[p. 374]

Vers
Van Martien Beversluis.

Bloesemboom.
 
Doodstil welft de jonge bloesem
 
van haar hout dat scheurt,
 
over d'oude stam die nauw zich
 
nog langs 't water beurt,
 
scheef-verzakt en half ontworteld,
 
onder kroon die geurt.
 
 
 
Hoeveel zomers nog? de laatste?
 
eenmaal nog de Mei
 
door Uw afgeleefde takken,
 
eens...... en dan voorbij?
 
en een ander openbrekend
 
schooner nog dan gij?
 
 
 
Want de grond die uwe wortlen
 
dorstend eens doorreten,
 
en de kracht die gij ten toon spreidt
 
telken jaar...... wij weten,
 
plaats en geur en alle schoonheid
 
zullen zijn vergeten......
[p. 375]
 
En de vogel die zich wiegende
 
in uw volle weelde......
 
in en uit uw takken vliegende
 
van uw blijheid deelde......
 
leeft ze nog die stem, die luide
 
uit de bloesem kweelde?
 
 
 
Leeft ze nog? ja nu nog luistert
 
heel mijn ziel naar 't lied,
 
dat den morgen en den middag
 
al 't geluk verried
 
van uw bloei, die wél verschemert
 
maar verduistert niet.
 
 
 
Maar een morgen zal verschijnen
 
over deze dracht,
 
witter zal het water zijn en
 
wezenloos de pracht,
 
en haar bloemen zullen kwijnen
 
in haar beeld dat lacht.
 
 
 
Sluit de armen vast te samen
 
om dit broos bezit,
 
noem het bij de schoonste namen,
 
want ik zing U dit:
 
dat de bloesem voor Uw raam is
 
morgen niet meer wit.

Geschreven bij de gedachtenis aan Jacqueline v.d. Waals.