De Revisor. Jaargang 1


auteur: [tijdschrift] Revisor, De


bron: De Revisor. Jaargang 1. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 1974


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 39]

Tom van Deel
Achterberg als revisor

Van Nijhoff is bekend dat hij bleef sleutelen aan zijn gedichten. Niet alleen voordat ze gepubliceerd waren - dat is immers gebruikelijk - ook na eerste publicatie kon hij er niet van afblijven en zelfs jaren nadien, wanneer een herdruk hem in de gelegenheid stelde nog weer wijzigingen aan te brengen, liet hij dat zelden na.

Een bekende variatie is zijn gedicht ‘Impasse’ dat eerder, maar anders, werd opgenomen in de cyclus ‘Voor dag en dauw’. Daar luidt het antwoord op de vraag ‘waarover wil je dat ik schrijf?’: ‘een nieuw bruiloftslied’, terwijl dat in ‘Impasse’ is: ‘ik weet het niet’. Eerst moet een dichter weten waarover hij het hebben zal (daarom is Nijhoffs vers zo paradoxaal), maar dan komt het punt van de woorden ervoor vinden. Eerst dus wat, dan hoe.

Een ander mooi voorbeeld levert Rutger Kopland in zijn bundel ‘Het orgeltje van Yesterday’. In de reeks ‘Gesprekken’ staat daar het gedicht ‘Er blijft over te praten’. Het geeft een overpeinzing n.a.v. de (veelgehoorde) mening ‘dichtregels worden de dichter gegeven’, waarna de ik tot de conclusie komt: ‘Geen /woord werd mij gegeven, integendeel./Ieder woord geef ik voor een beter’. Daarmee is zoveel gezegd als: taal schiet telkens tekort als het er om gaat gevoel en subtiele emoties precies te verwoorden. Het aardige aan Koplands gedicht is bovendien dat het - handelend over het produktieproces van poëzie - de visie die het daarop geeft aan zichzelf illustreert. De voorpublicatie in Tirade verschilt namelijk enigszins van de bundelpublicatie, waarmee het gedicht zijn eigen clou bevestigt: ‘Ieder woord geef ik voor een beter.’

Dichten is dus, althans voor sommige dichters, hard werken om de woorden te vinden, ze komen niet uit de lucht vallen, al lijkt dat vaak wel zo, en ze worden de dichter bepaald niet gegeven.

Gerrit Achterberg heeft dat ook geweten. ‘Het herzien,’ zei hij eens, ‘daar moet je je toe dwingen, dat is echt arbeid. Het blijft maar knagen. Je moet het toch doen; tot in de revisie van de drukproeven blijf ik nog veranderen.’

De studie waarop R.L.K. Fokkema enige tijd geleden promoveerde, ‘Varianten bij Achterberg’ (Querido, f. 59, -), geeft een volledige opgave van de verschillen tussen alle bekende drukken van Achterbergs gedichten. Wij beschikken in Deel I van dit boek over zowel een variantenapparaat als een varianteneditie. Het apparaat bevat niet alleen een opgave van alle drukken van Achterbergs gedichten, maar ook een opgave van de tekstverschillen, zelfs tot en met interpunctie en spellingverschillen. Een werkelijk uitputtend variantenapparaat kortom. De varianteneditie bevat die gedichten in eerste druk die in volgende drukken woord- en regelvarianten kregen. Die varianten staan keurig genoteerd onder het vers. Bovendien telt de varianteneditie enkele paralleldrukken waar het te onoverzichtelijk werd de varianten onder de eerste druk van het vers te noteren.

Men kan er over twisten of zo'n uitgebreide varianteneditie, zoals Fokkema die verschaft, wel heel noodzakelijk is. In nogal wat gedichten is maar éen woord of éen regel gewijzigd en het lijkt ruimteverspilling om zulke teksten in extenso op te nemen. Het variantenapparaat had immers de informatie al gegeven en Achterbergs ‘Verzamelde Gedichten’ moet toch altijd naast deze studie in de aanslag liggen. Het is er Fokkema evenwel om te doen geweest die belangrijke woord- en regelvarianten in hun kontekst te presenteren. Dat hij daarin volledig wilde wezen en geen keuzes tussen meer of minder belangrijk of noodzakelijk heeft willen maken, is alleen maar consequent.

In Deel II levert Fokkema commentaar op de, in de varianteneditie van Deel I al gerubriceerde, varianten. Hij onderscheidde daar al een drietal soorten. Ten eerste ‘corrigerende varianten’ die de struktuur van het gedicht niet noemenswaard aantasten: metrische of stilistische correcties en kleine verbeteringen in woordkeus. Een tweede categorie doopt hij ‘veralgemenende varianten’. Achterberg streefde er naar zijn poëzie los te maken van zijn persoonlijke relaties en schrapte opdrachten, namen etc.

Verreweg de grootste categorie heeft de naam ‘consistentievarianten’ gekregen. Dat zijn ‘die varianten die de structuur van een gedicht, van een groep gedichten of van een hele bundel verstevigen’. Achterberg placht niet alleen elk gedicht afzonderlijk zo hecht en samenhangend mogelijk te maken, maar ook besteedde hij veel zorg aan samenhang van de gedichten binnen een bundel. Dat heeft tot gevolg gehad dat een eerst afzonderlijk gepubliceerd vers wanneer het zijn plaats

[p. 40]

in een bundel ging krijgen soms danig gerevideerd moest worden om die noodzakelijk geachte bundelconsistentie te waarborgen. Achterbergs bundels waren niet, zoals bij sommige dichters het geval is, het samenraapsel van een toevallig voorhanden aantal verzen.

Aldus heeft Fokkema een globale rubricering voorgesteld waarin de overvloed aan telkens weer unieke varianten kan worden begrepen.

Het lijkt - zo op het eerste gezicht - maar een wonderlijk bedrijf, dat noteren en interpreteren van varianten. Niet elke auteur zal er gelukkig mee zijn. Het zou bijvoorbeeld helemaal niet in de smaak vallen van W.F. Hermans, die stelling neemt tegen zulk onderzoek in de inleiding tot zijn eigen ‘Bibliografie van de verspreide publicaties’. Nadat hij ontkend heeft dat bestudering van varianten een tipje van de sluier die hangt over het creatieproces zou kunnen oplichten, laat hij zich misprijzend uit over de druk-vergelijkers. Volgens Hermans heeft in feite alleen de laatste, geautoriseerde druk bestaansrecht en daarmee uit. Niemand hoeft te weten langs welke weg een schrijver zijn resultaat bereikt heeft, het wordt er niet beter of minder van, het blijft zichzelf. ‘Ik schrijf ten slotte niet om te laten kijken hoe een tekst ontstaat, maar om een ander deelgenoot te maken van de resultaten.’ Zelfs gaat hij zo ver te beweren dat hij zou willen ‘dat alle oude drukken van boeken die in verbeterde vorm herdrukt zijn, als bij toverslag tot stof uiteenvielen, ook al gaat het maar om een comma’.

Hermans onderschat de waarde van varianten. Hij doet dat wellicht omdat die waarde zo vaak wordt overschat, en gedacht wordt dat variantenanalyse (en zeker handschriftvarianten-analyse) heel dicht bij het punt van creatie brengt, wat dat dan ook wezen mag. Iedereen die wel eens iets langer naar een werkvel van een dichter heeft gekeken of drukverschillen heeft bepeinsd, weet dat hij daarvan voor wat betreft het creatie-probleem geen oplossingen behoeft te verwachten. Er heeft zich teveel in het hoofd van degene die schreef of verbeterde afgespeeld dat onachterhaalbaar is, en maar een fractie van zijn overwegingen wordt zichtbaar op papier. Veeleer, en Fokkema legt daarop ook de nadruk, attenderen varianten op effecten of defecten (bij resp. veranderingen en correcties), wijzen ze op vormproblemen en fungeren ze als structuursignaal. Ze laten zien - dikwijls achteraf - dat een metrische incorrectheid is gecorrigeerd, ze kunnen de vinger leggen op een stilistische onvolkomenheid of een vers zodanig bewerken dat er een andere, maar hechtere samenhang tussen de onderdelen komt te bestaan.

Al kan dan het bestuderen van varianten geen informatie verschaffen over het creatieve proces, waarnaar de mensen zo allemachtig nieuwsgierig zijn, het geeft wel meer inzicht in de werkwijze van een auteur en in de kwaliteiten van zijn tekst. Aan Achterbergs veralgemenend variëren, bijvoorbeeld, liggen natuurlijk fundamentele opvattingen ten grondslag over hoe poëzie zou moeten zijn. Zulke kwesties worden door varianten opgeroepen en verhelderd. Wel moet altijd goed in het oog gehouden worden dat iemand zelden zeker weet of een verandering heeft plaatsgevonden om de reden die hij verzint of het effect dat hij aan de variant toeschrijft.

Naast de veralgemenende varianten, die Achterbergs poëzie uit de partikuliere sfeer trokken, onderscheidde Fokkema consistentievarianten. Dat een gedicht een hecht samenstel van woorden en zinnen is, of zou moeten zijn, vormt bij deze naamgeving het uitgangspunt, maar óok veronderstelt de naam enigszins dat een auteur in zijn tekst een zo groot mogelijke samenhang wenst. Dat een auteur er soms andere ideeën op na houdt over consistentie blijkt als een consistent gedicht plotseling ‘een tekst in wording’ wordt, namelijk bij revisie. Fokkema formuleert het dan zo dat een overigens consistente tekst een grotere coherentie krijgt na bewerking.

Hoewel er in principe maar drie dingen in een gedicht gebeurd kunnen zijn, te weten: schrapping, vervanging of toevoeging, is het zoals gezegd dikwijls moeilijk, of onmogelijk, de reden van zo'n variëring aan te geven en moet men volstaan met een beschrijving van het effect. Het gevaar is evenwel groot dat de analyse en interpretatie van de variant evaluatieve kanten krijgt. Fokkema is er, geloof ik, redelijk in geslaagd een zo zakelijk mogelijk commentaar te leveren op het variantenmateriaal. Weliswaar komt voor elke deelbespreking, die een variantenanalyse uit de aard der zaak is, de interpretatie van het geheel om de hoek kijken, maar dat is iets onvermijdelijks. Het is wèl het enige zwaarwegende punt waarop kritiek op deze studie mogelijk lijkt. In principe kunnen varianten pas van commentaar voorzien worden als het hele gedicht waarin ze voorkomen aan een grondige interpretatie is onderworpen. Blijftechter het eeuwigdurend dilemma van waar te beginnen: bij het detail of bij het grote geheel?

In ‘Varianten bij Achterberg’ is niet alleen de zo volledig mogelijke drukgeschiedenis van Achterbergs poëzie openbaargemaakt, maar is ook een voorstel gedaan tot interpretatie van Achterbergs varianten stuk voor stuk en als geheel. Bovendien legt deze studie een basis voor elke komende variantenuitgave of -interpretatie. Behalve voor specialisten is dit boek voor poëzieliefhebbers belangrijk. Het biedt hun de mogelijkheid een beter inzicht in Achterbergs poëzie te krijgen, maar ook een beter inzicht in poëzie überhaupt. Ik citeer tot slot met instemming Fokkema, die zijn theoretiserende inleiding tot deze variantenstudie besluit met de woorden: ‘Als het lezen en interpreteren van gedichten een herscheppende akt is, - “de lezer moet de tweede dichter zijn”, aldus Achterberg zelf, dan is het lezen van varianten een dubbele vorm van recreatie.’