schrijverschap bevestigd. Zijn arrogante spel en rake kleinerende opmerkingen verloor hij er niet bij.
In interviews liet Loesberg zich graag van zijn meest cynische kant zien. Deze dragen dan ook consequent titels als: ‘Er deugt absoluut niets of niemand’, ‘Ik ben een doortrapte schoft’ en ‘Goed is het nooit’. Susanne Piët die hem namens de VPRO een vraaggesprek kwam afnemen werd afgesnauwd. Hoe haalde zij het in haar hoofd om hem in spijkerbroek te komen interviewen?
Eind '75 verhuisde Loesberg naar Den Haag met zijn nieuwe vriendin Carry. Waarom zij daar gingen wonen, is niet geheel duidelijk. Zij werkte in Rotterdam en de literatuur speelde zich af in Amsterdam. Aan Theo Sontrop schreef hij eerder over Den Haag: ‘...alles is daar defect. Vervallen, achterhaald, vals, grijs, ingeslapen, pseudo, afgebroken of ingestort, verkocht, beleend, verlaten, hol, etcetera. Kortom een stad waar ik mij prima zal thuis voelen.’
Over Amsterdam was Loesberg overigens ook niet erg te spreken, maar waarover wel: ‘Ik was dus nog in Amsterdam. Die ellendige stad. Stank. Vuil. Onechte stad, alles vals. Rotterdam is tenminste nog eerlijk. R toont unverfroren zijn boerse lompheid. Het tuig dat de Adamse bevolking uitmaakt, is al even lomp als de Rdamse maar die laatste kinkels willen tenminste niet de swingende metropoliet uithangen. Dat willen Adammers wel.’
Loesbergs geluk duurde niet lang. Op 4 mei 1976 kwam Carry om het leven door een treinongeluk. Robert zou deze klap nooit geheel te boven komen. Zij hield hem in bedwang, terwijl hij schreef. Zonder haar zou hij steeds meer doorslaan.
In het voorjaar van 1977 verscheen zijn tweede bundel Een eigen auto met verhalen die grotendeels waren geschreven voor de dood van Carry. De thema's zijn hetzelfde. Loesberg is de hoofdpersoon, zijn motto is ‘ik haat ze allemaal’. Loesberg als kleine jongen, als student en als lifter, hij haat zijn soortgenoten en gedraagt zich destructief. Het verhaal ‘Kanniet is dood’ is illustratief. De kleine Loesberg krijgt van zijn opa een felbegeerde speelgoedjeep. Binnen enkele dagen is het ding gemold.
De achterflap was deze keer wel gevuld, met tekst en met het enigszins arrogante hoofd van de auteur. De verhalen hebben wel een titel, maar staan vol met overbodige citaten. Het geheel is van mindere kwaliteit dan het debuut. De critici dachten er ook zo over. Wel werd zijn levensvisie vergeleken met die van Reve en Céline.
Na Een eigen auto werd het stil rond Loesberg. Hij raakte zijn baan op een makelaarskantoor kwijt. Het bedelen om een uitkering vond hij verschrikkelijk. Hij klaagde erover dat hij aan de ziekte van Pfeiffer leed en in 1978 kreeg hij tijdens een bezoek aan de Frankfurter Buchmesse zijn eerste aanval van epilepsie. Later in het ziekenhuis bleek hij ook een te hoge bloeddruk en een te klein hart te hebben, en bovendien aan suikerziekte te lijden. Zijn drankgebruik, dat na de dood van Carry alleen maar toegenomen was, had hier bepaald geen gunstige uitwerking op.
In de omgang werd hij steeds moeilijker te handhaven. Hij paste telefoonterreur toe op mensen uit zijn kennissenkring.
Er vond echter een opleving plaats in 1979. Robert voelde zich beter, beweerde gestopt te zijn met drinken en werkte weer aan verhalen voor Maatstaf. Begin jaren tachtig publiceerde hij nog enkele stukjes in Propria Cures, maar langzaamaan zag hij in dat er geen nieuwe bundel