[p. 189]

Interpreteren: Productie of Reproductie?
Maarten van Buuren

Het probleem van de interpretatie van literaire werken is met de ontwikkeling van diverse receptie-theorieën opnieuw aan de orde gekomen. Uit historisch receptie-onderzoek is gebleken dat één en hetzelfde werk door opeenvolgende perioden op verschillende manieren gelezen wordt (men hoeft maar te denken aan de grote hoeveelheden interpretaties die bijvoorbeeld Hamlet in de loop van de tijd heeft opgeleverd); de meer pragmatisch gerichte ‘Wirkungsästhetik’ heeft laten zien hoe groot de speelruimte (‘Unbestimmtheitstellen’, ‘Leerstellen’) is, die van de lezer een creatieve activiteit vergt. De opvatting dat literaire werken ‘schematische constructies’ zijn, die tijdens de lectuur op uiteenlopende wijze worden ‘geconcretiseerd’ heeft gaandeweg de vooral in structuralistische kringen gehuldigde mening verdrongen dat het om autonome taalconstructies gaat. Die verandering heeft één van de grondslagen van de interpretatieleer ter discussie gesteld. Zijn literaire teksten zoals Jakobson en Lévi-Strauss het ooit noemden ‘absolute objecten’, waarvan de betekenis door interpretatie op wetenschappelijke wijze kan worden vastgesteld? In dat geval zou onderscheid moeten worden gemaakt tussen de veelal geïmproviseerde lezersreacties - de receptie - enerzijds en de wetenschappelijke interpretatie anderzijds. Of moet op grond van het nieuwe onderzoeksparadigma worden aangenomen dat literaire werken betrekkelijk open constructies zijn, waarvan de potentiële betekenissen door de lezer op verschillende wijzen worden vastgesteld? In het laatste geval is de grens tussen receptie en interpretatie niet zo duidelijk. Is het wel mogelijk onderscheid te maken tussen meer of minder correcte interpretaties (en zo ja, op grond van welke criteria?) of zijn alle reacties op literaire werken te beschouwen als interpretaties?

Wolfgang Iser is waarschijnlijk de meest uitgesproken voorstander van de tweede mogelijkheid. ‘Als het echt waar was wat de “Kunst van de Interpretatie” ons wil laten geloven, dat de betekenis in de tekst zelf verborgen is, dan rijst de vraag waarom teksten met de interpreet verstoppertje spelen en, belangrijker nog, waarom eenmaal gevonden betekenissen weer veranderen, hoewel letters, woorden en zinnen van de tekst hetzelfde blijven.’ Voor Iser is interpretatie dan ook heel iets anders: ‘Betekenissen van literaire teksten worden pas tijdens het lezen tot stand gebracht; ze zijn het product van een interactie tussen tekst en lezer en niet een in de tekst verborgen grootheid, waarvan het opsporen alleen aan de interpretatie voorbehouden blijft1.’ Isers mening wordt lang niet door alle receptie-theoretici onderschreven. Vooral hermeneutisch geöriënteerde onderzoekers hebben van meet af aan stelling genomen tegen zijn gedemocratiseerde interpretatieopvatting. In het thema-nummer Rezeption-Interpretation van de Amsterdamer Beiträge (Band 3, 1974) pleiten Steinmetz, Van Ingen en Labroisse voor het maken van een onderscheid tussen receptie en interpretatie. ‘Hoewel’, schrijft Steinmetz, ‘ook voor de interpreet de totale betekenis van de literaire tekst alleen via de receptie toegankelijk is, (...) moet de interpretatie duidelijk van de receptie worden onderscheiden, wil de interpretatie als specifieke literatuurwetenschappelijke activiteit zinvol en doeltreffend zijn2.’ Het belangrijkste verschil tussen receptie en interpretatie schuilt in het literair-wetenschappelijke karakter van de interpretatie, getuige ook Labroisse:

[p. 190]

‘De literair-wetenschappelijke interpretatie is een methodisch opgezette, in begrijpelijke termen gestelde, op toetsing en controle door anderen gerichte (verstehende) uitleg van een tekst3.’ Ook voor de empirische receptie-theoreticus Norbert Groeben is het doel van de interpretatie het opstellen van de ‘Werksinn’, die op wetenschappelijke wijze gewonnen dient te worden uit de uiteenlopende ‘Textbedeutungen4’. Het maken van een dergelijk onderscheid berust op de belangrijke vooronderstelling dat de literaire tekst uiteindelijk één interpretatie toestaat. Die stelling kan moeilijk worden gefalsifieerd. De onderzoekers maken zich op dit punt onkwetsbaar door te stellen dat die enig juiste interpretatie niet in werkelijkheid gerealiseerd kan worden en gezien moet worden als een ideaal-typische constructie: ‘De adequate interpretatie bestaat (...) idealiter, niet realiter5.’ Hannelore Link is in dit opzicht het meest expliciet. Ze formuleert een normatief interpretatiebegrip waarin de inbreng van de lezer geminimaliseerd wordt tot ‘Anschliessung’ (dat wil zeggen verbinding van de tekst met de context van de lezer) die door haar wordt onderscheiden van de ‘adequate concretisatie’. Die laatste fundeert ze op twee objectieve maatstaven: bij de adequate concretisatie in ruimere zin is het criterium de structuur van de tekst, bij de adequate concretisatie in engere zin is dat de ‘auteursintentie’. Ook Link stelt duidelijk dat de idee van de adequate concretisatie een ‘ideaaltype’ is, een ‘noodzakelijk regulatief principe’, dat in de werkelijke concretisatie alleen benaderd kan worden6.

Voor het uiteindelijk beslissende, maar zo ongrijpbare criterium van de auteursintentie beroept ze zich op E.D. Hirsch, die die norm uitvoerig verdedigt in Validity in Interpretation7. Dezelfde norm is ook voor Van Ingen beslissend: ‘De auteursintentie in de zin van de voluntas auctoris moet daarom als het adequate vaste punt van de interpretatie beschouwd worden8.’ De receptie-theorie lijkt in grote lijnen Isers opvatting te verwerpen en vast te houden aan de door Hirsch geformuleerde criteria voor een adequate interpretatie. Wat omvatten die criteria precies? Hirsch verdedigt er drie, die nauw met elkaar samenhangen:

(1)de literaire tekst heeft één betekenis (‘meaning’)
(2)de ‘meaning’ valt samen met de intentie van de auteur
(3)doel van de interpretatie is om op wetenschappelijke wijze de ‘meaning’ te reconstrueren.

Op die drie criteria zal ik hier wat nader ingaan.

 

De door Hirsch geformuleerde tegenstelling tussen de ‘significances’ van een literair werk, dat wil zeggen de veranderlijke duidingen en de ‘meaning’, dat is de onveranderlijke betekenis, komt overeen met het onderscheid receptie-interpretatie. ‘Significance’ ontstaat op grond van een relatie tussen de wat Hirsch noemt ‘zelf-identieke’ betekenis en een extern gezichtspunt (historische context, politieke of morele waarden, persoonlijke opvattingen). Volgens Hirsch zou Hamlet een bijna onafzienbare hoeveelheid ‘significances’ hebben opgeleverd, terwijl de ‘meaning’ van de tekst onveranderlijk dezelfde is gebleven. Een wetenschappelijk verantwoorde interpretatie is volgens Hirsch gebaseerd op de ‘meaning’ van een tekst; ‘significances’ zijn daarbij in zoverre van belang dat ze kunnen helpen om, door de varianten heen, de invariant zichtbaar te maken. Hirsch trekt dan ook een scherpe lijn tussen ‘interpretatie’ en ‘kritiek’ (‘criticism’). Interpretatie is de wetenschappelijke discipline die ten doel heeft de objectieve betekenis van de tekst vast te stellen; kritiek moet worden gezien als een niet-wetenschappelijke activiteit, die de betekenis relateert aan

[p. 191]

steeds veranderende inzichten en meningen.

Het onderscheid klinkt aannemelijk en wordt bovendien met zoveel aplomb door Hirsch geponeerd, dat we geneigd zijn het te accepteren als een vanzelfsprekende evidentie. Wanneer we ons echter afvragen wat die ‘meaning’ precies is blijkt de zaak niet zo eenvoudig te zijn. Eén van de weinige argumenten die Hirsch aanvoert is dat Frege een onderscheid maakte dat met het zijne overeenkomt, namelijk dat tussen ‘Sinn’ en ‘Bedeutung’. De interpretatie die Hirsch echter geeft van die twee begrippen is nogal misleidend. Hirsch maakt gebruik van de Engelse vertaling van Feigl, die ‘Sinn’ en ‘Bedeutung’ vertaalt met respectievelijk ‘Sense’ en ‘Nomunatum’, zich daarbij beroepend op Carnap9. Dat zijn niet de termen die Hirsch gebruikt. Zonder verdere rechtvaardiging vertaalt hij ‘Sinn’ en ‘Bedeutung’ met respectievelijk ‘meaning’ en ‘significance’, hoewel Freges ‘Bedeutung’ niets te maken heeft met de ‘significance’ zoals Hirsch die definieert. De ‘Bedeutung’ van Frege komt overeen met wat we tegenwoordig een referent of denotatum zouden noemen. In de zin ‘Scott is de auteur van Waverley’ hebben ‘Scott’ en ‘de auteur van Waverley’ een verschillende ‘Sinn’, maar hun ‘Bedeutung’ (referent) is dezelfde10. Nog vreemder wordt het wanneer Hirsch stelt dat niet alleen één ‘Bedeutung’ meerdere ‘Sinne’ kan hebben, zoals Frege uitlegt, maar dat er omgekeerd gevallen zijn waarbij aan één Sinn (= meaning) meerdere Bedeutungen (= significances) kunnen worden toegekend. Ik wil me hier niet het hoofd breken over de vraag of zoiets mogelijk is, het is voldoende om vast te stellen dat Frege die mogelijkheid nergens bespreekt. De parallel die Hirsch trekt is misleidend en wekt de nodige twijfel ten aanzien van zijn begrippenapparaat.

Wat zegt hij zelf over de ‘meaning’? Hirsch omschrijft hem als een abstracte voorstelling van de totale betekenis, die tijdens de lectuur genuanceerd en gepreciseerd wordt. Overigens acht Hirsch het vrijwel uitgesloten dat dat proces vervolgd kan worden tot het punt waarop de ‘meaning’ definitief is vastgesteld; het enige wat we kunnen doen is proberen de ‘meaning’ zo dicht mogelijk te benaderen.

Door een dergelijke opvatting - die de ‘meaning’ overigens een bijna mystieke onbereikbaarheid verleent - onttrekt Hirsch zich aan kritiek. De (schaarse) voorbeelden die hij van een ‘meaning’ geeft leiden tot de teleurstellende conclusie dat het hier om niets anders gaat dan een beknopte samenvatting van datgene waar de tekst over gaat, het ‘thema’ met andere woorden. Een dergelijke reductie verdient natuurlijk de naam betekenis niet. De samenvatting tot een kernwoord gaat ten koste van de complexe betekenisopbouw, waarin elk tekstelement een rol vervult11. Hirsch slaagt er niet in enig argument aan te voeren dat het onderscheid tussen ‘meaning’ en ‘significance’ zou kunnen rechtvaardigen en het ligt dan ook meer voor de hand om aan te nemen dat elke interpretatie, hoe wetenschappelijk ook, een relatie impliceert die de tekst verbindt met een daarbuiten gelegen gezichtspunt. Dat houdt tevens in dat geen wezenlijk verschil kan worden gemaakt tussen ‘meaning’ en ‘significance’, interpretatie en kritiek, interpretatie en receptie.

 

‘Elke valide interpretatie, van welke aard ook, is gebaseerd op de herkenning van wat een auteur bedoelde12’, aldus formuleert Hirsch de norm waaraan kan worden getoetst of hypothesen omtrent de betekenis van de tekst al dan niet valide zijn. In zijn geschriften herhaalt Hirsch dat de betekenis van de tekst kan worden benaderd door te reconstueren wat de auteur voor de geest stond toen

[p. 192]

hij het werk schreef, wat zijn ‘meaning’ was (waarbij bedacht moet worden dat het Engelse ‘meaning’ zowel ‘betekenis’ als ‘bedoeling’ kan betekenen). Hirsch baseert zich daarbij voornamelijk op Husserl en het is vreemd dat hij niet één keer Das literarische Kunstwerk van Roman Ingarden citeert, waarin Husserls inzichten op indrukwekkende wijze worden toegepast op de literatuurtheorie. Ingarden gebruikt het begrip ‘intentionaliteit’ op een tekst-immanente manier en Hirsch' theorie zou heel wat bevredigender zijn als hij wat dat betreft op Ingarden zou teruggrijpen. Dat doet hij niet en de zo fel bepleite wetenschappelijkheid lijkt al van meet af aan te stranden op het simpele bezwaar dat nooit kan worden nagegaan wat de schrijver precies bedoelde toen hij het werk schreef (nog afgezien van het feit of dat van belang is). Hirsch geeft dat niet alleen toe (‘We zullen nooit zeker weten wat welke schrijver dan ook bedoelde’)13, hij gaat zelfs zover om te stellen dat ook wanneer we zouden beschikken over uitspraken van de schrijver ten aanzien van zijn ‘intentie’, die uitspraken onbetrouwbaar zijn omdat de schrijver zelf maar ten dele kan overzien wat de grotendeels onbewuste bedoelingen waren die hem ertoe brachten zijn tekst zó en niet anders te schrijven14.

Zodoende verzeilt Hirsch in een vaarwater dat Wimsatt al lang voordien had aangeduid als de ‘intentional fallacy15’. Het zoeken naar intenties van auteurs, zei Wimsatt, geeft aanleiding tot allerlei vormen van mystificatie. De vraag of interpretatie A, dan wel interpretatie B de juiste is kan nooit worden beantwoord met een beroep op de auteursintentie omdat zowel A als B kunnen worden verdedigd met het argument dat de auteur A of B bedoelde. Daarom mag volgens Wimsatt alleen de tekst in het geding zijn. In een interessante uitwijding voegt hij daaraan toe dat de ‘intentional fallacy’ uit de Romantiek stamt, een periode waarin uitzonderlijk gewicht werd toegekend aan het creatieve vermogen van het geniale individu. Die opmerking maakt duidelijk dat het zoeken naar de auteursintentie wortelt in de romantische vooronderstelling dat kunst het produkt is van enkelingen. Hoe beperkt een dergelijke visie is blijkt wanneer we hem toepassen op Middeleeuwse literatuur die, merendeels mondeling van aard, van verteller tot verteller, van kopiist tot kopiist werd overgeleverd. Het zou absurd zijn om de interpretatie van bijvoorbeeld De Reis van Sinte Brandaen te baseren op de vraag wat de bedoeling van de auteur was toen hij het werk schreef.

Het aanwijzen van de auteursintentie als enig criterium is des te bezwaarlijker als men bedenkt dat de intentie van de lezer door Hirsch volstrekt buiten beschouwing wordt gelaten. Weliswaar brengt hij hier en daar ter sprake dat ook de lezer een intentie heeft, maar hij stelt het voor alsof die niet te onderscheiden is van die van de auteur. Een voorbeeld daarvan is de passage waarin Hirsch de literaire tekst vergelijkt met een doos:16 ‘De verbale intentie van de auteur (zijn totale verbale bedoeling) kan worden vergeleken met mijn “intentie” van een doos. Als ik, normaal gesproken, een doos waarneem, ben ik me alleen van drie zijden volledig bewust. Toch houd ik vol vertrouwen staande (hoewel ik me kan vergissen) dat de door mij “geïntendeerde” doos een voorwerp is met zes zijden. De drie onzichtbare zijden behoren tot mijn “intentie” op precies dezelfde manier als de onbewuste implicaties van een uiting behoren tot de intentie van de auteur’. In dit voorbeeld doet Hirsch het voorkomen alsof het om één intentie gaat, maar in feite is er sprake van twee intenties, die van de observator van de doos, en die van de auteur. De intentie van de ‘ik’ (observator), waarop het eigenlijke voorbeeld betrekking heeft, wordt in de openings- en de slotzin geïden-

[p. 193]

tificeerd met de intentie van de auteur. Bovendien is het opvallend dat Hirsch in dit voorbeeld de vraag stelt: ‘Wat is een doos’, waarop het antwoord luidt dat een doos in feite zes kanten heeft, ook al lijkt dat oppervlakkig gezien niet zo. De vraag had echter niet moeten luiden wat is die doos, maar wat betekent hij. In Hirsch' vraagstelling wordt de betekenis van een literaire tekst vergeleken met de objectief waarneembare (kwantificeerbare) eigenschappen van een betekenisloos voorwerp.

 

Wat betekent één en ander ten aanzien van de wetenschappelijkheid van interpretaties? Hirsch trekt een scherpe lijn tussen de wetenschappelijke interpretatie en de niet-wetenschappelijke kritiek, maar dat verschil kan moeilijk staande worden gehouden wanneer we aannemen dat elke interpretatie een gezichtspunt impliceert dat buiten de tekst valt, hetgeen impliceert dat interpretaties per definitie betrekkelijk zijn. Het is begrijpelijk dat veel literatuurwetenschappers die betrekkelijkheid proberen te omzeilen. In de receptie-theorie wordt interpretatie vaak gedefinieerd als de wetenschappelijk-objectieve beschrijving van de speelruimte die een tekst biedt voor de vele min of meer subjectieve duidingen (recepties, significances). ‘Van andere vormen van receptie onderscheidt de literairwetenschappelijke interpretatie zich doordat ze probeert rekening te houden met alle kenbare context-relaties en de zich daarin manifesterende tekststrategieën en daartoe alle beschikbare secundaire literatuur raadpleegt die de betreffende tekst verheldert’, stelt Labroisse17. Steinmetz merkt ten aanzien van de manier waarop de bepaaldheid of onbepaaldheid van een tekst kan worden afgebakend op: ‘De karakterisering van zulke grenzen is een zaak van de interpretatie, nooit die van de receptie18’. Segers tenslotte pleit voor een vorm van interpretatie-onderzoek, waarin wordt nagegaan ‘welke tekstuele kenmerken en welke lezers-disposities verantwoordelijk zijn voor die afwijkende interpretaties19’. In dergelijke definities manifesteert zich een belangrijke begripsverschuiving. Onder interpretatie wordt niet langer in de eerste plaats verstaan de verklaring van een literaire tekst als wel een beschrijving van de voorwaarden waaronder dergelijke verklaringen tot stand komen. Zo'n beschrijving bevindt zich op een hoger theoretisch niveau dan de eigenlijke verklaring; het is een verklaring van verklaringen, een meta-interpretatie zo men wil, en het lijkt me van belang om die theoretische reflexie te onderscheiden van de interpretatie in strikte zin. Een goed voorbeeld van zo'n meta-onderzoek is de experimentele studie naar aanleiding van Paul Celans gedicht ‘Fadensonnen’20. Aan de hand van een zeer uitgebreide vragenlijst werden de reacties verzameld van een groot aantal proefpersonen. De reacties werden geanalyseerd en gerubriceerd en de resultaten van het onderzoek werden weergegeven in tabellen en schema's, waarin de afwijkingen in waardering, de ‘associatieruimte’ enz. op overzichtelijke wijze werden samengevat. Het zou mijns inziens onjuist zijn om deze zeer grondige studie te beschouwen als een interpretatie van het gedicht (dat pretenderen de onderzoekers overigens ook niet; ze betitelen hun studie als een ‘Wirkungsanalyse’).

 

Het onderscheid tussen interpretatie in strikte zin en theorie van de interpretatie onderstreept eens te meer de betrekkelijkheid van de eerste, hetgeen allerminst betekent dat de interpretatie aan de willekeur wordt prijsgegeven. Gadamer heeft in Wahrheit und Methode21 een ontologie van de interpretatie uiteengezet, waarin de betrekkelijkheid wordt gefundeerd en verdedigd. Gadamers opvat-

[p. 194]

ting, die kan worden beschouwd als de tegenhanger van die van Hirsch, vormt mijns inziens een beter uitgangspunt voor het denken over interpretatie en de manier waarop die aansluit op de recente receptie-theoretische ontwikkelingen. Alvorens op Gadamers ideeën in te gaan wil ik eerst een opmerking maken over de relatie tussen interpretatie en filologie. Literaire werken bevatten vaak moeilijke of onbegrijpelijk geworden woorden of passages die opheldering behoeven. De verklaring van dergelijke ondoorzichtige passages is een noodzakelijke voorwaarde om te komen tot een goed begrip van de tekst, maar die verklarende opmerkingen, noten en glossen moeten niet worden verward met de eigenlijke interpretatie, die de tekst als geheel betreft. In een gezaghebbend artikel22 maakt J.J.A. Mooij onderscheid tussen de ‘filologische interpretatie’ en de ‘esthetische interpretatie’, waarbij de eerste tot doel heeft passages in de tekst op te helderen die tot verwarring aanleiding zouden kunnen geven. Volgens Mooij zou het bezwaarlijk zijn de filologische interpretatie als de enige te beschouwen, omdat daarin de tekst niet als een esthetisch geheel wordt geïnterpreteerd. Daarom dient de filologische interpretatie uit te monden in de ‘esthetische interpretatie’, die erop gericht is het werk in zijn totaliteit te duiden. Uiteindelijk gaat het Mooij om die tweede interpretatie; wanneer hij het dan ook heeft over ‘interpretatie’ kortweg, bedoelt hij de esthetische interpretatie en bij die opvatting sluit ik me graag aan.

 

Gadamers ‘filosofische’ hermeneutiek vormt het voorlopige eindpunt van een lange ontwikkeling waarin de hermeneutiek zich via Schleiermacher, Dilthey en Heidegger ontwikkelde tot een wetenschap van het begrip. Voor Gadamer23 is er geen wezenlijk verschil tussen theologische, juridische of literaire interpretatie, omdat het grondprobleem van die aanvankelijk scherp onderscheiden deelgebieden identiek is. Wat is dat grondprobleem? We hebben gezien dat Hirsch streeft naar een objectieve interpretatie, dat wil zeggen een interpretatie waaruit de invloed van het subject radicaal wordt geweerd. Volgens Gadamer is een dergelijk streven niet alleen onmogelijk, het is ook onwenselijk. Objectieve interpretatie is niet mogelijk, omdat de onderzoeker altijd uitgaat van een ‘voorkennis’, die het resultaat is van een zeer lange in taal verankerde ontwikkeling.

Begrip wordt mogelijk gemaakt dankzij referentiekaders die aan elke interpretatie voorafgaan. Gadamer legt in dat verband enigszins provocerend de nadruk op begrippen als ‘traditie’ en ‘vooroordeel’, die hij positief waardeert als mogelijkheidsvoorwaarden voor elk begrip. Daaraan kan worden toegevoegd dat ook in de recente wetenschapsfilosofie een steeds groter gewicht wordt toegekend aan het belang van vooronderstellingen die aan het eigenlijke onderzoek voorafgaan. Ik wijs in dat verband op Literatuurbeschouwing en argumentatie van H. Verdaasdonk. Ook Mooij heeft in een aantal recente publicaties gewezen op het ontbreken van absoluut vóór-theoretische gegevens, waarop alle theorieën berusten. Hij vergelijkt literaire theorieën met ‘zoeklichten’, dat wil zeggen specifieke manieren om literaire teksten waar te nemen en te ordenen24.

Volgens Gadamer is objectieve interpretatie ook niet wenselijk. Het zoeken naar de enige ‘ware’ betekenis maakt volgens Gadamer het werkelijke object van interpretatie onzichtbaar, omdat in de historische wetenschappen, waartoe de interpretatie van literatuur behoort, het object van onderzoek mede wordt bepaald door de vraag die aan het object gesteld wordt. Het object van interpretatie wordt om zo te zeggen gevormd door object en subject samen. Er is wat dat betreft een verschil met de natuurwetenschappen. Deze stellen een vraag aan

[p. 195]

het object van onderzoek (wat is kernfusie) en geven daarop een antwoord dat in de loop van de tijd de waarheid dichter benadert. Die antwoorden, vastgelegd in wetten, toetsbaar, falsifieerbaar en repeteerbaar tonen een progressie in kennis. Een dergelijke vraagstelling in de literaire interpretatie (wat is ‘Hamlet’) is misleidend, terwijl de vraag wat betekent ‘Hamlet’ alleen beantwoord kan worden in relatie tot een steeds wisselende ‘verwachtingshorizon’. We begrijpen niet steeds beter wat Hamlet is, we begrijpen anders25.

 

Gadamer gebruikt voor zijn interpretatie-opvatting graag het model van de dialoog. De vraag naar de betekenis van een historische tekst zou, vanuit het dialoog-model geredeneerd, moeten luiden: Wat is de vraag waarop de tekst op het moment van verschijnen het antwoord vormde? (Gadamer sluit daarbij aan op de visie die Collingwood ontwikkelde voor de geschiedschrijving). Historisch onderzoek zou in de eerste plaats de verwachtingshorizon dienen te reconstrueren, waarbinnen het werk verscheen en, zo mogelijk, moeten aangeven in hoeverre het werk die verwachtingen doorbreekt. Madame Bovary bijvoorbeeld verscheen in 1856, een periode waarin de verwachtingshorizon van de Franse lezer grotendeels werd bepaald door de in die tijd zeer populaire preromantische roman: Chateaubriand, Bernardin de Saint Pierre e.a. De afwijking die de roman ten opzichte van die horizon innam was zó groot, de doorbreking van het idyllische patroon zó ontnuchterend, dat Flaubert allerwege werd verguisd en op grond van overtreding van de goede zeden gedwongen werd zijn roman in een geruchtmakend proces te verdedigen.

Jauss, die dit voorbeeld gebruikte in zijn beroemde ‘Provokation’26 bepleitte de toepassing van Gadamers theorie op de literatuurgeschiedenis en legde zo de basis voor wat hij de receptie-esthetica noemde. Het is leuk om te zien dat Jauss maar één kant belicht van Gadamers theorie, namelijk de historische kant van de interpretatie. Gadamer stelt dat het historische werk in zijn eigentijdse horizon moet worden geplaatst, maar voor hem is dat maar één kant van de zaak. Wat hij benadrukt, en wat Jauss buiten beschouwing laat is dat de reconstructie van die historische verwachtingshorizon niet los mag worden gezien van onze eigen verwachtingshorizon; dat met andere woorden de vraag wat Madame Bovary in 1857 betekende voor de toenmalige lezer overgaat in de vraag wat de roman betekent voor ons nu (‘De reconstructie van de vraag waarop de betekenis van de tekst het antwoord vormt gaat in onze eigen vraag over’)27. Door dat tweede (onvervreemdbare) onderdeel van Gadamers idee te veronachtzamen blijft Jauss steken in een historische objectivisme waartegen hij zegt in navolging van Gadamer stelling te nemen. In de interpretatie zijn altijd twee horizonten betrokken, en het doel van de interpretatie is volgens Gadamer om een versmelting van die twee tot stand te brengen.

 

Dat de tekst binnen de begrenzingen van een eigentijdse horizon wordt waargenomen betekent allerminst dat de lezer maar alles in de tekst kan projecteren wat hem toevallig bezighoudt. Integendeel. Voorwaarde voor begrip van de tekst is dat de lezer zich maximaal openstelt voor datgene wat de tekst hem te zeggen kan hebben. Gadamer gebruikt in dat verband de term ‘Zugehörigkeit’, waarin een woordspeling wordt gemaakt met ‘zuhören’ en ‘Hörigkeit’: de lezer moet ‘luisteren naar’ en ‘horig zijn aan’ de tekst. Hij moet zich ontvankelijk maken voor zaken die zijn verwachtingshorizon te buiten gaan, zijn aanvankelijke vooronderstellingen doorbreken. Dat moment is voor Gadamer van groot

[p. 196]

belang. Eén van de belangrijkste principes van kennisverwerving noemt hij het moment van de negativiteit, dat wil zeggen de mate waarin de literaire tekst niet beantwoordt aan de verwachtingshorizon. De (gedeeltelijke) ontkenning van het verwachtingspatroon maakt lezen de moeite waard, maakt lectuur tot ervaring, want ‘Elke ervaring die die naam verdient doorkruist een verwachting’. De lectuur stelt met andere woorden de lezer ter discussie, zodat de aanvankelijke relatie, waarin de lezer de tekst ondervroeg wordt omgedraaid en het de tekst is die de lezer tot object maakt. Het belang van die horizon ten opzichte van de historische horizon van de tekst mag echter ook niet worden overdreven. Barthes stelt ergens dat het doel van de kritiek is om ‘de tekst zo volledig mogelijk te bedekken met onze eigen taal28’. Het gevolg zou zijn dat de tekst zelf onzichtbaar wordt en alleen nog de eigentijdse problematiek weerspiegelt, een consequentie die me onaanvaardbaar lijkt. Geslaagder vind ik Barthes' definitie dat kritiek bestaat uit het in elkaar passen van twee talen, die van de tekst en die van de criticus, een formulering die sterk doet denken aan Gadamers ‘versmelting van horizonten’.

 

De theorie van E.D. Hirsch levert geen enkel argument waaruit blijkt dat het criterium van de auteursintentie ten opzichte van andere mogelijke criteria een bevoorrechte, wetenschappelijke status zou hebben. Niets lijkt bovendien de idee te rechtvaardigen dat literaire werken slechts één, op die auteursintentie berustende betekenis zouden bezitten. Het is dan ook weinig plausibel dat vele receptie-theoretici in navolging van Hirsch vasthouden aan een visie waarin de interpretatie van literaire werken wordt voorgesteld als een reconstructie van de auteursintentie. Gadamer, die in tegenstelling tot Hirsch uitgaat van de betrekkelijkheid van interpretaties, biedt een theorie die niet alleen veel aannemelijker is, maar ook beter aansluit op een onderzoeksgebied dat de creatieve functie van het lezen in het centrum van de aandacht heeft geplaatst. Het belangrijkste aspect van zijn theorie is wel dat hij voor het toekennen van betekenis aan een literaire tekst de actieve bijdrage van de lezer onontbeerlijk acht: ‘Niet maar zo nu en dan, maar altijd overtreft de betekenis van een tekst zijn auteur. Daarom is begrip niet alleen een reproductieve, maar altijd ook een productieve houding29’.