|
|
|
| |
| | | |
Chr. J. van Geel
Boom om
De met een open oog gevallen boom,
donker van regen uit omzien getild,
zijn tak beklemd, de honger ongestild,
ligt waar hij viel, ruist in zijn kroon.
| |
Bijen
Als ik mij buk naar takken die ik raap,
naar honing die de grond van bloemen is,
ik die de tuin inloop, schrikken zij niet.
Verknocht als zij aan wat ze doen, verdiep
ik mij in wat ik breek, verzet hun zoemen
van bloem naar bloemen op begane grond.
| |
St. Jacobskruiskruid
Als snoerde het de buikriem dicht,
een als een steen gezette bloem
waar geel gewiegde rupsen komen.
Als kind al zag ik stengels die
geen bloemen duldden, was ik in
de stralen die vanuit het hart
ontbreken in het ruige kruid,
in het benauwde van beklemde
| |
Vlieg
Een web, hij trekt de draad
en slaapt het rag vol dauw,
Hij zweet, hij smeedt zijn huis
tot puin dat aan hem hangt
zolang hij vliegt in droom.
het is alsof de dingen die gebeuren
volmaakter zich aan ons voltrokken toen
wij heler onverbloemd beschikbaar waren.
het enige protest is doelloos zijn,
juist als een nieuw bedoelen zich verbeeldt.
Stijf en ineengekrompen zit het beest
omringd door wat hem overkomen is.
|
|
|