|
|
|
| |
| | | |
Rutger Kopland
Plaatsen, passages
I
Over het weiland valt uit lampen licht als
dunne sneeuw. Wie in dit gras nog leeft zal
spoedig sterven van de drank. Ze kijkt vergeefs
naar sterren, boven en buiten het feest is niets
dan duisternis. Dat je weg zult gaan is alles
zegt ze, wat ik van je weet; ze veegt het gras
uit haar gezicht. En in dit licht zit zoveel
nacht nu, dat het gras oud wordt en grijs en
haar gezicht begint te slapen als een vreemde
door een koud vuur beschenen steen.
| |
II
Moeder in je ondergoed, met je roze
zoontje onder de treurwilg bij de rivier.
In het gras richt zich het gras voor niets
nog eenmaal op in september.
Tarieven van ijs, limonade en bier voor
de lege ruiten van een houten gebouwtje.
Aan een populier een verregend
(met water geschreven) onleesbaar papier,
een verzoek, een advies, een bepaling,
een waarschuwing, een verbod, een straf.
| |
III
Als een blinde glimlacht zij naar alle lege stoelen,
de mensen halen deze met een buiging om haar weg.
Haar mond beweegt, zij luistert met haar lippen
naar zichzelf, en voor haar liggen lege ansichtkaarten.
Zij buigt haar hoofd, zoals een hoofd dat wordt
gebogen door verwijten en door haar haren schuift
haar hand die schrijft: liefste, ik leef nog en denk nog
en schrijf nog aan jou en zou dat niet meer moeten doen.
|
|
|