een vreemdeling te zijn. Niet in Frankrijk, ‘Je bent Franser dan de Fransen en

illustratie

Fouad Laroui (o1958).


toch blijf je in hun ogen een vreemdeling’, ook niet in Engeland, ‘dat land van high tea en zeer beleefde mensen’. Na de nodige omzwervingen meent hij in Amsterdam eindelijk een plek gevonden te hebben naar zijn zin. ‘Misschien’, zegt hij, ‘moet je van buiten komen om dat wat ik bedoel te waarderen, om het überhaupt te kunnen zien. (...) Hier word je niet dagelijks geconfronteerd met een geweldig glorieus verleden dat je onherroepelijk buitensluit. In dit land heeft iemand de boekdrukkunst uitgevonden maar laat men zomaar een zekere Gutenberg met de eer strijken. Hun “culture” willen ze aan niemand opdringen, ze verontschuldigen zich bijna dat ze er een hebben. Voor wie het schrijven als wapen in de strijd voor de vrijheid wil gebruiken zijn de deuren hier altijd open geweest.’ Dat klinkt strelend, en onwaar is het ook niet, maar toch zou ik graag weten of Laroui deze vriendelijke woorden ook nu nog, een jaar en de nodige uitingen van massahysterie en xenofobie later, nog altijd voor zijn rekening zou nemen.

Verbannen woorden is een vreemde, in de context van de Nederlandse poëzie zelfs hoogst curieuze en ‘achterhaalde’ bundel. Zo onversneden over politiek schrijven, dat is hier voor dichters immers allang taboe. Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat het niet mag - als het maar goed gebeurt. En eerlijk gezegd heb ik daarover soms mijn twijfels. Waar Laroui's proza opvalt door speelsheid, springe-

[p. 752]

righeid en ironie, is deze poëzie van een grote ernst en een ondubbelzinnige explicietheid in zowel stellingname als beeldspraak.

 
Bloed van vrije onbeschaamde vrouwen
 
bij de haren meegesleurd
 
door klauwen geschonden
 
afgemaakt door de dolk.

Naar zulke regels hoef je niet te zoeken, ze staan op elke bladzijde.

Maakt deze poëzie een on-Nederlandse in-druk, voor Laroui's proza geldt dat evenzeer, maar om andere redenen. Zojuist vertaald is De tanden van de topograaf, Laroui's debuutroman uit 1996, in Frankrijk bekroond met de Prix Albert Camus. Dat is, in al zijn beknoptheid, een compleet en origineel boek, dat geen enkele last heeft van de onzekerheden en onhandigheden van de modale debuutroman. Wel is er sprake van een overstelpende volheid, van een verhaal dat zich voortdurend in onverwachte richtingen vertakt, maar Laroui, zo blijkt al snel, houdt alle terzijdes en interrupties met achteloos meesterschap in de hand. Ongebruikelijk is deze roman vooral door de vanzelfsprekende manier waarop de auteur ongebreidelde speelsheid combineert met politieke drijfveren. Afwezig is de opgeblazen toon die politiek gemotiveerde auteurs vaak zo potsierlijk maakt; de grillige fantasie die het verhaal in hoog tempo voortstuwt is ook niet een handig middel ter verpakking van een politieke boodschap, een waarschuwing of iets anders galmends, eerder is die fantasie zelf de essentie van de boodschap.

Toch zou ik toon en stijl van De tanden van de topograaf ook niet graag barok noemen: daarvoor is de taalrijkdom ondanks alles te doordacht en te cartesiaans transparant, nooit is er sprake van inefficiënte overdaad of truttige tierelantijnen. Dit boek is een pleidooi voor een onbekrompen geestelijke vrijheid, een demonstratie in het soepel maken van starre schema's en harde ordeningen. In een recent interview verklaarde Laroui dat Diderot en Voltaire, de vrijgevochten maar realistische Verlichtingsdenkers, sinds hij op het Franse Lyceum voor welgestelde kinderen in Casa-blanca kennis met hen had gemaakt, zijn inspirerende voorbeelden zijn, in het bijzonder beider meesterwerken Jacques le fataliste en Candide, en dat is nog altijd heel goed merk baar. En het is ook typerend voor zijn politieke en culturele positie: de thema's die hem bezighouden zijn nog altijd dezelfde waar het in de hoogtijdagen van de Verlichting om ging. Het besef van die continuïteit is bij oorspronkelijk Nederlandstalige schrijvers doorgaans duidelijk minder ontwikkeld.

De tanden van de topograaf begint met een militaire staatsgreep. De verteller is zeventien, begrijpt niet veel van de commotie, maar leert van zijn uitgebluste, verslagen vader hoe je de bedrieglijke idealistische retoriek van de machthebbers tot haar pijnlijke, realistische kern moet terugbrengen. Als lid van de PAP (Partij van de Anti-Publiciteit) houdt hij zich bezig met het verbranden van affiches voor toneelstukken of reclame voor een weekend in de bergen in een chalet van de Franse alpinistenclub. Hij wordt opgepakt en verhoord, komt weer vrij, gaat onder meer als verpleger werken, en vertrekt, als de grond onder de voeten hem te heet wordt, naar Parijs. Intussen horen we dat het zijn vrienden van de PAP, ook allemaal op drift geraakt maar zonder het sceptische talent van de verteller, slecht is vergaan. De een, een radicaal die definitief alle Marokkaanse schepen achter zich heeft verbrand, pleegt zelfmoord. Een ander is als schilder naar Parijs gegaan, waar hij zo schrikt van een Picasso dat hij onmiddellijk teruggaat naar Marrakech, om daar als vroom man in het vrije schilderen alleen nog het werk van de duivel te zien.

De verteller zwalkt heen en weer tussen Marokko en Frankrijk. Als hij teruggaat naar zijn geboorteland is het vanwege het treurige lot van zijn zus, die weigerde zich te laten uithuwelijken, of van zijn vader, die werd opgepakt omdat hij aanstalten maakte tegen de muur van het paleis een plas te plegen, een vorm van hemeltergende heiligschennis waarvoor hij werd opgepakt en in elkaar geslagen, waarna hij ‘verdwijnt’. In het slothoofdstuk zijn het de gruwelijke lotgevallen van een topograaf die de verteller doen besluiten ‘dit keer (...) voor langere tijd’ naar Europa te gaan. Waar zijn geestelijke vader, Fouad Laroui, jaren later dit sprankelende, sarcastische, opstandige boek over zijn lotgevallen zou schrijven.

Cyrille Offermans

fouad laroui, Verbannen woorden, Vassallucci, Amsterdam, 2002, 47 p.
fouad laroui, De tanden van de topograaf, Van Oorschot, Amsterdam, 2002, 164 p. (uit het Frans vertaald door Frans van Woerden)
[p. 753]

fouad laroui, Vreemdeling: aangenaam, Van Oorschot, Amsterdam, 2001, 38 p.
fouad laroui, Judith en Jamal, Van Oorschot, Amsterdam, 2001, 137 p. (uit het Frans vertaald door Frans van Woerden)
fouad laroui, Kijk uit voor parachutisten, Van Oorschot, Amsterdam, 1999, 185 p. (uit het Frans vertaald door Frans van Woerden)