|
|
|
| |
| | | |
Metathesis van s en p
Jan Stroop
Over oorzaak en status van de metathesis van s en p in de Nederlandse dialekten*
0. Inleiding
0.1.
‘De medeklinkerverbindingen die door Nederlandssprekende kinderen het laatst verworven worden zijn sch aan het begin en sp aan het einde van een woord. Rond zes jaar worden echter ook deze verbindingen beheerst.’ Met dit citaat uit De taalontwikkeling van het kind door A.M. Schaerlaekens (1977: 175) introduceer ik de problemen die in dit artikel aan de orde zullen komen, dat wil zeggen enkele problemen die samenhangen met de konsonantverbinding sp en het omgekeerde daarvan: ps. In een aantal Nederlandse dialekten en ook in de Nederlandse Standaardtaal is op het woordeinde zowel de volgorde sp als ps mogelijk: wesp naast rups. Andere dialekten kennen alleen ps: weps en rups, terwijl in weer andere juist alleen sp voorkomt: wesp en rusp. Ook blijkt in bepaalde gebieden de inlautende sp op één lijn te staan met de sp op het woordeinde: overal waar alleen ps in auslaut mogelijk is, heeft een woord als kwispelen de vorm kwipselen.
Uit de genoemde vaak diametraal tegenover elkaar staande feiten is af te leiden dat in elk geval een gedeelte van de woordvormen een gevolg moeten zijn van een veranderingsproces. Gelet op de oorspronkelijke vorm van sommige woorden zou men zelfs de stelling kunnen wagen dat in het heIe Nederlandse taalgebied er aan de volgorde van s en p iets veranderd is: wesp was eerst wepse bijv., en rasp raspe.
Mijn bedoeling is ten eerste een beschrijving te geven van de veranderingen die geleid hebben tot de hedendaagse woordvormen. Ik gebruik voor die veranderingen voortaan de term metathesis, aangezien het - zoals ik hoop duidelijk te maken - steeds gaat om de omzetting van twee konsonanten. Essentieel nu is dat die metathesis zich voltrokken moet hebben in de vorm van fonologische regels. Evidentie voor het bestaan van die regels leveren de talrijke hyperkorrekte vormen, die immers gezien kunnen worden als het resultaat van de omkering van een regel. Het ontstaan van die regels zal vervolgens verklaard worden uit een verandering in woordstruktuur, waarvan bekend is wanneer die zich heeft voorgedaan. Daardoor is het ook mogelijk het ontstaan van de jongste metathesis (sp → ps) globaal te dateren. Een derde aspekt dat aan de orde komt, is het in bepaalde gebieden opvallende sukses van de metathesis, dat ik wil verklaren uit de daar heersende algemene tendens tot het vereenvoudigen van konsonantkombinaties. Tenslotte zal blijken dat formulering van de metathesis in de vorm van regels mogelijkheden biedt een antwoord te geven op de vraag of de metathesis in een bepaald gebied ontleend is of daar ontstaan is. Wellicht is een dergelijke bewijsvoering ook in andere gevallen van klankverandering bruik- | | | | baar, maar dat zal in het kader van dit artikel niet verder worden nagegaan.
| |
0.2
Zoals bekend hebben zich in het verleden al meer taalkundigen met dit, vooral Nederlandse, probleem beziggehouden. De prominentste is zeker Van Ginneken geweest, die aan de sp-metathesis ook de meeste taalkaartjes gewijd heeft (Van Ginneken 1938-39: 112-113). Van Ginneken heeft - naar eigen zeggen met sukses - geprobeerd die metathesis in te passen in zijn Ras-en-Taal-theorie. Kort gezegd: hij meende dat ook de sp-metathesis een gevolg was van een praeslavische artikulatiebasis, die bij de bewoners van bepaalde delen van het Nederlandse taalgebied aangeboren zou zijn, eenvoudig omdat ze afstammen van Saksen die, nadat ze zich in hun land van herkomst vermengd hadden met Slavische volkeren die de metathesis praktiseerden, door de Nederlanden getrokken zijn en tijdens die tocht gedeeltelijk zijn achtergebleven, dan wel voor enig nageslacht in onze streken gezorgd hebben (Van Ginneken 1935: 2-5).
Tegen deze ‘verklaring’ zijn betrekkelijk weinig bezwaren ingebracht, ik vermoed omdat het hele verhaal volledig onbewijsbaar gebleven is. Grootaers heeft nog wel enige fundamentele kritiek geleverd op het verspreidingsgebied van de metathesis zoals dat op de kaartjes van Van Ginneken werd voorgesteld (Grootaers 1936: 188-189). Het definitieve oordeel over de Ras-en-Taal-theorie is geveld door Van Ginnekens leerling Weijnen in zijn Nederlandse Dialectkunde (Weijnen 1966: 418-421).
Al eerder had Weijnen ten aanzien van de metathesis een afwijkende opvatting verkondigd, nl. dat de ps-volgorde in geps, weps, raps en rups, zoals het Westbrabants die vertoont, oorspronkelijk is en dat alleen in mipsel, kwipselen en de plaatsnaam Nipsen de ps-volgorde door omzetting tot stand gekomen is, naar analogie van de eerstgenoemde groep woorden. Juist gesp en wesp met sp, die Oostbrabants en Nederlands zijn, hebben in deze visie een metathesis ondergaan (Weijnen 1937: 70). Ook het Oostbrabantse werkwoord drispelen moet het resultaat zijn van een omzetting van dripselen (De Bont 1958: 153).
Een metathesis als die van ps in sp, die ik om verwarring te voorkomen voortaan zal aanduiden met [→ sp]-metathesis, is niet tot het Nederlandse taalgebied beperkt gebleven. Ik neem als voorbeeld het woord wesp. Dit woord wordt algemeen beschouwd als een afleiding van een gerekonstrueerd werkwoord *uebh-, waarvan ook weven afstamt (Grimm 1960: 604-605). De gerekonstrueerde benaming voor ‘wesp’ ziet er zo uit: *uobh(e)so/ā, waarmee korresponderen Litaus vapsà, Oudpruisisch wobse, enz. Trouwens ook de oudst bekende vormen uit de Germaanse talen: uuefsa (8e eeuw), Hoogduits, id. (9e eeuw), met uit ps verschoven fs, tonen dat de s aanvankelijk de tweede konsonant geweest is. De eerste Germaanse vorm met een metathesis is uit het Noordduits, uuespa (10e eeuw), in het Hoogduits dateert een dergelijke vorm eerst uit de 12e eeuw: wespa. Deze sp-vormen blijven nog lang in de minderheid, pas in de loop van de 18e eeuw krijgen ze, althans in literaire teksten de overhand (Grimm 1960: 606). In de meeste Germaanse talen is de vorm met sp-opeenvolging nu de meestgebruikte: Duits wespe, Engels wasp, Zweeds vespa, Deens hvesp, IJslands vespa, al zijn de laatste drie misschien ontleningen uit het Duits.
Ook buiten de Germaanse taalfamilie is hetzelfde woord voor wesp bekend. Aan de al genoemde kunnen worden toegevoegd het Franse guêpe en het Italiaanse vespa, dat eertijds ook de naam was voor een bepaald soort of merk motorfietsen. Dat vespa is trouwens al in het Latijn aanwezig, met de metathesis
| | | | die in het Laat-Latijn o.a. ook is opgetreden bij het pronomen ipse dat tot ispe geworden is (Brugmann 1933: 246). Ook uit andere voorbeelden blijkt dat de metathesis die van ps sp maakte, al erg oud is. Zij is in elk geval ook meer verbreid dan de omzetting die bij de konsonantklusters sk en st aangetroffen worden (Brugman 1933: 246-7). Naast [→ sp]-metathesis bestaat ook een omgekeerde vorm die van sp ps maakt, o.a. in een woord als rasp, dat in deze vorm uit het Frans komt, maar in een aantal dialekten als raps wordt uitgesproken. Dat is de [→ ps]-metathesis. Verderop zal worden onderzocht hoe deze twee vormen van metathesis zich tot elkaar verhouden.
| |
1. Verbreiding en verschijning van de metathesis
Over de tegenwoordige staat van de metathesis in het Nederlandse taalgebied, dat wil hier zeggen de Nederlandse dialekten, zijn we dankzij een aantal schriftelijke enquêtes vrij goed ingelicht1. De hierbij afgedrukte kaartjes 1 tot en met 4 brengen dat materiaal in beeld voorzover het betrekking heeft op de woorden wesp, gesp, hesp, rasp en mispel2. Alleen van het eerste is het hele taalgebied in kaart gebracht, bij drie andere was dat nauwelijks nodig: hesp in de betekenis ‘ham’ komt boven de grote rivieren bijna niet voor, behalve dan in de provincie Utrecht en de aangrenzende gebieden, waar het in de vorm hieps of heps zelfs nog vrij bekend is, waarbij aangetekend moet worden dat de betekenis hier iets verschilt van die van het zuidelijke woord (Van Veen 1968: 71-73). Ook de gevallen van metathesis die mij van rasp en mispel bekend zijn, liggen ten zuiden van het rivierengebied en staan dus op de betreffende kaartjes. De verbreiding van de uitspraak geps ten noorden van de rivieren komt niet precies, maar wel in grote trekken overeen met die van weps. Omdat mijn aandacht nu vooral uitgaat naar de metathesis in het zuiden
laat ook de kaart gesp maar de helft van het taalgebied zien.
De kaarten 1 tot en met 4 maken duidelijk dat bij de metathesis de verandering zich niet overal in dezelfde mate en gelijktijdig voltrokken heeft: er zijn plaatsen met in alle onderzochte woorden een metathesis, andere kennen het verschijnsel in het geheel niet en er zijn plaatsen die er in meer of mindere mate aan deelhebben. Bovendien vertoont de verandering ook geleidelijkheid in geografisch opzicht, aangezien de laatstgenoemde plaatsen een overgang vormen tussen de eerste en de tweede groep. Met andere woorden op het eerste gezicht moet de verbreiding van de metathesis wel verklaard worden als een gevolg van een ontleningsproces. Dat is een sterke aanwijzing, zij het geen bewijs, voor een ontlenings-situatie: immers het gaat hier om een reeks woorden die een klankverandering ondergaan zondat dat die afhankelijk is van onderling verschillende fonologische kondities. Een echt bewijs voor ontlening is zoals gebruikelijk in dit soort gevallen moeilijk te leveren, hoogstens kan hier de gedachte geopperd worden dat bij autochtone ontwikkeling en lexikale diffusie zich geen gebieden zouden hebben gevormd van plaatsen met hetzelfde stadium, maar dat zulke plaatsen dan willekeurig over de kaart verspreid zouden liggen.
Een duidelijk verschil tussen een metathesis als deze en de diftongering is dat ze zich nooit anders dan fonetisch abrupt kan hebben voltrokken. Dat geldt niet voor de metathesis in woorden als dorp, kerk, enz., die door omzetting van o/e en r tot drop en krek konden worden. Daarbij is geleidelijkheid juist goed voor te stellen: krak → kerak → karak → karek → kark (Verhoeven 1974-75:31) en
| | | | | | | | | | | |

ook waargenomen (Van Ginneken 1935: 61 vv.). Een echte metathesis is het dan eigenlijk niet meer.
De typering van de metathesis als a lapse ‘een fout’ (Anttila 1972: 75), al dan niet uitsluitend op rekening van kinderen, schijnt ook een lexikaal geleidelijke ontwikkeling uit te sluiten, want het is niet aannemelijk dat een auslautende sp-opeenvolging in het ene woord meer problemen oplevert dan in het andere, temeer niet daar de Nederlandse sp-woorden vaak alleen in anlaut, d.w.z. in één konsonant van elkaar verschillen. Ook hier geven de kaarten een andere voorstelling van zaken, want bij geen twee van de onderzochte woorden blijken de gebieden met metathesis precies samen te vallen. Konklusie uit het voorgaande: de metathesis in de huidige Nederlandse dialekten is fonetisch abrupt, maar geografisch en lexikaal geleidelijk; beide laatste konstateringen impliceren dat het waarschijnlijk onjuist is bij deze metathesis van ‘verspreking’ te spreken. In het vervolg zal ik ook een grammatikaal argument aanvoeren voor de stelling dat a lapse althans voor de metathesis in de Nederlandse dialekten een foutieve kwalifikatie is3.
| |
3. Metathesis in de vorm van regels
Alvorens tot een meer formele benadering te komen geef ik hier eerst een schema van de ontwikkeling van beide typen metathesis zoals ik me voorstel dat die zich chronologisch in de verschillende gebieden heeft voorgedaan. Daarbij loop ik op een enkel punt vooruit op wat nog komen moet, maar dat heeft - naar ik verwacht - geen gevolgen voor het begrijpen van het schema. De cijfers tussen
| | | | haakjes achter de gebieden korresponderen met die op kaart 5. Voor de duidelijkheid: Waasland ligt ten zuiden van het oostelijk deel van Zeeuws-Vlaanderen.
|
I |
II |
III |
IV |
|
[→ sp]-metathesis |
Apokope |
[→ ps]-metathesis |
|
| W. Brabant |
wepse |
wespe |
wespe |
weps |
| N. Antwerpen (4) |
(mispel) |
mispel |
mispel |
mispel |
| Waasland |
- |
raspe |
rasp |
raps |
| O. Brabant (3) |
wepse |
wepse |
wesp |
weps* |
| Antwerpen |
- |
raspe |
rasp |
raps* |
| Limburg (2) |
wepse |
wepse |
wesp* |
|
| Belg. Brabant |
- |
raspe |
rasp* |
|
| Zeeland (1) |
wepse |
wespe* |
|
| |
- |
raspe* |
|
| N.B. * = ook hyperkorrekte vormen met omgekeerde volgorde |
Op kaart 5 is een beeld gegeven van de verbreiding van de metathesis, waarbij de varianten geformuleerd zijn in de vorm van regels. Voor de gebieden 1 en 2 zijn dat de regels van [→ sp]-metathesis; de tweede metathesis komt daar niet voor. In de gebieden 3 en 4 gaat het juist om die andere metathesis: [→ ps]. De regels zijn zo geformuleerd dat onderliggend sp aangenomen is, ten dele als gevolg van de eerste metathesis. Ik wijk daarmee af van de eerder genoemde opyatting van Weijnen (1937: 70), die het standpunt huldigde dat in West-Brabant

| | | | in vormen als weps en geps de oorspronkelijke konsonantvolgorde bewaard is. Hij erkende toen voor dat gebied dus niet de Stadia II en III uit mijn schema, wel voor andere gebieden, zoals Oost-Brabant, vanwege vormen als gesp en wesp.
Mijn eerste argument om ook in West-Brabant de [→ sp]-metathesis aan te nemen is negatief van aard: zo vormt het gebied niet een uit niets te verklaren uitzondering op een zeer wijd verbreide klankregel; ik kom daar in de volgende paragraaf op terug. Het tweede argument vormt de etymologie van een aantal woorden uit deze groep, die aantoont dat sp de oorspronkelijke volgorde was; zo bij het betrekkelijk jonge raspe4. Ten derde is het gemakkelijker aan te nemen dat alle woorden in dit gebied, inklusief die waarbij de sp inlautend was, gezamenlijk dezelfde klankverandering hebben meegemaakt dan bij sommige onwikkelingen naar ‘analogie’ te moeten veronderstellen.
In het met een ruitjespatroon gearceerde gebied op kaart 5, waar geen apokope van sjwa bestaat, verschijnen vormen als gespe, wespe, rispe, enz. volgens de navolgende omkeringsregel:
Het gebied met horizontale arcering heeft eenzelfde soort metathesisregel, met alleen dit belangrijke verschil dat het kluster zich op het woordeinde bevindt:
Deze regel levert vormen op als risp en rusp.
In het gebied dat met schuine arcering aangegeven is, komen deze vormen voor: geps, heps, weps en raps. De klankverandering die hier is opgetreden, is aldus te formaliseren:
Waar een gestippelde arcering is aangebracht, kent men geen metathesis als regel, of beter, niet meer, want de volgorde sp, die daar vroeger even gewoon geweest is als in andere gebieden, is er nu volledig onbekend. Alle woorden van de in aanmerking komende groep hebben de volgorde ps, zowel inlautend als op het eind van het woord: geps, weps, raps, mipsel, Nipse, enz. In het Waas-Brabantse gebied heeft zich m.a.w. een oorspronkelijk fonologische regel ontwikkeld tot een fonotaktische restriktie die de opeenvolging ps wel, maar sp niet toelaat:
| (4) |
(struktuurregel) *-sp |
In de gebieden zonder enige arcering komt geen metathesis voor: alles is er gebleven zoals het was. Er bestaan daar woorden op sp en andere op ps, overeenkomstig hun oorspronkelijke vorm.
| |
4. De oorzaak van [→ sp]-metathesis
De metathesis die van wepse wespe maakte is van beide typen metathesis de oudste. Ze valt nog in de periode van het Westgermaans, dus globaal genomen vóór het jaar 1000. Krahe (1956: 119) geeft als voorbeelden, naast het al genoemde wespe, nog Angelsaksisch haesp, Oudhoogduits haspa, naast haepse, dat samennangt met het Latijnse capsa ‘vergaarbak e.d.’. Verder nog Oudnoors
| | | |
geispa ‘geeuwen’ dat via *geipsa van Oudnoors geipa ‘kletsen’ afkomstig is.
Soortgelijke verschijnselen doen zich ook in niet-Germaanse talen voor. Zo in de Franse dialekten waar de woordinterne kluster [ks] veelvuldig omgezet wordt in [sk]: luxe → lusque; fixe → fisque; sexe → sesque; axe → asque (Grammont 240). In het Latijn van het platteland werd [ps] → [sp] in inlaut: vepsa → vespa; ipse → ispe (Paul 1930:60). Het moderne Iers heeft easbolóid uit Lat. absolutio (Grammont 241). In het Engadisch (Zwitserland) is medicina tot mazdina geworden (Grammont 241).
In al deze gevallen zien we dat een woordinterne kombinatie plosief + frikatief omgezet is in de kombinatie frikatief + plosief. Ook voor de Germaanse talen geldt deze ruime formulering getuige het Oudhoogduitse metzgen uit Lat. mactare (Brugmann 1933, 247), maar ook het in Zeeland naast elkaar voorkomen van ritsen en risten, ritsig en ristig, koeste en koesse (door assimilatie uit koetse) (Ghijsen 1974: 469; 794).
Opvallend is dat het hier steeds talen betreft die een soortgelijk kluster plosief + frikatief aan het woordbegin of niet kennen of indien bijv. tengevolge van ontlening aanwezig, daar een oplossing voor gezocht hebben die meer in overeenstemming was met de taalspecifieke regels met betrekking tot het woordbegin. Het Middeleeuwse Latijn paste daarvoor de metathesis toe: psyche → spyche; psallere → spallere. Deze omzetting is ook uit het tegenwoordige Nederlands bekend: psychiater → spychiater, het voorbeeld waarmee Van Marle (1981: 48) illustreert dat de Nederlandse taalgebruiker of het moderne Nederlands een voorkeur heeft voor het plaatsen van alle stemloze konsonanten behalve s en t direkt aangrenzend aan de vokaal.
Het klassieke Latijn moet de voorkeur ook gehad hebben, zoals valt af te leiden uit nog een ander mechanisme tot het daarmee overeenstemming brengen van afwijkende klusters, nl. deletie van de plosief: het Latijnse sabulum ‘zand’ hangt samen met Grieks psammos. Iets dergelijks heeft ook het Nederlands gekend, immers naast psalm was in het Middelnederlands ook salm gebruikelijk, en een vorm die door sjwa-insertie het kluster dat strijdig was met de genoemde voorkeur, heeft ontbonden: pesaalm (WNT XII, 4659).
Uit deze voorbeelden, nog te vermeerderen met Grammont (240-241), lijkt het mogelijk te konkluderen dat talen die een bepaald konsonantkluster aan het woordbegin mijden, datzelfde kluster ook bij een woordinterne positie niet of nauwelijks tolereren; vgl. Lat. vespa: spallere. Voor een nadere definiëring van dat begrip ‘woordinterne positie’ is van belang dat in informele spreekstijl een zodanige verandering in syllabestruktuur kan optreden dat juist zulke ongewenste klusters ontstaan: het zijn m.a.w. overschrijdingen van taalspecifieke restrikties (Booij 1978-79: 39):

Het lijkt niet te gewaagd bij de woorden met ps-kluster een soortgelijke ‘herstrukturering’ aan te nemen, die vervolgens geleid heeft tot metathesis:

| | | |
Hetzelfde kan worden aangenomen voor de Zeeuwse gevallen van woordinterne ts-metathesis.
Een en ander wijst erop dat ook in een aantal Nederlandse dialekten de door Van Marle geformuleerde voorkeur effektief is op het niveau van de lettergreep, niet op dat van het woord of het morfeem. Die voorkeur zou daardoor aldus kunnen worden weergegeven:
Hiervoor is de [→ sp]-metathesis een wijd verbreide klankregel genoemd. Nu zij blijkt samen te hangen met de door Kahn opgestelde algemene syllabifikatieregels (Booij 1978-79: 36-40), waarvan het effekt in meerdere talen is te konstateren, is er nog minder reden te veronderstellen dat het Westbrabants deze metathesis niet gekend zou hebben.
| |
5.
5.1. De datering van [→ ps]-metathesis
Een belangrijk probleem waar de [→ ps]-metathesis ons voor plaatst is dat zij in het Waas-Brabantse gebied zowel in auslaut als middenin het woord gewerkt heeft en bij de woordinterne klusters het omgekeerde bewerkt van wat de metathesis uit de vorige paragraaf tot resultaat had. Weijnen (1937: 71) heeft dat toegeschreven aan analogie: dat gebied heeft nooit anders dan ps gehad en toen zich nieuwe woorden aandienden met sp, mispel, Nispen, werd het kluster omgezet: mipsel, Nipsen. Aangezien ik Weijnens uitgangspunt niet kan aanvaarden, zoals in de vorige paragraaf gebleken is, ben ik genoodzaakt een andere verklaring te geven.
Daartoe situeer ik het ontstaan ervan in een tijd waarin de betrokken woorden in morfologisch opzicht gelijk waren, maar van elkaar begonnen te verschillen onder invloed van de apokope van de sjwa op het woordeinde. Van Loey (1965: 86) dateert die apokope voor het Brabants, Hollands en Limburgs in de 14e eeuw. De datering van de metathesis is aanmerkelijk lastiger omdat de woorden in kwestie zo zelden in geschrifte voorkomen. Trouwens ook in hedendaags geschreven (en gesproken) Nederlands lijken ze niet erg frekwent te zijn; in Uit den Boogaart zijn ze in elk geval uiterst zwak vertegenwoordigd. De meeste sp-woorden brengen het niet verder dan 1 à 2 vermeldingen5.
De tot nu toe oudste bekende en gepubliceerde spelling met metathesis betreft de plaatsnaam Nispen (bij Roosendaal), die in een tekst uit 1583 als Nipsse geschreven wordt (Weijnen 1966: 364). We mogen trouwens van geluk spreken dat die ene vorm er nog is, want het blijkt dat metathesis voornamelijk, zo niet uitsluitend een zaak van de spreektaal is6. Zelfs van een lokaal bekend woord als de plaatsnaam Nispen is dit de enige vermelding met een ps, behalve misschien het hierna nog te bespreken geval. Bij woorden die algemener bekend waren, komt men nooit en nergens een spelling met ps tegen, zo goed als tegenwoordig geen enkele Westbrabander weps of geps zal schrijven, ook niet per vergissing. Zoals gezegd: er is nog één spelling in een geschrift van iemand die zich kennelijk wél vergist heeft. Het gaat om een gedeelte uit het oudste goederenregister van de hertog van Brabant, het zgn. Casselboek waarin op fol. 13 verso gehandeld wordt ‘de bonis de ost(er)hout hulsdonc nepspe(re)n et woude’. Bij inspektie van het origineel te Brussel bleken de gedeelten tussen haakjes als abbre- | | | | viaturen genoteerd te zijn, maar bleek ook dat in de spelling van de plaatsnaam Nispen, de enige van de vier Westbrabantse plaatsnamen waar de schrijver moeite mee gehad heeft, inderdaad twee p's geschreven waren. Ik ben geneigd dit als een aanwijzing te zien voor het bestaan van de metathesis7. Daarmee zouden we de [→ ps]-metathesis als klankverandering kunnen plaatsen in dezelfde tijd als de apokope van de sjwa, de 14e eeuw: het citaat wordt nl. gedateerd kort na of in 13278.
Door het geleidelijk verdwijnen van de sjwa op het woordeinde ontstond voor de woorden waar het hier om gaat, een volkomen nieuwe situatie. De spopeenvolging werd nu een konsonantkluster op het woordeinde dat dezelfde problemen bij taalverwerving moet hebben veroorzaakt als we nu nog kennen en die bij kinderen leiden tot een omzetting van s en p. Trouwens hetzelfde verschijnsel is ook wel bij volwassenen te konstateren (Bakker 1971: 102). En hetzelfde geldt voor de kombinatie s en t op het woordeinde (Van Ginneken 1922: 201).
Dat brengt mij ertoe de apokope en de metathesis te beschouwen als twee regels die in ‘feeding’ relatie tot elkaar staan, in die zin dat de apokope-regel de omgeving kreëerde waarin de metathesisregel kon werken (Verhoeven 1974-75: 31). In zeker opzicht is de relatie tussen beide in een aantal dialekten nog dwingender, aangezien het optreden van de apokope daar de metathesis tot noodzakelijk gevolg had. Dat hangt ten nauwste samen met de oorzaak van de metathesis, die in de volgende paragraaf besproken wordt.
| |
5.2. De oorzaak van [→ ps]-metathesis
In recente studies over de bouw van de syllabe worden de Engelse konsonantklusters sp, st en sk doorgaans als een bijzondere groep beschouwd vanwege bepaalde fonetische eigenschappen, maar ook vanwege hun in fonotaktisch opzicht uitzonderlijke karakter, aangezien ze de enige uitzonderingen vormen op het ‘vowel affinity principle’, doordat ze in dezelfde volgorde zowel vóór als achter een tautosyllabische klinker kunnen voorkomen; vgl. bijv. sky en task (o.a. Fujimura and Lovins 1978). Het is de vraag of ze in het Nederlands en de Nederlandse dialekten niet om dezelfde redenen uitzonderlijk genoemd moeten worden. Hiervoor is al verwezen naar Van Marle, die de regelmaat die bij konsonantklusters bestaande uit stemloze obstruenten is op te merken, aldus formuleert: ‘In de regel kunnen alleen s en t door een stemloze consonant van de tautosyllabische vocaal worden gescheiden; alle andere stemloze consonanten kunnen slechts direct aangrenzend aan deze vocaal voorkomen’ (Van Marle 1981: 49). Vandaar dan ook dat bijv. sk alleen aan het woordbegin voorkomt en ks alleen op het woordeinde: skelet tegenover reeks.
Het is het verschijnsel dat bekend staat als het ‘spiegelbeeld’-patroon, waarvoor in het verleden nog wel eens de term ‘Silbeberg’ gebruikt werd (Van Ginneken 1922: 201). Van Marle brengt, naast spychiater, ook de in het Nederlands veel voorkomende omzettingen als geps voor gesp, asteriks voor asterisk in verband met de door hem geformuleerde ‘regel’. Het naast elkaar voorkomen van best, kast en fiets, koets, enz. waarbij weinig of niets van zulke herstelwerkzaamheden te merken is, vormt een inbreuk op het regelmatige patroon bij de stemloze obstruenten. Toch zijn er aanwijzingen dat ook bij dit konsonantkluster die voorkeur bestaat: st aan het woordbegin, ts op het woordeinde. Wat het eerste betreft, veruit de meeste woorden die met ts beginnen zijn leen- | | | | woorden of zijn een gevolg van samentrekking (tsamen). In een klein aantal gevallen is ts ontstaan ui t of s (tseffens, tsedert), maar het zijn bijna allemaal eerder provincialismen dan algemeen gebruikelijke Nederlandse woorden (WNT XVII, 3592-5). Duidelijker manifesteert de voorkeur zich echter op het woordeinde. Van Ginnekens Keesje heeft tot in zijn 3e levensjaar moeite met de kombinatie st op het woordeinde. Hij zet die steevast om: vast wordt vats, rijst wordt rijts (Van Ginneken 1922: 201). Uit mijn eigen herinnering diep ik kits op als een door mijn kinderen vroeger gepraktiseerde uitspraak van kist. Er bestaat blijkbaar dus ook bij s en t een korrelatie tussen de door Van Marle aangegeven voorkeur en de problemen van verwerving van klusters die daarmee in strijd zijn.
Men kan zich afvragen hoe het mogelijk is dat er in het Nederlands en in de Nederlandse dialekten woorden zijn kunnen ontstaan of bestaan die zich niet storen aan de voorkeur voor stemloze konsonanten, met uitzondering van de s, direkt aangrenzend aan de vokaal. Dat dat in hoofdzaak alleen geldt voor het woordeinde, wijst meteen al in de richting van het antwoord. Woorden die nu eindigen op st, sp en in sommige dialekten op sk, bezaten in een ouder stadium een auslaut op sjwa. Met andere woorden kast, kist, vast, gesp en wesp, luidden aanvankelijk en dat nog in het Middelnederlands, caste, ciste, vaste, gespe en wespe en de klusters waren geen klusters zoals het hedendaagse Nederlands ze kent omdat de beide konsonanten niet tautosyllabisch waren en als ze dat wel waren, volgens Rule IV van Kahn met de tweede syllabe geassocieerd werden en dan een beginkluster vormden dat in overeenstemming was met de Nederlandse voorkeur (Booij 1978-79: 38). Dat die voorkeur voor resp.ps, ts en ks op het woordeinde, bóven sp, st en sk, een eigenschap van het Nederlands is, werd pas merkbaar toen ten gevolge van de apokope van de sjwa beide konsonanten op het einde van een woord (of syllabe) kwamen te staan.
Van belang is nu dat we kunnen konstateren dat beide vormen van metathesis, [→ sp]- en [→ ps]-, te verklaren zijn als een gevolg van de voorkeur van het Nederlands voor de plaatsing van alle stemloze konsonanten behalve s aangrenzend aan de tautosyllabische vokaal.
De verklaring van de [→ ps]-metathesis als een procedé om bepaalde syllaben in overeenstemming te brengen met de Nederlandse voorkeur is zonder meer van toepassing bij de kleine groep woorden waarbij de sp ook inderdaad op het einde van de syllabe kwam te staan, maar gaat niet op voor de metathetis middenin een woord (mispel → mipsel), die in het Waas-Brabantse gebied heel normaal is. Toch ligt, naar mijn mening, ook de verklaring van deze gevallen opgesloten in de werking van de apokope van de sjwa. Door het verdwijnen nl. van de auslautende sjwa ontstonden bij veel woorden twee vormen die in morfologisch opzicht sterk van elkaar verschilden, ook bij de groep sp-woorden: er waren vormen die doordat ze door de apokope getroffen werden, eindigden op sp, enkelvoudsvormen bijv., gesp, rasp, hesp, enz., en daarnaast vormen met datzelfde kluster in woordinterne positie: de meervoudsvormen van de genoemde woorden en in een enkel geval ook de bijbehorende werkwoorden, bijv. raspen en gespen9. Bij de eerste vormen trad door de voorkeur voor een bepaalde syllabestruktuur metathesis van het konsonantkluster op, bij de tweede groep vormen vooralsnog niet.
Dat schiep voor enige tijd een instabiele en onzekere situatie die nog door, naar we mogen aannemen, de gevolgen van het zich lexikaal diffuus verspeiden van een van beide klankregels, de apokope, versterkt werd. Per woord veroorzaakte
| | | | dat het naast elkaar voorkomen van varianten als: gespe, gesp, geps en gepse. De eerste drie volgen chronologisch op elkaar, de laatste is te beschouwen als een hyperkorrektie, waarbij de sjwa werd toegevoegd. Dat het verdwijnen van de sjwa geleidelijk verlopen is, blijkt uit het feit dat het proces ook nu nog voortgaat (De Vin 1980: 147). Er zullen dus gedurende enige tijd allerlei vormen naast elkaar in gebruik geweest zijn, waardoor voor de taalgebruiker, eventueel het taallerende kind, de verhouding tussen beide regels, de apokope en de [→ ps]-metathesis niet meer duidelijk was. Metathesis op het woordeinde zal de apokope wel op de voet gevolgd zijn, de metathesis in woordinterne positie kwam waarschijnlijk wat later.
De apokope heeft niet alleen gevolgen gehad voor de syllabe, maar is ook van belang geweest voor het inzicht van de taalgebruiker in de morfologische struktuur van bepaalde woorden, doordat die scherper geprofileerd werd door het ontstane verschil tussen enkel- en meervoud: geps - geps + e; daarnaast bestond dan nog een werkwoord geps + e dat in het Wase en Brabantse gebied alleen als infinitief in gebruik is: hij is 'm gepse (‘hij is er vandoor’). In deze omstandigheden, nl. ook metathesis zonder dat er onmiddellijk verband is met een woordvorm die de metathesis door strukturele oorzaken onderging, konden zich bij de eerste groep sp-woorden ook vormen aansluiten die helemaal geen parallel met sp op het woordeinde naast zich hadden. Zo werd Nispen, dat ontstaan is uit Nis-apa, tot Nipsen (Weijnen 1943: 61-63). Kwispel, dat verwant is met Lat. vespix (Franck- Van Wijk 1949: 365), tot kwipsel, mispel uit Lat. mespila (Weijnen 1936: 286-288), tot mipsel. Daarnaast zijn er nog enkele woorden die wel tot deze kategorie behoren, maar waarvoor geen dialektmateriaal voorhanden is. Ik noem als voorbeeld het ww. verapsele in de betekenis ‘regelen’, dat ik ken uit mijn geboorteplaats Heerle (N.Br.). Ook dat is een woord dat metathesis heeft ondergaan aangezien er het substantief haspel aan ten grondslag ligt.
Het optreden van de metathesis ook in deze groep woorden toont aan dat in het Wase en Brabantse gebied de kondities niet langer betrekking hadden op de syllabe, maar met de woordstruktuur te maken hadden. Dat wordt nog duidelijker als we konstateren dat mispel wél, maar het even Westbrabantse misput (= mestput) geen metathesis kent. Het laatste woord is nl. een samenstelling, het eerste niet; fonetisch en dus ook wat de aksentuering betreft, is er - afgezien van de laatste konsonant - tussen beide woorden geen verschil, al is het denkbaar en waarneembaar dat de twee lettergrepen van mispel meer kontrasteren in aksentuering dan die van misput. Het woordaksent blijkt echter een duidelijke rol te spelen bij meersyllabische ongelede woorden. Er vindt nl. geen metathesis plaats als de sp gevolgd wordt door een beklemtoonde syllabe. Asperges, de bekende groente die juist in West-Brabant veel gekweekt wordt, heten daar aspérges, naast gewoner [spεzis]. Een en ander leidt tot een nieuwe formulering van regel (3):
| (3a) |
sp → ps / [+ aksent] - |
| (in niet-samengestelde woorden volgt metathesis wanneer het aksent voorafgaat) |
In een later stadium, toen alle in aanmerking komende woorden de metathesis hadden meegemaakt en alle sp's uit de oppervlakte verdwenen waren, verdween voor de taallerende kinderen in het Wase en Brabantse gebied de evidentie voor de fonologische regel: s en p kwamen alleen nog voor in de volgorde ps. Wat overbleef was een regel die, gezien het feit dat ze ook van toepassing is op voor de taalgebruiker ongelede woorden als mipsel en Nipsen, misschien het best als
| | | | een woordstruktuurregel getypeerd kan worden:
Dit proces schijnt pas betrekkelijk laat voltooid te zijn, aangezien ook het Franse leenwoord raspe, dat voor de 16e eeuw in het Nederlands onbekend was, nog aan de metathesis heeft deelgehad.
Wat de gevolgen elders geweest zijn toen daar de apokope-regel werkzaam werd, laat zich illustreren aan de hand van kaart 1, die van wesp. Aangenomen dat ook in Oost-Brabant de vorm met sp-opeenvolging als de voorafgaande beschouwd kan worden, zijn alle varianten, behalve wesp zelf, in zeker opzicht therapievormen, die ontstonden tengevolge van de apokope van de sjwa. Wessep is misschien wel het mooiste voorbeeld van een poging te vermijden dat s en p samen in auslautpositie kwamen te staan. De variant is ook te vergelijken met de lokale uitspraak van de plaatsnaam Weesp (N.H.), die nog altijd de sjwa bewaard heeft: Wezep110.
Ook de andere types, vesper en wespel, bewijzen dat men uitkomst zocht in het behoud van twee lettergrepen, of omgekeerd dat de metathesis door de aanwezigheid van een op konsonant eindigend suffix niet doorgevoerd werd; immers alleen de sjwa in auslaut werd geapokopeerd. Toch is toevoeging van het suffix bij wijze van reaktie op de dreigende apokope en het daarmee samenhangende verlies van lettergreep waarschijnlijker. Ten eerste is het in de geschiedenis van het Nederlands wel vaker voorgekomen dat een toonloze -e die gevaar liep te verdwijnen door verzwaring tot -el gered werd (Schönfeld 1964: 186). Ten tweede: als dit suffix -el al veel eerder was aangehecht, als diminutiesuffix, dan is het wel uiterst toevallig dat in hetzelfde gebied waar wespel voorkomt ook de andere sp-woorden op deze wijze gesuffigeerd zijn: gespel en raspel; zie kaart 2 en 3. Ik bedoel: er is zoveel verschil in betekenis tussen een wesp, een gesp en een rasp dat een kollektieve verkleining alleen op semantische gronden niet aangenomen kan worden. Ten derde ontbreekt het suffix bij rups en dat moet wel zijn omdat hier de andere konsonantvolgorde aanwezig is, want uitgerekend bij de plaatsen in Noord-West-Limburg waar rups in metathesevorm voorkomt: rusp, verschijnen ook vormen met suffix: ruspel; zie kaart 6, die nog nader ter sprake zal komen11.
| |
6. De metathesis als fonologische regel
In het voorafgaande is er, op basis van min of meer intuïtieve overwegingen, vanuit gegaan dat metathesis een gevolg is van het toepassen van bepaalde regels. In deze paragraaf wil ik formele argumenten aanvoeren voor de metathesis als fonologische regel in de grammatika. Ik hanteer daarvoor het begrip ‘rule symmetry’, zoals dat is geïntroduceerd door DeCamp (Zonneveld 1980: 302-303) en waarvoor in het Nederlands ook wel de term Regelomkering I gebruikt wordt. Regelomkering is al eerder geïllustreerd met behulp van een bekende klankverandering in het Nederlands, nl. die waardoor de intervokalische d verdwijnt of in j of w verandert. Zoals bekend is een van de gevolgen van het ontstaan van een nieuwe taalvariant of regel in hogere sociale klassen, dat andere die uitspraak, subs. die regel overnemen en wel vaak zo enthousiast dat er gevallen van zgn. hyperkorrektie ontstaan, dat een regel in meer gevallen wordt toe- | | | | gepast dan in de klasse waar hij vandaan komt. Ook het omgekeerde is mogelijk, nl. dat de hogere klasse persisteert in haar uitspraak, terwijl een lagere klasse een taalverandering doorvoert, tot de ontdekking komt dat de hogere klasse dat niet doet en dan in bepaalde omstandigheden die verandering weer ongedaan maakt, ook waar in oorsprong niets veranderd was.
De verandering van intervokalische d wordt door Zonneveld (1978: 108) aldus beschreven:
| (5a) |
d →{w/ au/ou}- #V |
| |
d →{j/ VV}- #V |
De omkering van deze regel luidt:
| (5b) |
{w → d / au/ou}- #V |
| |
{j → d / VV}- #V |
In Zonneveld (1980) is voor dit type verandering de term ‘rule conversion’ voorgesteld.
Voorbeelden van de toepassing van regel (5a) zien we in goeie, kwaaie en houwe. Toepassing van de omgekeerde regel leidt tot de ‘herstelde’ vormen goede kwade en houden, maar ook tot zgn. hyperkorrekte vormen als beeldhouder, breiden (= breien). Beide regels moeten ook in het verleden bestaan hebben, getuige o.a. geschieden dat langs hyperkorrekte weg uit gescien ontstaan is (Schönfeld 1964: 40). Korrekt wordt regel (5b) alleen toegepast door de taalgebruiker die hem in verband weet te brengen met het bereik van regel (5a), die m.a.w. regel (5b) ter linkerzijde als het ware weet uit te breiden met het voorstadium van de input:
In het verlengde van deze redenering ligt de konklusie dat als zich ergens hyperkorrekte vormen of omkeringen voordoen, het bewijs geleverd is dat voor de taalgebruiker regels werkelijk bestaan. Natuurlijk zijn alleen al de naast elkaar voorkomende varianten geps -gesp, raps -rasp enz. in dezelfde plaatsen of gebieden als het bewijs voor de evidentie van de metathesisregel te beschouwen, maar het wordt mooier als we een woord zouden hebben dat als optimale toetssteen zou kunnen funktioneren doordat het op grote schaal, en in de Standaardtaal, zijn oorspronkelijke ps-volgorde behouden heeft. Zo'n woord is er en het is rups, waarvan u de klusteruitspraak in kaart gebracht ziet op kaartje 6. In alle plaatsen die met een streepje aangeduid zijn, heeft het woord de volgorde -ps bewaard, maar in alle andere aangegeven plaatsen heeft een metathesis plaatsgevonden die in verschillende opzichten omgekeerd is aan de metathesis in alle tot nu toe besproken gevallen.
Dat is niet zo in West-Vlaanderen en Zeeland, het met ruitjesmotief gearceerde gebied van kaart 5, want daar bestaat, zoals we hebben gezien, nog steeds de oude metathesisregel:
Maar in het gebied van regel 3, waar schuine arcering is aangebracht, mag het voorkomen van rusp-vormen zeer opmerkelijk heten, aangezien de omzetting daar alleen maar het gevolg kan zijn van het omkeren van de regel die daar voorkomt, wat des te opvallender is, nu de verandering ingaat tegen de hiervoor
| | | |

beschreven geprevaleerde struktuur van de Nederlandse lettergreep: (sp)V(ps). Dat daarbij sociale faktoren een rol gespeeld hebben, is gemakkelijk aan te nemen bij taalveranderingen die met problemen van taalverwerving samenhangen. En aangezien er wellicht geen ‘taalfout’ is12, die zo bekend en tegelijk zo amusant is (zie noot 3), hoeft het niet te verwonderen dat de hyperkorrekte vormen hier in zo grote aantallen voorkomen. In zijn onzekerheid verandert de taalgebruiker in het ene geval ps in sp, in het andere sp in ps. Hoezeer de keuze van de verandering bepaald wordt door iemands sociale status, blijkt ook uit de beschrijving die Pauwels geeft van de metathesis in het dialekt van Aarschot (op de grens tussen gebied 2 en 3):
‘wisseling sp/ps in woorden met oorspronkelijk ps of sp in auslaut: γesp ≶ γeps (zelden), gesp; esp ə bu ə m ≶ eps ə bu ə m, esp; pjewesp ≶ -weps, wesp; rysp (soms risp) ≶ ryps, rups; esp ≶ eps, hesp. De vormen op -sp zijn gewoon; de minder ontwikkelden gebruiken de vormen op -ps; uitzondering rysp, hier is ryps schoolvorm.’ (Pauwels 1958 1: 128).
Het ligt voor de hand aan te nemen dat ook in gebied 2 de omkering van ps in rups begonnen is in dezelfde tijd als waarin elders de sp van de andere woorden aan metathesis onderhevig werd (als gevolg van de apokope van de sjwa). De sociale depreciatie die met dit laatste proces gepaard ging, heeft de ruimte geschapen waarbinnen het ordentelijke rups tot rusp moest worden13. Misschien hebben we hier een geval waarbij de ontlening en verbreiding van een verfoeide regel niet afgewezen werd, maar omgezet werd in de ontlening en verbreiding van een regel waarvan de uitkomst het omgekeerde was van de minder gekwalificeerde uitkomst van regel (3) die in het aangrenzende gebied werkzaam was. Want de verbreiding van de rusp-vormen vergeleken met die van de vormen op de andere kaartjes is veelzeggend. In het zuiden bijv. vormen ze de overgang tussen het gebied waar alle woorden van deze groep sp hebben (gebied 2) en het gebied waar een voorkeur voor ps bestaat (gebied 3). De kaart rups heeft een duidelijk komplementair karakter ten opzichte van de andere kaarten: waar rups niet omgezet is, zijn de andere woorden dat wel en waar rups tot rusp ge- | | | | worden is, zijn de andere woorden hetzelfde gebleven. Daartussenin liggen de
gebieden 1 en 3, waar rusp en rups beide voorkomen en waar we tot de aanwezigheid van een fonologische regel en zijn omkering kunnen besluiten. De afkorting e.o. in de legenda van kaart 5 betekent trouwens steeds ‘en omgekeerd’. Daardoor kan de schijn gewekt worden dat regel 2 overbodig is, aangezien hij hetzelfde doet als regel 3 e.o. Toch zijn er argumenten om ook regel 2 te handhaven. In gebied 3 is het aantal plaatsen dat [→ ps]-metathesis vertoont veel groter dan het getal plaatsen met [→ sp]-metathesis. In gebied 2 is het precies andersom. Terwijl in gebied 3 de omzetting ps→sp van sekundaire aard is, is die in gebied 2 juist het belangrijkst, zodat de vorm rups daar als hyperkorrekt moet gelden. Daarom werd hierboven ook gesuggereerd dat gebied 2 niet regel 3 ontleend heeft, maar het omgekeerde daarvan.
| |
7. Methodologische aspekten van de metathesisregel
Zoals het voorkomen van ‘omgekeerde’ vormen in een bepaald gebied het bewijs vormt van het bestaan van een fonologische regel in dat gebied, kunnen ‘omgekeerde’ vormen in oude teksten ook als bewijs dienen voor de evidentie van een regel in een bepaalde periode. Hiervoor is er al op gewezen dat het aantal geschreven gevallen van [→ ps]-metathesis bijna op één vinger te tellen is, met de hyperkorrekte spellingen is het al niet anders gesteld. Dat wil dus zeggen dat er in elk geval één tekst is, waar zo'n vorm in staat. Het betreft een Oosterhoutse, dus Noordbrabantse oorkonde van 1327, waarin sprake is van heer Philips van Liedekerke (Cerutti 1956, nr. 133). De schrijver van de tekst, die zoals uit meer passages blijkt, niet erg geoefend was, schrijft de voornaam Philips als Philisp, en niet één keer, maar elf keer en vaak ook weer met varianten, maar steeds met de hyperkorrekte metathesis: naast Philisp ook nog als Philsp en zelfs Phisp. De oorkonde stamt trouwens uit dezelfde tijd als de tekst waarin het hiervoor besproken Nepsperen voorkomt, dus uit de eerste helft van de 14e eeuw. Opvallend is dat de metathesis in Phips niet in dezelfde kontekst optreedt als normaal het geval is: het kluster sp staat nl. op het eind van een lettergreep die niet het voornaamste woordaksent draagt, al is dat niet strijdig met regel (3a), waarvan de kontekst luidt dat het aksent aan sp vooraf moet gaan. Daarom kan de hyperkorrekte spelling toch als een conversion van die regel worden opgevat.
De aanwezigheid in verschillende gebieden van identieke fonologische regels, die echter verschillen in de kontekst waarin ze kunnen optreden of verschillen in niveau zoals we dat bij de sp-metathesis hebben gekonstateerd, biedt ook bepaalde methodologische mogelijkheden voor de verklaring of de bewijsvoering betreffende een van de meestomvattende oorzaken van taalverandering, de ontlening. We hebben gekonstateerd dat in gebied 4, met de gestippelde arcering alleen woorden voorkomen met de opeenvolging ps, in áuslaut, zowel als in inlaut. De fonologische regel, die later een woordstruktuurregel werd, werkte dus op woordniveau en veranderde elke sp in ps. In gebied 1 komt de regel voor die de oude ps-opeenvolging omzette in sp. Dat gebeurde natuurlijk alleen bij woorden waarbij dat nodig was. De Zeeuwse woorden kwispel, kwispelen, krispelen en wispel doen aan geen metathesis mee, aangezien ze met hun oorspronkelijke sp al de geprevaleerde volgorde hadden (zie Franck-Van Wijk en Ghijsen onder de genoemde woorden). Dat is er de oorzaak van dat regel (1) in
| | | | dit gebied bleef zoals hij was:
Toch komt op grote schaal in Zeeland mipsel uit mipsel voor, zoals kaart 4 laat zien, een woord dat naar de vorm behoort tot de kategorie van kwispel, die daar buiten de metathesisregel valt. Met andere woorden, mipsel kan in Zeeland zelf nooit deze vorm gekregen hebben, maar moet ontleend zijn aan een gebied waar de metathesis wél woorden als deze schijn-afleiding kon bereiken. De veronderstelling ligt voor de hand dat mipsel, via Oost-Vlaanderen aan Antwerpen ontleend is14, en nu als geleksikaliseerde vorm in de grammatika opgenomen is. Het lijkt me dat een dergelijke bewijsvoering ook in andere gevallen mogelijk zal zijn, wanneer sprake is van een fonologische regel die in het ene gebied een groter bereik heeft gehad dan in het andere. Men kan daarbij ook denken aan regels die een meer of minder gespecificeerde input kennen, zoals de regel die in het Nederlands alleen de intervokalische d, in het Afrikaans ook de intervokalische v en g óf doet verdwijnen, óf doet overgaan in j of w (Van Marle 1975-76: 575). Stel dat het Afrikaanse taalgebied aan het Nederlandse grensde, en dat er wederzijdse kontakten bestonden, dan zou het voorkomen van alleen een vorm oor (voor over) in het Nederlands beschouwd moeten worden als een gevolg van ontlening aan het Afrikaans. Zo kan ook het geïsoleerde mipsel in Zeeland daar uitsluitend door ontlening voorkomen. Dat wordt nog duidelijker als we ons realiseren dat van andere woorden met metathesis in dit gebied ook omgekeerde vormen bestaan. Ze vormen met elkaar het bewijs van het bestaan van een fonologische regel. Van
mipsel zijn mij in Zeeland geen omgekeerde varianten bekend, trouwens - omgekeerd - ook niet van kwispel e.d. Beide soorten vormen zijn te verklaren zonder dat daarvoor een regel hoeft te worden aangenomen: kwispel heeft zijn oorspronkelijke vorm bewaard, mipsel is in deze vorm ontleend. De afwezigheid van varianten bij dit laatste woord is natuurlijk ook in overeenstemming met de geleksikaliseerde status ervan.
| |
8. De evidentie van de woordstruktuurregel
Bij een fonologische regel kan de evidentie, zoals we gezien hebben, afgeleid worden uit de aanwezigheid van de resultaten van de omkering, bij een morfeemstruktuurregel is het niet zo eenvoudig die evidentie aan te tonen. Immers het kan ook schijn zijn dat in een bepaald gebied een uniforme woordstruktuur bestaat, bijv. tengevolge van de onvolledigheid van het materiaal. In dit geval is o.a. niet aan de informanten gevraagd of een andere konsonantopeenvolging ooit mogelijk is. Voor West-Brabant kan ik persoonlijk instaan dat de schijn niet bedriegt en dat het dus daar altijd ps is.
Gekompliceerder is de zaak in het gebied aan weerszijden van de Schelde, waar naast veel opgaven met uitsluitend ps, een enkele keer ook wel sp voorkomt. Dit lijkt me echter een jongere ontwikkeling, bijv. onder invloed van het onderwijs, en ik baseer die veronderstelling op de expliciete mededelingen van twee in hun soort voortreffelijke dialektbeschrijvingen, die van Amaat Joos van het Waaslands en die van Cornelissen en Vervliet voor de provincie Antwerpen. De eerste wijst erop dat in het Waaslands in plaats van sp altijd ps komt en hij noemt als voorbeelden: heps, weps, vepsers, kwipselen, beripsen, enz. (Joos 1900: 18). In het Antwerpsch Idioticon heet het: ‘In plaats van sp komt in een
| | | | gedeelte der provincie, vooral in 't westen, altijd ps. Geps, heps, mipsel, raps, vepsers, weps’ (Cornelissen-Vervliet 1899-1903: 18).
Een aanwijzing dat de metathesis niet meer als een fonologische regel in het dialekt aanwezig is, zie ik in het volgende historische voorval. Een Westbrabantse, die zich genoodzaakt zag de Noordhollandse plaatsnaam Weesp uit te spreken, kon blijkbaar geen metathesisregel aanwenden om de ongewenste volgorde sp te veranderen, kon ook geen verband leggen met de welomschreven, kleine groep ps-woorden, maar paste het woord aan bij de grote groep woorden die beantwoordt aan de navolgende struktuurkonditie:
| V [ + son ] ə [- cor] |
V [ + cont ] ə [- cor] |
V [ + cor ] ə [- cor] |
Deze konditie vinden we gerealiseerd in vormen als:
| dörrep (dorp) |
| warrem (warm) |
| werref (werf) |
Het enige verschil is dat in het geval Weesp een generalisatie ten opzichte van de struktuur van het eerste segment plaatsvond:
| V [ + cont ] ə [- cor] |
V [ + cor ] ə [- cor] |
En in plaats van Weesp verstonden wij herhaaldelijk de uitspraak Wezep, dezelfde trouwens die ook de Weespenaars zelf plegen te gebruiken, maar zij natuurlijk doordat de regel van de sjwa-deletie in de oude vorm niet toegepast is; zie noot 10. In feite is de in West-Brabant gevonden oplossing dezelfde als de Oostbrabanders al veel eerder hebben aangewend toen de apokope van de sjwa hen het uitspreken van gesp, wesp en rasp onmogelijk dreigde te maken: zie par. 5.2.
| |
9. De aanvaarding van de metathesis
Er is nog een belangrijke vraag waarop tot nu toe geen antwoord gegeven is, nl. deze: wat is de oorzaak dat in West-Brabant, Waasland en Antwerpen (gebied 4 op kaart 5) de apokope van de sjwa tot metathesis op absolute schaal geleid heeft, zodat de volgorde sp binnen een ongeleed woord niet meer mogelijk is, terwijl men elders, bijv. in Oost-Brabant naast elkaar vormen met en zonder metathesis aantreft en nog weer elders tot de volledige afwezigheid van metathesis moet besluiten (bijv. in Limburg), ook al is in beide laatste gebieden de apokope evenzeer bekend. Apokope alleen is dus blijkbaar niet voldoende. Het uitblijven van metathesis zou men kunnen verklaren door te wijzen op de sterke depreciatie die kindertaalvormen als weps, geps enz. allerwege ontmoeten. In het Limburgse gebied o.a. is de sociaal-kulturele tegendruk blijkbaar voldoende groot geweest om de metathesis buiten de deur van een volwassen taalgebruik te houden; eenzelfde situatie dus als in standaard-Nederlands.
In gebied 3 heerst een natuurlijke situatie, zou men kunnen zeggen: metathesis is er heel gewoon, maar wordt toch gevoeld als een minder te waarderen verschijnsel. Vandaar dan ook dat in dit gebied betrekkelijk veel ‘omgekeerde’ woorden voorkomen (Weijnen 1937: 70-71). In gebied 4 heeft die sociale tegen- | | | | druk of onvoldoende inhoud gehad of is daar door interne faktoren gedomineerd (Koefoed 1978: 57-58). Natuurlijk kunnen deze laatste niet samenvallen met de interne faktoren die elders werkzaam geweest zijn, bijv. het streven naar artikulatorisch gemak, want dan zou in die gebieden op veel groter schaal metathesis zijn opgetreden dan nu het geval is. Er moet meer zijn. Ik meen dat het sukses van de metathesis in het Wase en Brabantse gebied verklaarbaar wordt, of minder onverklaarbaar blijft, als we inzien dat ze deel uitmaakt van een algemeen en bekend streven naar vereenvoudiging van konsonantklusters, dat hier in sterke vorm aanwezig is. Elke variant van deze tendens die ergens in het Nederlandse taalgebied gesignaleerd is, treedt vrijwel steeds in het Wase en Brabantse gebied aan het licht.
Een van de bekendere vormen van vereenvoudiging van klusters is deletie. De t verdwijnt, behalve in de enkelvoudsvorm 2e en 3e persoon in de tegenwoordige tijd van het werkwoord (Weijnen 1937: 129 en 137), ook in woorden als hemd [εm] en koorts [ko.rs] (Weijnen 1937: 75-76). R-deletie komt in dit gebied op grote schaal voor: korst [koest], barst [bαst], borstkas [boeskαs], paardestal [pεstαl], karspoor [kαspo.r]. In borstkas is behalve r-deletie ook nog deletie of assimilatie van t waar te nemen, terwijl van het woord koorts juist in West-Brabant blijkens Weijnen (1937: 66) ook vormen voorkomen met zowel een gedeleerde t als r: [ko.s].
Ook insertie wordt in dit gebied aangewend om een ongewenste opeenhoping van konsonanten te vermijden. Doorgaans betreft het insertie van sjwa tussen liquida en konsonant, zoals in het Nederlands, maar alweer komt dit verschijnsel hier op groter en algemener schaal voor. Aan de hiervoor al genoemde voorbeelden voeg ik toe: gevaarlijk [g ə v Ɔ r ə l ə k], burgemeester [boer ə g ə mI. st ə r], bankje [ban ə sk ə] en liedje [lik ə tj ə]. Sjwa-insertie verschijnt ook in anlaut: glad [g ə lαt], glas [g ə las] en glui (dekstro) [g ə loej]. Zelden bij pl: plets (stoep) [p ə lεts].
Een laatste proces dat in feite leidt tot reduktie van konsonantklusters is dat van nasalering annex kontraktie15 (Trommelen-Zonneveld 1979: 71). Ook dit is een verschijnsel dat wel elders in het Nederlandse taalgebied aangetroffen wordt en dan aldus geformuleerd kan worden:
| (9) |
[- con] [- stem] #  |
| |
1 |
2 |
3 |
4 |
Het verschil is dat in het Waas-Brabantse gebied de regel niet alleen in auslaut werkt, maar ook midden in een woord:
| dans; dansen |
[dãs] [dãs ə] |
| Frans; Franse (obj-vorm) |
[frãs]; [frãs ə] |
mens; mensen [m s]; |
[m s ə] |
| bons; bonsem (= bunzing) |
[b s]; [b s ə m] |
| klamper ( = sperwer) |
[kl ə r] |
De genoemde drie reduktieprocessen, nasalering, sjwa-insertie en deletie, vertonen een tweetal belangrijke overeenkomsten, die bovendien ook eigen zijn aan de metathesis. Ten eerste werken alle vier de processen over de lettergreepgrens heen, dus in feite op woordniveau. Ten tweede komen ze in hun meest frekwente en vergaande vorm alle vier voor in het gebied dat op kaart 5 aangegeven is met stippelarcering. Van twee verschillende gevallen van reduktie heb ik de
| | | | grenslijn getrokken op kaart 6 (rups). Binnen de gestippelde lijn is de uitspraak van het diminutief bankje: [bα ə sk ə]16. Daar liggen ook bijna alle plaatsen waar [g ə vor ə l ə k] gezegd wordt17. Links van de streepjes-lijn wordt de t in auslaut na hetero-organische konsonant gedeleerd, hier in het woord hemd18.
| |
10. Samenvatting
De belangrijkste konklusie die in het voorafgaande bereikt werd, is dat beide Nederlandse vormen van metathesis, [→ sp] en [→ ps], te verklaren zijn uit dezelfde oorzaak, nl. de voorkeur die het Nederlands heeft voor een syllabestruktuur van de volgende vorm als s en een [→ cont] daarin een kluster vormen:
Dat er twee volkomen tegengestelde uitkomsten gekonstateerd kunnen worden, is een gevolg van de resyllabifikatie die in een deel van het Nederlandse taalgebied veroorzaakt werd door de apokope van de sjwa. Die apokope vond plaats gedurende de 14e eeuw, o.a. in Brabant. Door de gebleken samenhang tussen apokope en [→ ps] -metathesis is deze laatste zeker niet vóór de genoemde periode te dateren.
Beide metathesis-processen hebben het karakter van een fonologische regel, wat blijkt uit de gevallen van hyperkorrektie, d.w.z. het funktioneren van een regel die omgekeerd is aan de metathesisregel in gebieden waar die oorspronkelijke regel ook voorkomt, of in gebieden die grenzen aan de gebieden met de metathesisregel.
In één gebied ontbreekt elk spoor van hyperkorrekte vormen, het Wase en Brabantse gebied. Dat wijst op een andere status van de metathesisregel daar dan elders; het betekent in feite dat er geen metathesisregel meer bestaat. De psvolgorde is daar een woordstruktuurkonditie geworden, zoals ook andere, soortgelijke regels in dat gebied. Die regels hebben in hun oorspronkelijke status alle hetzelfde doel gediend, de vereenvoudiging van konsonantklusters. Nergens lijkt de tendens daartoe zo sterk geweest te zijn als in het Wase en Brabantse gebied. Dat verklaart ook het grote sukses van de metathesisregel, dat door geen sociale depreciatie op den duur kon worden tegengehouden.
Daarom is het ook waarschijnlijk dat de [→ ps] -metathesis in dit gebied ontstaan is en door andere gebieden ontleend is. Andere argumenten daarvoor zijn dat in gebied 4 (Waasland-Brabant) nu geen hyperkorrekte vormen voorkomen, die elders even talrijk zijn als de gewone vormen met metathesis (gebied 3) of zelfs volstrekt domineren (gebied 2). Ontlening is ook het geval als één woord van een groep een verandering heeft ondergaan die in gebied 4 aan alle woorden van die groep te beurt gevallen is (mipsel in gebied 1).
| |
| | | |
Bibliografie
| Raimo Anttila, An Introduction to historical and comparative linguistics, New York-London 1972 |
| Th.W.A. Ausems s.j., Klank- en vormleer van het dialect van Culemborg, diss. Leiden, Assen 1953 |
| J.J.M. Bakker, Constant en variabel; de fonematische structuur van de Nederlandse woordvorm, diss. Amsterdam, Asten 1971 |
| Alan Bell and Joan Bybee Hooper (eds.), Syllables and Segments, Amsterdam, etc. 1978 |
| | | |
| [G.] Bomans, Erik of het klein insectenboek [1941], Utrecht-Antwerpen 1973 |
| A.P. de Bont, Dialekt van Kempenland; meer in het bijzonder d'Oerse taol; deel II Vocabularium, Assen 1958 |
| G.E. Booij, ‘Fonotactische restricties in de generatieve fonologie’, in Spektator jrg. 8 (1978-79), 29-46 |
| Karl Brugmann, Kurze vergeleichende Grammatik der Indogermanischen Sprachen [1902], Berlin-Leipzig 1933 |
| F.F.X. Cerutti, Middeleeuwse rechtsbronnen van stad en heerlijkheid Breda 1, Utrecht 1956 |
| P.J. Cornelissen en J.B. Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch dialect, Gent-Turnhout 1899-1938 |
| Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, tweede druk door N. van Wijk [1912] 's-Gravenhage 1949 |
| Osamu Fujimura and Julie B. Lovins, ‘Syllables as concatenative phonetic units’, in: Bell and Hooper (eds.), 107-120 |
| W. de Geest, R. Dirven en Y. Putseys (reds.), Twintig facetten van de taawetenschap, Leuven 1981 |
| Ha. C.M. Ghijsen, Woordenboek der Zeeuwse dialecten, Den Haag [1974] |
| Jac. van Ginneken, De roman van een kleuter, 's-Hertogenbosch-Antwerpen 1922 |
| id., Ras en taal, Amsterdam 1935 |
| id., ‘Sp-kaarten’, in:Onze Taaltuin jrg. 7 (1938-39), 112-113 |
| J. Goossens, ‘De benamingen voor de ham in Belgisch-Limburg’, in: Taal en tongval jrg. 14 (1962), 167-174 |
| id., Inleiding tot de Nederlandse Dialectologie, Groningen2, 1977 |
| M. Grammont, Traité de phonétique, Paris 1933 |
| J. und W. Grimm, Deutschens Wörterbuck 14, 12, Leipzig 1960 |
| L. Grootaers, ‘De Nederlandse Dialectstudie in 1935’, in: Handelingen van de Koninklijke Commissie voor Toponymie en Dialectologie jrg. 10 (1936), 185-204 |
| Maurits Gysseling, Corpus van Middelnederlandse Teksten (tot en met het jaar 1300); Reeks I: Ambtelijke Bescheiden, 's-Gravenhage 1977 |
| Amaat Joos, Waas idioticon [1900], Sint-Niklaas 1979 |
| G.A.T. Koefoed, ‘Taalverandering in het licht van taalverwerving en taalgebruik’, in: G.A.T. Koefoed en J. van Marle (red.), 11-70 |
| G.A.T. Koefoed en J. van Marle (red.), Aspecten van taalverandering, Groningen 1978 |
| Hans Krahe, Germanische Sprachwissenschaft I; Einleitung und Lautlehre, Berlin 19563 |
| A. van Loey, Middelnederlandse spraakkunst; 11 Klankleer, Groningen-Antwerpen 1965 |
| Bertil Malmberg, La Phonétique, Paris 1964 |
| L. de Man, Bijdrage tot een systematisch glossarium van de Brabantse oorondentaal, z.p. 1956 |
| J.van Marle, ‘Diachronische fonologie; enkele basisbegrippen’, in Spektator jrg. 5 (1975-76), 571-588 |
| id., ‘Diachronische taalstudie’, in W. de Geest e.a. (red.) (1981), 47-59 |
| E.R. Nieuwborg, Retrograde woordenboek van de Nederlandse taal, Deventer-Antwerpen2 1978 |
| S.G. Nooteboom, A. Cohen, Spreken en verstaan; een inleiding tot de Experimentele Fonetiek, Assen-Amsterdam 1976 |
| Hermann Paul, Prinzipien der Sprachgeschichte, Halle a. S.5 1920 |
| J.L. Pauwels, Het dialect van Aarschot en omstreken, Tongeren 1958 |
| W. Pée, Dialectgeigraphie der Nederlandse diminutiva, Gent 1936-38; 2 dln. |
| Reeks Nederlands(ch)e Dialect-atlassen, Antwerpen 1930 vv. |
| A.M. Schaerlaekens, De taalontwikkeling van het kind, Groningen 1977 |
| Schönfelds historische grammatica van het Nederlands, [door] A. van Loey, Zutphen7 z.j. |
| Jan Stroop, ‘Diffuse diftongering’, in: De nieuwe taalgids jrg. 74 (1981), 1-16 |
| Systematisch en alfabetisch register van plaatsnamen voor Nederland, de Nederlands-sprekende delen van België en Noord-Frankrijk en het noordwesten der Duitse Bondsrepubliek, Amsterdam-Antwerpen 1962 |
| J. Taeldeman, De vokaalstruktuur van de ‘Oostvlaamse’ dialekten; een poging tot historische en geografische situering in het Zuidnederlandse dialektlandschap, Amsterdam 1978 |
| id., ‘Op fonologische verkenning in Zeeuws-Vlaanderen’, in: Taal en tongval jrg. 31 (1979), 143-193 |
| | | |
| Is. Teirlinck, Klank- en vormleer van het Zuid-Oostvlaandersch dialect, Gent 1924 |
| Mieke Trommelen, Wim Zonneveld, Inleiding in de generatieve fonologie, Muiderberg 1979 |
| P.C. Uit den Boogaart (red.), Woordfrequenties in geschreven en gesproken Nederlands, Utrecht 1975 |
| H. Vangassen, Bouwstoffen tot de historische taalgeografie van het Nederlands hertogdom Brabant, z.p. 1952 |
| T. van Veen, ‘De verbreiding van het woord hips (hieps)’, in: Taal en tongval jrg. 20 (1968), 71-73 |
| Theo Vennemann, ‘Rule inversion’, in: Lingua jrg. 29 (1972), 209-242 |
| Gerard Verhoeven, ‘Onregelmatigheid van klankveranderingen als gevolg van lexicale geleidelijkheid’, in: Spektator jrg. 4 (1974-75), 29-41 |
| A. de Vin, ‘De (dialect)grenzen van Zeeland 2’, in: Taal en tongval jrg. 32 (1980), 137-178 |
| J. de Vries, Etymologisch woordenboek, Utrecht-Antwerpen [1958] |
| William S-Y. Wang, ‘Competing changes as a cause of residue’, in: Language vol. 45 (1969), 9-25 |
| Ant. Weijnen, ‘Taalkaart: mispel’, in: Onze taaltuin jrg. 4 (1936), 286-288 |
| id., Onderzoek naar de dialectgrenzen in Noord-Brabant dis. Nijmegen, Fijnaart 1937 |
| id., ‘De plaatsnaam “Nispen”’, in: Oudheidkundige Kring ‘De Ghulden Roos’ Roosendaal; jaarboek no. 3 (1943), 61-63 |
| id., Nederlandse dialectkunde, Assen2 1966 |
| Wim Zonneveld, ‘Hypercorrectie in taalverandering’, in: Koefoed-Van Marle (red.) (1978), 99-114 |
| id., ‘The looking glass war: on the role of hypercorrection in ponological change’, in: Zonneveld e.a. (1980), 293-325 |
| Wim Zonneveld, Frans van Coetsem, Orrin W. Robinson (eds.), Dutch Studies; vol. 4. Studies in Dutch Phonology, The Hague 1980 |
|
*De schrijver van dit artikel heeft veel te danken aan de kritische zin van Geert Booij, Jaap van Marle en Wim Zonneveld.
1Voor de kaartjes is gebruik gemaakt van het navolgende materiaal:
Enquêtes
P. Willems (1885 vv.): gesp, hesp, wesp, mispel en rups
Schrijnen-Van Ginneken-Verbeeten (1914): wesp, rasp, mispel en rups
Zuidnederlandse Dialectcentrale (1922 vv.): 1 AM gesp, hesp en mispel
id.: lijst 1, vraag 67 gesp, vraag 89 hesp;
id.: lijst 6, vraag 23 rups
id.: lijst 27, vraag 23 wesp; lijst 31, vraag 26 mispel
Nieuwe-Eeuw-enquête (1924): gesp, hesp, wesp, rasp, mispel en rups
Edele Brabant (1947): lijst 13, vraag 6 wesp
Dialectencommissie (1940): lijst 9, vraag 10: Hoe noemt men de wesp (vespa)? (gevolgd door een beschrijving)
id. (1971): lijst 46, vraag 9: Hoe noemt men die (bepaalde soort ham) dan?
id.: id., vraag 16: Hoe wordt een rups in uw dialekt genoemd?
Dialectvragenlijst Nederlands Instituut Nijmegen nr. 26 (1964), vraag 38: Hoe noemt men een rups? (roeps, róps, roepsj, roepse, rèps, rips, rieps, risp?)
Materiaal uit publikaties
Weijnen (1937: 70-71; Noord-Brabant): gesp en mispel
Ausems (1953: 65; Culemborg): gesp, wesp, mispel en rasp
Goossens (1962; Belgisch Limburg): hesp
Van Veen (1968, Utrecht-Gelderland): hesp
Ghijsen (1974; Zeeland): s.v. gisp, 'espe, wesp, raps, mispel en rispe.
Meer over aard en waarde van de gebruikte enquêtes in Goossens (1977: 126-140). Behalve bij de Vragenlijsten van de Dialectencommissie en het Nederlands Instituut te Nijmegen is aan de informanten steeds gevraagd de opgegeven vorm uit de standaardtaal te vertalen.
2Van rasp zijn mij geen andre enqu^ðes bekend dan in noot 1 is opgegeven. Waarop Van Ginneken (1938-39: 112-113) zijn kaartje rasp heeft gebaseerd is mij volstrekt onduidelijk. Ikzelf heb andere sp-woorden buiten beschouwing gelaten wegens gebrek aan materiaal (kwispel), omdat een woord in de dialekten niet endogeen is (berispen), of omdat het etymologisch niet tot dezelfde kategorie woorden behoort en bovendien te weinig bekend is (oprispen).
3Anttila (1972: 75) vat de taalkundige visie aldus samen: ‘Metathesis is most frequently just a lapse and seldom gets established as a norm’. Pauwels (1958: 128): ‘de minder ontwikkelden gebruiken de vormen op -ps.’ Teirlinck (1924: 120): ‘kleine kinders of slecht sprekenden zeggen wel epsə voor - espə...’
Ook de informanten/invullers van dialektenqu^ðes laten zich niet onbetuigd: de uitspraak heps is ‘kinderachtig’ (Mechelen); weps ‘voor de aardigheid’ (Grave); ‘uit gekheid’ (Erp); ‘volksmond’ (Utrecht).
Dat de term ‘verspreking’ onjuist is, blijkt uit de mededeling in Nooteboom-Cohen (18), paragraaf 11.8.3.: ‘ Versprekingen zijn beregeld: gevallen als weps i.p.v. wesp treffen we in de verzameling niet aan.’ En tenslotte blijkt G. Bomans terdege begrepen te hebben dat de metathesis een strukturele kwestie is; zie Erik of het klein insectenboek (1973: 34): ‘Erik was een beleefd jongetje; hij boog diep en zeide: “Dag meneer de weps.” “Wesp”, sprak de wesp. “Weps”, zei Erik blozend. Het was altijd een van zijn moeilijke woorden geweest. “Wesp”, sprak de wesp, zonder zich in het minst op te winden, “het is wesp”. Hij zweeg een volle minuut, en sprak toen rustig drie maal achter elkaar: “Wesp. Wesp. Wesp.” “Weps”, zei Erik.’
4Die gevestigde etymologie zegt bij monde van Franck-Van Wijk (1949) van de onderzochte woorden het volgende:
wesp te herleiden tot idg. * wopsâ (uit * wobh-sâ)
gesp te herleiden tot bases * 3ap- en * 3l-
hesp (uit hasp, Goossens 1962) tot χap-s; toch zijn vormen met sp zeer algemeen en oud: mhd.
haspe;; osaks hespa, onoors hespa (De Vries 1958: 105)
rasp uit Oudfrans raspe (Frans râpe)
rups verwant met mnl. rôpen ‘uittrekken’; vgl. got. raupjan ‘plukken’
mispel gaat terug op Lat. mespila
De plaatsnaam Nispen is uit Nis-apa (Weijnen 1943: 62)
5De ervaring heeft me geleerd dat Woordfrequenties alleen betekenis heeft bij woorden die echt frekwent in het bewerkte corpus voorkomen, laten we zeggen meer dan 50 keer. Dat de spwoorden zo opvallend gering in aantal schijnen te zijn, heeft - dunkt me - alles te maken met aard en omvang van dat corpus.
6Nergens, noch in De Man (1956), noch in Gysseling (1977), noch in Vangassen (1952) of WNT en MNW heb ik enige vorm met metathesis aangetroffen, al is het aantal voorkomende sp woorden, vooral in De Man, vrij groot.
7Een vergelijkbaar geval van de epenthese van een extra p uit recente tijd heb
ik gevonden in de Reeks Nederlandse Dialectatlassen in een opgave voor de plaats Schoonaarde (Oost-Vlaanderen), waar het woord vespers de vorm veps(p)ers aangenomen heeft; het kodenummer van die plaats is 1 261a. (Systematisch plaatsnamenregister, enz.)
8De inspektie van het zgn. Casselboek te Brussel is verricht door Karel Leenders te Rotterdam. Hij schrijft mij in een brief van 1 febr. jl. dat deze schrijfwijze nepspe(re)n ook in dit registerboek een unikum is, maar daar niet minder reëel om is. De datering van het citaat is ook afkomstig van Leenders. Voor zijn belangrijke medewerking ben ik hem zeer erkentelijk.
9Het werkwoord gespen subs. gepsen is in Zeeland en Brabant, event. gekombineerd met het hulpwerkwoord gaan, bekend in de betekenis ‘er vandoor gaan’. Het is niet waarschijnlijk dat dit woord door een taalgebruiker in verband gebracht wordt met het substantief gesp.
10De etymologie van Weesp en trouwens ook van het Gelderse Wezepe is: wisa ‘weide’ + apa ‘water’, hetzelfde, dit laatste, als het tweede woorddeel in Nis + apa → Nispen (De Vries 1958: 271).
11Eenmaal, voor de plaats Leenderstrijp (L 283a) bij Eindhoven, is opgegeven russup; vgl. wessep, dat in Oost-Brabant veel voorkomt.
12Het is volstrekt onjuist om, zoals Bakker (1971: 102), voor deze verschijnselen de term ‘versprekingen’ te gebruiken. Versprekingen zijn incidenteel, zowel naar individu als naar tijdstip. Vandaar dat in een verzameling taaluitingen als door Nootenboom-Cohen (1976: 18) gebruikt, gevallen als weps i.p.v. wesp niet voorkomen. De metathesis is een grammatikale kwestie, dat bewijzen de onderzoekingen van kindertaal (Schaerlaekens 1977: 175) en zelfs Godfried Bomans (zie noot 3).
13Rups is in één opzicht als een buitenbeentje te beschouwen: het vertoont als rups in Limburg (en in de Standaardtaal) zijn oudste vorm; zie noot 4. Daarmee lijkt 't het enige woord dat daar niet de [→ sp] -metathesis heeft meegemaakt, zoals wepse → wespe dat wel gedaan heeft. Een andere mogelijkheid is dat het woord als enige in Limburg beide types metathesis heeft gekend. Maar onverklaarbaar blijft het.
14In Taeldeman (1979) wordt gewezen op de extern-linguïstische onderbouw van Zeeuws-Vlaanderen, die voor een belangrijk deel als Brabants te kwalificeren is.
15Ik gebruik bij voorkeur de in Nederland gangbare termen nasalering en diftongering in plaats van nasalisatie en diftongisatie, er misschien ten onrechte van uitgaande dat er hetzelfde mee bedoeld wordt.
16Gegevens uit Pée (1936-38)
17Gegevens uit RND, zin 42
18Een situatie die in veel opzichten sterk op die in Waas-Brabant lijkt, is die in het zgn. Lonerland, het zuidwestelijke deel van de Belgische provincie Limburg; op kaart 2 gemakkelijk terug te vinden: het is het gebiedje met zwarte stippen rechtsonder op de kaart. Ook daar geen hyperkorrekte vormen, maar wel veel gevallen van klustervereenvoudiging. Ik ben nog niet toegekomen aan een grondig vergelijkend onderzoek.
|
|