[p. 307]

Buitenland.

Op den laatsten dag van Maart hebben wij weder, als eind Juli 1914, een oogenblik van groote onrust beleefd. De wildste geruchten deden de ronde. De Entente-mogendheden zouden een ultimatum naar Den Haag hebben gezonden, waarbij van Nederland zou geëischt zijn hare troepen toe te laten in Zeeuwsch-Vlaanderen of wel hare vloot toe te staan over de Schelde Antwerpen aan te tasten, of wel een Engelsche landingsvloot zou in Friesland of Groningen een leger ontschepen om Duitschland op die wijze in zijn kwetsbaarste plaats in den rug te vallen. Reeds heette de Engelsche vloot voor onze kust te liggen. Dat de Ministerraad plotseling was bijeengekomen, stond vast; eveneens, dat de militaire verloven waren ingetrokken, en de hoogste militaire autoriteiten overlegden met de Regeering en dat de Tweede Kamer (waarom niet de Eerste?) tegen een paar dagen(!) later was bijeengeroepen om in comité-generaal aan te hooren, wat er gebeurd was of stond te gebeuren.

Wat was er werkelijk gebeurd? Dat blijft voorshands het geheim der Regeering en der Tweede Kamer, thans ook der ten slotte op haar verzoek eveneens ingelichte Eerste. Maar zeker is wel, dat de Regeering gewaarschuwd was geworden, dat er iets gaande was. De naar men meent, in den regel goed ingelichte Haagsche correspondent der Arnhemsche Courant sprak eenige dagen later van een keizerlijke waarschuwing aan de Koningin. Van een ultimatum was natuurlijk geen sprake: wie zoo iets als het bovenvermelde in het schild voert, waarschuwt met den slag zelf, want hij kan weten, dat onze zeegaten op het eerste gerucht gemakkelijk kunnen worden versperd, met name de Schelde. Maar, in aanmerking genomen de houding van Engeland tegenover onzen handel en onze brievenmalen in de laatste weken was er gereede aanleiding om zoo iets van die zijde, ondanks alle vroegere betuigingen, niet onmogelijk te achten, terwijl van de gezindheid van Frankrijk tegenover ons, die in onze ‘misdadige’ onzijdigheid tegen-

[p. 308]

over Duitschland maar altijd blijven volharden, reeds lang niet veel goeds scheen te verwachten. De enkelen, die gevaar van Duitsche zijde duchtten, bleven zoo goed als alleen staan, uitgenomen eenige verwoede Germanophoben, die nooit een anderen kant uitzien dan oostwaarts, als er van oorlogsgevaar gesproken wordt.

Maar op den eersten schrik volgden spoedig kalmeerende woorden. De Regeering verklaarde uitdrukkelijk geen oogenblikkelijk gevaar te hebben gevreesd maar alleen voorzorgsmaatregelen te hebben bedoeld en de paniekwekkende berichten niet aan de pers te hebben gemeld. Als om strijd verklaarden Engeland en Frankrijk verontwaardigd, dat op de conferentie te Parijs aan zoo iets in de verste verte niet gedacht was, veel minder ervan gesproken; Duitschland betuigde eveneens volkomen onschuld aan eenig boos opzet om onze onzijdigheid te schenden. De Germanophoben waren dadelijk klaar: het was een listig uitdenksel van Duitsche zijde om hier stemming te maken tegen de Entente. Met een zucht van verlichting ging ieder weder aan zijn plotseling gestoorden arbeid, behalve de opgeroepen verlofgangers, die nog steeds ter beschikking moeten blijven.

Zonderling deed het evenwel aan, dat eenige dagen later Engeland plotseling zijn economische maatregelen verscherpte en ten slotte zelfs overging tot een maatregel, die onze gansche scheepvaart dreigt te verlammen: den eisch, dat in Engeland om kolen aanleggende vaartuigen die niet zouden kunnen krijgen dan tegen afstand van 30% der laadruimte ten behoeve van Engelsche lading. Zoo zouden de onzijdige landen - want de maatregel bleef niet tot ons beperkt - Engeland, dat ‘rules the waves’ en daar dus kan doen wat het wil, hebben te helpen aan de door den verscherpten duikbootenoorlog van Duitsche zijde en door de eischen van troepentransport en beveiliging der Engelsche zeewegen aanzienlijk verminderde laadruimte, die Engeland's eigen toevoer merkbaar begon te belemmeren. Men vroeg zich ten onzent af, of dàt niet juist de inhoud der besprekingen ter Parijsche conferentie geweest zou kunnen zijn, waarvoor de Regeering, zij het dan van Duitsche zijde, was gewaarschuwd. Men las de Engelsche en Fransche protesten en betuigingen nauwlettend over, denkend aan de bekende oprechtheid van diplomatieke bewoordingen. En inderdaad, daarin stond alleen van politieke of militaire maatregelen iets te lezen en niet van economische! Zou daarin ten slotte de oplossing der geheimzinnige gebeurtenis te zoeken zijn? En zou men van de zijde der Entente ons zoo meenen te straffen voor

[p. 309]

onze onzijdigheid of onze beweerde Duitschgezindheid, ja ons misschien willen dwingen tot aansluiting aan de een of andere partij?

In ieder geval, de onrust werd volstrekt niet geheel weggenomen, de beginnende paniek ging wel weder liggen maar de scheepvaart, overtuigd, dat een dergelijke maatregel van Engelsche zijde onze onzijdigheid ernstig zou aantasten en Duitschland gereede aanleiding zou kunnen geven om onze schepen, op grond van diensten aan Engeland, zonder eenig onderscheid te torpedeeren, begon zich terug te trekken. De duikbooten-oorlog op zichzelf bedreigde haar reeds zoo ernstig, dat de groote maatschappijen hare grootste en beste schepen besloten op te leggen om ze te vrijwaren voor het droevig lot der Tubantia, wier ondergang nog steeds het voorwerp van ernstig onderzoek is, en van zooveel andere schepen. Ons verkeer met Indië leed er reeds dadelijk duchtig onder, al worden maatregelen overwogen om door de vaart om Schotland heen - in dit jaargetijde reeds minder bezwaarlijk - en door het varen in gemeenschappelijk convooi door de Noordzee, onder geleide van naar mijnen en torpedo's uitziende sleepbooten, dat verkeer ten minste gedeeltelijk te herstellen. Nog is dit overwegen niet geëindigd.

Een en ander toont duidelijk aan, dat de laatste weken ook voor ons het oorlogsgevaar ernstiger maakten dan ooit. De aanvoer van tarwe, van soda, van chilisalpeter voor bemesting, van tal van andere hoognoodige verbruiksartikelen werd belemmerd en met bekommering vraagt men zich af, hoe het moet gaan, als de oorlog nog een jaar zou worden gerekt. Wij zouden allengs en als van zelf tot zelfverdediging in den oorlog worden getrokken door de mogendheden, die de eene na de andere zoo luide hadden betuigd, dat zij ‘geen oogenblik’ dachten of gedacht hadden of wilden denken aan schending onzer onzijdigheid, aan dwang om zich aan de eene of aan de andere zijde te scharen. Zooveel is zeker, hoe langer de oorlog duurt, hoe talrijker worden de kansen, dat ook wij nog zullen moeten mededoen aan den onzinnigen moord op groote schaal van de volkeren, die de beschaving, het geluk der wereld zeggen te willen bevorderen door wat zij thans doen, om niet te zeggen misdoen.

En het einde van den oorlog is nog heel ver af. Het conflict tusschen Amerika en Duitschland dreigt naar aanleiding van den niets en niemand ontzienden Duitschen duikbooten-oorlog verscherpt te worden. De laatste nota van president Wilson, plechtig aan het Congres medegedeeld, dreigt met afbreking der diplomatieke be-

[p. 310]

trekkingen, als daarin geen dadelijke verandering komt. Dit is, let wel, nog altijd geen oorlog, zelfs geen dreigen met oorlogsverklaring; maar het is toch allesbehalve geruststellend.

Wat zal Duitschland doen? Het papier is geduldig, evenzeer als het voor Amerikaansche dan als het voor Duitsche verklaringen moet dienen. En er is blijkbaar nog genoeg papier in de wereld om nog veel meer lange nota's te verzenden, al komen die desnoods dan langs een diplomatieken omweg in de handen van hen, voor wie ze bestemd zijn. Wij hebben, ondanks alle onrustbarende voorstellingen in de Entente-pers, ondanks sommige militaire voorbereidingen der Vereenigde Staten, echter vooreerst nog voor een nieuwen tegen de Centralen optredenden vijand niet te vreezen. De Vereenigde Staten, met hunne talrijke Duitsche bevolking, kunnen moeielijk een oorlog tegen de Centralen beginnen, want in Amerika weet men evengoed als in Europa, dat de duikbooten-oorlog voor Duitschland een levenskwestie, een vreeselijk maar onmisbaar wapen tegen Engeland's uithongeringsmethode is. De Duitsch-Amerikanen mogen ontevreden zijn, dat ook Amerikanen, inwoners van de trotsche Vereenigde Staten, in grooten getale behooren tot de slachtoffers van de Sussex e.a., maar zij weten, dat Duitschland den duikbooten-oorlog niet kan opgeven, omdat zijn kans tegenover Engeland samenhangt met een zoo erg mogelijke verscherping van dien oorlog. Is het bovendien niet een bekende militaire grondregel, dat geen middel in den oorlog ongeoorloofd is? En passen niet alle mogendheden dien regel op hare beurt toe, als zij zich door den loop der dingen tot uiterste maatregelen gedwongen zien? Oorlog is nu eenmaal de ontkenning van alle recht, van alle moraal, ten slotte van alle menschelijkheid. En het is wel merkwaardig, dat nooit de winnende maar altijd de in gevaar verkeerende of verliezende partij en de onzijdigen, die buiten den oorlog staan en den tijd hebben voor moreele en menschelijke overwegingen, daarvan in ruime mate gebruik maken.

Van den landoorlog valt weinig nieuws te zeggen dan dat hij doorgaat als voorheen. Een positie-oorlog aan de Fransch-Duitsche, de Russisch-Duitsche, de Gallicische, de Oostenrijksch-Italiaansche grens en bij Saloniki. Overal vandaag wat vooruit, morgen wat achteruit, al is de Duitsche voortgang bij Verdun iets meer dan dat. De verovering van Trebisonde door de Russen schijnt iets meer te beteekenen, ja een zegepraal van eenige beteekenis, al brengt zij in de algemeene verhoudingen nog weinig verandering. Ook in Mesopotamië blijft het bij het oude: generaal Townshend

[p. 311]

krijgt het in Koet-el-Amara steeds benauwder en de tot ontzet gezonden troepen komen niet veel verder. Uit Egypte geen nieuws: ‘niets van belang’ zooals de oorlogsberichten bijna overal luiden. Of zou de landing van Russische troepen te Marseille een nieuw offensief der Entente aanduiden? Van waar komen die troepen? Natuurlijk uit Siberië over den Atlantischen en den Indischen Oceaan door het Suezkanaal. Talrijk zullen zij wel niet zijn of worden, want die weg is er niet naar.

En zoo gaan wij opnieuw de lente in te midden van groote onzekerheid en groote gevaren aan alle kanten en voor allen. En de vrede schijnt verre, verre... Of zou er hoop komen, als men mag afgaan op de redevoeringen van Bethmann-Hollweg, Asquith en Sonnino? Daarin klinkt werkelijk een andere toon, al komen zij nog niet tot de prachtige vredesvoorstellen van Ford's onzijdigencomité, dat zich onder leiding van wereldhervormsters vermeidt in het opmaken van vredesvoorwaarden, aannemelijk voor allen, die op hun studeerkamer de wereldkaart weer in elkaar zetten, maar verder voor geen verstandig mensch, die rekening houdt met wat er werkelijk te zien is. Utopia, of liever brooddronken malligheid van aan overmaat van naïeviteit lijdende vredes-maniakken en ijdeltuiten, die met ‘idealen’ schermen - een onschuldige liefhebberij, die ten minste dit voordeel heeft, dat zij sommige menschen van erger dwaasheden afhoudt. In ieder geval vinden die personen zich buitengewoon gewichtig, nu hunne vrienden en vriendinnen hunne namen met vette letters in de krant gedrukt zien. IJdel gepraat!

B.