Queeste. Tijdschrift over middeleeuwse letterkunde in de Nederlanden. Jaargang 2005


auteur: [tijdschrift] Queeste. Tijdschrift over middeleeuwse letterkunde in de Nederlanden


bron: Queeste. Tijdschrift over middeleeuwse letterkunde in de Nederlanden. Jaargang 12. Uitgeverij Verloren, Hilversum 2005


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 

Een anonieme mariale legendencyclus
Veerle fraeters

Naar aanleiding van: Gerard Jaspers, Een Amsterdams Marialeven in 25 legenden uit handschrift 846 van Museum Amstelkring, Hilversum: Verloren, 2003, Middeleeuwse Studies en Bronnen LXXIX. ISBN 90-6550-781-7. €23,-.

Op 1 februari 1386 legde de franciscaan Otto van Passau, docent theologie in het franciscanerklooster te Bazel, de laatste hand aan Die vierundzwanzig Alten oder der goldene Thron, een verzameling sententies met behulp waarvan de mediterende lezer zich kon bezinnen op vierentwintig centrale thema's uit de laatmiddeleeuwse christelijke geloofs- en zedenleer. De tekst was een instant bestseller. Ook de Nederlandse vertaling deed het goed. Er zijn 15 Nederlandse handschriften en 57 incunabelen overgeleverd.

Het twaalfde hoofdstuk van Die vierundzwanzig Alten was gewijd aan Maria. Als moeder van de Verlosser is zij het scharnierpunt in de heilsgeschiedenis en dus stond zij ook in menig middeleeuws boek mooi in het midden. Gezien de intense Mariaverering in de late Middeleeuwen verrast het niet dat hoofdstuk twaalf uit de ‘De vierentwintig oudsten’ een zelfstandig Nachleben heeft gekend. Zo bezaten de ‘bekeerde zusteren’ in het Amsterdamse klooster Sint-Maria Magdalena in Bethaniën rond 1500 een handschrift (ms. Museum Amstelkring 846) waarin het mariale hoofdstuk uit Otto van Passau's werk voorkomt in een bewerkte vorm: het is door een anonieme compilator verrijkt met vijfentwintig legenden over het leven van Maria. Otto's cathechetische, op orthodoxe autoriteiten gestoelde tekst over de dood, begrafenis en hemelvaart van Maria is in dit handschrift uitgegroeid tot een legendarium van apocriefe verhalen over Maria's leven van haar geboorte tot haar tenhemelopneming.

[p. 188]

In Een Amsterdams Marialeven in 25 legenden uit handschrift 846 van Museum Amstelkring geeft Gerard Jaspers dit anonieme Marialeven uit. Hij heeft daartoe de vijfentwintig kapittels die door Otto's Mariatekst heen zijn geweven, weer uit de compilatie geëxtrapoleerd. Deze keuze is verantwoord omdat zo de mariale legendencyclus, die wellicht als aparte tekst was geconcipieerd, in zijn oorspronkelijke vorm zichtbaar wordt. Anderzijds ontneemt deze procedure ons het zicht op de hybride tekst die voor de Amsterdamse bekeerde zusters voor wie de compilatie was bedoeld, als meditatie-instrument heeft gefunctioneerd. De lezer krijgt ook geen zicht op hoe de vijfentwintig legenden precies in Otto's tekst waren ingevoegd. De editie is geïllustreerd met laatmiddeleeuws iconografisch materiaal, overwegend houtsneden, waarop scènes zijn afgebeeld die ook in het Marialeven voorkomen. In de lijst van afbeeldingen is spijtig genoeg alleen het thema aangegeven, en geen bron.

Jaspers' inleiding tot de editie is breed opgevat. De lezer wordt gedetailleerd geïnformeerd over de geschiedenis van Museum Amstelkring (en krijgt onder meer een lijst van alle oude handschriften die daar worden bewaard), over de codicologische facetten en de bezittersgeschiedenis van handschrift 846, over Otto van Passau en de ontstaans- en tekstgeschiedenis van ‘De vierentwintig oudsten’, over de laatmiddeleeuwse Mariadevotie, over de nieuw-testamentische apocriefen die zich via mondelinge overlevering ontwikkelden tot de middeleeuwse mariale verhaalstof, over Middelnederlandse teksten waarin, net als in het Amsterdamse Marialeven, deze apocriefe bronnen doorwerken (Legenda aurea, Boendales Leken Spiegel, reisverhalen, ...). Hoewel de inleiding door de grote hoeveelheid uiteenlopende informatie de nodige consistentie mist, biedt zij desalniettemin een waardevol panorama van de codicologische, godsdiensthistorische en literair-historische achtergronden waartegen het Amsterdamse Marialeven is ontstaan en heeft gefunctioneerd.

 

Adres van de auteur: ua Ruusbroecgenootschap, Prinsstraat 13, b-2000 Antwerpen.