|
|
|
| |
| | | |
Naar aanleiding van ...
Gedenk de Minne en de Minne zal u gedenken
José van Aelst
Naar aanleiding van: Beatrijs van Nazareth, Seven manieren van minne. Middelnederlandse tekst met een inleiding en hertaling door Rob Faesen S.J. Kapellen, Pelckmans, 1999. (98 blz.) ISBN 90-289-2738-7. Prijs f 29,50.
Van de oudste Middelnederlandse prozatekst, Seven manieren van minne van Beatrijs van Nazareth (1200-1268), is onlangs een nieuwe uitgave met moderne hertaling verschenen. De teksteditie met inleiding is verzorgd door Rob Faesen. Het boekje is prachtig uitgevoerd, heeft een opvallend fraaie kaft en de tekst is op mooi papier gedrukt. Het kwam tot stand ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de abdij Onze-Lieve-Vrouw van Nazareth te Brecht, de officiële voortzetting van de abdij van Nazareth te Lier waaraan Beatrijs haar naam te danken heeft. Een soort jubileumgeschenk dus. Of, zo vraagt de abdis van het klooster zich af met eerbied voor de meest illustere bewoonster van haar abdij, is het Beatrijs die ons bij haar achthonderdste verjaardag de editie cadeau doet? (p. 7).
In het eerste deel van de tweedelige inleiding bespreekt Faesen de historische context van Seven manieren van minne. Hij situeert de oorsprong van Beatrijs' spiritualiteit in de twaalfde eeuw, wanneer Willem van Saint-Thierry en Bernardus van Clairvaux het Hooglied interpreteren als het verhaal van een persoonlijke liefdesontmoeting tussen God en mens. Deze nieuwe spiritualiteit leidde tot de religieuze vrouwenbeweging waartoe Beatrijs gerekend kan worden. Kort na haar dood heeft een geestelijke een levensbeschrijving van Beatrijs gemaakt. Op grond van deze vita schetst Faesen haar levensloop en bespreekt hij de verschillende personen die bij haar geestelijke vorming een rol hebben gespeeld. De schrijver van de vita vermeldt dat hij zich baseert op dagboekaantekeningen van Beatrijs zelf en op getuigenissen van nog levende zusters. De inleider karakteriseert daarom het verhaal als ‘erg betrouwbaar’ (p. 19).
Maar hoe betrouwbaar is de vita? De historische gegevens zijn weliswaar geput uit betrouwbare bron maar, zoals in alle hagiografische literatuur, streefde de schrijver een hoger doel na dan getrouwe weergave van de werkelijkheid. Hij wilde de lezer stichten en aanzetten tot navolging door hem het verhaal te vertellen van de ‘volmaakte cisterciënzerin’, in het licht van de eeuwigheid.1 Hij formuleert zijn exemplarische doelstelling expliciet: God heeft Beatrijs' voorbeeld met de schrijfstift van eeuwige gedachtenis geschreven in de geest van hen die haar gekend hebben. Hij smeekt hen die Beatrijs niet gekend hebben, dat zij haar navolgenswaardige voorbeeld door zijn levensverhaal in hun geheugen zullen prenten.2 Voor hen heeft hij haar leven met betrouwbare historische gegevens gemodelleerd naar het volmaaktheidsideaal.
| | | |
De mystieke tekst van Beatrijs, Seven manieren van minne, staat centraal in het tweede deel van de inleiding. Dit deel begint met een korte uitleg over mystiek: mystiek is een ervaring en ‘Deze ervaring is van alle tijden.’ (p. 32). Over de schriftelijke neerslag van die ervaring stelt Faesen de vraag: ‘Welke leeshouding dient men nu aan te nemen wanneer men een mystieke tekst ter hand neemt?’ (p. 36). Bij het beantwoorden van deze vraag maakt hij geen onderscheid tussen het primaire historische publiek en de hedendaagde lezers. Beatrijs heeft in eerste instantie Seven manieren geschreven voor ‘haar geestesgenoten’ en niet alleen voor zichzelf. Een paar regels verder perkt hij dat in tot ‘mystieke lezers’. Voor hen die mystiek uit eigen ervaring kennen, wil Beatrijs beschrijven en verhelderen wat ze ervaren hebben. Maar hij gaat ongemerkt over op de hedendaagse lezer als hij daarna opmerkt dat ook niet-mystieke lezers de tekst kunnen lezen: ‘iedere lezer die gevoelig is voor schoonheid en die in staat is deze te bewonderen kan Beatrijs lezen’, op voorwaarde dat hij haar tekst niet als geestelijk handboek gebruikt (p. 36). Beatrijs heeft haar tekst volgens de inleiding dus primair geschreven voor mystiek-begenadigden zowel van toen als van nu. De inleiding besluit met een heldere bespreking van de structuur van Beatrijs' tekst. Na een korte bespreking van de vertaling zal ik uitgebreid ingaan op de vereiste leeshouding, de tekststructuur en het beoogde publiek.
Op de inleiding volgt de Middelnederlandse tekst met daarnaast een hertaling. Op de hertaling valt wel wat aan te merken. Ongelukkig vind ik bijvoorbeeld het besluit om manieren met ‘levenswijzen’ te vertalen (verantwoording op p. 87). Het woord verwijst niet naar een ‘manier van leven’, maar naar verschillende aspecten die de menselijke beleving van de minne kent. De minne is vanuit God gezien onveranderlijk. Het neutrale woord ‘manier’ of ‘wijze’ zou mijn voorkeur hebben. In de hertaling zitten ook verschillende fouten. Zo wordt sele (r. 166), een werkwoordsvorm, vertaald met ‘de ziel’. Si heltse neder (r. 317) wordt omgezet tot ‘en haalt haar neder’. Maar helt- is geen vorm van het werkwoord halen, maar een dialectische variant van houden, ‘ze houdt haar omlaag’, so es hare sachte (r. 243) betekent niet ‘gaat erg vlot’ maar ‘het is haar aangenaam’. Vreemd vind ik, dat getrect (r. 298, 300 en 308) vertaald wordt met ‘binnengetrokken’. De richting van het trekken is naar de minne of naar de begeerte, geen van beide ruimtelijke begrippen, zoals de vertaling suggereert.
De vertaler voegt bij herhaling toelichtende uitbreidingen toe, die soms echter tot andere betekenis leiden. Dat gebeurt bijvoorbeeld als hij ‘datsi es getrect in die begeerte te vercrigene ende te wesene in die puerheit...’ (r. 10-11) vertaalt met: ‘dat die ziel naar binnen getrokken wordt, in het verlangen te mogen ontvangen de puurheid ...’ Door de woorden naar binnen toe te voegen wordt de betekenis volledig gewijzigd: de ziel wordt naar binnen getrokken, ze keert in, en dan wel omdat ze de puurheid verlangt. Maar in het Middelnederlands keert de ziel niet naar binnen, doch wordt ze in of naar het verlangen tot zuiverheid getrokken. Aan de vertaling van al hare macht verderuende (r. 154) voegt de vertaler een interpreterende uitleg toe: ze verliest de kracht ‘om over haar vermogens te beschikken’. En meer (r. 222) wordt ‘meer aanlokkelijks’. Ook graadaanduidingen worden toegevoegd: so pijnt si hare wordt ‘doet ze haar uiterste best’ (r. 31); begheert wordt ‘helemaal verlangt’ (r. 74); hare anscijn wordt ‘geheel haar uiterlijk’ (r. 199); iammerlike wordt ‘zo jammerlijk’ (r. 352). Ook worden stukjes tekst in de vertaling weggelaten: ende al dat creature es bouen ende beneden (r. 94-95) ontbreekt in de vertaling; te huedene ende te scuwene (r. 31) wordt teruggebracht tot ‘zich te hoeden’. Er zouden meer weglatingen en toevoegingen genoemd kunnen worden. Men moet dus voorzichtig omgaan met de vertaling: ze is sterk interpreterend en niet altijd correct.
De mystieke ervaring mag dan ‘van alle tijden’ zijn - al is deze aan een enkeling voorbehouden -
| | | | de tekstuele vormgeving van die ervaring in Seven manieren van minne is zeker niet van alle tijden, maar gebonden aan het gebruik van de dertiende eeuw. We kunnen de hedendaagse lezer niet over een kam scheren met het dertiende-eeuwse publiek, want dat had andere leesgewoonten dan wij. Om deze historische dimensie van de tekst te begrijpen moeten we nagaan hoe de dertiende-eeuwer voor wie de tekst geschreven is, las. Bij een interpretatie van Seven manieren moet de vraag niet luiden: ‘Hoe moet mystiek in het algemeen gelezen worden?’ maar: ‘Hoe moet deze mystieke tekst uit de dertiende eeuw gelezen worden?’ Hieronder zal ik de primaire receptiewijze van Seven manieren van minne centraal stellen en nagaan hoe Beatrijs en haar omgeving met teksten omgingen.
Beatrijs' vita geeft een beeld van de leescultuur waarin zij thuishoort. In haar omgang met zowel geschreven als gesproken teksten speelt het geheugen een essentiële rol. Beatrijs maakt zich teksten of delen daarvan eigen door deze in haar geheugen te prenten. De vita geeft, verspreid over verschillende hoofdstukken, de volgende informatie. Als ze vijf is kan ze door het onderwijs van haar moeder de honderdvijftig psalmen van David foutloos in de goede volgorde opzeggen. Het is verbazingwekkend, zegt de vita, dat ze al op die leeftijd de klanken van de woorden van buiten kon leren.3 Twee jaar later - ze woont dan bij begijnen in Zoutleeuw - krijgt ze onderwijs van meesters in de zeven vrije kunsten. Fysiek en geestelijk sluit ze zich af van het rumoer van haar medeleerlingen en afgezonderd wijdt ze haar aandacht volledig aan de teksten die ze van de magister aan haar geheugen moest toevertrouwen.4
Als ze, negen of tien jaar oud, in het regularissenklooster Bloemendaal woont, vertrouwt ze de regels en voorschriften toe aan haar ‘taaie geheugen’ om deze beter te begrijpen. Wanneer ze daar een preek over goddelijke dingen hoorde, zegt de vita, dan verzamelde ze alles wat ze hoorde ijverig in de korf van haar geheugen, opdat geen stukje ervan verloren zou gaan. Nu eens herhaalde ze later alles voor haar medebewoners, dan weer haalde ze alles in meditatie terug in haar geest. Ze ging niet slapen voordat ze alles geordend had en daaruit een bundeltje mirre had verzameld om tussen haar borsten te plaatsen.5 Het bundeltje mirre, een verwijzing naar het Hooglied, duidt die dingen aan die men in het geheugen beschikbaar wilde hebben voor meditatie. In deze betekenis komt het ook voor bij bijvoorbeeld Bernardus van Clairvaux, Henricus Suso en Gerard Zerbolt van Zutphen.6
Beatrijs wil door voortdurende meditatie de vergeetachtigheid uit haar geheugen bannen. Ze neemt verschillende maatregelen waardoor ze dag en nacht herinnerd wordt aan het kruis. Ze is erop gebrand het teken van het kruis voortdurend in haar geheugen te hebben omdat ze daardoor voortgang zal maken in deugd.7 Dit komt overeen met de gangbare middeleeuwse opvatting dat het trainen van het geheugen meer was dan het vergaren van kennis. Door het geheugen te ontwikkelen, ontwikkelde men zijn morele oordeelsvermogen. De vorming van het geheugen was daarmee bepalend voor het geweten, voor de persoonlijkheid, voor wie de mens was. Daarom was het van groot
| | | | belang, wat men memoriseerde.8 Om een goed deugdzaam leven te ontwikkelen, prent Beatrijs dus het kruis in haar geheugen en roept ze vervolgens het leven van Jezus, bij voorkeur de passie, uit haar geheugen op voor meditatie.9 Het mentale beeld van het lijden van Jezus is zo diep in haar geheugen gedrukt dat ze gedurende vijf jaar zelden met de zoete meditatie daarvan stopt.10
Voor het mediteren, een intensieve geheugenactiviteit, biedt haar taaie geheugen een uitstekend apparaat. Als ze het druk heeft, kiest ze steeds een punt uit dat haar nuttig lijkt. Dat schrijft ze op, om het in haar geheugen te prenten.11 Als zij geestelijk rijper wordt, bedenkt ze zelf drie meditatie-oefeningen om haar geestelijk leven verder te ontwikkelen. De oefeningen kunnen beschouwd worden als vrucht van de manier waarop zij in de jaren daarvoor haar geheugen getraind heeft. De drie technieken die beschreven worden, geven een ontwikkeling te zien van makkelijk naar moeilijk. Ze begint eenvoudig: in haar strijd tegen luiheid en onstandvastigheid deelt ze haar hart in twee cellen in. De onderste cel verdeelt ze in zessen. Daarin verzamelt ze zes dingen die als medicijn tegen haar onstandvastigheid dienen. In de bovenste verzamelt ze tegen de luiheid het goede en de geestelijke gaven. ‘Deze en andere dergelijke dingen, verzameld in de korf van het geheugen uit de plaatsen van de Schrift, plaatste ze samen met de weldaden van haar eigen genadegaven in de bovenste cel.’ Voor het geheugen gebruikt de vita hetzelfde beeld dat al eerder gebruikt werd (vgl. noot 5), namelijk de korf van het geheugen, maar in overeenstemming met de oefening wordt hier recordatio, een verwijzing naar het hart, in plaats van memoria gebruikt voor ‘geheugen’.12
Omdat deze oefening haar niet voldoende tot zelfkennis brengt, ontwerpt ze een andere die daarvoor meer geschikt is: ze richt vijf spiegels op voor de ogen van haar hart met díe onderwerpen die haar tot innerlijke zelfkennis zouden brengen. Door in voortdurende meditatie daarin te kijken wordt haar innerlijke mens gevormd.13 Tenslotte gebruikt ze de voorstelling van een klooster om de verschillende deugden en hun werkingen te onthouden. Daarop varieert ze later door het beeld van een ommuurde tuin te gebruiken.14 De voorstelling van een gebouw wordt al in de klassieke mnemotechniek aangeraden als structurerend principe om iets te onthouden en in de Middeleeuwen zijn christelijke toepassingen daarvan ontstaan die men gebruikte voor meditatie. In dezelfde zin moet de vita begrepen worden als er sprake is van het ‘huis van haar hart’ waarin Beatrijs alles opslaat wat ze nodig heeft om geestelijke aanvallen af te slaan.15
Tijdens het luisteren naar de preek, tijdens het horen van de mis, wanneer een van haar medezusters voorleest, steeds vindt Beatrijs iets om in haar geheugen op te slaan en erover te mediteren.16 Maar wanneer haar geestelijk inzicht toeneemt, merkt ze ook dat de mogelijkheden van haar geheugen be- | | | | perkt zijn en dat de werking van haar geheugen grenzen heeft. Als ze bijvoorbeeld een speciaal inzicht in geestelijke dingen geopenbaard krijgt, lukt het niet om dat in haar geheugen op te slaan en daarover te mediteren. Het betreft dingen die het menselijk verstand te boven gaan en daarvoor is het geheugen niet toegerust.17
De vita geeft, samengevat, het volgende beeld. Vanaf het begin is Beatrijs' omgang met teksten een geheugenactiviteit. Soms slaat ze een tekst in zijn geheel op, soms kiest ze een klein stukje uit een groter geheel om dat te ‘herkauwen’. Als ze een tekst hoort, ordent ze die inwendig, zodat ze erover kan mediteren of het aan anderen door kan geven. Hoe letterlijk kunnen we deze gegevens nemen? We moeten er rekening mee houden dat de schrijver van het levensverhaal Beatrijs' geheugen zo positief mogelijk wilde voorstellen en daartoe heeft overdreven. Beatrijs zou bijvoorbeeld de honderdvijftig psalmen al op haar vijfde in volgorde gekend hebben, terwijl een scholier daar gemiddeld twee tot drie jaar over deed. Dat overdrijven past binnen de hagiografische vormgeving. Het geheugen was immers een morele faculteit, zoals hiervoor is opgemerkt, en moest zo gunstig mogelijk worden voorgesteld.18 Maar ook al geeft de vita een geflatteerd beeld van Beatrijs' vermogens, het is onontkoombaar dat voor haar en haar omgeving teksten direct verbonden waren met het geheugen. De vitaschrijver kon het beeld van een geheugencultuur immers alleen maar schetsen als het voor zijn publiek, de zusters in Nazareth, herkenbaar was.
De tekstcultuur van Beatrijs wordt dus in hoge mate bepaald door het geheugen. Deze opmerking kan voor ons met onze eenentwintigste-eeuwse leesgewoonten makkelijk tot misverstanden leiden. Wij kennen memoriseren van een tekst alleen als woordelijk uit het hoofd leren, memoria ad verbum, waardoor de tekst, begrepen of niet, woord voor woord gereproduceerd kan worden. In de Middeleeuwen kende men daarnaast een andere manier, die erin bestaat dat men de gedachtelijn van een tekst in het geheugen prent, memoria ad rem. Deze laatste manier doet een beroep op het inzicht van de lezer en stond daarom hoger aangeschreven dan de eerste manier. Woordelijk uit het hoofd leren kost bovendien veel meer tijd. Zo'n tijdsinvestering was wel voor de psalmen en liturgische teksten zinvol, maar niet voor alle teksten. Uit de vita blijkt dat Beatrijs beide manieren van memoriseren beoefende: de psalmen kent ze woord voor woord maar uit een preek verzamelt ze de gedachten.
Beatrijs, een vrouw met een getraind geheugen, schreef Seven manieren van minne. Draagt de tekst sporen van haar mnemotechnische vorming? Heeft de tekst eigenschappen die hem geschikt maken voor memorisatie?19 Het is niet mogelijk om binnen het bestek van deze bespreking de vraag gedetailleerd te beantwoorden, maar ik zal globaal aangeven welke punten van belang zijn. Een antwoord heb ik gezocht in de middeleeuwse artes memoriae, waarin de principes beschreven worden die van belang zijn voor het van memoriseren van een tekst. Deze geven weliswaar geen lijstje met voorschriften voor het schrijven van een tekst, maar als ik Seven manieren van minne lees met de principes van de geheugentechniek in gedachte, dan sluit een aantal tekstkenmerken aan bij de geheugenprincipes.20
Twee basisprincipes van de memoriatechniek zijn divisio en compositio. Dat betekent: men moet de stof die men wil onthouden in stukken verdelen en deze binnen een duidelijke compositie of ordening samenbrengen.21 Beatrijs heeft haar ervaring met de minne ook duidelijk geordend: zij heeft de tekst ingedeeld in zeven stukken, zeven manieren. Dat verneemt de lezer al in de eerste zin, de titulus, die een duidelijk begin markeert. De titel fungeert als kapstok waaraan de informatie die volgt opgehangen kan worden. Om te memoriseren, moet de lezer zich deze zeven afzonderlijk voor ogen stel- | | | | len als zeven geheugenplaatsen, loci. De beschrijving van elke manier heeft een tussentitel die aangeeft welke van de zeven begint. In de bewaarde handschriften zijn de tussentitels visueel gemarkeerd door rubricatie en een beginletter die zich onderscheidt van de gewone tekst, soms voorafgegaan door een paragraafteken.22 De lezer weet door deze visuele markering steeds op welk punt in de tekst hij zich bevindt. Structurering met getallen is een van de bekende methoden in de mnemotechniek. De vaste volgorde van de getallen biedt het geheugen een duidelijke structuur. Daardoor kan men de informatie geordend opbergen, zodat men die in de juiste volgorde terug kan vinden. Dat systeem is door Hugo van St. Viktor beschreven voor het onthouden van de honderdvijftig psalmen, die ook Beatrijs volgens de vita in de juiste volgorde kende.23
Wie een tekst effectief wil memoriseren, heeft echter meer houvast nodig dan deze verdeling in zeven stukken. Seven manieren van minne biedt dat houvast ook. De zeven manieren hebben namelijk steeds dezelfde opbouw: elke beschrijving bestaat uit drie onderdelen, te weten een kernachtige beschrijving, een nadere uitleg en een besluit. De eerste twee zijn duidelijk te herkennen en de overgang tussen beide is met tekstuele elementen gemarkeerd. In de kernachtige aanduiding, het eerste onderdeel, wordt kort beschreven welke aspecten van de minnebeleving kenmerkend zijn voor de bedoelde wijze. Daarop volgt een uitleg hoe de ziel deze wijze van minne psychisch beleeft. De overgang tussen beide wordt gemarkeerd met het woord ‘hierin’. Daarmee wordt de voorafgaande beschrijving samengevat: als de ziel zich in deze toestand bevindt, dan...24 Dit woord is een signaal dat de lezer attendeert op de structuur van de tekst, het fungeert als een nota uit de geheugenkunst. Na de uitleg volgt een besluit, het derde deel van elke manier. De grens tussen de uitleg en het besluit is iets minder eenduidig te trekken dan die tussen de eerste twee delen. De inhoud van het besluit is niet steeds dezelfde. Soms wordt de wijze nog eens kort samengevat, een andere keer worden de gevolgen van de wijze van minne geresumeerd. De afsluiting wordt in de meeste gevallen gemarkeerd met de woorden so of aldus. Daarmee wordt de beschrijving concluderend besloten: ‘zo’ of ‘dus’.25 Een driedeling is natuurlijk een normale stijlfiguur, maar komt ook regelmatig voor in de voorschriften voor het geheugen.26 De indeling van de tekst in zeven stukken, elk opgebouwd uit drie onderdelen geeft een goede structuur bij het memoriseren van de tekst.
Ook op micro-niveau biedt Beatrijs haar lezer hulp voor memoriseren en mediteren van haar tekst. Het menselijk verstand kan slechts een beperkt aantal woorden tegelijk overzien en in zich opnemen. Beatrijs lijkt daarmee rekening te houden doordat ze haar informatie knipt in kleinere gedachte-eenheden, korte stukken met een kerngedachte, ‘hapklare brokken’ voor wie zich intensief met de tekst wil bezighouden.27 Deze bouwstenen maken het makkelijk om de gedachtelijn van het verhaal te onthouden, voor memoria ad rem. Het veelvuldige gebruik van ende, dat voor ons ongenietbaar is, is in dit verband vermoedelijk zeer functioneel geweest omdat de tekst mede daarmee voorgeprogrammeerd was voor memorisatie. In de vertaling wordt ende zeer vaak, meer dan tachtig keer weggelaten, wat voor de hedendaagse lezer erg prettig is. Maar het structurerend taaleigen, dat voor Beatrijs en haar lezeressen functioneel was, wordt daardoor wel onzichtbaar.28
| | | |
De tekst eindigt met een mooi stuk rijmproza (r. 398-449), dat volgt op de zevende manier. In deze afsluitende regels wordt de strekking van de hele tekst samengevat: de ziel die de minne nastreeft, ondergaat in haar ballingschap hier op aarde veel lijden maar ze zal later als beloning in de eeuwige heerlijkheid met haar Bruidegom verenigd worden. Beatrijs heeft dit rijm niet louter ter verfraaiing van de tekst geschreven.29 Het rijm helpt de lezer dat tekstgedeelte, en daarmee de kern en het doel van de hele tekst, woord voor woord te onthouden. Het rijmproza ondersteunt woordelijk memoriseren van de tekst, memoria ad verbum.30
Seven manieren van minne heeft dus verschillende tekstkenmerken die in overeenstemming zijn met de principes van de geheugentechniek. De tekst heeft een duidelijke, numerieke structuur. De informatie is opgebouwd in kleine gedachte-eenheden. Deze bouwstenen maken het makkelijk de gedachtelijn te volgen en te memoriseren. Tenslotte zorgt het rijmproza aan het eind van de tekst ervoor dat de kern van het verhaal woordelijk gememoriseerd kan worden. De tekst biedt rijke ondersteuning als iemand deze in zijn geheugen wil opslaan. Als Beatrijs de tekst bewust met deze hulpmiddelen voor de memoria heeft toegerust - en gezien haar eigen gewoonten en de tekststructuur lijkt me dat meer dan waarschijnlijk - dan beoogde zij met haar tekst niet zozeer herkenning van de mystieke ervaring, maar inprenting daarvan. Wie heeft zij daarbij op het oog gehad? Voor wie heeft Beatrijs deze tekst geschreven?
Al vroeg in haar geestelijk leven is Beatrijs niet alleen gericht op haar eigen geestelijke groei, maar geeft ze het geestelijk voedsel dat ze ontvangen heeft, ook aan anderen door.31 Als ze zelf door een boze geest is verleid en daaruit een indringende geestelijke les heeft geleerd, schrijft ze die op voor haar medezusters, om hen door haar voorbeeld te waarschuwen. De vita zegt: ‘ze liet aan allen die het wilden lezen deze dingen die haar waren overkomen na tot een voorbeeld, om voortdurend aan hun geheugen toe te vertrouwen.’32 Als Beatrijs in mei 1236 naar Nazareth verhuist, wordt het haar taak aan de novicen onderwijs te geven.33 De novicen staan aan het begin van hun geestelijk leven en moeten nog in ervaring met geestelijke zaken gevormd worden. Beatrijs onderwijst hen en ze maakt hen tot volgelingen van haarzelf.34 In de literatuur is dan ook bij herhaling naar voren
gebracht dat Beatrijs haar Seven manieren voor hen geschreven zou hebben.35 In 1237 wordt ze tot priorin gekozen en dat blijft ze tot aan het eind van haar leven. Het slot van de vita noemt niet alleen de novicen maar haar medezusters in het algemeen haar discipelen of haar volgelingen. Ze worden navolgers van haar omgang en haar gewoonten.36 Wat was voor Beatrijs het belangrijkste in het geestelijk leven? De mystieke omgang met God, daar draait het om in Beatrijs' levensbeschrijving. Al in 1231, dus al voor haar on- | | | | derwijs aan de novicen, had Beatrijs alle geestelijke ervaringen met de minne opgedaan die nodig waren om Seven manieren van minne te schrijven.37 Eerder had ze haar negatieve ervaringen opgeschreven om haar medezusters te behoeden voor het bedrog van boze geesten, in de Seven manieren schrijft ze haar positieve ervaringen met de minne op om hen op de mystieke weg te helpen.
Beatrijs schreef haar Seven manieren met didactische doelstelling heeft men wel gezegd. Ik wil nog een stap verder gaan. Beatrijs schrijft voor haar medezusters een tekst over de minne, die ze voor een deel naar de gedachtegang, voor een deel woordelijk in hun geheugen konden opslaan. De tekst, en daarmee de loop van de minne, wordt op die manier geweven (Latijn: textus) in hun geheugen, gaat deel uitmaken van hun geestelijke bagage en wat in het geheugen opgeslagen is, heeft een vormende werking op de persoonlijkheid. Het memoriseren van de tekst helpt hen niet alleen om de mystieke ervaring later te herkennen maar maakt die ervaring mede mogelijk: een tekst die in het geheugen is geweven, modelleert - of moet ik zeggen: programmeert - het leven en de persoonlijkheid om die ervaring ook te krijgen. De getekstualiseerde minne gaat de geestelijke beleving beïnvloeden en maakt ontvankelijk voor de ervaring, roept die ervaring als het ware op. Met Seven manieren van minne konden de novicen en de zusters van het klooster Nazareth de beginselen van de minne in het geheugen griffen. Door meditatie en memorisatie maakten zij zich Beatrijs' omgang met de minne eigen en konden die navolgen: zo werden ze haar discipelen in de minne. Deze gang van zaken zou kunnen verklaren waarom in de omgeving van een mysticus of mystica vaak ook andere mensen door het mystieke vuur aangestoken worden en er een mystieke groep ontstaat, ook al blijft de mystieke ervaring een genadegave die zich niet laat afdwingen.
Seven manieren van minne gaat over een ervaring van alle tijden, maar de presentatie van die ervaring is niet van alle tijden. De tekst is gemodelleerd naar de lees- en luistergewoonten van religieuzen in de dertiende eeuw. Zij gingen veel intensiever met de tekst om dan wij gewend zijn te doen. Voor hen was de tekst een middel tot vorming van het geestelijk leven. Beatrijs ordende haar ervaringen met de minne opdat haar medezusters haar navolgers daarin konden worden. Door de fraaie jubileumuitgave is Beatrijs' tekst weer voor moderne lezers beschikbaar. Als zij zicht willen krijgen op de historische dimensie van de tekst moeten ze het Middelnederlands lezen. De hertaling is aangepast aan de gewoonten van het moderne leespubliek.
Adres van de auteur: Vlieland 172, nl-3524 ad Utrecht
|
1Herman Vekeman karakteriseert de vita als een hagiografie: ‘De tekstsoort berust op twee machtige principes: “aedificatio” en “imitatio”, stichtelijkheid en navolging. Deze intenties bepalen de selectie van de stof, de woordkeuze, de stijl. De hagiograaf gelooft dat hij deze intenties zo kan omzetten in structuur en taal, dat de lezer gesticht wordt en aangezet tot navolging.’ H.W.J. Vekeman, Hoezeer heeft God mij bemind. Beatrijs van Nazareth (1200-1268). Vertaling van de Latijnse Vita met inleiding en commentaar. Kampen 1993, Mystieke teksten en thema's 7, p. 24-25.
2Beatrijs als voorbeeld voor hen die haar gekend hebben: qui vobis, in beatrice sua, tam perfectam ‘conuersandi’ formam exhibuit., [...] et, perhennis stilo memorie vestris ‘inscriptam’ mentibus, inculcauit. III, 273, r. 12-15. Voor hen die haar niet gekend hebben: Vobis etiam que venerabilem hanc dei famulam corporalibus oculis, in carnis degentem ergastulo, non vidistis, fraterno caritatis affectu supplico, quatenus imitabilem sue conuersationis ymaginem, quam vestris subtractam doletis aspectibus, tam ex
libro vite sue quam ex maiorum vestrarum conuersatione collectam., sic vestris mentibus imprimatis et in tabulis cordis carnalibus tam firmiter inscribatis. III, 274, r. 16-21. Eerste vermelding: et illis, quas nostro tempore iam videmus puellis, exemplum recolende probitatis ante mentis oculos reuocare, Vita I, 22, r. 45-46; verder III, 232. De Latijnse tekst citeer ik uit R. de Ganck, The life of Beatrice of Nazareth, 1200-1268.Translated and annotated. Kalamazoo 1991. Cistercian Fathers series 50. Ik geef steeds eerst boek-, dan alinea- en dan regelaanduiding. Deze editie geeft naast het Latijn een goede letterlijke Engelse vertaling.
3daui‹d›icum illud psalterium absque quolibet offendiculo valuisset ex ordine recitare. Sed quid mirum si purum ingenium, in tali etate, verba foris sonantia discere potuit. Vita I, 19, r. 63-65.
4Sed et quantum potuit ab illis corpore pariter et animo sequestrata, facie quoque auersa, soli lectionis studio quam a magistro memorie commendandam acceperat intendebat. Vita I, 21, r. 32-35.
5Induta vero nuptiali veste solempniter et festiue., confestim aurem cordis attentissime cepit ad omnem regularis obseruantie disciplinam., et ad omne verbum edificatorium inclinare., singulas ordinis obseruantias inuestigando perquirere:, sed et pro captu intelligentie singula queque tenaci memorie commendare. Si quando vero de diuinis sermo, precipue de salutari redemptionis nostre misterio et passionis dominice sacramento, audiente christi discipula subintrauit:, ita ‹feruenti› queque studio collegit in memorie confino;, quod vel fragmentum ex eis que recitabantur in terram non caderet:, sed nunc consodalibus omnia replicando., nunc meditationis studio singula retractando., non prius sompnum oculis et dormitationem palpebris indulgeret., quam, omnibus ordinate compositis, collectum ex hijs mirre fasciculum inter gemina, congratulationis scilicet et compassionis ubera collocaret. Vita I, 24, r. 16-30.
6Hierover: J. van Aelst, ‘Bitter as myrrh: Gerard Zerbolts meditation on the passion
of Christ.’ In de bundel, die zal verschijnen naar aanleiding van het symposium Gerhard Zerbolt von Zutphen und die Bruder vom gemeinsamen Leben, Münster, 11-12 december 1998.
7omnis obliuionis effugata caligine, per dominice crucis signaculum, id, de cuius amissione timebat., impressum cordi suo in memoria firmiter retineret. Sicque factum est, vt per iugem memoriam dominice passionis omnem neuum obliuionis abstergeret: et ad profectum virtutis omni tempore vigilantior appareret. Vita I, 70, r. 99-104.
8M. Carruthers, The book of memory. A Study of Memory in Medieval Culture. Cambridge 1994, p. 12-13, 64-71. Albertus Magnus plaatst de geheugenkunst binnen de morele filosofie, p. 137-138.
9Sed et illa que dudum, carne velata, dei patrauerat sapientia, pro captu memorie, deuote meditationis officio, recitabat assidue:; miroque pietatis affectu vniuersa simul amplectebatur in genere., sed speciali memoria, delectando super omnia, quiescebat in dominica passione. Vita I, 71, r. 11-15.
10Exinde vero, per continuum ferme quinquennium, tam firmiter impressum habebat mentis intuitum in memoria dominice passionis., vt vix vmquam ab ‹illius› suaui meditatione recederet. Vita I, 72, r. 28-31.
11articulum eligens, vt a memoria non excideret, in scriptis hunc redigere consuescebat. Vita II, 89, r. 42-43.
12‹h›ec, inquam, et hijs similia, de scripturarum ortis in recordationis cophinum vndecumque collecta, simul cum propriarum beneficijs gratiarum, in superiori, sicut prediximus, cellula collocauit. Vita II, 103, r. 66-69. Carruthers 1994, p. 48-49.
13Erectis ergo rursus quinque speculis coram oculis cordis sui. Vita II, 105, r. 10. De beschrijving van de oefening loopt door tot in alinea 110.
14Voor de beschrijving van het klooster: Vita II, 111-115; beschrijving van de tuin: Vita II, 118-119.
15hoe ad vsum repugnandi sapienter in cordis sui domicilio collocauit. Vita II, 135, r. 120-121. Een vergelijkbaar beeld geeft I, 71, r. 6: cordis hospicio. Een bespreking van de architecturale techniek in Carruthers 1994, p. 122-155. Carruthers bespreekt het gebruik van de tabernakel en het kloostergebouw in meditatie in M. Carruthers, The Craft of Thought. Meditation, rhetoric, and the making of images, 400-1200. Cambridge 1998, p. 221-276.
16Tijdens een preek: Quem cum virgo domini, multo deuotionis affectu, iam auscultare cepisset., et illius optima queque, tenaci retractationis studio, memorie commendasset. Vita II, 161, r. 9-12. Bij het voorlezen: accidit vna dierum vt quandam ex monialibus illud beati bernardi recitantem audiret ‘quo dicitur’: [...] Quod beati viri verbum memoriter quidem tenuit et per biduum frequentissime ruminauit. Vita III, 234, 5-10. Onder de mis bijvoorbeeld: Vita II, 165, r. 4-7.
17Vergelijk boek II, 86, r. 45-48; boek III, 183b; III, 214, r. 21-26 en 217, r. 98-107.
18Een verbazend geheugen is ‘almost a trope of saints' lives’. Carruthers 1994, p. 12-13
19Anton de Vreugd heeft in zijn doctoraalscriptie de eerste aanzet gegeven tot een analyse van de geheugen-aspecten van Seven manieren van minne, zonder daarbij de mnemotechnische tekstcultuur uit de vita te betrekken. Hij bespreekt de zeven manieren, de driedeling van elke manier en de structurering van de tekst in kleinere gedachte-eenheden. A. de Vreugd, Minne en memoria. Over mnemotechnische aspecten in het werk van Beatrijs van Nazareth. Utrecht 1998.
20Ik heb voor algemene informatie gebruik gemaakt van Francis Yates, De geheugenkunst. Amsterdam 1988 en Carruthers 1994.
21Over divisio en compositio, Carruthers 1994, o.a. p. 82-86.
22Volgens de beschrijving van de handschriften worden als beginletter gebruikt een initiaal, een kapitaal of een lombarde. Projektgroep Beatrijs van Nazareth, Van Seuen manieren van heiliger minnen. Beatrijs van Nazareth. Eindredactie J. Heymans, J. Tersteeg. Nijmegen 1970.
23Carruthers 1994, p. 80-107.
24Hier in so begeertsi, r. 15; Alse hier in es, r. 66; Jn desen so es si, r. 83; Hier inne ghevuelt si, r. 133; Alsi hier in es, r. 177; Alsi hier in es, r. 240; Hier in es, r. 307.
25Dusgedane maniere van begerten, r. 44; ende so es hare dat genuechlec, r. 69; Ende so es hare alse of, r. 111; Alse aldus har seluen gevuelt, ... soe, r. 150-151; So hare
meer wert gegeuen van bouen, r. 221; Maer alle die willen comen ter minnen, r. 279; Also gelijc es die siele in starke begerten, r. 360. Het begin van het besluit van de vijfde en de zesde manier wijkt af van de rest. Het woord so bij de vijfde manier heeft een andere betekenis, namelijk ‘hoe’. Bij de zesde manier laat ik de overgang samenvallen met een wisseling van perspectief: dit is de enige plek in de tekst waar de lezer direct wordt aangesproken en aangespoord tot een bepaald gedrag.
26Bijvoorbeeld Carruthers 1994, p. 124-125.
27Een analyse van de derde manier op dit niveau, het gedachte-niveau geeft A. de Vreugd 1998, p. 46-49.
28Hetzelfde gebeurt als dusgedane maniere van begerten (r. 43) verkort wordt tot ‘zulk een hunker’. Dusgedane maniere, de structuur-aanduider die het begin van het besluit aankondigt, verdwijnt voor de moderne lezer.
29Frank Willaert heeft gewezen op mnemotechnische aspecten in Ruusbroecs werk en de functie van het rijmproza bij Ruusbroec geanalyseerd in respectievelijk F. Willaert, ‘Ruusbroec als auteur.’ In: E.P. Bos en G. Warnar (red.), Een claer verlicht man. Over het leven en werk van Jan van Ruusbroec (1293-1381). Hilversum 1993a, p. 59-72. Middeleeuwse studies en bronnen 38. En: ‘De prozaïst als dichter. Berijmd proza en verzen in de werken van Ruusbroec.’ In: Th. Mertens e.a., Boeken voor de eeuwigheid. Amsterdam 1993b, p. 141-155 en 408-413. Nederlandse literatuur en cultuur in de Middeleeuwen 8.
30Vergelijk Willaert 1993a, p. 70.
31nunc a perfectioribus edificationis instructionisve pabulum expetentem:; nunc quoque sodalibus et coeuis, illud idem quo iam interius ipsa refecta fuerat, ad vsum similem erogantem. Vita I, 25, r. 39-42. Andere toespelingen hierop: Vita III, 210; 217, r. 107-111; 218, r. 122-127; 221, r. 62-66.
32et vt quisquis sibi de fallacis insidijs mimici, suo doctus experimento, precaueat., omnibus ista legentibus in exemplum que sibi contigerant, perpetue commendanda memorie, dereliquit. Vita I, 64, r. 104-106.
33De Ganck p. xviii. Vekeman 1993, p. 27
34Peruenientes vero nazareth humiles dei famule, mox ex ipsius loci vicinia confluentium virginum numerosum conuentum adunare ceperunt; quibus ‹virgo Christi› beatrix officio magistrali prefuit., ipsaque tam regularibus obseruantijs quam bonis moribus ad plenum imbuit:, et in breui sui sequaces illas efficiens. Vita III, 230, r. 50-54.
35Vekeman 1993, p. 29. P. Wackers, ‘Omstreeks 1240: Hadewijch geeft leiding aan haar kring - Middelnederlandse vrouwenmystiek.’ In: M.A. Schenkeveld-van der Dussen e.a. (red.), Nederlandse literatuur, een geschiedenis. Amsterdam etc. 1998, p. 18-23, daarvan p. 22.
36illa virtutum exempla sic vestris quoque moribus imprimere studeatis:, vt ‹eius› vos sequaces, eius vos discipulas, rectissime conuersationis operibus, ostendatis. Vita III, 273, r. 8-10. vt et vos quoque venerabilis beatricis discipulas, ymmo christi, ..., ostendatis. Vita III, 274, r. 21-23.
|
|