[p. 37]

Jan Kuijper
Vestdijks verzamelde gedichten

Dat we, door Vestdijks romanproductie overstelpt, zijn poëtisch oeuvre niet mogen veronachtzamen is al zo vaak gezegd, geschreven, herzegd en overgeschreven dat een herhaling alleen nog maar ergernis opwekt. Dat Vestdijks gedichten niettemin terra incognita zijn gebleven doet daar niets aan af, is voor deze ergernis zelfs een extra bron. De afzonderlijke bundels nooit herdrukt, Mnemosyne in de bergen bij De Slegte, Een op de zeven garenloos verramsjt, alles wijst op een voortduren van de veronachtzaming, zowel van de kant van de uitgevers als van die van de lezers.

Komt aan deze wantoestand een einde door de uitgave van de Verzamelde gedichten1.? Neen; niet helemaal tenminste, want de drie bruine bandjes in hun linnen ‘cassette’ kosten ƒ 175, -.

De happy few die zich hier overheen hebben kunnen zetten en er bovendien in geslaagd zijn de boeken uit hun doos te halen (allemaal tegelijk, één voor één gaat niet), merken echter spoedig, dat ze waar voor hun geld gekregen hebben. Want behalve een herdruk van Vestdijks bundels treffen zij een nieuwe bundel aan, een verzameling verspreide gedichten, een variantenapparaat, geen register, een bibliografie, een verantwoording, en nog een paar extra's, waarover straks meer.

De verantwoording, door bezorger Martin Hartkamp een jaar later gedateerd dan de bundel Late gedichten die hier voor het eerst verschijnt2. is overzichtelijk ingedeeld, reden voor mij om hier op parallelle wijze te werk te gaan. Hartkamp begint met antwoord te geven op de vragen wat er wel, en wat er niet in Verzamelde gedichten is opgenomen. Het antwoord op de eerste vraag, dat hier en daar essayistische vormen dreigt aan te nemen, is tevens een soort chronologie van Vestdijks poëzie, annex verantwoording van verdeling over en volgorde binnen de delen.

Wat dit laatste betreft, verdeling en volgorde, beroept Hartkamp zich op Vestdijk. De ondertitels Lyrische poëzie, Epische poëzie, Polemische poëzie en Dramatische poëzie zijn immers van de dichter afkomstig, en we mogen aannemen dat hij ook bepaald heeft, wat er onder die titels zou komen te vallen. De verantwoording voor dit alles neemt Hartkamp echter zelf op zich, zij het gedeeltelijk met behulp van citaten van de meester. Hartkamp meent, dat Vestdijk in dit geval met ‘lyrisch’ kort bedoelt; kort

[p. 38]

dan blijkbaar in de zin van korter dan Swordplay-wordplay, een reeks gedichten die voor dit bijzondere geval als een eenheid wordt beschouwd. Een door twee mensen en een bil geschreven eenheid, die altijd nog meer dan zevenmaal zo klein is als Madonna met de valken, dat Vestdijk zelf als een eenheid beschouwt (hierop duiden bewoordingen als gedicht en poëem3.), en dat natuurlijk toch in de lyrische afdeling is terechtgekomen. Volgens mij heeft Vestdijk zijn ‘dichtbundels’ onder de term lyrische poëzie samengevat, zonder zich te bekreunen om eventuele ‘plastische’ en enige ontegenzeggelijk ‘epische’ gedichten daarin; dat de afzonderlijk verschenen en zeer veel langere epische en dramatische gedichten daar niet tussen werden geplaatst, is begrijpelijk; en het voor minder dan de helft door Vestdijk geschreven Swordplay-wordplay valt al helemaal uit de toon, niet zozeer door het niet-lyrische (bovendien referentiële, en dus misschien wel niet-literaire) karakter, maar vooral door het peil (waarvan de titel nog maar een voorproefje is).

Kortom, Vestdijk lijkt niet zozeer een scheiding te maken tussen ‘lange’ en ‘korte’ gedichten, afgezien van hun genre, maar eerder tussen zijn ‘bundels’ en ‘de rest’, welke rest dan weer wel genrekundig ingedeeld wordt. Dat Vestdijk inconsequent is in zijn gebruik van termen als episch, lyrisch e.t.q., is iets waar we ons maar bij neer moeten leggen.

Ook voor de begrenzingen van het dichtwerk doet Hartkamp een beroep op Vestdijk: in een interview in 's-Gravesandes Sprekende schrijvers (van 1933!) laat deze zijn ‘debuut’ plaatsvinden in zijn studententijd, in een studentenalmanak. Hartkamp: ‘Vestdijk doelt hier op de Almanak van de Amsterdamse studentenvereniging U.S.A. voor het jaar 1919 [...] en de sonnetten die hij dat jaar publiceerde, zijn dan ook de oudste die men in deze Verzamelde gedichten vindt [...]4.. Hartkamp doet hier dus of hij alleen met die gedichten begint, omdat Vestdijk ze in 1933 als zijn debuut beschouwde, en of hij Vestdijks dichtwerk ook wel heel ergens anders had kunnen laten beginnen, bijvoorbeeld bij het eerste optreden in een ‘literair’ tijdschrift (DVB, 1926), of bij Vestdijks schoolkrantpublicaties (als hij daarover de beschikking had gehad).

Na zijn uitvoerige toelichting van wat wel in Verzamelde gedichten is opgenomen, kan Hartkamp kort zijn over wat hij heeft weggelaten: ongepubliceerde gedichten, gelegenheidsgedichten (eveneens ongepubliceerd: de afdeling Verspreide gedichten bevat er enkele, die min of meer gepubliceerd zijn) en gedichten die niet uit het verband van verhaal of roman konden worden losgeweekt. Een uitzondering maakt Hartkamp voor één sonnet uit Ivoren wachters, dat ook al in een studentenalmanak gepubliceerd was5.. Net als Hartkamp in zijn verantwoording, betreed ik hier het gebied van de ‘eigenlijke tekstverzorging’: waarom neemt Hartkamp de versie van Ivoren wachters op, en niet die uit de almanak? Immers, de (verwijderde) aanhalingstekens zijn niet de enige

[p. 39]

aanpassing die Vestdijks almanakvers heeft moeten ondergaan om in Ivoren wachters zijn plaats te kunnen vinden: de spelling is gewijzigd, waarbij tevens het aantal woordgeslachten is verminderd, de leestekens zijn grotendeels door andere vervangen, en een aantal woorden heeft het veld moeten ruimen, zoals veinzen (stoffelijk bijvoeglijk naamwoord, te ouderwets voor Ivoren wachters) voor onvolprezen (het vers wordt hier tevens met één voet verrijkt), en vooral witte voor bleke: Bleeke Bet! Al met al ziet dit sonnet er heel wat moderner uit dan zijn tweelingbroer op de volgende bladzijde, voor wie de tijd stil is blijven staan; de lezer wordt gedwongen zowel heen als terug te gaan in de tijd, van Schotel met Schol naar Van de Woestijne, en van gymnasium naar universiteit.

Hartkamp neemt dus rigoureus de laatst door Vestdijk gepubliceerde versie van een gedicht op, behalve waar deze zelf anders wou. Dit laatste geval doet zich blijkens de verantwoording voor, waar Hartkamp ‘met een bepaalde publicatie niet goed raad wist’6. en Vestdijks hulp inriep. Hij heeft echter niet verantwoord waar hij dat gedaan heeft; zo komen wij niet te weten, wat het problematische is aan Rondgang door het jaar, waar Vestdijk het een en ander in veranderd heeft,7. en waarom bijvoorbeeld meergenoemd gedicht uit Ivoren wachters de bezorger geen zorgen baarde. Een even problematisch geval heeft Hartkamp waarschijnlijk over het hoofd gezien: de vertaling van Rossetti's ‘The moonstar’ is behalve in tijdschrift en bundel ook, en het laatst, opgenomen in De glanzende kiemcel, en wel in een van de beide overige versies, en inzonderheid van de door Hartkamp gepubliceerde, zeer verschillende vorm8..

De glanzende kiemcel is teveel en te weinig door Hartkamp gebruikt; enerzijds neemt hij er een heel hoofdstuk uit over, omdat het ‘veel [kan] verhelderen over de werkwijze en doelstellingen [...]9., anderzijds negeert hij, behalve de genoemde vertaling, ook de erin opgenomen originelen van door Vestdijk vertaalde gedichten, die tekstafwijkingen vertonen ten opzichte van de door Hartkamp in zijn aantekeningen geciteerde10.. Dit laatste geldt ook, en nog meer, voor een hele serie gedichten van Emily Dickinson opgenomen in Lier en lancet; bij alle moeite die Hartkamp besteed heeft aan het zoeken naar de door Vestdijk gebruikte uitgave verklaart hij niet hoe het komt dat de originelen door Vestdijk zo anders worden aangehaald dan door hem11.. Als de door Vestdijk gebruikte uitgave werkelijk niet te vinden was, dan had Hartkamp beter (zoals bij de andere vertaalde dichters) een moderne uitgave kunnen nemen; dan had hij de schijn vermeden dat de aangehaalde teksten Vestdijk ter vertaling hadden gediend.

Ik beweerde zojuist, dat Hartkamp ten onrechte een hoofdstuk uit De glanzende kiemcel heeft overgenomen. Ik heb natuurlijk niet bedoeld, dat het hoofdstuk niet verhelderend zou zijn voor Vestdijks werkwijze. Maar de opname ervan kost plaatsruimte, die beter aan iets anders had kunnen

[p. 40]

worden besteed, zowel in de boekenkast van de lezer, waarin De glanzende kiemcel wel niet ontbreken zal, als in Verzamelde gedichten zelf. Immers: bij de verantwoording van zijn variantenapparaat zegt Hartkamp dat hij een selectie uit de varianten heeft gemaakt met het oog op de hanteerbaarheid: een complete lijst varianten zou driemaal zo groot zijn geworden.12. Waarom nu zou een uitgebreidere lijst varianten minder hanteerbaar zijn? Varianten gebruikt men immers voornamelijk om de beschikking te hebben over afwijkende lezingen van een gedicht, en wat is er in dat opzicht hanteerbaarder dan een volledige lijst? Een grote omvang zou het variantenapparaat alleen onhanteerbaar hebben gemaakt, als het boekwerk waar het zich in bevond ook werkelijk niet meer in de hand te houden geweest zou zijn. Of er zonder hoofdstuk uit De glanzende kiemcel ruimte zou zijn geweest voor alle varianten, kan ik niet beoordelen; maar allicht wèl voor één van de categorieën die nu zijn weggelaten:

 

1.Taalfouten (hier vallen geloof ik alleen spelfouten onder);
2.Drukfouten;
3.Ondergeschikte wijzigingen in de spelling;
4.Idem in de interpunctie.

 

De eerste twee categorieën leveren nog de minste problemen op. Bij de derde kan men zich afvragen: wat is ondergeschikt? Als ik het wel heb, is het hoofdlettergebruik dit voor Hartkamp niet (en terecht); wat overblijft bestaat uit veranderingen in de spelling van elisies e.d., niet zo belangrijk misschien, maar toch willens en wetens door Vestdijk aangebracht, en ook niet geheel zonder effect op de lezer. De vierde categorie varianten die onder tafel valt bestaat uit ondergeschikte wijzigingen in de interpunctie12.. Of deze wijzigingen al of niet ondergeschikt zijn beslist Hartkamp op grond van hun al of niet doorwerken ‘in de betekenis van een bepaalde tekst’, en hij geeft een voorbeeld van een geval (accenttekens) waar de wijziging inderdaad heel duidelijk de betekenis beïnvloedt. Maar als ik het goed gezien heb, laat hij gevallen van wisseling van ., ,, :, ;,...en - weg. Voor de betekenis van de tekst in strikte zin zijn deze varianten meestal niet van groot belang, maar de indruk die het op de lezer maakt, als bijvoorbeeld iedere strofe op een punt eindigt, in vergelijking met wat de variant die telkens een driepuntje heeft teweegbrengt...13.

Om kort te gaan, Hartkamps vierde categorie van weggelaten varianten, de ‘ondergeschikte’ interpunctievarianten, had in elk geval moeten worden opgenomen. Per slot van rekening worden varianten in de strofenbouw dat wel, hoewel ze doorgaans ook geen invloed op de betekenis (in beperkte zin) hebben: ook zij horen tot de ‘manier waarop’, waar het in de poëzie (ook) om gaat. De enige interpunctievarianten die ook volgens mij ‘ondergeschikt’ zijn zijn de wijzigingen van enkele in dubbele accenttekens e.d. (hoewel een oplettende lezer zich misschien gaat afvragen waar het voor

[p. 41]

dient dat er in Madonna met de valken de ene keer éenzelfde, de andere keer éénzelfde staat14.).

Nadat Hartkamp zijn Verantwoording besloten heeft met het ‘niet in het minst’ bedanken van zijn echtgenote, laat hij de rubriek Aantekeningen en varianten volgen. Deze is heel overzichtelijk (behalve waar een regel op de verkeerde bladzijde is terechtgekomen, blz. 500-501). Men vindt hier, naast wetenswaardigheden over gedichten en bundels die Vestdijk in de loop der jaren uit de pen of over de lippen gevloeid zijn, en behalve de meergenoemde varianten, de plaatsen waar Vestdijk een gedicht zoal gepubliceerd heeft. Ik heb niet de indruk dat Hartkamp veel publicaties over het hoofd heeft gezien. Hieronder vermeld ik, met varianten, enkele gevallen die ik ben tegengekomen. Tussen vierkante haken de varianten die Hartkamp waarschijnlijk zou hebben weggelaten.

Eerst zes gedichten uit Madonna met de valken, voorgepubliceerd in een Zuid-Afrikaans tijdschrift waar pas een register op is verschenen15.:

[II Gestelsche liederen]

XI. DE WARE MINNAAR DRUKT OP NIETS ZIJN STEMPEL: 181 Standpunte, november 1948, p 53.
181, 8 Van Hartstocht's open gouden zuilentempel
XII. ALWIE EEN LANDSCHAP ZINGENDE DOORKRUIST 182 Standpunte, november 1948, p 53.
[182, 2 Zal het als kluiz'naar van 't heelal bewonen:]
[182, 9 Wij varen, in een mist van mijmerij,]
[182, 12 (ST) En op elk marktplein levert gij]
XIII. DENKT GE IN DIT KLEED VAN ZON EN EDELSTEEN 183
Standpunte, november 1948, p 54.
XIV. IN DEZE SCHATKAMER VERMOEIENIS 184 Standpunte, november 1948, p 54.
[184, 4 (ST) Waar 't avondrood zoo mild en vlienend is,] 184, 8 (ST) Wordt in de slaap eerst veilig opgenomen.
XV. WANNEER WIJ SAMEN IN 'T IRONISCH VALE, 185 Standpunte, november 1948, p 55.
XVI. EEN KLEINOOD STOFFIG VAN HET VELE REIZEN, 186 Standpunte, november 1948, p 55

De titel Madonna met de valken komt in Standpunte niet voor.

 

Vervolgens ‘The moonstar’ van Rossetti, boven al genoemd:

[II Thanatos aan banden]

DE MAANSTER 442
Tekst volgens S. Vestdijk, De glanzende kiemcel, [...], 's-Graveland, 1950, p 235-236:

[p. 42]
De maanster
 
‘Vrouwe, ik dank u voor uw lieflijkheid,
 
Omdat mijn Vrouwe lieflijker nog is.
 
Verrukt staar ik u na, volop bereid
 
Tol te betalen aan uw beeltenis,
 
 
 
Welk teeder schoon toch slechts de schoonheid smukt
 
van mijner Vrouwe vorstelijke leden;
 
Ö zie, hoe de edelvrouw zich dienend bukt
 
Zoodra de koningin komt aangetreden!
 
 
 
Vrouwe, ik zag u samen, zij aan zij,
 
En, zooals soms in 't nacht'lijk lichtgeglij
 
Een ster vol ijverzucht de maan genaakt
 
 
 
En oplost in den zilv'ren krans der stralen,
 
Zoo kon ook gij niet bij haar luister halen,
 
En door 't verdronken licht werd zij volmaakt!’

Tenslotte de reeds door Rein Bloem in Vrij Nederland aangehaalde almanakversie van Vestdijks laatste priapee16.:

[II Late gedichten]

THE BEAUTY AND THE BEAST 504
Schrijversalmanak voor het jaar 1957, Amsterdam, z.j., p 134.
504, 3 Verlossing zoekt, mijn sprookjesmacht indachtig,
504, 9 Zijn rimp'lig apensnuit, van bloed doorstroomd,
504, 11 Zal mij, verlost, in liefdesweelde domp'len.

Wat Hartkamps aantekeningen betreft, één ding is er dat ik niet voor me kan houden: bij Madonna met de valken wordt een van de brieven geciteerd die Vestdijk in de oorlog aan Theun de Vries heeft gestuurd, en waarin Vestdijk de sonnettenreeks ‘het beste, [...] dat ik ooit schreef’17. noemt; in tegenstelling tot wat Hartkamp aantekent is Vestdijk bij mijn weten nooit op die mening teruggekomen: als hij in een interview18. zegt Apollinische ode in een bepaald gemiddelde zijn beste gedicht te vinden, is daar niets mee herroepen, want Madonna met de valken ligt in een heel ander gemiddelde (=genre), en een gedicht is het eigenlijk ook niet; Vestdijk bedoelde natuurlijk dat het het beste was wat hij überhaupt geschreven had (en dat scheelt niet veel, lijkt mij).

 

Slotsom: Vestdijks Verzamelde gedichten zijn wel heel duur, maar ook heel mooi. Tegen de uitgave zijn volgens mij twee belangrijke bezwaren in te brengen: 1. De tekstverzorging hinkt op twee gedachten: het is geen

[p. 43]

editie ‘letzter Hand’, maar toch is de auteur er zo nu en dan bijgehaald; dit is tot daaraantoe, maar de hierin gevolgde werkwijze is onvolledig verantwoord, en maakt een willekeurige indruk; 2. Het variantenapparaat is te zwaar besnoeid, en daardoor goeddeels onbruikbaar geworden. - Onnodig te zeggen, dat deze uitgave toch heel wat beter is dan waarmee de meeste andere grote Nederlandse dichters het moeten doen.