terug  begin  verderprepost
[p. 48]origineel

Sentimentele topografie van het noorden

[p. 49]origineel
Lutjegast, Gr. (drama nabij...)
 
In dit aardige coulissenlandschap
 
(boomwallen maken van elk weiland
 
een knus interieur) schiet
 
zoals het volkslied zingt
 
ene Eije Wiekstra - belezen in Marx
 
en Bakoenin - vier agenten
 
door hun ribbenkast; verloor zich
 
(belezen, jawel, in M. & B.)
 
met andermans vrouw in een orgie
 
van drank en wellust; weigert stug
 
wanneer gewapenderhand daartoe gemaand
 
de echtelijke woning te verlaten...
 
 
 
Integendeel, als hij er flauw van is
 
legt hij met zijn jachtbuks
 
vanuit het kleine zolderraam,
 
eindje sigaar tussen de lippen,
 
de ene wachtmeester na de andere neer
 
in de bloedrode ochtendsneeuw.
[p. 50]origineel
Grouw, Fr. (grootscheepsvaarwater langs...)
 
1
 
Elke avond na het nieuws
 
leidt deze man zijn blinde vrouw
 
langs het kanaal -- hij voorop,
 
de handen in de zakken van zijn vale regenjas,
 
zij aan zijn arm, in de rechterhand de stok.
 
Voelt hij haar zachte rukjes wanneer,
 
zacht tjoempend in het zwartfluwelen water,
 
een diepgeladen tanker langsglijdt?
 
Ziet hij haar wijzen met de witte stok
 
waar in het stijfbevroren riet
 
de hekgolf voorbij komt ritselen?
 
Bokkig trekt hij haar verder
 
de nacht in.
 
 
 
Maar die ene keer dat geen hond zich buiten
 
waagt heeft hij zelf de stok genomen,
 
slaande de lantaarnpalen
 
dat het vuur eraf spat.
 
 
 
2
 
Ginds op de hoek bij Tasma's schiphuis
 
raakt kleine Ties, amper zes
 
en geestelijk niet helemaal volwaardig,
 
spelenderwijs te water -- kieviten
 
buitelen boven het dijkje aan de overkant,
 
daar drijft zijn nieuwe bal.
 
 
 
Lang en breed verdronken krijgt hij
 
van een passerende scheepsschroef
 
nog een beste tik na, is alleen
 
nog te herkennen aan zijn kleren.
[p. 51]origineel
Gees, Dr. (joods kerkhofje te...)
 
Weggestopt in een loofbosje
 
aan de rand van de es,
 
amper 1 are klein,
 
afgezet met betonpalen en harmonicagaas --
 
hier rusten SELINA SOOSMAN,
 
overl. te Gees, 7 april 1887,
 
haar dochter ROOSJE SIMONS
 
en haar zoon MOZES SIMONS.
 
De hebreeuwse karakters
 
op de liggende grafzerk bidden
 
dat hun zielen gebundeld worden
 
bij die van de aartsvaders.
 
 
 
Moos en z'n zoon (Jeud'n-Joppie)
 
handelden in kalveren, geiten
 
en jonge bokjes. Roosje stierf
 
in 1914, haar broer in 1919.
 
 
 
Dat was dus die oorlog waarin men
 
hen nog rustig links liet liggen.

Klaas de Wit

prepostterug  begin  verder