[p. 279]

Over het funktioneren van vergelijkingen
Maarten Van Buuren

In de talrijke publikaties over analogiefiguren komen twee probleemstellingen aan de orde. In de meeste gevallen wordt gevraagd naar de funktie van de analogiefiguur. Het antwoord daarop wordt gegeven in termen van een relatie tussen de analoge elementen, bijv. interaktie (M. Black) of paradox (C. Brooks). In een kleiner aantal gevallen houdt men zich bezig met klassifikatieproblemen. Vragen richten zich op het onderscheid tussen vergelijking en metafoor (Genette), tussen alledaagse en poetische vergelijkingen (J. Cohen). Bezwaar van de eerste benadering is dat vaak weinig of geen onderscheid wordt gemaakt tussen de diverse verschijningsvormen van de figuur. De neiging bestaat om de gevonden relatie te generaliseren voor onverschillig welke vorm van analogie. De tweede benadering heeft als bezwaar dat pertinentiekriteria eenzijdig benadrukt worden. Terwille van een kompleet tableau worden vakjes ingevuld met hypothetische varianten terwijl belangrijke funktionele kriteria buiten beschouwing blijven. In het volgende onderzoek van de vergelijking zal ik tussen die twee probleemstellingen een tussenweg proberen te vinden. Op grond van relaties die tussen de vergeleken termen mogelijk zijn zal ik diverse verge-lijkingsvarianten onderscheiden. Drie variabelen bepalen die relaties: de graad van bekendheid der termen, de extensie van elk van beide en de mate waarin ze kontrasteren. Alvorens in te gaan op de relatievariabelen zal ik aangeven wat ik onder een vergelijking versta.

I. Basisformule

In ‘La Comparaison Poétique: Essai de Systématique’, definieert Jean Cohen de vergelijking als volgt: ‘de vergelijking is een operatie van partiële identifikatie die ten doel heeft aan de toehoorder een term te verduidelijken waarvan wordt aangenomen dat hij hem niet of slecht kent’1. Wanneer men de toehoorder duidelijk wil maken hoe groot een hem onbekende man wel is kan dat door de onbekende te vergelijken met iets groots dat de toehoorder wél bekend is: een kerel als een boom. Voor zijn klassifikatie van poëtische varianten neemt Cohen als uitgangspunt een ‘kanonieke’ vergelijkingsvorm bestaande uit vier termen: A is B als C (de aarde is zo rond als een sinaasappel) waarin A het comparé is, C het comparant, B het gemeenschappelijk seem op grond waarvan A en C vergelijkbaar zijn en ‘als’ het comparatif2. Dat comparant (Ca.), comparé (Cé) en comparatif noodzakelijke voorwaarden vormen om van een vergelijking te kunnen spreken blijkt wel wanneer één van die drie termen wordt weggelaten. Ontbreekt het comparatif (De aarde is (...) een sinaasappel) dan ontstaat een metafoor; wordt het comparé weggelaten (...als een sinaasappel) dan blijft een elliptische vergelijking over en datzelfde gebeurt bij weglating van het comparant (De aarde is als...). Beide elliptische vormen worden zowel door Cohen als door Genette (‘La Rhétorique Restreinte’, in: ‘Figures’ III, p. 29-30) geklasseerd als varianten. Dat lijkt me wel juist voor een vergelijking zonder comparé, aangezien die tamelijk frekwent voorkomt (‘Als in een donkere spiegel’; ‘Als twee druppels water’ etc.), maar niet voor een vergelijking zonder comparant. Deze vorm is louter hypothetisch en rechtvaardigt niet de benaming variant3. De noodzaak

[p. 280]

van een gemeenschappelijk seem B in de basisformule is niet zo evident. Weglating laat een voor het gevoel volkomen normale vergelijking over (De aarde is als een sinaasappel). Bovendien leidt de definitie van B als ‘gemeenschappelijk seem’ tot vreemde konsekwenties. Semen zijn abstrakte betekeniselementen waarin lexemen ontleed kunnen worden en die als zodanig niet in de uiting zelf voorkomen. Zo heeft het lexeem sinaasappel als semen: /rond/, /oranje/, /eetbaar/, enz. Het is dus al vreemd om het lexeem ‘rond’ te definiëren als seem. Nog vreemder is het wanneer Cohen veronderstelt dat bij weglating van dat ‘rond’ ook het gemeenschappelijk seem verdwijnt (p. 46). Het is duidelijk dat ook ‘aarde’ is opgebouwd uit semen, waarvan één het seem /rond/ is. Er is dus wel degelijk sprake van een gemeenschappelijk seem, alleen wordt dat in dat ene geval geïmpliceerd in beide termen en in het andere geval geëxpliciteerd als predikaat van Cé en geïmpliceerd in Ca. In de volgende bladzijden zal ik dan ook uitgaan van een basisformule bestaande uit drie termen: comparant, comparé en comparatif4.

II. Bekendheidsgraad

De aard van de relaties hangt af van de relatieve bekendheid van Ca en Cé. Verschillen in bekendheid kunnen worden aangegeven met behulp van het begrip implikaties dat geïntroduceerd werd door Max Black in zijn artikel ‘Metaphor’5. Het ‘system of implications’ omschrijft hij als een ‘system of associated commonplaces’. In de metafoor ‘man is a wolf’ appeleert ‘wolf’ bij de lezer niet zozeer aan de woorden-boekbetekenis van dat woord, maar aan ‘a set of standard beliefs about wolves (current platitudes) that are the common possession of the members of some speech community. (...) A speaker who says “wolf” is normally taken to be implying in some sense of that word that he is referring to something fierce, carnivorous, treacherous, and so on.’ (p. 49). Wat voor ‘wolf’ geldt geldt echter niet voor ‘man’. De analogie funktioneert volgens Black namelijk zo dat ‘A suitable hearer will be led by the wolf-system of implications to construct a corresponding system of implications about the principal subject (“man” M.B.). But these implications will not be those comprised in the commonplace normally implied by literal uses of “man”. The new implications must be determined by the pattern of implications associated with literal uses of the word “wolf”’ (p. 41). Er is dus ook aan de kant van ‘man’ wel een ‘system of implications’, maar Black legt er de nadruk op dat dat aangevuld wordt met behulp van de implikaties van ‘wolf’. Die implikaties (fierce, treacherous, enz.) bevinden zich vóór die tijd niet in het systeem van ‘man’. Ze worden m.a.w. overgedragen vanuit Ca op Cé6. Dat er echter alleen sprake zou zijn van overdracht van kenmerken uit Ca op Cé gaat in veel gevallen niet op. In vergelijkingen als het al besproken ‘De aarde is als een sinaasappel’ is een normale implikatie van aarde onmiskenbaar dat hij rond is. Wanneer het comparant sinaasappel nu ook nog die rondheid impliceert is er dus geen sprake van overdracht van een geimpliceerd kenmerk van Ca op een Cé dat dat kenmerk nog niet impliceerde, maar van versterking van een al aanwezige implikatie in Cé door toevoeging van een overeenkomstige implikatie uit Ca. Ik zal dit ‘wederzijdse implikatie’ noemen. Er ontstaan nu drie alternatieven in de wijze waarop een vergelijking kan funktioneren al naar gelang een geïmpliceerd kenmerk aan één kant of aan beide kanten aanwezig is. A. eenzijdige implikatie, Cé < Ca. Het comparant impliceert eigenschappen die niet in het comparé geïmpliceerd zijn. In het uiterste geval ontbreekt Cé (...als twee druppels water). Is er wel een Cé, dan kan dat nagenoeg onbepaald zijn, zoals de ‘ik’ in: ‘J'étais comme l'enfant avide du spectacle’ - Ik was als het kind dat

[p. 281]

verzot is op schouwspelen - (Baudelaire) ofwel implikaties missen die Ca wel bezit en die vanuit Ca op Cé overgedragen worden (de mens is als een wolf).

B. wederzijdse implikatie, Cé = Ca. Het comparant impliceert eigenschappen, die ook in het Cé geïmpliceerd zijn. Doel is om de al aanwezige eigenschappen in Cé te selekteren en te versterken door overdracht van overeenkomstige eigenschappen uit Ca. Resultaat is een soort ‘optelling’ van equivalenten: ‘De aarde is als een sinaasappel’ (rond + rond); ‘...ainsi qu'une médaille neuve / La pleine lune s'étalait’ - Als een nieuwe medaille / vertoonde zich de volle maan - (Baudelaire): een volle maan impliceert rondheid en helderheid evenals een nieuwe medaille. Zijn beide termen even bekend dan is het mogelijk ze onderling te verwisselen. ‘Die sinaasappel is als de aarde’ en ‘ainsi qu'une pleine lune / la médaille neuve s'étalait’ zijn wat hun implikaties betreft even goed mogelijk als de vorige mogelijkheden. Perelman, die in navolging van Black meent dat voor het funktioneren van analogieën alleen type A in aanmerking komt, vermeldt wel terloops de mogelijkheid van twee even bekende termen, maar die vorm van analogie doet hij af als versiersel7. Zijn eigen voorbeelden spreken hem echter tegen. Onder invloed van het neoplatonisme ontstond, zo zegt hij op p. 13, het heliocentrisch wereldbeeld, waarin Copernicus en vele anderen zon en planeten vergeleken met een koning omringd door zijn onderdanen. De zon en de koning zijn twee even bekende en daarom in de vergelijking verwisselbare termen, maar dat houdt allerminst in dat ze ornamentaal zijn. In de astronomie heeft deze vergelijking een even doeltreffende toepassing gevonden als in omgekeerde vorm (de zonnekoning!) in de staatkunde.

C. eenzijdige implikatie, Cé > Ca. Het comparé impliceert eigenschappen die het comparant niet impliceert. Het doel kan hier niet zoals gewoonlijk zijn om de lezer een beter inzicht te geven in het Cé door vergelijking met een bekender Ca. Het tegenovergestelde is het geval. In: ‘Ce ciel bizarre et livide, /Tourmenté comme ton destin,’ - Die eigenaardige lijkbleke hemel / gekweld als jouw lot - (Baudelaire) zegt de gekwelde hemel iets over het ons onbekende lot en niet omgekeerd. Dat de gebruikelijke richting in de overdracht van kenmerken hier wordt omgedraaid blijkt wel wanneer Ca en Cé verwisseld worden. De vergelijking die dan ontstaat: ‘ton destin tourmenté comme ce ciel bizarre et livide’ doet normaler aan. Tegelijkertijd boet echter de vergelijking aan poëticiteit in. Het bijzondere effekt berust namelijk op een doorbreking van dat geijkte patroon.

Eenzijdige implikatie treedt ook op wanneer het Ca zo afgesleten is dat het nagenoeg inhoudsloos wordt. ‘Zijn boekentas begon ontzettend zwaar te wegen, zo zwaar als de hel. Dat was een uitdrukking van Govert Geel: “als de hel”. Alles bij Govert was als de hel: zo zwaar als de hel, zo smerig als de hel, zo koud als de hel’ (Ward Ruyslinck, De Sneeuwbui). Dergelijke comparants (‘als de hel’, ‘als de neten’, in het Frans ‘comme la lune’) zijn in feite leeg. Ze benadrukken alleen nog het comparé en funktioneren als een krachtterm.

Lang niet alle geïmpliceerde eigenschappen worden in de analogie betrokken. De meeste worden in de vergelijking ‘afgeschermd’. Dat afschermen of afdekken is het sterkst in geval van wederzijdse implikatie (het draaien van de aarde; de oranje kleur van de sinaasappel). De sterke nadruk op één of enkele eigenschappen gaat ten koste van de andere eigenschappen die naar de achtergrond schuiven. In mindere mate geldt dat voor de eenzijdige implikatie8.

III. Extensie

Een vergelijking kan worden uitgebreid door van comparant en comparé kenmerken

[p. 282]

te expliciteren. Die uitbreiding maakt van de vergelijking een vergelijkende beschrijving. De grens tussen wat al wel en wat nog niet beschrijving is, valt moeilijk te trekken9. Vannier (‘L'inscription du Corps’, Klincksieck, 1972) is één van de weinigen die iets zegt over de minimumvoorwaarde om een beschrijving als zodanig te identificeren.’ Het portret bij Balzac, zegt hij op p. 26, doet op diverse manieren een beroep op het voorhanden zijnde lexikon; het kan zich beperken tot één enkel woord: de dienstbode van Mm. Vauquer wordt bij herhaling eenvoudigweg ‘beschreven’ als ‘la grosse Sylvie’.’ Maar de aanhalingstekens bij ‘beschreven’ geven wel aan dat hij de grens niet duidelijk durft te trekken. Srzednicki (‘Reference and Description’, in: Theoria, vol. 36, 1970, p. 127-142) is beslister wanneer hij beschrijven definieert t.o.v. benoemen: ‘To name is to provide a sign or a mark to distinguish the indicated object’ (p. 127), ‘To describe we must think and talk in terms of features’ (p. 137). Beide schrijvers zijn het er over eens dat een onderwerp eenvoudig benoemd kan worden (Sylvie), maar dat pas sprake is van een beschrijving wanneer van dat onderwerp een kenmerk geëxpliciteerd wordt (grosse). Dat onderscheid zal ik overnemen voor de vergelijking. Wanneer aan Cé of Ca een kenmerk wordt toegevoegd is dat voldoende voorwaarde om de vergelijking beschrijvend te noemen. Het genoemde kenmerk zal ik predikaat noemen. De distributie van predikaten bepaalt diverse relaties tussen Ca en Cé. Bij het onderscheid tussen die relaties gelden dezelfde principes als die welke gelden voor de geïmpliciteerde kenmerken: predikaten behorend bij het comparé worden geheel of gedeeltelijk geïmpliceerd in het comparant, omgekeerd worden de aan het comparant toegevoegde predikaten geïmpliceerd in het comparé, ten slotte kunnen de overeenkomende predikaten aan beide zijden genoemd worden.

A. predikaten van het comparant geïmpliceerd in het comparé.

 
Voorbeeld: Le poète est semblable au prince des nuées
 
Qui hante la tempête et se rit de l'archer;
 
Exilé sur le sol au milieu des huées,
 
Ses ailes de géant l'empêchent de marcher.
 
 
 
(De dichter lijkt op de vorst der wolken
 
Die zich thuisvoelt in de storm en spot met de boogschutter
 
Verbannen op de grond temidden van de joelende menigte
 
beletten zijn reuzenvleugels hem te lopen).

De vele details die van de albatros worden vermeld verwijzen langs indirekte weg naar de kenmerken van het dichterschap en wel zodanig dat in het comparé, waarvan alleen het onderwerp ‘poète’ genoemd wordt, een systeem van implikaties gekonstrueerd wordt dat term voor term korrespondeert met het systeem van geexpliciteerde kenmerken in Ca. Geïmpliceerd wordt een dichterschap dat de dichter zover verheft boven het alledaagse leven dat hij diegenen minacht die hem denken te kunnen kwetsen; zodra hij echter gedwongen wordt zich onder de mensen te begeven die hem bespotten worden zijn geniale eigenschappen hem tot een handicap. Het spreekt vanzelf dat in zo'n weergave vele mogelijke implikaties en nuances verloren gaan. Er blijkt echter voldoende uit hoe kompakt en suggestief het beeld van de albatros is. Elk predikaat verwijst naar een facet van het dichterschap zoals Baudelaire dat zag. Lang niet altijd is die overeenkomst zo uitgebalanceerd. De homerische vergelijking stelt er een eer in om het comparant onafhankelijk van het comparé zo te ontwikkelen dat een groot gedeelte van de predikaten niet meer

[p. 283]

verwijst naar Cé. Die predikaten verliezen hun eigenlijke vergelijkende funktie. Lausberg (‘Handbuch der Literarischen Rhetorik’, § 425; § 843-848) wijst dan ook op het onderscheid tussen de vergelijking als bewijsmiddel, waarin elk predikaat van Ca ertoe dient om een kenmerk van Cé te verhelderen, en de ornatus vergelijking, eigenlijk een verwaterd bewijs. Het Ca dijt daarin uit tot een ‘morceau d'apparat’ waarvan een groot deel der predikaten overvloeit (‘Ueberquellendes Detail’).

B. predikaten van het comparé geïmpliceerd in het comparant.

Bij een omgekeerde distributie van predikaten lijkt het weinig zin te hebben om aan een al breed uitgesponnen Cé een summier Ca toe te voegen. Toch kan zo'n klein comparant uiterst doeltreffend zijn bijv. om van een reeks predikaten een bondige samenvatting te geven. ‘...hee above the rest / In shape and gesture proudly eminent / Stood like a towr;’ luidt de beschrijving van Satan temidden van zijn troepen (Milton, P.L., I, 590). Net als een ‘mise en abyme’ een verhaal kort samenvat en van een soms onverwachte kant belicht zo bundelt het comparant niet alleen de predikaten van het Cé, het kan er ook een plotselinge wending aan geven. Proust presenteert als volgt de kordate en vaak weinig zachtzinnige kokkin Françoise: ‘in de schaduw ontdekten we, onder de plooien van een blinkende muts, stijf en breekbaar als gesponnen suiker, de concentrische golven van een glimlach van geanticipeerde herkenning. Het was Françoise die onbeweeglijk in de opening van het kleine gangdeurtje stond, als een heiligenbeeld in zijn nis.’ Het Ca kan behalve de gehele serie ook één of enkele predikaten uit de reeks impliceren die als gevolg daarvan benadrukt worden. De vleugels van de albatros in het gedicht van Baudelaire worden beschreven als: ‘...grandes ailes blanches / Comme des avirons...’ - grote witte vleugels / als riemen. Riemen impliceert wel ‘groot’, maar niet ‘wit’. Van beide predikaten wordt ‘groot’ geselekteerd om de hulpeloosheid van de vogel te benadrukken en zo een overgang te realiseren naar de derde strofe waarin die hulpeloosheid (‘l'infirme qui volait’) centraal staat.

Om beide typen te kunnen illustreren heb ik voorbeelden gebruikt waarin de predikaten aan de ene of aan de andere kant waren gekoncentreerd. Meestentijds zijn de predikaten natuurlijk verdeeld over beide termen zodat zich een kombinatie vormt van de twee typen: ‘...haar mismaakte vingers, die leken op stokjes van droog hout...’ (Claude Simon, ‘L'Herbe’).

C. Overeenkomende predikaten in comparant en comparé.

Het gebeurt maar zelden dat overeenkomende kenmerken aan beide zijden geprediceerd worden aangezien dit al snel leidt tot logge nadrukkelijkheid. Grote nadruk is eigenlijk alleen vereist wanneer twee voor het gevoel ver van elkaar verwijderde zaken vergeleken worden waarvan de mogelijke verwantschap de lezer zou ontgaan als niet zowel bij Ca als bij Cé de overeenkomst met name genoemd zou worden10. In ‘Le Côté de Guermantes’ komt de beschrijving voor van de beheerster van het petit pavillon des Champs-Elysées (een openbaar toilet). De beheerster, die zich laat voorstaan op haar adellijke titel van markiezin wordt door Proust spottend vergeleken met een clown: ‘Bij de controle, net als in die circussen waar de clown, klaar om op te treden, zijn gezicht onder het meel, zelf bij de deur het geld voor de plaatsbewijzen ontvangt, stond nog altijd de “markiezin”, de entree innend, haar enorme onregelmatige snoet slordig bepleisterd, het hoedje met de rode bloemetjes en de zwarte kant op haar rode pruik.’ De twee heterogene figuren worden met elkaar in verband gebracht door in het begin van de beschrijving nadrukkelijk te wijzen op een

[p. 284]

paar opvallende uiterlijke overeenkomsten. Situatie en bezigheden van de markiezin: ‘Bij de controle’, ‘de entree innend’ zijn gelijk aan die van de clown ‘bij de deur’, ‘ontvangt zelf het geld voor de plaatsbewijzen’. Haar gezicht is ‘slordig bepleisterd’; dat van de clown ‘zit onder het meel’. Door dat dubbel vermelden van overeenkomsten wordt het beeld van de clown aan dat van de markiezin vastgehecht. Zodra dat gebeurd is kan de vergelijking er in de volgende regels mee volstaan om alleen van de markiezin een aantal predikaten te noemen: ‘haar enorme en onregelmatige snoet’, ‘het hoedje met rode bloemetjes en zwarte kant’, ‘haar rode pruik’, omdat de daarin geïmpliceerde clownsattributen zonder mankeren door de lezer worden herkend en aangevuld. De hele vergelijking is er op gericht om het beeld van de clown te projekteren op dat van de markiezin zodat aan het eind het dubbelbeeld ontstaat van een clowneske markiezin. Het lachwekkende effekt van die kombinatie berust echter niet op hun uiterlijke overeenkomst, maar op het feit dat ze in alle niet genoemde opzichten diametraal tegenover elkaar lijken te staan. Hoe kan een adellijke dame, die er prat op gaat dat ze op de Champs-Elysées resideert nu lijken op een volkse potsenmaker die in een cirkus optreedt? Juist de verheven implikaties die samenhangen met ‘markiezin’ en ‘Champs-Elysées’ worden door de ironie getroffen. De lezer weet namelijk uit de kontext dat haar residentie een sanitaire gelegenheid is en ook haar titel, zoals elders blijkt uit een gesprek tussen Marcel en Françoise, is van twijfelachtig allooi. De vergelijking onthult de tegenstrijdigheid die in de termen ‘markiezin’ en ‘clown’ geïmpliceerd ligt als een schijnbare tegenstelling. Door enkele uiterlijke en op zichzelf niet belangrijke overeenkomsten te noemen slaagt Proust erin de pretenties van de beheerster te ontmaskeren als een kolderieke façade waarachter een vulgaire vrouw schuilgaat.

IV. Gelijkheid/ongelijkheid

Zoals uit het voorbeeld van Proust al bleek spelen niet alleen overeenkomsten maar ook kontrasten een rol. Quintilianus stelde al dat: ‘The more remote the simile is from the subject to which it is applied, the greater will be the impression of novelty and the unexpected which it produces’ (‘Institutio Oratoria’, geciteerd in Preminger, ‘Princeton Encyclopedia of Poetry and Poetics’, p. 768). Richards meent dat die ongelijkheid misschien nog wel belangrijker is dan de gelijkheid: ‘In general, there are very few metaphors in which disparities between tenor and vehicle are not as much operative as the similarities. Some similarity will commonly be the ostensive ground of the shift, but the peculiar modification of the tenor which the vehicle brings about is even more the work of their unlikenesses then of their linenesses.’ (‘The Philosophy of Rhetoric’, p. 127)11. Of het nu juist de kontrasten zijn die, meer nog dan de overeenkomsten de werking van de vergelijking bepalen lijkt me moeilijk uit te maken. Ca en Cé worden zo gekozen en gepresenteerd dat er een bepaalde dosering ontstaat van gelijkheid/ongelijkheid en elk van die relaties kan doeltreffend zijn. Zuivere overeenkomst of kontrast is daarbij eigenlijk uitgesloten omdat de relatie berust op partiële identiteit12. Vergelijkingen als ‘bleu comme tes yeux bleus’ (Hugo) zijn tautologische afwijkingen van die regel evenals de antiphrastische vergelijkingen waarin op ironische manier het tegendeel wordt aangegeven van wat eigenlijk bedoeld wordt: ‘aimable comme une porte de prison’; ‘bronzé comme un cachet d'aspérine’ (zo vriendelijk als een gevangenisdeur; zo bruin als een asperientje). In de dosering gelijkheid/ongelijkheid kunnen twee accenten worden onderscheiden. Soms worden alleen die eigenschappen getoond die op een kontrast wijzen, maar waarin bij nader inzien een diepere overeenkomst geïmpliceerd ligt.

[p. 285]

In sommige poëtische stromingen, bijv. de metaphysicals werd die schijnbare paradox frekwent gebruikt. In ‘The Exstasie’, een liefdesgedicht van John Donne, komt de strofe voor:

 
As 'twixt two equall Armies, Fate
 
Suspends uncertaine victoirie,
 
Our soules, (which to advance their state,
 
Were gone out,) hung 'twixt her, and mee.

Niets lijkt ongerijmder dan om de minnaars te vergelijken met strijdende legers en de vereniging van hun zielen met de twijfelachtige overwinning in een strijd tussen twee even sterke rivalen, waarvan de afloop weinig anders kan zijn dan dat ze elkaar uitmoorden. De sleutel tot hun diepere gelijkheid ligt in de tegenstelling tussen geestelijke en lichamelijke liefde. Het doel van de liefde is ‘extasie’, de vereniging van beide zielen. De lichamelijke liefde vormt daartegen een barrière. Zolang die in het spel is blijven de minnaars gescheiden (‘her, and mee’) en staan ze als vijanden tegenover elkaar. Pas nadat het lichamelijk verlangen gestild is en hen ‘voor lijk’ achterlaat (‘Wee like sepulchrall statues lay’ staat enkele verzen verder) kunnen de zielen uittreden en zich verenigen tot ‘our soules’. In het andere geval worden juist overeenkomsten benadrukt waaronder een kontrast schuilgaat. In het voorbeeld van Proust werden alleen de overeenkomsten getoond tussen markiezin en clown. Dat ze kontrasteren wordt nergens gezegd. Het effekt is misschien meer onderhuids dan in het eerste geval, maar minstens zo doeltreffend.

Zo bestaat in Madame Bovary één van de meest suggestieve beschrijvingsprocedees erin om sublieme onderwerpen te vergelijken met banaliteiten of omgekeerd een banaal onderwerp te beschrijven in verheven vergelijkingen. Dat gebeurt echter zo onopvallend dat het kontrast tussen de twee domeinen verborgen blijft onder een paar treffende overeenkomsten die de vergelijking iets vanzelfsprekends geven. Door die schijnbaar terloopse schrijftrant is het groteske effekt des te groter. Vlak na zijn huwelijk met Emma wordt het geluk van Charles als volgt weergegeven: ‘...zijn hart vervuld van de nachtelijke liefde, de geest gerust, het vlees tevreden, zo herkauwde hij zijn geluk als diegenen die na het eten nog naproeven van de truffels die ze verteren’, en wanneer ze enige tijd getrouwd zijn: ‘...hij omhelsde haar op bepaalde tijden. Het was een gewoonte geworden, net als het dessert waar hij naar uitzag na een eentonige maaltijd.’ Homais is degene die erdoor gekenmerkt wordt dat hij futiliteiten opblaast tot dichterlijk-verheven proporties. Om de menigte boeren en buitenlui te beschrijven die zich op een warme dag naar de comices agricoles begeven vraagt hij zich rhetorisch af: ‘Waarheen spoedde zich deze menigte, als de golven van een woeste zee, onder de stortvloed van een tropische zon die zijn hitte uitspreidde over onze akkers?’

Precies aangeven in welke mate er sprake is van gelijkheid/ongelijkheid is eigenlijk onmogelijk. Kontrast is een waardering die binnen zekere grenzen afhangt van lezer, periode en literaire konventies. Er zullen lezers zijn die de smaak van truffels beslist niet ondergeschikt achten aan andere vormen van geluk en die mijn interpretatie als zouden ze kontrasteren verontwaardigd van de hand wijzen. Ook periodes oordelen verschillend over het al dan niet tegenstrijdig zijn van bepaalde zaken en dat hangt dan samen met de in bepaalde periodes vigerende literaire konventies binnen de normen waarvan relaties als normaal worden ervaren die volgens andere konventies aanstootgevend zouden zijn. De vergelijking van minnaars met strij-

[p. 286]

denden was bij de metaphysicals een veelgebruikt topos. De lezer uit die tijd keek daar veel minder van op dan een onvoorbereide lezer van nu.

 

Tot slot wil ik nog even terugkomen op de twee benaderingen waartussen ik een middenweg gezocht heb. In het ‘Essai de Systématique’ dat ik aan het begin heb aangehaald gaat Jean Cohen uit van de stelling dat poëzie funktioneert op grond van deviatie van de spreektaal: poëtische vergelijkingen zijn volgens die redenering afwijkingen ten opzichte van een ‘kanonieke’ vergelijkingsvorm. Die hypothese lijkt me een vruchtbaar kriterium bij het klassificeren van een korpus vergelijkingen. Maar helaas keert Cohen de zaak om. In plaats van een aantal bestaande vergelijkingen te systematiseren met behulp van die stelling konstrueert hij een systeem van theoretisch denkbare afwijkingen waarvan hij aanneemt dat het poëtische vergelijkingen oplevert. Voor elke klasse worden voorbeelden gezocht, zelf gefabriceerd of weggelaten. Tegenstrijdige en onzinnige varianten zijn het gevolg. Aan de ene kant produceert het systeem vergelijkingen van de vorm ‘A is als B’; d.w.z. normale vergelijkingen die echter ten opzichte van de ‘kanonieke’ vergelijkingsvorm (A is B als C) als elliptisch en dus poëtisch worden beschouwd. Aan de andere kant ontstaan funktieloze afwijkingen, zoals de kategorie ‘redondance interne’, die louter theoretisch zijn. Lege vakjes dus, waarin de voorbeelden dan ook ontbreken. De op zichzelf plausibele uitgangsstelling wordt op die manier weggeklassificeerd.

Het andere uiterste valt net zo min te verkiezen. Een generaliserende benadering waarbij geen of te weinig onderscheid wordt gemaakt stuit op even grote, zij het tegengestelde bezwaren als een ongebreidelde klassifikatiedrift. De stelling van Brooks bijv. dat ‘de taal der poëzie berust op paradoxen’13 lijdt aan dat euvel. ‘I am not here interested in enumerating the possible variations; I am interested rather in our seeing that the paradoxes spring from the very nature of the poet's language...’ zegt hij met die voor Angel-saksische kritici wel vaker kenmerkende geringschatting voor systematiek (niet zelden denigrerend afgedaan als ‘pigeonholing’). Zolang Brooks echter het begrip ‘paradox’ niet specificeert wordt ook ons inzicht in het wezen van de dichterlijke taal niet veel groter. Dat de verzen van Wordsworth

 
It is a beauteous evening, calm and free
 
The holy time is quiet as a Nun
 
Breathless with adoration...

poëtisch zijn vanwege zekere ‘underlying paradoxes’ blijft een vage algemeenheid omdat uit Brooks' betoog niet duidelijk wordt wat een paradox in feite is en evenmin in welke kategorieën de paradox zich manifesteert. Op de keper beschouwd berust het effekt van de vergelijking tussen ‘time’ en ‘Nun’ minder op tegenstrijdigheden dan op een zekere verhouding tussen tegenstellingen en overeenkomsten. Enerzijds zijn ‘time’ en ‘Nun’ tegengesteld (abstrakt-konkreet; menselijk-niet-menselijk), anderzijds komen ze overeen onder het gezichtspunt van wederzijdse religieuze implikaties (‘holy’, ‘Nun’, ‘adoration’) en van de personifikatie van ‘time’ en ‘evening’ in termen die betrekking hebben op de non (‘quiet’; ‘calm’, ‘free’). De term ‘paradox’ omvat zoveel dat hij inhoudsloos wordt.

 

De bezwaren van beide benaderingen werden in de voorafgaande bladzijden zoveel mogelijk vermeden. Allereerst door definitie van de term vergelijking. Vergelijking

[p. 287]

is een analogiefiguur bestaande uit twee termen: comparant en comparé, die verbonden worden door een comparatief. Vervolgens werd voor het onderzoek naar de manier waarop de vergelijking funktioneert uitgegaan van de relatie tussen comparant en comparé. Dat algemene uitgangspunt werd gespecificeerd aan de hand van drie variabelen: bekendheidsgraad, extensie en kontrast, met behulp waarvan de vergelijkingen zowel naar vorm als naar inhoud konden worden onderscheiden. De voorbeelden ten slotte verbonden de theorie met het empirisch materiaal en hielden de uiteenzetting naar ik hoop tot het eind toe leesbaar.