Passionate. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Passionate


bron: Passionate. Jaargang 6. Stichting Passionate, Rotterdam 1999


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 34]origineel

Mama!!!

Qst.



illustratie

Ik weet niet waar ik ben, maar ik heb het niet naar mijn zin. Het wemelt hier namelijk van de zwangere vrouwen. Sommige mensen hebben een fobie voor spinnen, kakkerlakken of ander soort ongedierte. Die mensen zijn raar, die moeten een dokter zien. Of beter nog: een psychiater. Ik ben bang voor zwangere vrouwen. Ik heb een fobie voor dikke buiken.

Zwangere vrouwen zijn immers lomp, irritant en zij stinken vaak ook nog. Ik loop er bij het zien van zo'n gevaarte terstond met een wijde boog omheen. Dat vind ik normaal, een ieder die dat niet doet lijdt aan een ongeneeslijke geestesziekte.

Ik weet dus niet waar ik ben, maar ik heb het in ieder geval niet naar mijn zin. Overal waar ik kijk, zie ik van die enge zwangere vrouwen. Voor elke voordeur, naast elke lantaarnpaal, op elke straathoek. Focking overal waar ik kijk word ik lastig gevallen door dikke buiken.

Zwangere vrouwen zouden op de bon moeten en een straf moeten krijgen. Het moet wel een leerstraf

illustratie

zijn. Ze moeten er namelijk iets van opsteken. Maar het mag ook niet te moeilijk zijn, want dan snappen ze het weer niet. Immers zwangere vrouwen kun je niet alleen herkennen aan hun dikke buik, maar ook aan hun domme kop. Dus laten we het lekker simpel houden, net als op de basisschool: gewoon overschrijven. ‘Ik ben ongeëvenaard stom, want ik ben zwanger geraakt door te vergeten de pil te slikken, maar eigenlijk kan ik daar bijzonder weinig aan doen, want dat komt door mijn aangeboren domheid en nu mag ik straks de godganse dag poepluiers verschonen, borstvoeding geven en dat soort ongein, o o o en dadelijk loopt die slimme man van me ook

illustratie

nog eens weg, omdat hij geen zin heeft in dat stinkgedoe met die baby en geef hem eens ongelijk!’ En die zin dan tienduizend keer. Het mag ook weer niet te zwaar zijn, ze zijn immers zwanger. Simpel, maar doeltreffend.

Ik ben een miskend genie. Ik ben ook een sterke jongen, ik kan best tegen een stootje, maar tegen een legertje zwangere vrouwen ben ik gewoon niet opgewassen. Ik ga steeds harder lopen, mijn hart gaat nu als een gek te keer alsof ik in de engste horrorfilm aller tijden terecht ben gekomen. Ik ben ontzettend bang, ik gil en schreeuw, maar niemand komt mij te hulp, niemand doet wat. Ik raak in paniek, ik weet niet wat ik moet doen en al die akelige vrouwen komen maar op mij af.

Ik krijg jeuk, ook dat nog, ik ben allergisch voor zwangere vrouwen. Mijn haar begint uit te vallen. Mijn ogen worden rood. Ik krijg een bloedneus. Ik heb nog nooit van mijn leven een bloedneus gehad. Mijn lichaam

illustratie

heeft de Algehele Noodtoestand afgekondigd. Ik zie overal bloed en zwangere vrouwen. Jezus-. Er bevalt er een. Nog meer bloed en ook nog gekrijs. Ik weet niet waar ik ben, ik weet niet waar ik ben, maar ik heb het in ieder geval niet naar mijn zin.

Kinderen, baby's en moeders. Monsters zijn het. Mij is verteld van bloemetjes en bijtjes en ooievaars. Ik val helemaal uit elkaar, ik verlies nu ook een been. Er gaat een kind mee spelen. Hij stopt het in zijn mond. Dom kind. Dit gaat niet goed. Ik heb verloren, ik geef op. Genade, alsjeblieft. Houd op! Welke manisch-depressieve lul verzint dit nou? Welke zieke geest?

‘Rustig Richard,’ hoor ik, ‘rustig het is maar een droom.’ Het is mijn moeder. Tenminste dat heeft ze mij geprobeerd wijs te maken. Toen ik twee was heeft ze al geprobeerd mij te bedriegen. Ik moest mama zeggen. Mama moest en zou ik zeggen. Je kunt de pot op! Dat zei ik.

Ik kom niet uit een buik, kan niet, onmogelijk. Op een dag was ik

[p. 35]origineel

er gewoon. Stond ik voor een deur en belde ik aan. Er deed een vrouw open die er toen nog wel uitzag en ik liep naar binnen. Uit het niets kwam ik. Zoals de eerste mens. Ik kan me helemaal niets herinneren van sperma, eierstokje of vruchtwater, laat staan bevalling. De ene dag was ik er niet en de volgende dag wel. Vraag me niet hoe.

Dat zullen we ook niet doen hoor Richard. Hij heeft nu wel lang genoeg gefilosofeerd over zijn nutteloze bestaan alhier tussen allemaal zwangere vrouwen. Om dit verhaal nog enigszins interessant te houden, betrekken we er een mooie vrouw bij, dat werkt altijd.

We slaan nu zestien jaar over

illustratie

in het leven van onze Risjaar. Hij ziet de vrouw van zijn leven, we pakken het daar op:

Ritshirt zit in zijn mooie Mercedes en heeft mooie muziek opstaan. Hij heeft zijn mooie blouse aan en het is ook nog mooi weer vandaag en dan ziet hij iets lopen. Uit

illustratie



illustratie

het niets steekt een mooie vrouw over. Deze vrouw heeft rood haar. Zijn mond valt open, hij laat de koppeling los en zijn motor slaat af. O wat dom van Richard. Hij weet even niet waar hij is, maar hij heeft het wel naar zijn zin.

Zelden heeft hij zo'n mooie vrouw gezien. Nog nooit! Dit hier, dit is De Allermooiste Vrouw Van De Hele Wereld. Of misschien komt ze van een hele andere planeet, zo mooi is ze. Hier zijn er maar een of twee van op de hele wereld. Spreekt zij mijn taal? Ze moet van een ander deel van de wereld komen. Dit is liefde op het eerste gezicht. Deze liefde wordt instrumentaal begeleid

illustratie

door getoeter, geschreeuw en gevloek. En gedirigeerd door middelvingers. Maar alles is onder controle. Risjaar doet de deur open en de mevrouw met het rode haar komt naast hem zitten.

Hij rijdt voorzichtig weg en luistert waar hij naartoe moet. Hij stopt na een half uur voor een schoolplein. Hoe kan het ook anders: basisschool De Ooievaar. Mama stapt uit en er komt een klein ding op de auto afhuppelen. Aangezien Ritshirt in de Mercedes SLK 320 cabrio rijdt, is er achterin geen plek voor het meisje. Normaal gesproken

illustratie

begint onze Richard onmiddellijk te hyperventileren bij het zien van kinderen en spontaan over ze heen te vomeren als ze naast hem gaan zitten, maar Richard begrijpt ook wel dat dat niet kan in het bijzijn van de mooiste vrouw en beheerst zich dus.

‘Hallo ik heet Elodie, hoe heet jij?’ ‘Ik heet Richard.’ ‘Mama, hoe komt Richard aan zo'n mooie auto?’ Lachen hè, zo'n kind. ‘Ik zal jou vertellen hoe ik aan zo'n mooie auto kom als jij vertelt hoe jij aan zo'n mooie moeder komt.’ Het valt even stil in de auto. Zelden heeft Richard een kind zo dom zien kijken. Elodie heeft haar mond wijd open. Nu heeft Richard zijn Mercedes niet te danken aan zijn werkzaamheden als pedagoog, maar hij beseft toch aardig snel dat het kind de vraag niet helemaal heeft begrepen. Samen met vrouw en kind trekt hij op van nul tot honderd in vijf komma acht seconden in de bebouwde kom. Terwijl hij dat doet gaat de zon onder.

[p. 36]origineel


illustratie