|
|
|
| |
| | | |
Koncepties in het grammatika-onderzoek
Arie Verhagen
N.a.v. Ger J. de Haan, Conditions on Rules: The proper balance between syntax and semantics (proefschrift Utrecht). Publications in Language Sciences 2, Dordrecht, Foris Publications 1979, xiv + 229 b1z., ƒ 33,50.
| |
1. Inleiding*
In zijn proefschrift stelt De Haan zich ten doel te laten zien dat transformaties in zekere opzichten specifieke eigenschappen hebben die niet te vinden zijn bij andere typen regels, in het bijzonder niet bij interpretatieregels voor anaforen en pronomina (zgn. ‘construal’-regels); daarmee wordt dus geïmpliceerd dat een werkelijke reduktie van het ene type regels tot het andere niet mogelijk is, kontra een tendens die De Haan - niet ten onrechte - signaleert in recent werk van Chomsky en speciaal in het proefschrift van Koster. De betreffende specifieke eigenschappen van transformaties nemen de gedaante aan van een tweetal kondities op dergelijke regels, de Toegankelijkheidskonditie en het Kleinste-Rij-Principe, waar ‘construal’-regels niet aan onderworpen zijn. De Haan besteedt aan elk van beide kondities een apart hoofdstuk van zijn boek (resp. 3 en 4), en ik zal ze beide ook apart beschouwen. Deze hoofdstukken worden voorafgegaan door een ‘Introduction’ (hoofdstuk 1) en een tweede hoofdstuk getiteld ‘A transformational grammar of Dutch’. Aan de deskriptieve voorstellen van dit hoofdstuk zal ik niet apart aandacht besteden; in de derde en vierde paragraaf komt wel een enkel punt aan de orde, maar slechts tegen de achtergrond van de besproken kondities. De aanwezigheid van dit tweede hoofdstuk is overigens bepaald niet zonder belang. De werking van De Haans kondities is (soms en niet altijd in dezelfde mate) afhankelijk van de formulering van de betrokken regels; het is dus belangrijk dat er een poging wordt gedaan argumenten voor de aangenomen regels te geven onafhankelijk van de interaktie met de kondities.
Wat bij lezing van dit proefschrift nogal opvalt is de nadruk die telkens weer gelegd wordt op het empirische karakter van de voor de konklusies aangevoerde gronden: Niet voor niets prijkt op het boek als motto, na de titelpagina: ‘The proper balance between various components of the grammar is entirely an empirical issue’, woorden van Chomsky (in ‘Remarks on Nominalization’, dus nog uit de tijd van de strijd tussen generatieve en interpretatieve semantiek), die ook al eens door Bresnan min of meer tegen hemzelf in het strijdperk gebracht zijn (in Linguistic Analysis 2, p. 356). Aan het eind van de inleiding (p. 19) worden de resultaten van het proefschrift gekarakteriseerd als ‘an empirical argument in favor of a richer syntactic component than is usually assumed’ (kursivering van De Haan); op p. 106 wordt Kosters Begrenzingskonditie vanuit een oogpunt van verklaring min of meer aantrekkelijk genoemd, maar verworpen om redenen van deskriptieve inadekwaatheid; in de epiloog (p. 214),
| | | | tenslotte, luidt de allerlaatste alinea als volgt:
Since in this conception there are syntactic and semantic conditions where recent proposals within the (revised) extended standard theory have only semantic conditions, the results of this study contribute to a richer content of the syntactic component than has been assumed in this recent work. Naturally, this is not desirable a priori, but it was motivated here on empirical grounds.
En in het begin van het hoofdstuk over het Kleinste-Rij-Principe was al bijna woordelijk hetzelfde opgemerkt (p. 151).
Deze nadruk op empirische overwegingen gaat gepaard met een relatieve afwezigheid van konceptuele. Hierin manifesteert zich wat misschien zowel de sterkste als de zwakste zijde van het boek is: er worden gedetailleerde analyses voorgesteld en van argumenten voorzien op een tamelijk breed terrein van feiten, maar wat ontbreekt is een interpretatie van de specifieke konklusies in termen van konceptuele achtergronden van grammatikaal onderzoek. Deze diskrepantie doet zich op allerlei minder en meer belangrijke punten voelen. Het m.i. belangrijkste punt (althans voor de doelstelling van deze studie) zal ik in de volgende paragraaf apart aan de orde stellen; enkele andere zullen ook later nog aan bod komen.
Ter illustratie van het soort tegenstelling dat ik bedoel noem ik hier het volgende. Op p. 18 beweert De Haan dat Freidin (1978) zou betogen ‘that the Strict Cycle Condition can be derived from independently motivated principles’. Maar dit is niet wat Freidin zelf beweert; deze zegt nl. dat hij aantoont dat de empirische effekten van het principe van strikte cykliciteit ook volgen uit andere principes, maar niet het principe zelf. De surplus-inhoud van het principe bevat echter, althans volgens Freidin, geen empirische klaims, zodat we het zonder verlies aan empirisch bereik van de theorie zouden kunnen laten vallen. Maar konceptueel betekent dat wel degelijk een bepaald verlies. Het principe kan nl. beschouwd worden als de belichaming van het idee dat er geen syntaktische regelmatigheden binnen deelzinnen bestaan die gedetermineerd zouden zijn door aspekten van hogere deelzinnen (het wordt immers verboden ‘terug te gaan’ in de transformationele cyklus), d.w.z. een bepaalde gedachte over de syntaktische autonomie van deelzinnen, die niet belichaamd wordt door de (optelsom van de) andere principes van Freidin. Wat het citaat van p. 18 suggereert is dat twee analyses in alle relevante opzichten ekwivalent zijn als ze dezelfde empirische effekten hebben. In de eerste plaats lijkt zo het idee van verklarende adekwaatheid aardig uit het zicht te verdwijnen en verder zijn het in de onderzoekspraktijk vaak konceptueel aantrekkelijk geachte analyses die richting gevend zijn voor verder onderzoek; in dat verband kan er nogal wat gelegen zijn aan de voorkeur voor één van twee op het oog empirisch ekwivalente analyses. Met name in verband met de Toegankelijkheidskonditie zal zich de gelegenheid voordoen deze punten nader te illustreren.
| |
2. De verhouding syntaxis - semantiek
In de eerste pagina's van zijn boek plaatst De Haan zich in de traditie van de transformationele taalkunde waar hij als één van de doelstellingen van het grammatikale onderzoek formuleert: het beperken van de klasse van mogelijke grammatika's van natuurlijke talen teneinde een bijdrage te leveren aan het ant- | | | | woord op de vraag hoe (eerste) taalverwerving mogelijk is. Veel werk van de laatste jaren op het gebied van algemene kondities op vorm en toepassing van grammatikale regels wordt vanuit een dergelijke optiek gemotiveerd.
De formulering van deze probleemstelling hangt ten nauwste samen met de visie dat er een diskrepantie bestaat tussen de komplexiteit van een grammatika en de data die, op één of andere wijze, in het proces van taalverwerving na verloop van enige tijd tot zo'n grammatika lijken te leiden. Met name Chomsky is er sterk in om in dit verband telkens opnieuw te spreken van een ‘rijk geartikuleerd systeem’ versus ‘beperkte en fragmentarische gegevens’. Het is duidelijk dat naarmate men deze diskrepantie groter acht, men geneigd, zo niet gedwongen zal zijn een rijkere aangeboren struktuur te veronderstellen. Illustratief is in dit verband de volgende recente bewering van Chomsky:
Given the richness and complexity of the system of grammar for a human language and the uniformity of its acquisition on the basis of limited and often degenerate evidence, there can be little doubt that highly restrictive universal principles must exist determining the general framework of each human language and perhaps much of its specific structure as well. (Chomsky 1980: 232).
De universele beperkingen op grammatika's kunnen zo een behoorlijke graad van komplexiteit krijgen (leerbaarheidsproblemen levert dat niet op, want alles is al aangeboren) en de afzonderlijke grammatika's kunnen vereenvoudigd, dus makkelijker leerbaar, worden (er hoeft niet meer geleerd te worden dan bv. wat in een gegeven taal de vraagwoorden zijn, de rest doet het aangeboren taalvermogen).
Nu is het een probleem dat de opgestelde grammatika's en grammatikale theorieën in feite zowel funktioneren als maatstaf voor de diskrepantie tussen systeem en data, en dus mede de aard en omvang van het probleem determineren, als bedoeld zijn als (gedeeltelijke) oplossing van het probleem; de veronderstelde komplexiteit van het verworven grammatikale systeem is immers niet een zonder meer voor iedereen zichtbaar, theorie-onafhankelijk waarneembaar feit; we veronderstellen die komplexiteit omdat de door ons opgestelde modellen komplex zijn. De inhoud van wat Chomsky ‘given’ noemt is het resultaat van een bepaald soort onderzoek, dus niet per se juist. Gelezen als een voorwaardelijke bewering (dus met ‘given’ vertaald als ‘gesteld dat’) is op het in het citaat gestelde waarschijnlijk weinig af te dingen, maar in de praktijk wordt bij zulke uitspaken vaak over het hoofd gezien dat de waarheid van de premisse niet per se vast staat.
Als gevolg hiervan doet zich de volgende mogelijkheid voor. Als onze theorie zegt dat grammatika's maar één beperkt type regels kunnen bevatten, lijkt de kans groot dat diezelfde theorie een relatief komplex systeem van kondities zal moeten bevatten om aan de variëteit van de verschijnselen recht te doen; we zullen dan geneigd/gedwongen zijn deze komplexiteit, als onleerbaar, aan het aangeboren taalvermogen toe te schrijven, dus een rijke aangeboren struktuur te veronderstellen. Bevat onze theorie daarentegen de stelling dat er verschillende komponenten grammatikale regels zijn, dan is het op z'n minst denkbaar dat elk van die typen wezenlijk eenvoudig gestruktureerd is, terwijl toch recht wordt gedaan aan de variëteit van de verschijnselen, zodat er minder struktuur aangeboren verondersteld hoeft te worden. Dat wil zeggen: een gedifferentieerde theorie laat meer dan een uniforme de mogelijkheid open het centraal gestelde probleem van de transformationele taalkunde als minder nijpend (en daar- | | | | door misschien ook: voor de ‘dagelijkse’ praktijk van het onderzoek minder belangrijk) te ‘zien’ dan gebruikelijk is.1
Deze voorstelling van zaken laat zien dat het beperken op zich van de klasse van mogelijke grammatika's niet de enig mogelijke weg is om het probleem van de diskrepantie tussen systeem en beschikbare gegevens zinvol te benaderen (ervan uitgaande dat er diskrepantie is, zij het eventueel niet zo groot): de klasse van mogelijke grammatika's onder de één-regeltype-theorie kan beperkter zijn dan die onder de meer-regeltypes-theorie (dat is misschien ook wel de motivatie achter zo'n uniformeringsstreven), terwijl de laatste toch niet een minder plausibel antwoord hoeft te bevatten; de oorzaak van deze situatie is dat met de keuze tussen de theorieën een verschil in visie op aard en omvang van de diskrepantie samen kan gaan.
Wat deze overwegingen ook duidelijk maken is dat De Haans centrale probleemstelling van aanzienlijk konceptueel belang is: de vraag of syntaxis en (grammatikale) semantiek onderscheiden moeten worden of niet is weliswaar niet identiek met, maar wel minstens potentieel van belang voor de vraag naar de aard van ‘competence’ en daarmee voor die van een stukje menselijke natuur (in hoeverre is die bv. onveranderlijk gedetermineerd te achten?), alsmede voor de visie op de doelstelling van de grammatika: misschien is het verworven grammatikale systeem minder komplex - maar meer gedifferentieerd - dan Chomsky en anderen het voorstellen, zodat er minder diskrepantie te verklaren is dan we wel gedacht hebben.
Nu bieden De Haans beschouwingen, mede door de relatieve empirische breedheid van het terrein van onderzoek, inderdaad aanwijzingen dat de strukturele voorwaarden op transformationele en interpretatieve processen2 van elkaar verschillen en dat syntaktische en semantische regels dus verschillende eigenschappen hebben (zij het niet noodzakelijkerwijze op alle onderdelen natuurlijk). Maar in elk opzicht ontbreekt in het boek een konceptuele uitwerking van deze konklusie.
Zo'n uitwerking zou verschillende kanten op hebben kunnen gaan. De Haans konklusie kan geïnterpreteerd worden als een aanwijzing voor de juistheid van de alternatieve visie op het diskrepantie-probleem die in het voorgaande aangegeven is; dat is dan ook een voorname reden dat ik die konklusie belangrijk en positief te waarderen vind. Het is echter een feit dat De Haan zich aan het begin van zijn boek, zoals gezegd, expliciet plaatst in de meer gangbare transformationale traditie, zodat een uitwerking als deze in feite nauwelijks verwacht kan worden.
Wel zou echter verwacht mogen worden dat de konsekwenties voor die gangbare visie tenminste expliciet geformuleerd werden, bv. dat we vooralsnog verder van de oplossing van het diskrepantie-probleem af staan dan Chomsky en Koster suggereren. Ook zo'n (negatieve) interpretatie van de konklusie ontbreekt echter geheel. Het is dan ook onduidelijk hoe de uitkomsten van De Haans onderzoek aanknopingspunten kunnen bieden voor verder onderzoek: er wordt een negatieve konklusie bereikt ten aanzien van een bepaald idee over de struktuur van de grammatika (wat op zich best belangrijk is), zonder dat duidelijk wordt wat dat betekent voor het onderzoek. De vraag wordt niet gesteld welke (eventueel verborgen) assumpties hebben geleid tot het verworpen idee, zodat die wellicht als onderzoeksturende principes verwijderd kunnen worden, of vervangen door andere. Om een voorbeeld te geven: als men de lijn van de hierboven ontwikkelde gedachtengang (die dus niet die van De Haan is) aan- | | | | houdt, zou het onderzoek kunnen gaan in de richting van de vraag of de eigenschappen van de verschillende typen regels inderdaad als eenvoudig beschreven kunnen worden; de veronderstelling is immers dat wat in een uniformerend kader verschijnt als een uitzondering op een algemeen principe, in een differentiërend kader kan volgen uit de interaktie van een aantal algemene principes die het ieder zonder tenzij-klausules kunnen stellen.3 Voorzover bij De Haan dergelijke overwegingen leven, dan slechts in verband met elegantie (vgl. p. 142).
| |
3. De Toegankelijkheidskonditie
3.1. Extraktie uit PP en NP
Als alternatief voor Chomsky's Subjacentie-konditie, alsmede voor Kosters Begrenzingskonditie, formuleert De Haan in het derde hoofdstuk de Toegankelijkheidskonditie, in het Engels: ‘Accessibility Condition’, in het vervolg aan te halen als ‘AC’. De AC luidt:
| (1) |
Geen regel kan betrekking hebben op X1, Y of X2, Y in de struktuur...X1...[α...Y...]...X2...
waar α een begrenzende knoop is
tenzij: Y links-perifeer in α is, respektievelijk:
Y rechts-perifeer in α is |
| (p. 125; verwijzingen naar paginanummers zonder meer zijn naar De Haans boek). |
Begrenzende knopen zijn de maximale projekties van de lexikale kategorieën P, N en V, d.w.z. PP, NP en S' (‘s-bar’)4 (p. 136), met een uitzondering waar ik in 3.2. apart op terugkom.
De AC stipuleert dus dat verplaatsing naar links vanuit PP, NP en S' slechts mogelijk is vanuit de meest linkse positie in die kategorieën en verplaatsing naar rechts slechts vanuit de meest rechtse positie. Het standaardvoorbeeld van verplaatsing naar links is vraagwoordverplaatsing en aan de hand daarvan laat de AC zich bv. als volgt illustreren: in de a-zinnen is een vraagwoordgroep in een niet links-perifere positie in een begrenzende kategorie, verplaatsing ervan levert de ongrammatikale b-zìnnen op; in de c-zinnen is een vraagwoordgroep wèl in links-perifere positie, verplaatsing levert de grammatikale d-zinnen op.
| (2)a |
Jan heeft [PP over wie] gekletst |
| b |
*wie heeft Jan [PP over e] gekletst |
| c |
Jan heeft [PP waar over] gekletst |
| d |
waar heeft Jan [PP e over] gekletst |
| |
| (3)a |
Jan heeft [NP boeken over wie] gestolen |
| b |
*over wie heeft Jan [NP boeken e] gestolen |
| c |
Jan heeft [NP wat voor boeken] gestolen |
| d |
wat heeft Jan [NP e voor boeken] gestolen |
Wat betreft S' houdt de AC in dat vanuit een lagere naar een hogere S' alleen vraagwoordverplaatsing mogelijk is, aangezien alleen een vraagwoord(groep) in de lagere S' in links-perifere positie voor kan komen (nl. door clause-interne toepassing van vraagwoordverplaatsing). In de rest van deze paragraaf bespreek ik alleen extraktie uit PP en NP in verband met een vergelijking van de AC met andere voorstellen; extraktie uit S' komt apart in de volgende paragraaf aan de orde.
Er behoeft niet toegevoegd te worden dat α in de AC minimaal geïnterpreteerd
| | | | moet worden, hetgeen blijkt uit de ongrammatikaliteit van (4) en (5).
| (4) |
*wat heeft Jan [PP naar [NP e voor boeken]] gevraagd |
| (5) |
*waar heeft Jan [NP boeken [PP e over]] gestolen |
Het vraagwoord in (4) is wel afkomstig uit een positie links-perifeer in de NP, maar niet links-perifeer in de omvattende PP, en iets dergelijks is het geval in (5). Dit wordt rechtstreeks verantwoord door de AC zoals in (1) gegeven; al wordt de konditie niet geschonden bij de minimale begrenzende kategorie, dat is wel het geval bij de omvattende kategorie.
Verplaatsingen naar rechts zijn vooral gevallen van Extrapositie. De AC kan geïllustreerd worden met de volgende voorbeelden.5
| (6)a |
Hij heeft [PP met [NP die jongen [PP van hiernaast]]] gepraat |
| b |
Hij heeft [PP met [NP die jongen e]] gepraat [PP van hiernaast] |
| c |
Hij heeft [PP met [NP die jongen [S' waar hij zo bang voor was]]] gepraat |
| d |
Hij heeft [PP met [NP die jongen e]] gepraat [S' waar hij zo bang voor was] |
| |
| (7)a |
Hij heeft [PP met [NP die jongen [PP van hiernaast] [S' waar hij zo bang voor was]]] gepraat |
| b |
*Hij heeft [PP met [NP die jongen e [S' waar hij zo bang voor was]]] gepraat [PP van hiernaast] |
| c |
Hij heeft [PP met [NP die jongen [PP van hiernaast] e]] gepraat [S' waar hij zo bang voor was] |
| d |
Hij heeft [PP met [NP die jongen e e]] gepraat [PP van hiernaast] [S' waar hij zo bang voor was] |
In (6)a, c is een PP, resp. S', rechts-perifeer in zowel NP als PP en blijkens b en d is Extrapositie vanuit die positie toegestaan. Blijkens (7)a, b is Extrapositie van een op-zich-extraheerbaar element verboden als er in de omvattende kategorie nog een komplement rechts van staat, geheel in overeenstemming met de AC dus. Is dit andere element zelf geëxtraponeerd, zoals in (7)c, dan is de PP rechts-perifeer ‘geworden’ en Extrapositie ervan wordt nu niet langer verboden door de AC: (7)d is grammatikaal.
Tot zover het overzicht van de werking van de AC bij De Haan.
Nu is de generalisatie van extraheerbaarheid uit perifere posities op zich niet nieuw. Zo noemt De Haan zelf in een voetnoot (p. 148) het werk van Van Riemsdijk (1978); naar aanleiding van diens Hoofdkonditie, die inhoudt dat extraktie uit begrenzende kategorieën niet mogelijk is vanuit posities die ge-c-kommandeerd worden door het lexikale hoofd X van zo'n kategorie (Xn), merkt De Haan op:
This constraint is similar to the Accessibility Condition in that it allows extraction out of peripheral positions in Xn. The difference is that the notion ‘peripheral position’ is given a domain interpretation in the former, and a string interpretation in the latter.
Deze karakterisering van het verschil is juist, maar slechts een deel van de waarheid. De Hoofdkonditie brengt de toegankelijkheid van perifere posities voor transformaties in verband met de struktuur van de betrokken konstrukties, d.w.z. met eigenschappen ervan die gedefinieerd zijn in termen van de fundamentele strukturele relatie ‘domineren’; als zodanig is de Hoofdkonditie een
| | | | aanscherping en uitwerking van de gedachte dat transformaties typisch struktuurgevoelige regels zijn. Vanuit deze optiek is ‘extraheerbaarheid uit perifere posities’ een generalisatie en de Hoofdkonditie een poging tot verklaring. Het is duidelijk dat de AC niet op deze wijze een bepaald idee belichaamt, maar eerder de formulering van de generalisatie zelf is. Daar komt bij dat de Hoofdkonditie door het verband dat met strukturele eigenschappen van de konstruktie wordt gelegd, aanleiding geeft tot het stellen van specifieke vragen, zoals: wat gebeurt er als de konstruktie geen lexikaal hoofd (meer) heeft? Dat wil zeggen dat de konditie een inhoud heeft die principieel boven de generalisatie uitgaat.
Nu zijn er vanwege deze aard van de Hoofdkonditie toch ook empirische verschillen met, bijvoorbeeld, de AC. Zo wordt de ongrammatikaliteit van (7)b niet door de Hoofdkonditie verantwoord, juist in verband met de ‘domeininterpretatie’ van ‘perifere positie’, zoals De Haan dat noemt. In het bijzonder bevat de Hoofdkonditie niet het symmetrie-idee, hetgeen ook expliciet niet Van Riemsdijks bedoeling is (Van Riemsdijk 1978: 174, noot 20). In deze - empirische - opzichten stemt de AC veel meer overeen met de door Zwarts (1978) voorgestelde konditie op variabele faktoren. De Haan zegt dan ook dat Zwarts' konditie ‘is almost identical with the Accessibility Condition’ (p. 147, noot 19). Echter: ook hier gaapt een konceptuele kloof tussen beide voorstellen, nu zowel op het gebied van de perifere posities als op dat van de links-rechts symmetrie. Bekijken we bv. de versie van Zwarts' principe (zijn nummer (71)) die het meest lijkt op de formulering die De Haan er van geeft:
| (71) |
Geen enkel element kan verwijderd worden uit de omgeving [PP X ___ Y]PP
tenzij: (i) X = e en het te verwijderen element wordt naar links verplaatst [....]
of: (ii) Y = e en het te verwijderen element wordt naar rechts verplaatst [....] |
| (Zwarts 1978: 321). |
Op deze formulering laat Zwarts dan het volgende kommentaar volgen:
Hoewel de geamendeerde wet (71) de [...] besproken verschijnselen verantwoordt, is het duidelijk dat deze amendementen op geen enkele manier bijdragen tot een verklaring van het complex van uitzonderingen op de algemene wet [...]. Evenmin biedt (71) een verklaring voor het merkwaardige symmetrische patroon in dat complex van uitzonderingen. De belangrijkste vraag is immers waarom het verbod op het verwijderen van lexicale elementen uit prepositiegroepen opgeheven wordt als één van de condities (71i) of (71ii) geldt. (Zwarts 1978: 322).
Het lijkt mij dat dit kommentaar, vrijwel zonder aanpassingen, ook van toepassing is op De Haans AC: deze verschijnt wederom niet zozeer als de verklaring, maar als de beschrijving van een bepaalde stand van zaken; ook t.a.v. de AC doen zich immers de vragen voor waaròm het nu juist de perifere posities zijn (en niet, bv., die, die één konstituent van de rand verwijderd zijn) van waaruit extraktie niet zonder meer verboden is, en waaròm voor verplaatsing naar links de eis ‘links-perifeer’, c.q. voor verplaatsing naar rechts de eis ‘rechts-perifeer’ geldt. Op beide punten geldt dat de stand van zaken die de AC vastlegt, dergelijke vragen dwingend maakt; het kàn, om zo te zeggen, haast niet toevallig zijn.
Nu moet dit wel een beetje gerelativeerd worden. In de eerste plaats geldt ook voor iedere verklaring dat bepaalde zaken gestipuleerd moeten worden; in de tweede plaats is het ook zo dat de AC, gegeven bepaalde basisregels en transfor- | | | | maties, alsmede preciese definities van bv. de notie ‘betrekking hebben op X, Y’, een samenhang oplegt aan een aantal eerder als disparaat geanalyseerde feiten en bovendien bepaalde nieuwe voorspellingen doet. De AC heeft, kortom, wel degelijk eigenschappen van wat we een verklaring plegen te noemen. Het in het bovenstaande geformuleerde verschil is gradueel: wat in het ene kader op tijdstip x volgens alle kriteria als verklaring kan gelden, kan in een ander perspektief op tijdstip y als ‘handige samenvatting van de feiten’ gezien moeten worden. Dat de AC zich niettemin tot Zwarts' konditie verhoudt als een generalisatie tot een verklaring kan als volgt verduidelijkt worden.
Vooral in verband met bepaalde feiten rond Samentrekking6 interpreteert Zwarts (1978: 364-369) de achtergrond van zijn principe (71) als een konditie op variabele faktoren, die er globaal op neer komt dat een variabele faktor, gelegen tussen twee faktoren die gedefinieerd worden door konstanten uit de strukturele beschrijving van een transformatie, geen losse PP-haken mag bevatten (geen linker PP-haak zonder de rechter, en omgekeerd).
In de grammatika wordt het idee dat het voor transformaties verboden is bepaalde kategorie-grenzen te overschrijden vorm gegeven door een konditie op variabele faktoren: als een variabele faktor een losse PP-haak bevat, betekent dat immers dat er ‘naar binnen’ in een PP gekeken wordt door de transformatie. Tot zover zou je nog kunnen zeggen dat er geen groot verschil is met de AC. Maar dat komt wel degelijk naar voren zodra de vraag gesteld wordt in welke opzichten deze beperkingen gekwalificeerd moeten worden om de extraheerbaarheid uit perifere posities te verantwoorden. Wat betreft de AC wordt het antwoord gevormd door de twee tenzij-klausules. In Zwarts' theorie luidt het antwoord: ‘in geen enkel opzicht, mits een passende factorisering voor een transformatie een gestandaardiseerde factorisering [...] is’ (Zwarts 1978: 370). Een gestandaardiseerde faktorisering is een faktorisering die de zinsdeelgrenzen in acht neemt: het meest linkse element van een faktor mag geen rechterhaakje zijn, het meest rechtse element geen linkerhaakje. Onder die voorwaarde ziet de (hier relevante) faktorisering van de onderliggende struktuur van bv. (2)d er uit als in (8).

Als gevolg van de eis tot gestandaardiseerde faktorisering bevindt de linker PP-haak zich niet in de variabele faktor tussen de twee konstante faktoren, maar in de faktor geanalyseerd door de WH-term van de strukturele beschrijving van de transformatie Vraagwoordverplaatsing. De verboden grens is dus onzichtbaar voor de konditie, zodat uiteindelijk de grammatikale zin ‘Waar heeft Jan over gekletst’ afgeleid kan worden.7 Deze situatie kan zich uiteraard alleen voordoen bij konstituenten die grenzen aan de PP-haak, d.w.z. perifeer zijn in de PP, en wel noodzakelijkerwijze links-perifeer bij verplaatsing naar links en rechts-perifeer bij verplaatsing naar rechts. Voor dit laatste zie men bv. de faktorisering (9) van de onderliggende struktuur van (6)d (waarbij aangenomen is dat er een lege S'-positie in de struktuur is waarin door Extrapositie een gevulde
| | | | S' gezet wordt):

De tussen de konstante faktoren gelegen variabele faktor (Y) bevat niet de verboden PP-haak8, de konditie wordt dus niet geschonden, en Extrapositie kan probleemloos plaats vinden.
Deze opzet is in twee (samenhangende) opzichten superieur, als verklaring, aan de AC; in de eerste plaats wordt de generalisatie m.b.t. perifere posities, inklusief de links-rechts symmetrie, teruggevoerd op een ander, algemener principe (faktorisering moet zinsdeelgrenzen in acht nemen)9, en in de tweede plaats kan, als gevolg daarvan, de grammatika ongeklausuleerd, d.w.z. in zijn meest algemene vorm, de konditie bevatten dat de PP een verboden omgeving voor transformaties vormt (evenals de NP, zie noot 8)10.
Het geheel overziend kan volgens mij gezegd worden dat de AC weliswaar een principe van behoorlijke algemeenheid is dat een breed terrein bestrijkt - wat in het bijzonder duidelijk wordt uit De Haans vrij uitgebreide vergelijking met Kosters Begrenzingskonditie - maar dat hij toch, als verklaring, tekort schiet vanuit het perspektief van andere voorstellen, althans op het gebied van PP en NP; hij schiet met andere woorden vooral konceptueel tekort.
| |
3.2. Extraktie uit S'
In de vorige paragraaf heb ik De Haans AC afgezet tegen Van Riemsdijks Hoofdkonditie en vooral Zwarts' konditie op variabele faktoren. Daarbij heb ik geen vraagtekens gezet bij een gemeenschappelijk kenmerk van alle drie de benaderingen, een eigenschap die inherent lijkt te zijn aan al het onderzoek naar kondities op transformaties in de lijn van Ross' Constraints en Chomsky's Conditions, nl. het feit dat men zoekt naar beperkingen, d.w.z. beperkingen op mogelijkheden die normaal gesteld worden. In het onderstaande wil ik laten zien dat er belangrijke aanwijzingen zijn dat deze opvatting onjuist is en dat de faktoren die extraktie beïnvloeden beter niet gezien kunnen worden als omstandigheden die de extraktiemogelijkheden beperken, maar wel als omstandigheden die extraktie mogelijk maken. Slechts in die opvatting van de kondities kan volledig recht worden gedaan aan de grammatikale autonomie van de deelzin (in de betekenis van ‘ekwivalent van een enkelvoudige zin’, ‘clause’). Kondities worden nl. in het algemeen geformuleerd als ‘extraktie is alleen mogelijk als...’ en juist niet als ‘extraktie is mogelijk als...’. Alleen bij de laatste formulering, als voldoende voorwaarde dus, wordt de onmogelijkheid van extraktie als het normale geval voorondersteld.
Deze konklusies en de ervoor aan te voeren argumenten zijn in belangrijke mate gebaseerd op werk van Onrust (1980). Met name de kruciale verschijnselen in dat-zinnen en infiniete om-zinnen en de verschillende beschrijvingsmogelijkheden daarvoor komen in Onrust (1980) uitgebreider aan de orde.
| | | |
Dat ik deze nogal algemene kwestie aan de orde stel naar aanleiding van één werk heeft veel te maken met de (al eerder geprezen) breedheid van De Haans boek wat betreft het empirische terrein: hoewel soms verspreid over meer dan één hoofdstuk, bevat dit boek, binnen één beschrijvingskader, voorstellen voor de beregeling van extraktie uit allerlei verschillende typen bijzinnen die geen relatieve zinnen zijn. Het feit dat aldus een evaluatie van een ‘totaalplaatje’ mogelijk is, levert de situatie op dat de hierboven aangegeven tegenstelling er goed aan geïllustreerd kan worden.
Dat de AC inderdaad slechts een noodzakelijke en geen voldoende voorwaarde voor extraheerbaarheid bedoelt te geven kan toegelicht worden aan de hand van het verschil tussen (10) (= (3)d) en (11).
| (10) |
wat heeft Jan [NP e voor boeken] gestolen |
| (11) |
*hoeveel meter heeft Jan [NP e boeken] op zolder opgeslagen |
Net als in (10) is de vraagwoordgroep oorspronkelijk links-perifeer in de NP in (11); hoewel dus aan de tenzij-klausule van de AC voldaan is, levert extraktie toch een ongrammatikale zin op. Tijdens de verdediging van zijn proefschrift suggereerde De Haan dat de oplossing voor dit verschil gezocht zou kunnen worden in het ‘Immediate Domination Principle’ van Sag (vgl. p. 3-4), hetgeen verbiedt een operatie op een konstituent X uit te voeren als de operatie ook uitgevoerd kan worden op een konstituent Y die X onmiddellijk domineert. In (10) en (11) is vraagwoordverplaatsing zowel van toepassing op wat en hoeveel meter als op de respektieve hele NP's, maar in (10) domineert die NP wat niet onmiddellijk, omdat er een DET-knoop tussen zit (vgl. p. 147, noot 14), terwijl hoeveel meter in (11) wel onmiddellijk door de NP gedomineerd zou worden en bijgevolg alleen die hele NP verplaatst kan worden.
Afgezien van de merites van deze specifieke suggestie11, maakt de procedure duidelijk dat de AC niet een voldoende voorwaarde voor extraheerbaarheid formuleert. Er kunnen zich dan situaties voordoen waarbij op een andere omstandigheid een beroep gedaan moet worden voor gevallen die niet door zo'n voorwaarde, i.c. de AC, verboden worden. Die andere omstandigheid kan de gedaante aannemen van een ander principe, zoals het bovenstaande liet zien, maar ook die van de invoering van een hulphypothese, d.w.z. een aanpassing van de AC m.b.t. de konteksten die de werking van de konditie ‘oproepen’, zodat de betreffende gevallen alsnog door de AC verantwoord worden (in het gegeven voorbeeld zou bv. ook gezegd kunnen zijn dat de ruimte links van hoeveel meter niet ‘echt’ leeg is; vgl. p. 111-112). Beide strategieën treffen we m.b.t. extraktie uit S' aan. Wat ik wil laten zien, is dat het uiteindelijke resultaat een te komplex geheel is. Ik zal achtereenvolgens bespreken: finiete dat-zinnen, infiniete om-zinnen, finiete of-zinnen, vraagwoordzinnen (zgn. wh-eilanden), en infiniete Verb Raising (VR) komplementen.
| |
A. dat-zinnen
Volgens de AC is vraagwoordverplaatsing vanuit deze zinnen toegestaan: interne verplaatsing brengt het vraag-element links van COMP en vanuit deze in S' links-perifere positie laat de AC ontsnapping toe. De voorbeelden zijn van het bekende type:
| (12) |
wie dacht hij [S' e dat we e gezien hadden] |
| | | |
| (13) |
wat zei Piet [S' e dat hij e verloren had] |
Nu wil het geval dat bij inhoudelijk iets zwaardere matrix-zinnen dergelijke konstrukties al snel onakseptabel worden:
| (14) |
*wie spekuleerde hij [S' e dat we e gezien hadden] |
| (15) |
*wat mopperde Piet [S' e dat hij e verloren had] |
Bevat de matrix-zin bepalingen, dan is het resultaat van vraagwoordverplaatsing eveneens onaanvaardbaar:
| (16) |
*wie dacht hij{gisteren aarzelend} |
[S' e dat we e gezien hadden] |
| (17) |
*wat zei Piet{na lang aandringen zachtjes} |
[S' e dat hij e verloren had] |
Er lijken, bij gebrek aan verschil in de strukturele verhouding matrix - ingebedde zin tussen enerzijds (12) en (13) en anderzijds (14)-(17), geen mogelijkheden de verschillen in aanvaardbaarheid op enig struktureel principe terug te voeren. Deze stand van zaken bracht Erteschik-Shir (1977) er dan ook toe een pragmatische konditie op extraheerbaarheid te formuleren. Haar gedachtengang is ongeveer de volgende. In het normale geval is de syntaktische matrix-zin ook informatief de belangrijkste, de inhoudelijk ‘dominerende’ zin, en is de syntaktisch ondergeschikte zin ook de informatief ondergeschikte. Alleen in zulke gevallen als (12) en (13), waarin het matrix-predikaat geen bepalingen bevat en het werkwoord inhoudelijk erg ‘licht’ is, weinig specifieke informatie bevat, kan het voorkomen dat het volle informatieve gewicht op de syntaktisch ondergeschikte zin komt te liggen, die daarmee inhoudelijk dominant wordt; in inhoudelijk-informatief opzicht kunnen matrix en ingebedde zin a.h.w. geïntegreerd worden. Zo komt Erteschik-Shir ertoe voor te stellen de strukturele kondities op extraheerbaarheid op te geven ten gunste van haar pragmatische ‘dominantie-konditie’, waarvan het hier relevante deel neerkomt op (18).
| (18) |
Extraktie is alleen mogelijk uit deelzinnen die in enige kontekst als dominant beschouwd kunnen worden.
(vgl. Erteschik-Shir 1977: 50) |
Het bovenstaande vormt de achtergrond van wat in generatieve literatuur wordt aangeduid met de term ‘brugkondities’, die meestal voorgesteld worden als aanvullend bij het systeem van strukturele kondities, iets waarmee aan ErteschikShirs bedoelingen bepaald geen recht wordt gedaan. Maar hoe dit zij, het zal duidelijk zijn dat ook De Haan zijn AC zal moeten aanvullen met iets dat op z'n minst het effekt van de dominantiekonditie heeft, een geval van de eerste strategie waarschijnlijk, dus.
| |
B. om-zinnen
Als één van de problemen voor de Bounding Condition van Koster (1978), voerde De Haan de feiten rond extraktie uit infiniete Extrapositie-komplementen aan; de betreffende generalisatie is dat extraktie slechts mogelijk is als de lexikale komplementeerder om niet gerealiseerd is, iets waar Kosters konditie moeite mee zou hebben vanwege het ontbreken van duidelijke andere verschillen in
| | | | de struktuur12. Voorbeelden zijn (19) en (20).
| (19)a |
*welke sigaren weigerde Harry [S' om PRO e te roken] |
| b |
welke sigaren weigerde Harry [S' PRO e te roken] |
| |
| (20)a |
*wat heeft Piet geprobeerd [S' om PRO e te bereiken] |
| b |
wat heeft Piet geprobeerd [S' PRO e te bereiken] |
Nu volgen deze feiten ook niet zonder meer uit de AC. Het is in dit kader zelfs niet mogelijk om één en ander direkt in verband te brengen met de aan- of afwezigheid van de lexikale komplementeerder, aangezien het op zichzelf mogelijk is te extraheren uit zinnen met een komplementeerder, nl. uit dat-zinnen; in die gevallen konden vraagelementen links van dat terecht komen en daarmee in een door de AC gedefinieerde ontsnappingspositie. De Haan kiest er nu voor dat in infiniete Extrapositie-komplementen vraagelementen niet links van om terecht kunnen komen, zodat bij aanwezigheid daarvan door de AC wordt verboden ze te extraheren. Dit wordt bereikt door te stipuleren dat 1e) vraagwoordverplaatsing naar een ± WH COMP gaat en 2e) om niet gespecificeerd is voor ± WH, maar een direkte expansie is van COMP. Als er geen om is, kunnen we aannemen dat er een lege ± WH COMP is waar vraagelementen naar toe kunnen gaan, zodat ze dan wèl in overeenstemming met de AC geëxtraheerd kunnen worden. Het systeem van herschrijfregels voor COMP ziet er nu als volgt uit:
| (21)a |
COMP →{± WH} |
| |
COMP →{om / - -...te...} |
| b |
- WH →{dat/ - -...TENSE...} |
| |
- WH →{e/ - -...te...} |
| c |
+ WH →{of/ - -...TENSE...} |
| |
+ WH → {e / - -...te...} |
We hebben hier dus een voorbeeld van de tweede strategie: door een speciale formulering van de basisregels en van vraagwoordverplaatsing vallen de feiten rond de om-zinnen onder de AC.
Het lijkt mij dat het weinig betoog behoeft dat weliswaar gesproken kan worden van observationele adekwaatheid, maar toch ook van een weinig elegante beschrijving met een sterk ad hoc karakter. Door middel van de basisregels wordt gestipuleerd dat om een principieel ander type COMP is dan alle andere (dat, of, e) en deze stipulatie is kruciaal voor het totaal-resultaat; in zekere zin wordt dus het eilandkarakter van om-zinnen nog steeds niet verklaard uit een algemeen principe, maar per stipulatie beschreven. Er lijkt dringend behoefte aan een eenvoudiger, algemener formuleerbaar alternatief.
| |
C. of-zinnen
Volgens De Haan (p. 119) blokkeert de AC vraagwoordverplaatsing uit zinnen die ingeleid worden door een + WH COMP, waarbij voorbeelden van het volgende type gegeven worden:
| (22) |
*welke boekeni vroeg Harry zich af [S' aan wiej COMP + WH hij ej ei moest geven] |
De vraagwoordgroep met index i kan niet geacht worden ontsnapt te zijn via de meest linkse positie in de ingebedde S', want daar staat al een andere vraag- | | | | woordgroep, zodat extraktie alleen direkt plaats zou kunnen vinden vanuit de met ei aangegeven positie. Dat wordt door de AC verboden, zodat (22) niet afgeleid kan worden.
Nu is dit een geval van een zgn. wh-eiland: een met een vraagwoordgroep ingeleide zin is een verboden omgeving voor vraagwoordverplaatsing. In de literatuur zijn hiervoor verschillende verklaringen voorgesteld en De Haan zal in zijn volgende hoofdstuk ook nog beweren dat één en ander volgt uit het Kleinste-Rij-Principe; om deze reden stel ik bespreking van dit type zinnen nog even uit. Zin (22) werd opgevoerd als een specimen van een ingebedde zin met een + WH COMP. Er zijn van deze soort ook exemplaren die niet met een vraagwoordgroep beginnen maar (alleen maar) met de betreffende lexikale komplementeerder of (vgl. ook regel (21c)). Deze ontbreken in De Haans overzicht van extraktiemogelijkheden uit S' in verband met de AC, en niet ten onrechte, want extraktie uit zulke zinnen is onmogelijk; (23) mag niet afgeleid worden.
| (23) |
*wie vroeg Harry zich af [S' e of hij e die boeken moest geven] |
Deze onmogelijke extraktie wordt echter niet door de AC verboden; zoals in (23) aangegeven is, is wie eerst intern in de ingebedde deelzin naar de meest linkse positie verplaatst, en vandaaruit wordt ontsnapping door de AC toegestaan. Deze situatie doet wellicht denken aan die bij de om-zinnen, maar een parallel van de daar gekozen oplossing (voorkomen dat een vraagelement links van de komplementeerder terecht kan komen) is hier geblokkeerd door het feit dat of in afhankelijke vraagwoordvraagzinnen altijd na het vraagwoord toegevoegd kan worden; (24) is grammatikaal.
| (24) |
Harry vroeg zich af [S' wie of hij e die boeken moest geven] |
De AC zal hier dus niet te hulp geroepen kunnen worden, zodat deze zinnen terecht als bewijsmateriaal voor de AC afwezig zijn. In hoofdstuk 4 komen ze echter in ander verband wel even aan de orde. Het probleem dat van (24) (23) niet afgeleid mag worden, wordt daar op direkte wijze opgelost, nl. door middel van een filter dat de betreffende oppervlaktestruktuur verbiedt13:
| (25) |

|
Gestipuleerd wordt dus dat links van of geen spoor mag voorkomen (p. 163). Hier hebben we weer een voorbeeld van de eerste strategie: de AC laat op zich nog te veel toe en daarvoor wordt een aparte regel gegeven.
Een problematisch punt lijkt me wel dat dit de geloofwaardigheid van de behandeling van de om-zinnen nog verder aantast. Daar heeft De Haan nogal wat moeite gedaan om ze onder te brengen bij een algemeen principe, maar nu dat bij de of-zinnen uitgesloten blijkt, vraag je je af of de basisregels en de subkategorisatieframes m.b.t. om niet aanzienlijk vereenvoudigd zouden kunnen worden als we een filter voor de om-zinnen aannamen, bv. (26).
| (26) |
*[S' [α X] [COMP om]...] |
Gestipuleerd wordt aldus dat links van om geen konstituenten, met wat voor inhoud dan ook (leeg of gevuld), mogen voorkomen, en dit levert ons precies het gewenste resultaat op, in observationele zin dan. Natuurlijk is dit helemaal geen mooie oplossing, maar hij lijkt niet lelijker, of ‘duurder’, dan die voor de of-zinnen, terwijl in de basiskomponent winst geboekt zou kunnen worden. Alleen boet de AC wel weer meer aan algemeenheid in.
| |
| | | |
D. vraagwoordzinnen
Hierboven bracht ik ter sprake dat De Haan extraktie uit vraagwoordzinnen lijkt te willen voorkomen door middel van de AC. In hoofdstuk 4 wordt echter beweerd dat de zgn. wh-eiland-verschijnselen volgen uit het daar aan de orde zijnde Minimal String Principle (MSP) en het onder C besproken spoor-of-filter. Het MSP houdt voor het onderhavige in dat vraagwoordverplaatsing bij meerdere vraagelementen slechts betrekking kan hebben op het element dat het dichtst bij COMP staat (zie ook de volgende paragraaf). Het gaat er dan om te verantwoorden dat alleen het eerste voorbeeld van de volgende rij grammatikaal is.
| (27)a |
Harry vroeg zich af wiei of hij ei welke boeken moest geven |
| b |
*Harry vroeg zich af welke boekenj of hij wie ej moest geven |
| c |
*wiei vroeg Harry zich af ei of hij ei welke boeken moest geven |
| d |
*welke boekenj vroeg Harry zich af ej of hij wie ej moest geven |
| e |
*wiei vroeg Harry zich af welke boekenj of hij ei ej moest geven |
| f |
*welke boekenj vroeg Harry zich af wiei of hij ei ej moest geven |
Zin (27b) is ongrammatikaal, omdat vraagwoordverplaatsing niet op de kleinst mogelijke rij is toegepast, zoals in (27a). Bijgevolg is er geen bron om (27d) van af te leiden. In (27c) heeft verplaatsing naar de COMP van de matrix-zin plaats gevonden en wel over de kleinst mogelijke rij, maar het resultaat is toch ongrammatikaal, vanwege filter (25); (27d) wordt ook nog eens verboden door dit filter. In de struktuur (27c) zou echter nog eens vraagwoordverplaatsing toegepast kunnen worden van welke boeken naar de plek links van of, nadat wie daar dus vandaan is gehaald; dat is in overeenstemming met het MSP en de resulterende struktuur, nl. (27e), schendt niet langer het spoor-of-filter, zodat die zin volgens deze twee mechanismen niet ongrammatikaal zou hoeven zijn. Hij is het echter wel, en dit wordt opgevangen met een beroep op het principe van strikt-cyklische regeltoepassing: (27e) kan alleen afgeleid worden door terug te gaan in de transformationele cyklus, hetgeen bij strikte cykliciteit verboden is. Tenslotte wordt afleiding van (27f) zowel verboden door het MSP als door strikte cykliciteit.
De wh-eiland-verschijnselen hangen dus samen met ten minste drie mechanismen: in ieder geval het Kleinste-Rij-Principe, een oppervlaktefilter en strikte cykliciteit, en vermoedelijk ook de AC (nl. voor gevallen waarin of ontbreekt).
| |
E. VR-komplementen
De Haan gaat er van uit dat de infiniete komplementen in (28) en (29) geanalyseerd moeten worden als sententieel van aard, d.w.z. als expansies van de kategorie S'.
| (28) |
dat ik Fred probeer te helpen |
| (29) |
dat ik Fred een lied hoor zingen |
Deze diskontinue konstrukties staan sinds het werk van Evers (1975) bekend als gevallen van Verb Raising: aangenomen wordt dat het werkwoord van het komplement opgetild wordt naar het hogere werkwoord, waarmee een werkwoordelijke kluster ontstaat. De Haan heeft hier een andere, in zekere zin komplementaire visie op. Hij neemt aan dat het komplement rechts gegenereerd wordt en dat het hogere werkwoord verplaatst wordt naar dat in het komplement, door
| | | | een regel die hij V-Final noemt. Er wordt dus globaal uitgegaan van de volgende onderliggende strukturen voor resp. (28) en (29).
| (30) |
dat ik probeer [S' [COMP e] [AUX te] [S PRO Fred helpen]] |
| (31) |
dat ik hoor [S' [COMP e] [AUX e] [S Fred een lied zingen]] |
V-Final, ook van toepassing zijnde op AUX-elementen, verplaatst in (30) eerst te naar helpen, zodat (32) ontstaat.
| (32) |
dat ik probeer [S' [COMP e] ei [S PRO Fred tei helpen]] |
Op (31) en (32) moet nu V-Final werken om resp. (29) en (28) te produceren. Een probleem is echter dat de positie waar het werkwoord naar toe moet (onmiddellijk links van resp. zingen en te helpen) niet links-perifeer is in z'n S', zodat V-Final eigenlijk door de AC verboden wordt. De Haan wijst er nu op dat in de komplementen in (31) de S-struktuur zowel links als rechts perifeer is in z'n S' en veronderstelt dan dat in zo'n situatie het begrenzende karakter van de S'-knoop opgeheven wordt. Daartoe wordt de volgende definitie gegeven van de notie ‘begrenzende knoop’ in de AC (zie (1)):
| (33) |
α is een begrenzende knoop dan en slechts dan als: α Xn is (de maximale projektie van de lexikale kategorie X), èn: Xn-1 (van dezelfde projektie) niet zowel links als rechts perifeer is in Xn. |
De komplementen in (31) en (32) gelden nu niet langer als begrenzend m.b.t. de AC, zodat V-Final toegepast kan worden. Nu zou tegengeworpen kunnen worden dat deze aanpassing niet nodig zou zijn in de konventionele analyse van VR-komplementen (zoals ik ze voor het gemak toch maar blijf noemen), omdat we dan onderliggende strukturen zouden hebben van de volgende vorm:
| (34) |
dat ik [S' [S Fred een lied zingen]] hoor |
Hierin is het naar rechts te tillen werkwoord zingen rechts-perifeer in z'n S', zodat verplaatsing toegestaan is zelfs onder de ongemodificeerde versie van de AC. Er zijn echter gegevens die er op wijzen dat zo'n modifikatie hoe dan ook nodig is, bv. in de ‘further evidence’ die De Haan aanvoert in verband met r-woordverplaatsing; zie bv. zin (35) (vgl. p. 126).
| (35) |
dat ik eri Bob ei snel ei mee zag schrijven |
De pro-vorm er is afkomstig uit het komplement en wel op een wijze die de AC lijkt te schenden14, ongeacht of we nu uitgaan van V-Raising of van V-Final. Eén of andere modifikatie lijkt dus zeker op z'n plaats. En hoewel De Haan het zelf niet noemt, is deze ook nodig in verband met vraagwoordverplaatsing. Aangezien de COMP van VR-komplementen geheel leeg moet zijn, dus ook geen features ± WH mag bevatten, vormt deze immers geen mogelijke ‘tussenlandingsplaats’ voor vraagelementen, zodat ze niet in de door de AC gedefinieerde ontsnappingsruimte terecht kunnen komen. Desondanks is extraktie vanuit VR-komplementen vrijelijk mogelijk:
| (36) |
wat heb je Piet e horen zingen |
De noodzakelijke modifikatie van de AC komt er dus op neer dat de S'-knoop van VR-komplementen voor transformaties niet als S' geldt. Nu zijn er redenen om hetzelfde te stellen in het geval van andere, interpretatieve processen. In Verhagen (1980) heb ik bv. betoogd dat VR-komplementen transparant zijn
| | | | voor bepalingen van gesteldheid en aanverwanten, net zoals voor anaforische relaties; daarbij moet gesteld worden dat de sententiële struktuur en m.n. de aanname van een subjektspositie in deze komplementen niet wezenlijk gemotiveerd zijn. De vraag lijkt dan ook alleszins gewettigd of we er langzamerhand niet beter aan doen de aanname van zo'n sententiële status te laten vallen15, zodat een (verdere) afzwakking van de AC, of wat voor parallelle begrenzende konditie dan ook, niet nodig is.
Dit lijkt specifiek in verband met de AC des te meer aantrekkelijk, aangezien deze afzwakking ook tot verkeerde voorspellingen leidt in de andere kategorieën, en wel op een nogal elementair punt wat de AC betreft. In 3.1. is aangehaald dat het vraagwoord niet verwijderd kan worden uit de PPover wie en wel uit de PP waar over, hetgeen zonder enige aanpassing in de basisregels of iets van dien aard verantwoord wordt door de AC. Maar het is duidelijk dat in over wie Pn-1 zowel links als rechts perifeer is in Pn (PP), zodat deze in de gemodificeerde AC niet geldt als begrenzende knoop, waardoor plotseling de verklaring niet meer opgaat! Niet alleen is het dus zo dat de modifikatie slechts aangebracht wordt in verband met VR-komplemeten, maar ook dat deze toevoeging de AC op andere punten essentieel ondermijnt. Het lijkt, kortom, zowel om konceptuele als om empirische redenen van belang om de AC (of enig vervangend principe) in een zo algemeen mogelijke vorm te handhaven. Dat kan, zoals hierboven geïmpliceerd, bereikt worden door aan te nemen dat VR-komplementen niet S' zijn, maar bv. VP.
Overzien we nu het geheel van extraktiemogelijkheden uit zinnen, dan krijgen we het volgende plaatje.
| omgeving |
extraheerbaarheid |
verantwoording De Haan |
| A. dat-zin |
extraktie i.h.a. onmogelijk, maar wel mogelijk als het matrix-predikaat inhoudelijk weinig informatief is. |
AC (maar iets met het effekt van een pragmatische dominantiekonditie zal hier aan toegevoegd moeten worden). |
| |
| B. om-zin |
extraktie onmogelijk, maar mogelijk als om ontbreekt. |
AC + formulering basisregels voor COMP + specifieke formulering vraagwoord-verplaatsing. |
| |
| C. of-zin |
extraktie onmogelijk |
filter (25) |
| |
| D. vraagwoordzin |
extraktie onmogelijk |
MSP + filter (25) + strikte cykliciteit + vermoedelijk AC. |
| |
| E. VR-komplement |
extraktie mogelijk |
ongedaan maken van effekt van aangenomen S'-status door definitie (33). |
De theoretische apparatuur die hier in stelling wordt gebracht, is bepaald gigantisch te noemen: aan algemene syntaktische principes de AC, het MSP en strikte cykliciteit, een pragmatische konditie, speciale regels, een oppervlaktefilter en komplikatie van de definitie van ‘begrenzende knoop’. Terwijl het schema en de voorafgaande besprekingen toch duidelijk maken dat de fundamentele scheidslijn ligt tussen de gevallen A t/m D aan de ene en E aan de andere kant:
| | | | de algemene situatie, zelfs bij vraagwoordverplaatsing, is dat extraktie uit deelzinnen onmogelijk is. Wat zou nu de achtergrond kunnen zijn van het feit dat dit op zo'n disparate wijze in de beschrijving terecht komt? Ik vermoed dat dit veel te maken heeft met wat ik aan het begin van deze paragraaf noemde als een algemeen kenmerk van de ‘onderzoektraditie’ waar het boek van De Haan in staat: men poogt de (on)mogelijkheden van extraktie te vatten in de formulering van beperkingen. Wat natuurlijk wel gehoopt wordt, is dat wat men zo op het spoor komt een wel omschreven klasse van zaken zal blijken te zijn. Het schema suggereert dat deze hoop ijdel is: de verschillende faktoren kunnen niet geïntegreerd worden. Achtergrond hiervan is dat het formuleren van beperkingen op extraheerbaarheid met zich meebrengt dat de mogelijkheid daarvan per implikatie voorgesteld wordt als de algemene situatie16 Het is deze implikatie die de wortel van het probleem vormt: het specificeren van een beperking op extraktie vooronderstelt kennelijk - of men wil of niet - dat men extraheerbaarheid als de ‘gewone’ situatie ziet.
Blijkens het schema is de gewone situatie echter die van de onmogelijkheid van extraktie, In plaats van het geheel aan mechanismen in de rechterkolom zouden we dan ook liever een beperkte hoeveelheid principes hebben waarin enerzijds de algemene onmogelijkheid van extraktie tot uitdrukking komt en anderzijds de enkele gevallen van extraheerbaarheid op enigszins eenvoudige wijze in verband wordt gebracht met informatieve dominantie en het ontbreken van de lexikale komplementeerder om (situaties A en B).
De algemene wetmatigheid die uit het schema valt af te lezen is dus dat grammatikale interaktie tussen deelzinnen, ook in het geval van vraagwoordverplaatsing, uitgesloten is: deelzinnen zijn grammatikaal autonoom. Dit zou in de grammatikale theorie bv. als volgt belichaamd kunnen worden:
| (36) |
Het deelzinprincipe:
Het maximale domein van grammatikale regels is de deelzin |
Dit is in essentie het idee dat Blom en Daalder (1977: 57) opperen bij hun bespreking van verschillende opvattingen van het cyklisch principe. In hun termen is er sprake van ‘een bepaalde grammatische onafhankelijkheid van deelzinnen’, waarbij zij suggereren dat de voorkomende afhankelijkheden tussen deelzinnen toe te schrijven zijn ‘aan het niet-strukturele aspekt van de clauses: de lexikale elementen die er in optreden’.
Deze gedachte wordt verder bevestigd wanneer we de twee situaties bezien waarin extraktie mogelijk is. Om te beginnen lijkt het er op het oog niet op dat de twee betreffende faktoren veel met elkaar te maken hebben. Dit kan problemen opleveren als we bij de dominantie-konditie bv. vasthouden aan ErteschikShirs formulering ervan zoals in (18), hier herhaald.
| (18) |
Extraktie is alleen mogelijk uit deelzinnen die in enige kontekst als dominant beschouwd kunnen worden. |
Deze formulering zou ons er toe kunnen dwingen infiniete zinnen zonder om als altijd potentieel dominant te beschouwen, en zulke zinnen mèt om als nooit potentieel dominant. Zulks is konceptueel erg onaantrekkelijk, en de vergelijkbare situatie bij infiniete zinnen in het Engels leidt in Erteschik-Shir (1977) dan ook tot één van de meest gewrongen uiteenzettingen; er wordt een poging gedaan er voor te zorgen dat de vraag naar dominantie in het algemeen niet van toepassing is op infinitieven, zodat er in het geheel geen konditie op extraktie aan te pas komt. Maar anderzijds wordt ‘dominantie’ toch te hulp geroepen om
| | | | te verklaren dat géén extraktie mogelijk is uit infinitieven ingeleid door for. Ook (18) is echter weer geformuleerd als een beperking en niet als een voldoende voorwaarde. Zoals opgemerkt in Onrust (1980) heeft de konditie hierdoor een zeker exklusief karakter (één principe dat in àlle gevallen een rol speelt) en dit maakt dat de infiniete zinnen zonder lexikale komplementeerder een probleem vormen; we hebben dan nl. niet-dominante deelzinnen waaruit toch extraktie mogelijk is. Deze kontradiktie verdwijnt echter als we in plaats van (18) de formulering (37) aannemen, d.w.z. een formulering als voldoende voorwaarde.
| (37) |
Het dominantieprincipe:
Extraktie is mogelijk uit deelzinnen die in enige kontekst als dominant beschouwd kunnen worden. |
Er wordt dus niet gezegd wanneer extraktie verboden is, er wordt een geval omschreven waarin het toegestaan is; zo heeft het principe dus niet meer per se een exklusieve status.
Een vergelijkbare situatie doet zich voor bij de beregeling voor om. Zouden we nl. formuleren dat extraktie alleen toegestaan is uit deelzinnen zonder lexikale komplementeerder, dan verschijnen bepaalde dat-zinnen weer als een uitzondering: dat zijn immers zinnen mèt een komplementeerder waaruit toch extraktie mogelijk is; ook de komplementeerder speelt dus geen exklusieve rol. Deze kontradiktie kan, in navolging van Onrust (1980), eveneens vermeden worden door een formulering als voldoende voorwaarde17:
| (38) |
Het bijzinmakerprincipe:
Extraktie is mogelijk uit deelzinnen die niet ingeleid worden door een lexikale komplementeerder. |
Het dominantieprincipe en het bijzinmakerprincipe specificeren zo dus duidelijk niet de beperkingen op extraheerbaarheid, en ze veronderstellen dus ook niet de principiële mogelijkheid van extraktie, maar juist het omgekeerde: toegevoegd aan het deelzinprincipe leveren ze de in het schema aangegeven stand van zaken op; in het bijzonder vervangt het deelzinprincipe de beoogde effekten van de AC (en daarmee van Subjacentie, waar de AC een alternatief voor was), filter (25) en strikte cykliciteit. Het dominantieprincipe en het bijzinmakerprincipe hebben beide geen betrekking op de syntaktische struktuur maar op de lexikale inhoud van deelzinnen, in overeenstemming met de eerder aangehaalde suggestie van Blom en Daalder (1977).
Hoewel m.n. op het gebied van informatieve dominantie zeker nog wel het één en ander uit te zoeken valt18, houdt het juist genoemde toch, in vergelijking met de situatie van het schema, een zodanige verbetering in (vooral in konceptuele zin), dat het in ieder geval beter lijkt dit als uitgangspunt voor verder onderzoek te nemen, dan nog verder de gebruikelijke weg van het formuleren van beperkingen te volgen.
| |
4. Het Kleinste-Rij-Principe
De Haan formuleert vraagwoordverplaatsing als volgt (p. 157).
| (39) |
e, |
COMP ± WH' |
W1, |
wh^W2, |
W3 |
|
| |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
⇒ |
| |
4 |
2 |
3 |
e |
5 |
|
| | | |
Een vraagwoordgroep (wh^W2) wordt dus over een variabele rij (W1) naar een lege positie onmiddellijk links van een ± WH COMP verplaatst. Nu is bekend dat in meervoudige vragen het voorop te plaatsen vraagwoord niet willekeurig gekozen kan worden; van bv. de volgende twee zinnen is alleen de eerste grammatikaal (De Haans (23), p. 157).
| (40)a |
ik vroeg me af welke jongens e mij welke boeken zouden geven |
| b |
*ik vroeg me af welke boeken welke jongens mij e zouden geven |
De Haan definieert nu eerst de notie ‘kruciale partiële eindrij’ (‘crucial terminal substring’, CT) van een phrase marker m.b.t. een regel als: dié partiële eindrij die door de in de regel betrokken termen samen met de er tussen voorkomende variabelen gedefinieerd wordt; zo is een CT m.b.t. (39) dus een eindrij die gedefinieerd wordt door de termen 1 t/m 4. Beschouw nu de mogelijke opdelingen m.b.t. vraagwoordverplaatsing van de aan de ingebedde zinnen in (40) ten grondslag liggende struktuur:

De CT van (41a) is de rij e-COMP-welke-jongens, die van (41b) is e-COMP-welke-jongens-mij-welke-boeken. De CT van (41a) is dus echt bevat in die van (41b) en De Haan stelt nu dit verschil verantwoordelijk voor de ongrammatikaliteit van (40b), door de volgende beperking op ambigue regeltoepassing aan te nemen:
| (42) |
Als CT1 en CT2 kruciale partiële eindrijen van een phrase marker n.b.t. een gegeven regel zijn, en als CT1 echt bevat is in CT2, dan is de strukturele verandering van de regel slechts gedefinieerd op CT1. |
We moeten, kortom, de kleinst mogelijke rij nemen, en vandaar dat De Haan (42) het Kleinste-Rij-Principe (‘Minimal String Principle’, MSP) noemt (p. 154).
Het MSP wijkt af van eerder voorgestelde manieren om lokale regeltoepassing af te dwingen doordat er niet een strukturele, maar een lineaire voorwaarde geformuleerd wordt. Chomsky's Superioriteitskonditie en Kosters Lokaliteitsprincipe (beide door De Haan besproken) komen er op neer dat bij ambigue toepasbaarheid van bv. vraagwoordverplaatsing de regel uitsluitend toegepast mag worden op de kategorie die in de hiërarchische struktuur van de zin de hoogste is. Het MSP komt in dit geval echter neer op het idee dat het de meest linkse moet zijn. Wat dit betreft is er dus een opmerkelijke konceptuele koherentie in De Haans programma: in 3.1. merkten wij ook al op dat in Van Riemsdijks Hoofdkonditie de notie ‘perifeer’ werd gedefinieerd in termen van struktuur en in de AC in termen van links-rechts. Maar in het MSP wordt een modifikatie aangebracht die het verschil uiteindelijk behoorlijk reduceert. Beschouw de volgende zin.
| (43) |
welk belang zou de vraag wie er geweest is kunnen hebben |
De onderliggende struktuur heeft in De Haans systeem twee faktoriseringen m.b.t. vraagwoordverplaatsing, zoals aangegeven in (44).
| | | |

De CT van (44a) is e-COMP-de-vraag-wie, die van (b) is e-COMP-de-vraag-wie-er-geweest-is-welk-belang. Als gevolg van het MSP zoals geformuleerd in (42) zou vraagwoordverplaatsing (39) dus niet op (44b) gedefinieerd zijn, zodat (43) ten onrechte niet afgeleid zou worden. Dit wordt echter ondervangen door een modifikatie van het MSP die De Haan in navolging van Wilkins (1979) onderneemt. Deze houdt in dat m.b.t. de toepassing van het MSP de vergeleken CT's op een bepaalde manier ‘gelezen’ moeten worden en wel zodanig dat elementen die te ‘laag’ in de struktuur zitten niet gezien worden. Daarmee wordt dus het nivo-verschil ook in het MSP geïntroduceerd. Dit gebeurt door middel van de notie ‘grofste konstituentenopdeling’. Een grove konstituentenopdeling van een partiële eindrij is de opdeling in een zo klein mogelijk aantal konstituenten. Van één eindrij kunnen meerdere grove konstituentenopdelingen gemaakt worden als er niet-vertakkende knopen zijn, d.w.z. als één en dezelfde konstituent uitputtend gedomineerd wordt door meer dan één knoop. De grofste konstituentenopdeling is dan die grove konstituentenopdeling waarin geen enkele knoop door een niet-vertakkende knoop onmiddellijk gedomineerd wordt; we moeten, kortom, uitsluitend de hoogste knopen nemen19.
Het MSP wordt nu als volgt aangevuld:
| (45) |
Als CT1 en CT2 kruciale partiële eindrijen van een phrase marker m.b.t. een gegeven regel zijn, en
als CT1 echt bevat is in CT2, en
als de te verplaatsen faktor van CT1 deel uitmaakt van de grofste konstituentenopdeling van CT2,
dan is de strukturele verandering van de regel slechts gedefinieerd op CT1. |
De grofste konstituentenopdeling van de CT in (44b) bestaat uit de COMP, de NP de vraag wie er geweest is en de NP welk belang. De vierde faktor van (44a) behoort niet tot dit drietal, waardoor hij voor het MSP als het ware onzichtbaar is, zodat vraagwoordverplaatsing toch op (44b) gedefinieerd is en de zin (43) afgeleid kan worden20.
Het is duidelijk dat de lineaire voorwaarde van het MSP aldus aangevuld is met een strukturele. De vraag lijkt dan ook gerechtvaardigd, waarom niet vastgehouden zou worden aan een zuiver strukturele voorwaarde, mede gezien het konceptuele belang van strukturele noties in de grammatika (vgl. 3.1.). Het antwoord moet natuurlijk komen uit een betoog dat de - extra - lineaire voorwaarde kruciaal is21: als er geen hiërarchisch verschil is tussen twee gelijksoortige konstituenten en ze dus alleen links-rechts geordend zijn, onmiddellijk gedomineerd door dezelfde knoop, dan legt de Superioriteitskonditie geen beperkingen op, maar het MSP wel (maar zie ook noot 23).
De eerste gevallen die De Haan in dit verband op p. 160/161 opvoert hebben een tamelijk twijfelachtige status, m.n. omdat alles afhangt van de noodzaak om specifieke en geen andere dan die specifieke strukturen in de betreffende (Engelse) zinnen aan te nemen. In één geval is die noodzaak echter overduidelijk, nl. in verband met de regel NP-placement in het Nederlands.
Deze regel verplaatst NP's over een willekeurige rij naar een lege positie ter lin- | | | | kerzijde en is o.a. bedoeld om volgordevariaties m.b.t. bijwoordelijke bepalingen te beschrijven. De Haans formulering ervan is als volgt (p. 64):
| (46) |
W1, |
e, |
W2, |
NP, |
W3 |
|
| |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
⇒ |
| |
1 |
4 |
3 |
e |
5 |
|
Eerder heb ik op een dergelijke beschrijving kritiek geleverd, o.a. omdat die het onmogelijk maakt voor bepaalde volgordeverschijnselen een beroep te doen op hiërarchische verschillen, zoals die aan de orde zijn in de Superioriteitskonditie (Verhagen 1979a). NP-placement zou bv. o.a. de volgende struktuur opleveren, waar het indirekt objekt uit de VP is verwijderd:
| (47) |
[S' COMP [S [wh wat voor werk] [wh welke mensen] beslist [VP e stoflongen bezorgt]]] |
Maar (48) is ongrammatikaal, wat bij struktuur (47) niet verantwoord kan worden door de Superioriteitskonditie.
| (48) |
*Piet onderzoekt welke mensen wat voor werk e beslist stoflongen bezorgt |
Het zal duidelijk zijn dat het MSP, dat immers ook een lineaire voorwaarde formuleert, (48) daarentegen wèl lijkt te kunnen verantwoorden. Toch is dit slechts schijn; het kan nl. aangetoond worden dat het MSP de werking van NP-placement zó sterk inperkt dat de regel in feite nooit toegepast kan worden. Aangezien dit mede te maken heeft met het feit dat de doel-positie van de regel niet met een nonterminaal symbool, maar met het identiteitselement, aangeduid met het symbool e, wordt gedefinieerd, zal ik daar eerst op in gaan.
De doelpositie van NP-placement moet uitsluitend met e aangegeven worden om de eenvoudige reden dat het geen (al of niet struktuurbehoudende) substitutieregel kan zijn. Het karakter van de regel is daarbij zodanig, dat ook als er geen bepalingen zijn, de strukturele positie van een NP erdoor veranderd moet kunnen worden (p. 66, 68), wat inhoudt dat de regel zo geformuleerd moet zijn dat de NP over een willekeurige rij verplaatst wordt; de positie van de tweede term in (46) kan dus ook niet worden aangegeven als onmiddellijk naast een konstante term gelegen (zoals bv. in vraagwoordverplaatsing (39)). Deze eigenschappen van de regel, noodzakelijk i.v.m. de rol die NP-placement moet spelen, zullen tot ernstige problemen blijken te leiden. Die zijn gecentreerd rond het gebruik van e; de vraag is hoe dit element een plaats moet krijgen in phrase markers, opdat deze geanalyseerd kunnen worden door (46). Het probleem kan geïllustreerd worden aan de hand van De Haans betoog over de interaktie tussen NP-placement en het MSP (op p. 155).
Beschouw de volgende twee faktoriseringen van dezelfde eindrij m.b.t. NP-placement:

| | | |
Het MSP bepaalt dat (46) alleen op (49a) gedefinieerd is, en dat moet ook, want *dat Harry het boek waarschijnlijk de jongen heeft gegeven mag niet afgeleid worden. De strukturele verandering van (46) houdt in: vervanging van de tweede faktor door de vierde en vervanging van de vierde faktor door e, zodat van (49a) de volgende rij wordt afgeleid:
| (50) |
dat Harry de jongen waarschijnlijk e het boek heeft gegeven |
Deze rij is nu, zegt De Haan, eveneens te representeren als (51), met daarbij aangegeven de faktorisering m.b.t. (46).

Hiervan kan dus de grammatikale zin (52) afgeleid worden.
| (52) |
dat Harry jongen het boek waarschijnlijk e heeft gegeven |
Nu verschillen (50) en (51) duidelijk in notatie; kan het element e nu inderdaad zo gebruikt worden dat (50) en (51) identiek zijn?
Het symbool e is een element uit de eenvoudige konkatenatie-algebra. Als we zinnen voorstellen als gekonkateneerde reeksen woorden is het gebruik van e dan ook tamelijk probleemloos: toevoeging van een willekeurig aantal e's aan zo'n representatie van een zin is dan toevoeging van een willekeurig aantal ‘nulwoorden’ en levert dan telkens identieke representaties op, zoals een willekeurig aantal toevoegingen van 0 (‘nul’) aan een getal, of vermenigvuldiging met 1, telkens identieke getallen oplevert (0 is het identiteitselement voor optelling, 1 is het voor vermenigvuldiging). Dit is probleemloos, omdat er feitelijk geen welgevormdheidseisen aan konkatenatie gesteld worden.
In de grammatika zijn echter niet zozeer representaties van zinnen als eenvoudig gekonkateneerde reeksen woorden aan de orde, als wel strukturele beschrijvingen, met behulp van ‘labeled brackets’ of een boomstruktuur ‘boven op’ de reeks woorden. Voor de representatie van zo'n gestruktureerde beschrijving gelden allerlei welgevormdheidseisen. Wanneer we daar nul-tekens in gaan zetten, doen zich enkele niet onbelangrijke vragen voor. Bijvoorbeeld: Moet een e met een tak aan de boomstruktuur verbonden zijn, zoals de eis luidt voor alle andere elementen? Zo nee, hoe zit het dan met de analyseerbaarheid van bomen door een transformatie? Zo ja, hoe heet dan de knoop die e domineert en waar moet de tak aangehecht worden? Kortom: zonder dat er antwoord op deze en dergelijke vragen gegeven wordt, verdraagt het gebruik van e zich eigenlijk niet met grammatisch-strukturele beschrijving, en als er wel een antwoord wordt gegeven, worden er vorm-eisen gesteld aan strukturele representaties met e's; de kans lijkt dan reëel dat representaties van dezelfde terminale rijen met e's op verschillende plaatsen niet als identiek gelden, d.w.z. niet op het nivo van de grammatisch relevante struktuurbeschrijving. De vraag is ook nog of een regel met een e als ‘konstante’ term wel een welgedefinieerde transformatie kan zijn m.b.t. enige boomstruktuur.
Het gebruik van e door De Haan is dus enigszins onzorgvuldig en dit wreekt zich dan ook. Het symbool wordt, blijkens de inwisselbaarheid van (50) voor (51), gebruikt in de trant van de konkatenatie-algebra. Dat moet ook wel, want als we de rij niet op de wijze van (51) konden analyseren, konden we (52) niet
| | | | afleiden. Dit heeft nu echter desastreuze gevolgen: als we e's willekeurig mogen gebruiken, dan mogen we altijd een e neerzetten onmiddellijk links van de (naar links) te verplaatsen kategorie, ongeacht wat er verder nog meer staat. Konkreet: De Haan is gedwongen te erkennen, gegeven de identiteit van (50) en (51), dat (51) identiek is met bv. (53).
| (53) |
dat Harry e de jongen e waarschijnlijk e e het boek e heeft gegeven |
De rij heeft, blijkt nu, (o.a.) de twee in (54) aangegeven faktoriseringen m.b.t. NP-placement.

Het MSP bepaalt dat de regel alleen gedefinieerd is op (54a), zodat (52) tòch nog niet afgeleid kan worden! Bij dit gebruik van e impliceert het MSP voor NP-placement, en in het algemeen voor iedere regel die een konstituent over een variabele rij naar een niet gespecificeerde positie verplaatst, dat de te verplaatsen konstituent nooit ergens anders dan onmiddellijk naast zichzelf neergezet kan worden, aangezien dat altijd een mogelijke, en dus de kleinst mogelijke partiële eindrij zal betreffen; zulke regels zullen dus feitelijk nooit zichtbaar effekt hebben.
En stel nu eens dat, ter vermijding van deze konsekwentie, vorm-eisen aan het gebruik van e zouden verhinderen dat (50) met (51), en beide dus met (53) identiek waren. Niet alleen zou ook dàn (52) niet van (50) afgeleid kunnen worden, maar ook zou (55) niet identiek zijn met (56).
| (55) |
dat Harry waarschijnlijk e de jongen het boek heeft gegeven |
| (56) |
dat Harry waarschijnlijk e de jongen e e het boek heeft gegeven |
Het MSP zou in (56) afdwingen dat de NP het boek niet over de jongen verplaatst kan worden, maar als (56) niet identiek is met (55), kan toch niet verhinderd worden dat door NP-placement de ongrammatikale rij *dat Harry waarschijnlijk het boek de jongen heeft gegeven wordt afgeleid, van (55) dus.
Frappant is dat De Haan juist stelt dat uit het MSP volgt dat de ene NP nooit over de andere verplaatst kan worden (p. 156). Hij maakt dan dus in zekere zin een kruciaal gebruik van het bovengenoemde radikale effekt van het MSP22. Zo zegt hij (p. 155) dat een andere manier om (49) te analyseren is zoals in (57).

| | | |
De Haan geeft alleen de faktoriseringen (a) en (b), en stelt vast dat CTa echt bevat is in CTb, zodat het boek niet over de jongen verplaatst kan worden. Als we dit strikt zouden nemen, moet vastgesteld worden dat er nòg een mogelijke faktorisering is, hier aangegeven in (c). Deze CT is echt bevat in CTb, maar CTa is niet echt bevat in CTc, zodat de regel gedefinieerd is op (c)23 en de verboden rij dus toch afgeleid zou kunnen worden. Het punt is natuurlijk dat de rij in (57) identiek moet zijn met een waarin de subrij e-e-het boek voorkomt. Maar dat heeft dus, zoals gezegd, wel het gevolg dat de NP's helemáál niet meer van plaats kunnen veranderen.
Dit betoog kan als volgt samengevat worden: Aanname van NP-placement dwingt enerzijds tot een verantwoording van lokaliteitsverschijnselen in nietstrukturele, lineaire termen, maar het betreffende principe, het MSP, verhindert anderzijds iedere (zichtbare) toepassing van NP-placement. De konklusie moet zijn dat NP-placement een onmogelijke regel is24, en in feite iedere regel die een konstituent naar een ongespecificeerde positie verplaatst over een variabele rij. Daarmee komt dus ook het enige harde stuk initiële motivatie voor voorkeur voor het deels lineaire, deels strukturele MSP boven bv. de strikt strukturele Superioriteitskonditie te vervallen.
| |
5. Ter afsluiting
Het zal duidelijk geworden zijn dat er volgens mij fundamentele problemen kleven aan belangrijke onderdelen van dit proefschrift. Die spitsen zich toe op de twee hoofdonderdelen van De Haans theorie. Bij de bespreking van de AC bleek overigens dat daar ontwikkelde bezwaren voor een niet onaanzienlijk deel inherent zijn aan een bepaalde trant van denken die niet specifiek is voor dit boek, maar integendeel wijd verbreid.
Het boek steekt trouwens, misschien niet in breedheid van visie, maar wel in breedheid van bestreken terrein, gunstig af bij ander recent werk. Daarmee heeft De Haan het zich moeilijk gemaakt op kritiek te reageren met ‘Daar heb ik het niet over’; een paragraaf als 3.2. van dit artikel zou, om konkreet te zijn, bij bijvoorbeeld de dissertatie van Koster heel wat moeilijker te schrijven zijn geweest, en dat is een kompliment voor De Haan. Tevens staan er over het boek verspreid behartigenswaardige passages over ander werk; De Haan heeft de moeite genomen om zijn voorstellen aan een gedetailleerde vergelijking met die van anderen te onderwerpen, wat zijn boek er soms alleen niet ‘vlotter’ leesbaar op heeft gemaakt. Bovendien ben ik overtuigd van het fundamentele belang van zijn probleemstelling, zoals ik in paragraaf 2 uiteen heb gezet.
In dit artikel heb ik echter toch vooral het volle licht willen laten vallen op wat De Haan dan zelf aan substantiële voorstellen heeft in te brengen. Daarbij heb ik geprobeerd te laten zien dat er onvoldoende reden is deze voorstellen ten grondslag te leggen aan verder onderzoek, al heb ik ook betoogd dat de meer gangbare koncepties ons op kruciale punten evenmin van de juiste vragen lijken te voorzien. Tegenover De Haans kennelijke neiging om konceptuele overwegingen achterwege te laten zou ik echter willen stellen dat we er dan beter aan doen andere koncepties centraal te stellen.
In Chomsky's werk zijn, zoals ook blijkt uit het motto dat De Haan aan zijn werk mee kon geven, vrij gemakkelijk citaten te vinden voor een skala van
| | | | opvattingen. Bij dit artikel zou een zin uit Conditions misschien mooi passen: ‘In some cases it is not at all clear that conditions of the sort we are discussing are the appropriate device for explaining certain distinctions’ (Chomsky 1977: 110). Het zal echter wel niet voor niets in een voetnoot staan.
| |
| | | |
Bibliografie
| Blom, A. en S. Daalder (1977), Syntaktische theorie en taalbeschrijving. Muiderberg. |
| Chomsky, N. (1977), ‘Conditions on Transformations’. In: id., Essays on Form and Interpretation. New York, 81-160. |
| Chomsky, N. (1980), Rules and Representations. New York. |
| Erteschik-Shir, N. (1977), On the Nature of Island Constraints. Repr. IULC. |
| Erteschik-Shir, N. (te versch.), ‘On Extraction from Noun Phrases (picture noun phrases)’. In: Proceedings GLOW 4, Pisa. |
| Evers, A. (1975), The transformational cycle in Dutch and German. Utrecht. |
| Freidin, R. (1978), ‘Cyclicity and the theory of grammar’. In: Linguistic Inquiry 9, 519-549. |
| Haan, G.J. de (1979), ‘Onafhankelijke PP-komplementen van nomina’. In: Spektator 8, 330-339. |
| Koster J. (1978), Locality Principles in Syntax. Dordrecht. |
| Neyt, A. (1979), Gapping: A Contribution to Sentence Grammar. Dordrecht. |
| Onrust, M. (1980), Vraagwoordverplaatsing en deelzinsgrenzen. Ongepubl., Vrije Universiteit, Amsterdam. |
| Riemsdijk, H.C. van (1978), A Case Study in Syntactic Markedness: The Binding Nature of Prepositional Phrases. Dordrecht. |
| Verhagen, A. (1979)a, ‘Fokusbepalingen en grammatikale theorie’. In: Spektator 8, 372-402. |
| Verhagen, A. (1979)b, ‘On the E-hypothesis of dislocation and conditions on Descourse Grammar’. In: Recherches Linguistiques 8, 131-158. |
| Verhagen A. (1980), ‘Bounding phenomena and binding conditions’. In: S. Daalder & M. Gerritsen (eds.), Linguistics in the Netherlands 1980. Amsterdam/New York, 139-149. |
| Wilkins, W.K. (1979), The Variable Interpretation Convention: A Condition on Variables in Syntactic Transformations. Repr. IULC. |
| Williams, E. (1980), ‘Predication’. In: Linguistic Inquiry 11, 203-238. |
| Zwarts, F. (1978), ‘Extractie uit prepositionele woordgroepen in het Nederlands’. In: A. van Berkel e.a. (eds.), Proeven van Neerlandistiek. Groningen, 303-399. |
|
*Ik dank Saskia Daalder, Ger de Haan en Jan Koster voor kommentaar op een eerdere versie van dit artikel.
1Wat ik hier dus suggereer is dat de mogelijkheid geëxploreerd zou kunnen worden dat ‘modulariteit’ een groot deel van het antwoord op dit traditionele probleem kan geven, zonder dat een (te) rijke aangeboren struktuur verondersteld wordt. Chomsky (1980: 40-41) ziet in dat de vragen naar modulariteit en naar ‘innateness’ aparte vragen zijn: in principe kan men het één aannemen zonder het ander. Hij betoogt dan verder dat wie weinig ‘innateness’ aanneemt, in het algemeen ook aan zal nemen dat de uiteindelijke kognitieve vermogens één tamelijk homogeen systeem zullen vormen, zodat om konceptuele redenen de twee visies toch veelal samengaan. Mijn suggestie houdt in dat er (op z'n minst ook) andere
konceptuele verbanden tussen modulariteit en ‘innateness’ mogelijk zijn, m.n. dat wie geen modulariteit aanneemt wel gedwongen is tot een rijke aangeboren struktuur te besluiten. Daarbij heb ik dan wel het oog op een ander soort modulariteit dan bv. het onderscheid tussen ‘kern’ en ‘periferie’, waarbij slechts de ‘kern’ eenvoudig gehouden hoeft te worden, maar de ‘periferie’ allerhande rariteiten mag herbergen, of dat van een zo groot mogelijke eenvoud van afzonderlijke grammatika's, waarbij juist de universele grammatika rariteiten mag bevatten (omdat ze toch niet geleerd hoeven te worden). De ene modulariteit is, kortom, de andere niet.
2Er is sprake van een soms vervelende terminologische verwarring, lijkt mij, als De Haan spreekt van het vervangen van ‘syntaktische’ door ‘semantische’ kondities, als dat blijkt te slaan op het feit dat er aan de inhoud van een konditie niets verandert, maar hij alleen op een gegeven moment uniform toepasbaar wordt geacht op transformationele en interpretatieve regels. De eis dat een antecedent superieur in de boom moet zijn aan een anafoor, is ‘gewoon’ een strukturele voorwaarde op een interpretatief gelegde relatie. Een semantische voorwaarde is bv. dat een antecedent niet lager in de thematische hiërarchie mag zijn dan een anafoor, in termen dus van zulke semantische relaties als Agens, Lokatie en Thema. Wat De Haan kennelijk verwart is ‘konditie op een semantische relatie’ en ‘semantische konditie op een relatie’. Deze opmerking is ook van toepassing op de reeds geciteerde slotzinnen van De Haans boek.
3De inhoud van paragraaf 3.2. van dit artikel kan beschouwd worden als een konkrete illustratie van deze zienswijze.
4De kategorie AP wordt buiten beschouwing gelaten in verband met het feit dat er te weinig bekend is z'n interne syntaxis (p. 149, noot 30).
5Ik gebruik hier wat andere voorbeelden dan De Haan in zijn paragraaf 3.4.2.2. (op het stramien van ‘ik heb de mededeling aangehoord van Fred’), omdat ik twijfels heb over de aanvaardbaarheid van een en ander; zo neig ik er toe de zojuist tussen haakjes gegeven zin slechts mogelijk te achten met het zinsaksent niet op Fred, maar bv. op aangehoord, wat er op zou kunnen duiden dat we met een dislokatie-konstruktie in de zin van Verhagen (1979)b te doen hebben. Verder zijn veel denkbare voorbeelden van Extrapositie niet adekwaat in verband met De Haans aanname dat er ‘onafhankelijke PP-komplementen van nomina’ zijn (zie p. 80 evv., 111, 145 en m.n. De Haan (1979)).
6Het gaat hier om het feit dat bij Samentrekking elementen in een PP juist niet achter mogen blijven tenzij ze geheel links in hun PP zijn. Bijv.:
| (i)a |
De ene veiligheidsagent stond twee meter achter de grootvorstin en de andere veiligheidsagent stond [PP [NP drie meter] achter de grootvorstin]. |
| b |
De ene veiligheidsagent stond twee meter achter de grootvorstin en de andere veiligheidsagent - [PP [NP drie meter] -]. |
| (ii)a |
De laagste onderscheiding is tot twee maanden na de dag van uitreiking geldig en de hoogste onderscheiding is [PP tot [PP [NP drie maanden] na de dag van uitreiking]] geldig. |
| b |
*De laagste onderscheiding is tot twee maanden na de dag van uitreiking geldig en de hoogste onderscheiding - [PP - [PP [NP drie maanden] -]] -. |
(Zwarts' (91a) t/m (92b), 1978: 327).
Deze stand van zaken kan toch met die waar (71) de uitdrukking van is, in overeenstemming gebracht worden wanneer we aannemen dat de variabelen in de samentrekkingsregel gedeleerd worden en de konstanten de restanten definiëren, en dat de achtergrond van (71) een konditie op variabele faktoren is, zoals aangeduid in de tekst. Die konditie impliceert dan t.a.v. de restanten van Samentrekking hetzelfde als t.a.v. de deletie-gaten van bv. Comparatief Deletie of de extraktie-positie van Vraagwoordverplaatsing. De Haans visie op deze feiten rond Samentrekking is een andere dan die van Zwarts, en eveneens een andere dan die van Neyt (1979), welke ook kritiek levert op de analyse van Zwarts.
7De strukturele verandering van een transformatie is gedefinieerd op het inwendige van een faktor, zodat de linker PP-haak in (8) niet met waar mee naar voren gaat.
8En evenmin de verboden NP-haak; aan het eind van zijn artikel breidt Zwarts zijn konditie uit tot deze kategorie.
9Mede hierdoor is Zwarts' analyse in sterkere mate dan die van De Haan een uitwerking/aanscherping van het idee dat transformaties struktuurgevoelig zijn, zij het op een andere wijze dan bij Van Riemsdijk het geval is. Overigens lijkt het mij dat de eis van gestandaardiseerde faktorisering niet eens expliciet gesteld hoeft te worden, althans niet om empirische redenen. Immers, alleen bij perifere positie van konstante faktoren doet zich überhaupt de mogelijkheid voor een faktorisering op te leggen waarbij de variabele de verboden haken niet bevat, dus de konditie niet geschonden wordt. Als er geen specifieke eisen worden gesteld aan de aard van de faktorisering boven wat volgt uit de definitie van ‘transformatie’ (m.n. van de relatie ‘is een’), zullen er bij een perifere konstante faktor weliswaar faktoriseringen zijn die de konditie schenden, maar ook ééntje - en wel precies de gestandaardiseerde - waarbij zulks niet het geval is. De specifieke formulering van de konditie in termen van variabele faktoren maakt zelf al expliciete stipulatie van de uitzonderingen overbodig, ook zonder de extra eis van gestandaardiseerde faktorisering.
10Om duidelijk te maken dat ook deze verklaring mogelijkerwijze een relatieve zal blijken te zijn, kan op het volgende gewezen worden. De konditie moet expliciet stipuleren dat zowel een losse linker haak als een
losse rechter haak verboden is; er wordt dus niet direkt tot uitdrukking gebracht dat de kategorie PP als zodanig een verboden omgeving voor transformaties konstitueert. Daar hangt mee samen dat de verklaring afhankelijk is van de specifieke eigenschappen van een bepaalde vormgeving (‘labeled bracketing’) van de strukturele relaties in zinnen, die niet (althans niet zonder meer) terug te vinden zijn in een andere vormgeving van dezelfde strukturele relaties (bv. een boomdiagram). Dat lijkt weinig bevredigend, waar er overigens immers weinig reden lijkt om aan te nemen dat de ene representatie naar z'n aard beter geschikt is om strukturele verbanden mee uit te drukken dan de andere.
11Een probleem is bv. de als evidentie voor de AC aangehaalde extraktie van maat-specificeerders uit PP's in bv. ‘hoeveel meter stopte hij het dode vogeltje [ PP e onder de grond]’.
12Koster suggereerde dat voor deze gevallen eenvoudig een tenzij-klausule aan de Begrenzingskonditie toegevoegd zou kunnen worden die aan de algehele komplexiteit van het systeem nauwelijks iets verandert. Vooralsnog heb ik daar mijn twijfels over. Als we uitgaan van de laatste versie van Kosters konditie (vgl. De Haan p. 92 en p. 146 noot 8), houdt die voor deelzinnen in: een geregeerde lege knoop kan niet vrij zijn in S', tenzij het een + WH knoop is. Toevoeging van een extra klausule ‘tenzij S' geïntroduceerd wordt door om’ levert niet het gewenste effekt op, omdat wh-konstituenten volgens de eerste klausule vrij mogen zijn. We zouden een tenzijklausule bij de tenzij-klausule nodig hebben, dus: een geregeerde lege knoop kan niet vrij zijn in S', [tenzij het een + WH knoop is [tenzij S' geïntroduceerd wordt door om]]. Volgens mij is dit wel degelijk een aanwijzing dat er iets mis is (zie ook noot 16).
13In een voetnoot (p. 215) verwijst De Haan naar de opvatting van Chomsky dat in de Engelse ekwivalenten van (23) de interpretatieregels voor + WH COMP in het geding zouden zijn. Het is echter nogal onduidelijk hoe die regels in het Nederlands het beoogde effekt zouden moeten opleveren; vgl. Chomsky (1977: 147, 151-155). Aan de konklusie van deze paragraaf zou die optie overigens niets veranderen.
14Nemen we echter aan dat r-woorden in principe ook links van het subjekt kunnen voorkomen (vgl. ‘dat daar gisteren iemand een tentoonstelling mee heeft geopend’), dan zijn ze in de COMP-loze VR-komplementen links-perifeer in hun S', dus extraheerbaar onder de ongemodificeerde versie van de AC, waarmee dit ene specifieke argument dus zou komen te vervallen. Er blijven ook dan echter voldoende andere argumenten over.
15Er is eventueel een argument denkbaar in verband met anaforische relaties; in ‘Jan hoorde Piet zichzelf een sufferd noemen’ kan zichzelf alleen Piet als antecedent nemen, zodat aanname van een begrenzende kategorie waar Jan geen deel van uit maakt voor de hand lijkt te liggen. Echter, ook een niet struktureel principe met het effekt van Williams' (1980: 234) ‘Predicate Opacity Condition’ kan dit verschijnsel aan, zonder aanname van strukturele begrenzingen tussen Jan en Piet. De Haan noemt in noot 24 op p. 148 nog een argument dat geldt bij het door hem ontwikkelde idee over subkategorisatie.
16Deze konklusie geldt ook voor het kondities-systeem van Koster (1978), ondanks het feit dat deze in zijn tekst bv. zegt dat de vraag naar de uitzonderingen op onbegrensde verschijnselen vervangen moet worden door z'n komplement: ‘wat zijn de uitzonderingen op begrensdheid?’ (vgl. Koster (1978: 43)). De formele neerslag van een en ander komt er desondanks op neer dat de algemene situatie waarop de konditie van toepassing is, die is waarbij een lege knoop juist niet gebonden is in z'n S'; de konditie is een filter voor door de syntaktische komponent voortgebrachte strukturen. Daarbij wordt gestipuleerd dat het vrij zijn van een lege knoop in z'n S' slechts toegestaan is voor bepaalde elementen, wat dus neerkomt op een beperking. Het schema maakt bovendien duidelijk dat Kosters konditie aangevuld moet worden met mechanismen voor de om-zinnen, of-zinnen en, gegeven dat ook Koster uitgaat van een S'-analyse, VR-komplementen,
zodat het onwaarschijnlijk lijkt dat de theorie als geheel uiteindelijk werkelijk zal uitdrukken wat hij wil, ni. ‘that a full clause is an island in core grammar, and that extraction is a more peripheral phenomenon’ ( a.w., 62; zie ook noot 12). Een vergelijkbaar betoog geldt voor de Subjacentiekonditie van Chomsky. Hiermee wordt tevens nog eens duidelijk dat het punt dat in deze paragraaf gemaakt wordt niet specifiek is voor De Haan, maar voor een veel meer werk omvattende onderzoekspraktijk.
17De term ‘bijzinmaker’ voor ‘komplementeerder’ is van Margreet Onrust. In Onrust (1980: par. 7.2.) wordt er op gewezen dat afwezigheid van om geïnterpreteerd kan worden als het ontbreken van expliciete, lexikale markering van de strukturele grens van de deelzin, waar door deze waargenomen kan worden als geïntegreerd in de matrix: (38) lijkt m.a.w. geenszins een onnatuurlijk principe. In feite zou het misschien zelfs empirisch gezien beter kunnen zijn te formuleren: ‘deelzinnen waarvan de grens niet lexikaal gemarkeerd wordt’, zodat infiniete zinnen ingeleid door een vraagwoord niet onder (38) vallen.
18Hetgeen anderzijds ook niet wegneemt dat wanneer men eenmaal bereid is vanuit deze optiek naar de feiten te kijken, een aantal verschijnselen in een nieuw verrassend licht komen te staan. De dominantiegedachte kan geïnterpreteerd worden als inhoudend dat in een bepaald aantal gevallen door het informatieve gewicht van een bijzin het onderscheid tussen matrix en ondergeschikte zin in inhoudelijk opzicht opgeheven wordt: de bijzin wordt a.h.w. geïntegreerd in het matrix-predikaat; het zijn deze gevallen waarin extraktie mogelijk is. Recent werk van Erteschik-Shir ( te versch.) biedt aanwijzingen dat de extraktiemogelijkheden vanuit NP's wellicht bepaald worden door een vergelijkbare faktor: extraktie uit NP's is i.h.a. onmogelijk, maar mogelijk uit NP's die in zekere - inhoudelijke - zin in het predikaat geïntegreerd zijn. In Waar heeft Piet een boek over gelezen is wel extraktie mogelijk, maar het kan toch niet zonder meer volgehouden worden dat hier sprake is van een onafhankelijk PP-komplement (vgl. * Piet heeft het over zijn jeugd gelezen versus Piet heeft het over zijn jeugd geschreven; zie echter Koster (1978: 74-76)). Van lezen kun je echter wel zeggen dat dat iets is dat typisch met boeken gedaan wordt, zodat in inhoudelijk opzicht een wending als een boek lezen gezien kan worden als een ongeleed predikaat, waarin de NP dus in zekere zin opgegaan is. Dit in tegenstelling tot de situatie bij bv. een boek bekladden, dat gezien moet worden als geleed, een predikaat met één argumentplaats gevuld. Vanuit NP's in dergelijke konstrukties is extraktie onmogelijk: * Waar heeft Piet een boek over beklad.
Zelfs t.a.v. PP's openen zich wellicht interessante perspektieven. Vanuit de dominantie-optiek is het frappant dat extraktie eigenlijk alleen goed mogelijk is uit prepositionele objekten en niet uit bijwoordelijke PP's (vgl. Van Riemsdijk (1978: 26), Zwarts (1978: 383, noot 9). Van Riemsdijk schrijft: ‘there appears to be a parameter that ranges from the most loosely connected sentence (or S') adverbials via several intermediate stages (...) to prepositional particles. Extraction possibilities correlate with this parameter: the more closely a prepositional phrase is connected with the verb, the easier it is to extract elements from such a prepositional phrase’. Hier hangt vermoedelijk ook mee samen dat de achterblijvende prepositie pal links van het werkwoord of in ieder geval pal links van ‘inherente’ bepalingen moet staan.
19Deze informele uitleg ontbreekt in De Haans boek (zie p. 179), maar is wel te vinden in Wilkins (1979). Op meer plaatsen volstaat De Haan met het geven van formele definities of het noemen van effekten van definities en principes, hetgeen de begrijpelijkheid niet altijd ten goede komt.
20Merk op dat aldus niet uitgesloten wordt dat vraagwoordverplaatsing óók gedefinieerd is op (44)a. De toepassing van de regel op (44)a wordt echter verboden door de AC i.v.m. het feit dat wie niet links-perifeer is in z'n NP. Hier is overigens eens te meer het konceptuele verschil te zien tussen een theorie met een beperkende konditie (als de AC, Kosters Begrenzingskonditie, of Subjacentie) en een theorie met het deelzinprincipe (zie 3.2.): de eerste gaat principieel uit van de mogelijkheid dat de regel op (44)a gedefinieerd is en perkt daar dan de effekten van in, in de tweede is (44)a geen mogelijke faktorisering m.b.t. vraagwoordverplaatsing omdat er twee deelzindomeinen in betrokken zijn. De modifikatie van het MSP zou in het tweede geval overigens, althans voor dit type gevallen, niet nodig zijn.
21Ook is in principe nog voorstelbaar dat aangetoond wordt dat bij de niet volledige ekwivalentie van enerzijds ‘grofste konstituentenopleiding’ en anderzijds ‘superioriteit’ of ‘c-kommanderen’, het MSP precies de juiste voorspellingen doet. Een dergelijke poging onderneemt De Haan op p. 203, waar hij Kosters Lokaliteitsprincipe bespreekt. Vgl. de volgende twee strukturen.
Het MSP blokkeert in beide gevallen een relatie tussen posities γ en αi + 1, omdat er een α in de grofste konstituentenopdeling is. Het Lokaliteitsprincipe is wel van toepassing op (a), maar niet op (b), omdat het geformuleerd is in termen van c-kommanderen en αi + 1 γ niet c-kommandeert in (b). Het Lokaliteitsprincipe is echter niet slechts van toepassing op c-kommandeerrelaties maar in gekoördineerde strukturen op wat Koster noemt ‘parallellie-relaties’. Wat dat betreft is het Lokaliteitsprincipe evenmin zuiver struktureel, zij het dat ‘parallellie’ gebonden is aan een bepaald type konstrukties. Strukturen als (b) kunnen daar voorbeelden van zijn. In verband daarmee lijkt een eventueel verschil tussen de twee principes moeilijk te evalueren op dit punt.
22Een andere plaats waar dit gebeurt is p. 167-172, waar gezegd wordt dat de opwaartse begrensdheid van regels volgt uit het MSP en het domeinprincipe van Williams.
23Merk op dat (57) a en c gedeeltelijk overlappende CT's hebben, waar het MSP geen beperkingen aan oplegt. Op dit punt kan het voorkomen dat het MSP juist méér ambigue toepasbaarheid toelaat dan de Superioriteitskonditie. Neem bv. een struktuurbehoudende NP-vooropplaatsing en een struktuur die de reeks bevat: W-NP 1-X-NP 2-Y-NP 3-Z. Het MSP laat verplaatsing van NP 2 naar NP 1 en van NP 3 naar NP 2 toe, terwijl de Superioriteitskonditie, bij de juiste strukturele verhoudingen, alleen NP 1 als mogelijke doelpositie toelaat.
24De Haan opperde dat een interpretatie van de regel als een verplaatsing naar het linker eind van een V i-domein (als gevolg van een algemene konventie of per stipulatie) wellicht uitkomst zou bieden. Vooralsnog betwijfel ik dat; i moet variabel zijn en het MSP zal nog steeds tot gevolg hebben dat een NP - na eventueel één keer verplaatst te zijn - de kleinste omvattende V i-konstituent niet kan verlaten, analoog aan de afleiding van opwaartse begensdheid van het MSP (zie noot 23). Ook een (overigens niet door De Haan geopperde) interpretatie als dat minstens één V i-haak gepasseerd moet worden is problematisch; enerzijds is dat uitzonderlijk ad hoc, anderzijds is er bv. het probleem dat dan de volgorde-variatie van ‘bijwoordelijke bepaling - onderwerp’ naast ‘onderwerp - bijwoordelijke bepaling’ niet met NP-placement beschreven kan worden.
|
|