[p. 81]

Leve de JoJo. Een burleske ode ± 1790
A.J. Hanou

1. De ode

Waarom zou iemand het in zijn hoofd halen een ode te schrijven op de jojo? In ieder geval heeft één schrijver zoiets gepresteerd; en hij vond het resultaat kennelijk bevredigend genoeg om er een aparte uitgave van te doen verschijnen. Het betreft hier een klein uitgaafje van acht bladzijden in octavo, zonder plaats of datum van verschijnen (maar gezien diverse vormingsverschijnselen te dateren in het laatste kwart van de achttiende eeuw), dat als titel draagt: Ode aan de Joujou de Normandie: speelgoed van smaak; maar niet voor kinderen (afb. 1). Voorzover ik weet is hier maar één exemplaar van bekend; het bevindt zich in een map handschriften en drukken van Kinker ter Koninklijke Bibliotheek (signatuur van de map: 73 F 15).

De tekst zelf van de ode zal waarschijnlijk nooit (behalve hier) de eer van een aparte heruitgave krijgen. De lezer oordele zelf. Maar er zijn toch enkele elementen, in de speelse manier waarop de auteur met zijn speelgoedje omgaat, die de aandacht verdienen. Ik laat hierbij nog even bijzijden tot de volgende paragraaf, waarom achttiende-eeuwers eigenlijk in jojo's geïnteresseerd konden zijn, en waarom deze ode toch - hoe gekunsteld het onderwerp ook lijkt te zijn - iets behandelt dat met de praktische politieke en maatschappelijke realiteit uit het einde van de 18e eeuw vandoen had.

Nu behoort vanouds de ode tot de ‘verhevener’ dichtvormen. Het onderwerp van de ode moest dan ook eveneens een ‘verheven’ onderwerp zijn, en de wijze van behandeling evenzeer verheven. We kunnen aannemen dat de tijdgenoot met deze eisen vertrouwd was, omdat aan het eind van de achttiende eeuw de ode tamelijk populair was: Van Alphen, Feith, Bilderdijk, Kinker schreven oden, terwijl vroeger in de achttiende eeuw het genre veel minder beoefend wordt. De ode, in deze periode, paste bij het ‘genie’-idee, bij de opvatting van de dichter die op originele wijze, het heilige vuur van het dichterschap moest uitdragen1.

De tijdgenoot die de Ode aan de Joujou las en met de genoemde eisen vertrouwd was, zal bepaald opgekeken hebben, misschien zelfs geshockeerd geweest zijn. Alles veroorzaakte kortsluiting. Enkele voorbeelden. In de eerste plaats vormde het onderwerp van de ode, de jojo, een oorzaak van verrassing. Een jojo lijkt immers een triviaal onderwerp, een kinderlijk objekt - absoluut geen thema voor een verheven zang als de ode. Het behoorde geen aantrekkingskracht uit te oefenen op een dichter die onder ‘hoge’ inspiratie schreef, en die voor zijn onderwerp uit kon komen, zoals de gewoonte was; hier daarentegen bleef de dichter anoniem. Een ander in poëticaal opzicht onbetamelijk spelletje leek gespeeld te worden doordat de auteur zich niets aan leek te trekken van een metrum zoals bij deze verheven dichtvorm gebruikt werd (zoals de alexandrijn2), maar een eigen metrum initieerde, dat in diverse strofen verschilde en dat...geïnspireerd was, naar zijn eigen zeggen, op het ritme van de jojo, zoals dat op gang gebracht en gaande gehouden moest worden. De lezer kan de eigen opmerkingen van de auteur hierover in de hierna volgende tekst terug-

[p. 82]

vinden, waar hij de tijdgenoot zonder blikken of blozen en enigszins brutaliserend op de hoogte stelt van deze poëticale innovaties.

Weer een ander element waardoor afbreuk wordt gedaan aan de verhevenheid van de ode is te vinden in de invocatio: de conventionele aanroep (bijvoorbeeld van de Muze) van de dichter waarin hij om hulp en inspiratie voor zijn gedicht verzoekt. Een ogenblik lijkt hier alles geheel correct, als (vers 3-4) de muze Kalliope om haar asistentie verzocht wordt:

 
ô Verheven Nimph van den Dichtaâdmenden Berg,
 
Daal neder, Calliopè! Sterk mij.

Dat schijnt geheel in orde: Kalliope is de muze van de epiek en de welsprekendheid, de moeder van Orfeus (de Hymen- en odenmaker!)3. Haar bescherming te verzoeken in een hooggestemd gedicht over een serieuze zaak is een passend iets. Alleen - zit hier het onderwerp niet dwars? Moet Kalliope een gedicht over een jojo inspireren? Dat lijkt onbestaanbaar! Zo bespottelijk als wanneer een discjockey Apollo om zijn beschermheerschap verzocht zou hebben! In de volgende regels wordt dan ook eigenlijk, terwijl de plechtige toon gehandhaafd blijft, gevraagd om de bescherming van haar minder plechtstatige zuster, Thalia, de muze van komedie en spot. Zij toont de mensen eigenlijk een even belangrijke waarheid (vs. 14), al gebeurt dat onder het mom van vrolijkheid. Hiermee handhaaft de auteur de serieuze intonatie van zijn gedicht, en tegelijkertijd slaagt hij erin de vrolijkheid tot beschermvrouwe van zijn ode te maken. Deze invocatio verkeert daarmee in een invocatio zoal bij een mock-epic gebruikelijk was. Het klassieke voorbeeld van zo'n spotepos is de Batrachomyomachia. Het soort spotdichten waarin quasi-serieus de muze aangeroepen wordt is in de 17e en 18e eeuw populair; men denke bijvoorbeeld aan Pope's Rape of the Lock of Focquenbrochs Typhon of de Reusen-strydt. Al met al: de ode blijft ode, maar verkrijgt wel een burlesk aspekt4.

Het kan zijn dat op de achtergrond nog een ander, visueel aspekt meespeelt, in de keuze van deze twee muzen voor de invocatie. In vs. 11 zegt de dichter over Thalia:

 
Ja, zij dartelt en houdt een Joujou in haar handen;

Een muze met een jojo? Is dit een attribuut dat haar door de schrijver moedwillig, op eigen gezag en uitvinding, wordt toebedeeld? Het lijkt nauwelijks mogelijk dat de Oudheid haar voorzien zou hebben van een dergelijk speeltuig5. Het is echter niet onmogelijk dat een wat spotlustig ingestelde geest dit zou kunnen hebben afleiden uit de beelden van de negen muzen, in casu van Kalliope en Thalia, in het Museo Nazionale te Rome, die waarschijnlijk ook ten tijde van onze ode de bekendste afbeeldingen van de Muzen waren. In deze beeldengroep draagt elke muze de attributen die bij haar kunst of wetenschap hoort. Klio bijvoorbeeld, de muze van de geschiedenis en het heldenlied, heeft een half geopende boekrol in de hand. Maar zíj is niet gekozen door de dichter. Wél, ten eerste, Kalliope. Zij wordt verondersteld (zie afb. 2) een schrijfstift en schrijftablet te voeren. Nu is dat schrijftablet niet al te opvallend, terwijl de schrijfstift verdwenen is. Een satirist zou best kunnen veronderstellen dat haar geheven rechterhand de draad van een jojo vasthoudt, en dat zij als het ware verzonken is in dit spel. Kon zij dáárom niet aangeroepen worden als ‘de’ muze van de

[p. 83]



illustratie

Afb. 1 Titelpagina van de druk van de ode, in KB, map Hss. 73 F 15.




illustratie
Afb. 7 Een jojo uit het oude Hellas (in: D.W. Gould. The top universal toy: enduring pastime Z.p., 1975. Blz. 104.


[p. 84]



illustratie

Afb. 2 Kalliope.




illustratie
Afb. 3 Thalia.


jojo? Verbeelding? Als de auteur haar echter inwisselt voor haar vrolijker zuster, zegt hij met zoveel woorden dat zij wel degelijk een jojo vasthoudt. Als men de afbeelding van Thalia bekijkt (afb. 3) ziet men haar een masker (behorend bij het blijspel) vasthouden, een herdersstaf, alsmede een voorwerp waar ik elders geen redelijke verklaring voor gevonden heb, maar wat onze dichter kennelijk aanziet voor een jojo. Het is wat groot voor een jojo, maar men kan in zijn verklaring geloven. Als deze beelden aan de ode-beminnende tijdgenoten bekend waren - vermoedelijk wel - moet dit visuele aspekt een sterke bijdrage gevormd hebben aan het burleske effekt van déze invocatie, omdat de beschermsters van kunsten en wetenschappen hier filmisch omgetoverd worden tot een stel bakvisachtige jojoënde jongemeiden. Zij worden kinderlijk; en dit sluit aan bij het doorlopende thema in de ode, dat er een bepaalde waarheid schuilgaat achter dit kinderlijke spel (vs. 6, 59, 76-77). Namelijk: speelde maar iedereen met een jojo - men zou zijn heil niet zoeken in gevaarlijker tijdverdrijf, waardoor de ondeugd bevorderd wordt.

Een ander aspekt is de entourage waarbinnen de ode ten gehore wordt gebracht. Dat is bepaald niet de sfeer van de tempel, het geleerde gezelschap, de kring van de kunstminnaars. Die ode wordt voorgedragen in het Salet (vs. 82), voor een gezelschap van vrouwen die geamuseerd wensen te worden; als het ware: een groep moderne, verveelde muzen. Het salet speelt als locatie een rol in vele achttiende eeuwse romans: het is inderdaad de plaats waar vrouwen uit de hogere

[p. 85]

kringen, met niets omhanden, zich verzamelden, om daar te converseren, en daar die (jonge) mannen te ontvangen uit dezelfde kringen, die hen via licht gezouten conversatie en half serieuze liefdesaffaires het leven nog enigszins passabel konden maken. Deze modieuze jongelui, voorzover het de mannen betreft, worden doorgaans betiteld als ‘petit-maîtres’; decennia lang worden zij in heel wat contemporaine tijdschriften bekritiseerd. In deze ode zijn juist zij het (vs. 93) die de mode van het jojoën beoefenen, en het is waarschijnlijk één van hen die deze ode in het salet voordraagt. Kortom, het is allesbehalve een entourage waarbinnen een serieuze ode voorgedragen diende te worden. Dit odieuze milieu is het omgekeerde daarvan. Alle waarden perverteren zich; het is de sfeer van het burleske.

2. Het maatschappelijk kader

Hebben we, met dit ongedateerde dichtwerkje, nu eigenlijk te maken met een toevallige burleske uiting van een auteur die zich verveelde? Had hij niet even zo goed een ode kunnen maken op een ander stuk speelgoed, of op een andere modegril? Het schijnt zo. Toch heeft dit stukje letterkunde alles te maken met de maatschappelijke context aan het einde van de achttiende eeuw, en had het nooit geproduceerd kunnen worden als er niet een bepaalde populariteit van dit speeltuig geweest was - een populariteit waardoor men zelfs van bepaalde politieke voor- en afkeuren blijk kon geven. De volgende teksten of bronnen kunnen daar enigszins inzicht in geven. Volledig zijn zij zeker niet; ik heb hen soms bij toeval gevonden, en ik twijfel achteraf niet of er moeten nog veel meer teksten over jojo's (‘jojoiana’?) te vinden zijn.

De eerste tekst is een zuiver literaire bron, namelijk...Woutertje Pieterse door Multatuli. De tijd waarin deze tekst speelt is, ruwweg, de franse tijd voorzover dat de tijd is waarin Lodewijk Napoleon regeerde (1806-10)6. Hierin beschrijft de bekende juffrouw Laps hoe zij prinses Erika (die door Woutertje wel eens met Femke en Fancy verward wordt) in een koets heeft zien rijden:

wat denk je dat ze-n-op het hoofd had? 'n Tulleband, mens! En ze zat in 'n koets met vier paarden. Is dat de Heer tergen of niet? Dat vraag ik maar! En ze speelde met 'n soesoe, en toen er 'n prins te paard naast haar koets kwam, stak ze d'r hand uit het portier, en liet 'r soesoe driemaal op en neer gaan. En dat deed die prins ook. Waren ze mal of niet? En wat moet de Heer daarvan zeggen. Als er geen pestilentie komt...

In de schouwburg is het een vorstin uit de Palts die haar speeltuig gebruikt als was het een semafoor7:

Ook de Palatine, juist bezig haar lievelingsvijandin, de hertogin-titulair van Groenland, heel hartelijk te verwelkomen in de tegenoverliggende loge, raakte [door een bepaalde stoornis] in de war. De koord van haar joujou krinkelde, en 't ding bleef levenloos hangen, als 'n geëxecuteerde.

Op diezelfde wijze begroet zij prinses Erika in de engelenbak, die daar in hollandse klederdracht plaatsgenomen heeft en door Wouter voor Femke aangezien wordt:

De Palatine groette met haar joujou. Wie groette zij? De koekbakker toch niet? Het scheen dat ze zich bijzonder vermaakte. Met wijd uitgestrekte arm wees ze aan al haar buurtgeno-

[p. 86]

ten in aanzienlijkheid, dat daarboven in die gemene-volkskooi iets zeer bijzonders te zien was [...]
En de paltsgravin groette het meisje nog eens met de joujou, als om haar geluk te wensen met de verovering van dat plaatsje...

Uit deze passages blijkt duidelijk dat voor Multatuli de jojo, kort na 1800, een speelgoedje was voor volwassenen, zelfs (of juist) voor voornamen. Het was iets waarmee je tekens kon geven, als het ware gebaren kon maken. Beide zaken verduidelijken onze ode. Onze ondertitel spreekt van ‘speelgoed van smaak; maar niet voor kinderen’. In verband met het gekozen metrum zegt de auteur dat hij rekening houdt met de ‘sprongen’ en ‘kunstige slingerworpen’ die men met de jojo kan maken; daarmee refereert hij kennelijk aan dit systeem van ‘gebaren’. Het milieu past; alleen is het hier adel, geen salet of petit maître; maar dat zal samenhangen met het herstel daarvan na de revolutionnaire perioden daarvoor. Het blijft een instrument van de leisure-class.

Als het waar is dat de jojo in Nederland in de franse tijd nog steeds in de mode was (een literaire tekst als Woutertje Pieterse, zoveel jaar na dato, is natuurlijk niet zómaar bruikbaar als historisch bewijsmateriaal), dan is dit ‘sprekend’ instrument langer populair geweest dan één of twee jaren. Want rond 1790, 1791 schijnt de jojo al een rage te zijn geweest - voor volwassenen. Een eerste bewijs daarvoor is te vinden in het tijdschrift Kabinet van mode en smaak van 17918, waar driemaal op poëtische (!) wijze de jojo aan de orde gesteld wordt. De eerste maal (blz. 155) onder het hoofd ‘modenieuws uit Holland’:

 
De nijverheid heeft hier, door hoogen geest gedreeven,
 
Den Mode een heerlijk werk, uit vreemden oord, gegeeven;
 
elk grijpt naar een choux-choux (*) - en hij, die 't spel bemindt,
 
Doet straks der vinding hulde, en wordt met smaak een kind.

Hier zien we dus al eerder, maar evenals in onze ode, als deugd genoemd worden dat via dit spel het kind, de onschuld in de volwassene, als het ware gestimuleerd wordt. Een voor ons wat bevreemdende gedachte. Dat de jojo nog niet algemeen bekend was blijkt uit de asterisk-noot, die bij de ‘choux-choux’ uitlegt: ‘Een werktuigjen, dat men in de hand houdt, om op straat, in huis, schouwburg en concerten te kunnen speelen. - Dit voor ons nakroost, ter opheldering’. Dit zal ons nóg vreemder voorkomen: een speeltuig voor volwassenen, dat niet alleen binnenshuis gehanteerd of gebruikt wordt (dat kan er nog mee door) maar ook buitenshuis, op straat en zelfs in publieke gelegenheden. Was het sterke punt van het ‘werktuigjen’ soms, dat, indien een zekere behendigheid bereikt was, men er ‘mededelingen’ mee kon doen? Het Kabinet was kennelijk gefascineerd. In een latere aflevering verscheen paginagroot en in kleur (zie afb. 4; de kleur is helaas niet reproduceerbaar) een afbeelding van een jojo, met daarnaast (bl. 227) het gedicht:

Bede aan de mode
 
MEVROUW, dat uwe staf mijn aanzijn niet verplette,
 
Wijl ik der Jou-Jou's naam te dwaas verkeerdlijk zette,
 
Ik dwaalde in 't grootsch gewrogt; ai, zie dus van de straf,
 
Die moogelijk mij dreigt, om deez' belijdnis af:
 
Ik wil, alleen ter zoen! eischt dit uw welbehaagen,
 
Voor knoopen aan mijn rok, uwe edle Jou-Jou's draagen,
[p. 87]
 


illustratie
Afb. 4 Kabinet van mode en smaak 1791, blz. 227 (ex. UBA 1230 G 542).


[p. 88]
 


illustratie
Afb. 5 Atlas Van Stolk, no. 564.


[p. 89]
 
Ja, dat uw kunstgewrocht, onëindig van waardij,
 
Op de afgezette plaat voor elk vereeuwigd zij.

Geen sterke tekst, maar daar was het tijdschrift ook niet befaamd om. Nog eenmaal komt de redacteur terloops op de jojo terug, als hij in de laatste strofe van een Ode aan een magnetist opmerkt dat het beter is zich over te geven aan de mode van het magnetiseren of mesmeriseren, dan aan de mode van het jojoën9.

De eerste hausse van populariteit van de jojo schijnt dus inderdaad rond de jaren 1790-92 gelegen te hebben. Dit leid ik mede af uit het feit dat in Frederik Mullers Historieplaten een aantal prenten uit die jaren voorkomen, die betrekking hebben op de jojo. Het zijn er niet weinige! Zo noemt hij een prent bij de weduwe Egmont in de Reguliersbreestraat uitgegeven (een firma die een eeuw lang zeer deskundig wist in te spelen op gebeurtenissen die de algemene aandacht trokken) met diverse spelen; ‘Hierbij de Jou jou die in 1790 werd uitgevonden en in de mode was’10. In het jaar 1791 noemt hij verschillende prenten. De eerste is ‘Tijdverdrijf van smaak of Jou-Jou de Normandie, 1791’; deze prent - zij het uit het bestand van de Atlas Van Stolk - is bijgaand afgedrukt (afb. 5). Het rage-karakter van het jojoën is duidelijk herkenbaar, doordat de hele familie zich er mee bezighoudt, maar tevens iedereen die op straat passeert. Het lijkt er op alsof gekozen is voor het decor van een amsterdamse gracht, en een daarop uitziend huis. Het is als het ware een Herengrachtscène. Dat kan er op wijzen dat de jojogebiologeerdheid een zaak was van de gegoede burgerij, of van het amsterdamse partriciaat; op die wijze valt ook een combinatie te maken met het lees- of voordrachtsmilieu dat in onze ode genoemd wordt. Het lijkt er tevens op, dat de oorspronkelijke indruk, op basis van lettertype e.d., dat die ode uit de laatste decennia van de achttiende eeuw dateerde, hierdoor bevestigd wordt: de ode zou dan rond 1790 geschreven en gedrukt hebben kunnen zijn. Voor hetzelfde jaar 1791 geeft Muller nog een ‘Historie der Jou-Jou’, met de aantekening ‘Twee mannen verhalen elkander iets op straat, terwijl een derde met een jou-jou speelt’, onder verwijzing naar twee kluchtspelen over de jojo's (die ik helaas niet gezien heb; het bevestigt zeker het feit dat de jojo als literair thema zeer goed bruikbaar was). Voor 1792 vermeldt Muller nog een ‘Almach de Jou Jou. 1792’11.

Hoewel de feitelijke oorzaak van de populariteit van de jojo ons nog steeds ontgaat, is langzamerhand wel duidelijk dat de jojo in literatuur, plaat en pamflet lustig kon rondcaramboleren. In de universiteitsbibliotheek van Amsterdam is dan ook een kluchtspel te vinden dat min of meer de spot drijft met de hartstochten rond de jojo. De titel luidt: De Joujou-schrijver bedroogen; klugtspel. In één bedrijf (z.j.)12. Dit werkje van 22 bladzijden bevat acht tonelen; het lijkt me overigens onwaarschijnlijk dat het ooit echt opgevoerd is, omdat de inhoud eerder bedoelt de jojo-kultuur te behandelen dan werkelijk toneel te zijn. Er is een zwakke intrige, die er op neerkomt hoé een commerciële, arme auteur, een broodschrijver, uit zijn huurkamer gezet kan worden als hij zijn huur niet betaalt (mogelijk een weergave van een realiteit waarin de schrijver zelf van dit spel zich bevond). Ik beperk me hier tot enkele opmerkingen over het jojowezen in dit stuk. De schrijver, Milleliber (‘Duizendboek’) heeft zojuist de laatste hand gelegd aan een groot werk tégen de jojorage, omdat hij op die wijze een graantje poogt mee te pikken van de hartstochten pro en contra het jojoën. In dat verband maakt hij een aantal observaties over de populariteit

[p. 90]

daarvan; in sommige steden, zegt hij, bestaan er zelfs al partijschappen ‘tusschen de Joujous en Antijoujous’ (blz. 4). Zijn huisbazin waarschuwt hij zelfs zulk speelgoed aan haar kinderen te geven: ‘O droevige opvoeding! Moet men de kindschheid zulke indrukzelen geven?’ (blz. 7). Dat neemt niet weg, dat hij, om zijn inkomen te verzekeren, al denkt aan het schrijven van teksten pró jojo's (zoals pseudo-rekwesten van bedelaars om voortaan met jojo's te mogen lopen, in plaats van met de klap); reden waarom hij dan ook met graagte ingaat op het verzoek van ene Jocus Cabriolus, Artium Joujouarum Magister. Deze, een waardig voorzaat van al diegenen die in onze tijd naar rato van de veranderende voorkeur van het publiek hun panden omtoveren in respectievelijk een sauna, een sportschool of een zaal voor aerobic dancing, wil hem namelijk een reclametekst laten schrijven voor een ‘Collegie in de voortreffelijke konst der Joujous’. Net zoals bij een schermschool gebruikelijk is moet men dáár namelijk alle bewegingen van het werpen van een jojo kunnen leren, ‘tierce en quartstooten en pareeren’. De hulp van onze broodschrijver is nodig voor het uitschrijven van de ‘Joujouaale lessen’ en ‘Joujouaale woordeboeken’.

De afloop is voor ons niet van belang; ik volsta met te zeggen dat de plannen van deze commerciële welzijnswerker en zijn beroepsschrijver geen doorgang vonden. Interessant voor ons is misschien, dat Jocus zijn jojocollege zag als een alternatief voor de schermschool. Dat wijst er op dat hij zijn fiktieve publiek uit hetzelfde type bezoeker of leerling dacht te rekruteren: en dat is, opnieuw, weer geen ander publiek dan de gegoede burgerij. Een ander opvallend element is de verwijzing in deze tekst naar partijschappen rond de jojo. Hij zegt daar verder niets over; maar ging die strijd alleen maar over het nut van het jojoën? Dat de jojo kon uitgroeien tot een partij-embleem, tot een voorwerp waaromheen partijpolitieke emoties zich konden ontladen in deze jaren, blijkt uit een passage die ik vond in de biografie die J. van Lennep schreef over zijn voorvader C. van Lennep13. Hij beschrijft daar de rol die zijn verwant speelde in 1787 (het jaar van de patriottische eerste revolutie) in Amsterdam. De situatie was er een waarin patriottische actiegroepen voortdurend het stadhuis belegerden of zelfs bezetten, en waarin de spanning in de stad te snijden was. Van Lennep schetst zeer konkreet hoe zelfs de gezinsleden binnen sommige families elkaar niet meer verdroegen wegens hun verschillend politiek standpunt. Een redelijk moderne situatie. Ook op partijen, bals, en bij diverse andere uitgaansfestiviteiten was de sfeer ondraaglijk, omdat mensen die vroeger met elkaar bevriend waren niet meer met elkaar wensten te converseren, daar zij tot verschillende politieke richtingen waren gaan behoren. Als hij dit alles schetst tekent Van Lennep in een voetnoot aan:

De oorlog, welken de beide partyën elkander aandeden werd echter ook gevoerd op een onschuldige en lachverwekkende wijze. Sedert de prinsgezinden hun denkwijze niet meer konden aan den dag leggen door het dragen van Oranjeleuzen of door het zingen van 't ‘Wilhelmus’ en andere liedtjens in dien zin, - al hetwelk op lijfstraf verboden was - hadden zy er op uitgevonden, zich te onderscheiden door het spelen met het zoogenaamde joujou de Normandie. Dit joujou bestaat, als men weet, uit twee schijven, te saam verbonden door een derde, die de grootte van een gewone Damschijf heeft en aan de beide grootere tot spil verstrekt. Aan dien spil wordt een koord vastgehecht en er om heen geslingerd. Men steekt den wijsvinger door een lis, aan 't einde dier koord gemaakt, houdt de beide schijven tusschen duim en middelsten vinger, laat dan het joujou los, doch haalt het met een ruk weder op voor dat de koord is afgeloopen, en, dit telkens snel herhalende, doet men het joujou langs de koord voortdurend op en nedergaan. Nu namen de Prinsgezinden zoodanig joujou

[p. 91]



illustratie
Afb. 6 Titelpagina Les Jou Jou de Normandie (ex. KB 252 E 358).


[p. 92]

mede naar schouwburgen en andere plaatsen van openbare vermakelijkheid en tergden door daarmee te spelen hun tegenstanders, die daar-en-tegen tot leuze gekozen hadden het spelen met den bilboquet, een ivoren staafjen, aan 't midden waarvan een draad gehecht is, met een bal, dien men moet opvangen op de punt die zich aan 't eene of in het bekertjen dat zich aan 't andere uiteinde van het staafje bevindt. Wijlen de Heer Izaak Hodshon, die tot de Stadhoudersgezinde jeugd van dien tijd behoord had, verhaalde my, hoe hy en anderen zich herhaaldelijk in den schouwburg, niet slechts met één joujou, maar zelfs met twee, ja met drie, vertoonden, en er zoo handig mede wisten om te gaan, dat zy een met elke hand en het derde met den mond (de lus tusschen de tanden houdende) bespeelden, tot niet geringe ergernis hunner tegenstanders.

Déze jojo lijkt nauwelijks op de onschuldige jojo uit onze ode. Of is onze ode een orangistische ode, en is zij voorgedragen of gelezen in een prinsgezind milieu? In de tekst lijkt daarvoor geen houvast te vinden. Misschien moeten we de noot van Van Lennep lezen als niet zozeer behorend bij 1787, als wel bij de hele periode waarin patriotten tegenover prinsgezinden stonden, zeg de periode 1780-1800, en misschien wel als kenmerkend voor díe jaren (1795 en opvolgende jaren) waarin de patriotten wérkelijk de prinsgezinden van alle deelname aan het openbaar bestuur uitgesloten hadden. Deze laatsten konden zich nog alleen in het salet vermaken. In 1787 was dat eigenlijk nog niet zover. Zo'n vroege datering lijkt ook strijdig met eerder genoemde gegevens (zoals het Kabinet van 1791) die er op wijzen dat de jojo pas vanaf 1790 populair werd. Al is het ook mogelijk dat de jojo eerst een algemener bekendheid moest krijgen, vóórdat een bepaalde groep hem als ‘eigen’ embleem kon opeisen. Misschien is sindsdien het milieu waarin onze ode voorgedragen wordt - een inaktief, behoudend milieu van salondames en petit-maîtres - dan wel gelijk aan het milieu van de prinsgezinden. Ook in Frankrijk schijnt in deze tijd de jojo (emigrette, incroyable) vooral populair geweest te zijn bij de voor de revolutie gevluchte aristocratie14. Scheltema is trouwens niet de enige bron waaruit blijkt dat de jojo een rol kon spelen als politiek probleem. Er bestaat een satirisch pamflet, getiteld Les Jou Jou de Normandie, Een Spel van smaak in Engeland, thans door de Nederlanderen nagevolgd (voor de volledige titel, zie afb. 6; men lette op het vignet!), alweer ongedateerd, waarin, lang niet altijd duidelijk, mede op de politieke situatie van die jaren ingegaan wordt. Volgens dit veertien bladzijden tellende boekje blijken de jojo's vooral in Den Haag populair (omdat het de oude residentie van de prins was?) en in Amsterdam bij de jonge heren op de beurs (we komen dan dus eigenlijk toch weer in de salons en bij de zeer gegoede burgerij terecht). Volgens de schrijver is de jojo in Engeland populair geworden en zijn de fransen er jaloers op. Daarmee zal de auteur aanhaken bij de tegenstelling prinsgezinden (pro-engels) en patriotten (pro-frans). Hij slaagt er zelfs in op verstolen literaire wijze een tegenstelling te scheppen tussen wél- en níet-jojovoerders, ook wat betreft hun erotische capaciteiten! Dit via opmerkingen als ‘Wie zal zyn Wippertje dan niet weer om hoog haalen en met eene wenk de schoone, of schoonheden salueeren’, en door observaties over de korrekte schrijfvorm van jojo: niet choux-choux (zoals ook de schrijver van het Kabinet eerst meende), maar: Jou Jou. ‘Choux’, het meervoud van kool, zal hier een erotische betekenis hebben, zoals dat dikwijls in het zeventiende- en achttiende-eeuws taalgebruik het geval is15 (vandaar dat in het spraakgebruik ook later nog de kinderen uit een kool komen).

Al met al: onze ode handelt dus niet zomaar over een stuk kinderspeelgoed. Hij behandelt zelfs niet eens het voorwerp van een kortstondige rage. Het onder-

[p. 93]

werp is een object dat jarenlang een geliefkoosd gebruiksvoorwerp was in een belangrijke groep van de samenleving, de (ooit) spraak- en politiekmakende gemeente; en welk object op een gegeven moment zelf als politiek symbool gebruikt kon worden. Dit voorwerp, buitenproportioneel belangrijk geworden, kon uitstekend aanleiding geven om in een bij die proporties behorend episch-hymnisch gedicht, op burleske wijze zijn plaats gewezen te worden. Nog meer: zijn gebruikers werd hun plaats gewezen. Voor de uitgeschakelden diende de jojo slechts déze deugd te bevorderen: het kind-blijven van de volwassene. Dat was die groep ‘gebruikers’, in hun precieuze Salonfähigkeit, misschien zelf niet meer helemaal duidelijk.

3. De auteur

Is het mogelijk op zinvolle wijze te speculeren over de identiteit van de auteur van de jojo-ode?

Te vrezen valt dat we in dit geval alleen vaste grond onder de voeten zouden krijgen bij de vondst van bijvoorbeeld een advertentie in de krant, waarbij die naam genoemd zou worden.

Voorlopig zie ik slechts twee mogelijkheden. Men kan denken aan de auteur van de gedichten in het Kabinet, die zich herhaald over de jojo uitlaat. Die auteur is mogelijk dezelfde als de uitgever van dat blad: Adriaan Loosjes Pieterszoon (als men het gehele blad doorneemt, lijkt hij voor een groot deel van de inhoud verantwoordelijk). Bevestiging daarvan, én van het auteurschap van de ode, is nergens te vinden16. Loosjes' poëtische mogelijkheden doen trouwens wat minnetjes aan, vergeleken met wat er toch nog aan inventiviteit in de ode aanwezig is.

Een tweede mogelijkheid: zou de ode een produkt kunnen zijn van de jonge Kinker? Een aanwijzing - maar volstrekt niets meer dan dat - kan zijn dat het enige bekende exemplaar per slot van rekening tussen zíjn papieren gevonden werd. Hij moet te eniger tijd dus toch een zekere belangstelling voor dit gedicht gehad hebben. Daarnaast had Kinker uitgesproken ideeën over de ode qua inhoud, metrum en wat dies meer zij17. Bovendien was hij in staat, blijkens zijn bijdragen aan De Ster van 17 en 29 mei 1806, gelegenheidsoden te schrijven waarin hij op een werkelijk creatief-spelende manier eigentijdse (ook politieke) gebeurtenissen van kommentaar kon voorzien. Het inspelen op de gebeurtenissen van de dag had hij trouwens al eerder, en op overtuigende wijze, langdurig gedaan in zijn handschriften Janus (1787) en Janus Verrezen (1795-1798). - Enig spoor van bewijs blijft desondanks ontbreken.

Het speelgoed, en zijn maker, blijft anoniem.

[p. 95]

Ode
Aan de
JouJou de Normandie:
Speelgoed van Smaak*; maar
niet voor kinderen.

Zo de verwoestende* tijd slechts één joujou en één exemplaar van deeze Ode in zijne vernieling ontziet, ben ik te vrede: het vermaak dat hij mij verschaft heeft, door mij den inval tot het samenstellen van deeze Ode te geven, kan ik niet anders vergelden, dan door het noodlot het behoud van ten minste één zijner Natuurgenooten af te smeeken*. Naauwlijks kwam hij onder mijn oogen, (en toen had de ton* hem reeds vrijgelei verleend) of mijn zangster wilde hem bezingen, en daartoe niets minder* aanheffen dan een Ode.

De twee Coupletten die ik vooraf laat gaan en die den aanhef uitmaaken, toonen door haar stroefheid de moeijelijkheid aan, die men ondervind, eer de Joujou zijn’ behoorlijken gang heeft; en om dit te schetsen gebruikte ik dit metrum:

1.
 
uu-/u-/uu-/-uu/-u
 
u/-uu/-uu/-uu/-u
 
uu - /u-/uu-/-uu/-
 
u/-uu/-uu/-uu/-
 
uu/-uu/-uu/-u

Het tweede Couplet is eenigszins vloeijender; zo als

2.
 
uu/-u/-uuu/-uu/-u
 
u/-uu/-uu/-uu/-u
 
uu/-u/-uu/-uuu/-
 
u/-uu/-uu/-uu/-
 
uu/-uu/-uu/-u

Maar nu draaft mijn Ode even als een Joujou door; of, om beter te spreken, zij houdt deezen galop* tot aan het einde:

 
uu/-uu/-uu/-uu/-u
 
u/-uu/-uu/-uu/-

Voorts zijn de Poëtische sprongen*, die er (zonder grootspraak) in gevonden worden, niet ongelijk aan de kunstige slingerwerpen, enz., die zich de meergevorderden in dit spel veroorloven; schoon de Capricieuse Joujou die waaghalzen dan wel eens in 't gezicht vliegt; of de neuzen der schoone Sexe beleedigt, als hij met een vlucht, aan dien van den Adelaar gelijk, van zijn koordjen losbreekt.

Voor ik eindige, moet ik er nog bij voegen, dat mijn Ode zeer geschikt is, om beginners in de beoeffening van dit spel te gemoet te komen; zo zij in de beweging der hand de laastopgegeven maat in 't oog houden. Maar ik mag nu in den lof van mijn Ode niet langer uitweiden: zij is mij te naa!

[p. 96]
Ode
aan de
JouJou de Normandie
 
*
 
 
[1]
Te vergeefs* bespot u de menschhaatende wijze!
 
U zing ik Joujou! - Dat ik speelende u prijze!
 
ô Verheven Nimph* van den Dichtaâdmenden Berg*,
 
Daal neder, Calliopè! Sterk mij: Ik terg
[5]
Die het laakt, 't geen ik speelende prijze.
 
*
 
ô Hoe zalig leeft men in de Kindsheid*! Geruster
 
Dan immer. ô Zangnimph! - Uw vrolijke zuster*(1)
 
Toont aan 't menschdom 't zoet van het kinderlijke Spel! -
 
Terwijl de Genien* met speelgoed en bel
[10]
Vrolijk huppelen - lacht uwe zuster.
 
***
 
Ja, zij dartelt en houdt een Joujou in haar handen;
 
Een masker* bedekt haar doordringend gezicht.
 
Zij omzwagtelt haar' geest met den sluiër der dwaasheid,
 
En toont aan het menschdom al lachend zijn' plicht.
[15]
ô Joujou, voor mij zijt gij veel hoger van waarde
 
Dan 't Spel*, dat de hebzucht door gierigheid wrocht;
 
Dat de hel tot verpesting des Stervelings baarde
 
Die, vol van verveeling, naar rijkdommen zocht.
 
ô Dat Spel al te vaak door de traanen bevochtigd;
[20]
In wanhoop geweend! Vloek van vrouwen en kroost*! -
 
'k Zie een zwangere vrouw om het noodige smeeken:
 
Zij mist haaren gaâ; met hem, mistze allen troost.
 
'k Zie hem vluchtend het land zijner maagen verlaaten*:
 
De wanhoop vervolgt hem bij iederen tred.
[25]
Kom te rugg'! te vergeefs wilt ge uw noodlot ontloopen:
 
Gij zijt niet beveiligd schoon ge u zelven al redt.
 
Neen, al huilende volgt u den vloek uwer kinderen!
 
De vrucht* slurpt dien vloek in de moeder reeds in;
 
ô Uw tedere gade! Zij beedelt! Elke aalmoes
[30]
Herinnert haar telkens uw zucht naar gewin.
 
En bij ieder die haar mededogeloos wegzend,
 
Of wreed met een grimplacht een kleinigheid biedt -
 
Denkt zij een' uit den hoop uwer vrienden te ontmoeten;
 
En staamelend dankt zij de bron van 't verdriet. -
[35]
Maar, wat ijslijk gekerm*! - zwijg, mijn zangster, die toonen
 
Zijn schriklijk; zij treffen de ziel met een' dolk.
 
Help, ô Hemel! de smachtende moeder...hoe giltze!
 
Myn zangster bedekt dit tafreel met een wolk!
 
ô Natuur! - Gij bedekt met uw koestrende vlerken
[40]
De nooddruft in 't lijden: gij redt er haar uit;
 
En verligt door uw' invloed de martlende pijnen.
 
De dood deinst te rugg': Gij betwist hem zijn buit:
 
Zij herstelt - maar het kind door het hartszeer gevoederd,
 
Vloog Hemelwaart op, door het onheil vernield;
[45]
Het gevoelde in den schoot zijner moeder den rampspoed,
[p. 97]
 
En wierd door zijn leed voor den Hemel bezield.
 
 
 
Ach! nu durf ik de moeder niet langer verzellen*;
 
Haar Jeugd komt te rugg'; heure schoonheid met haar;
 
En de strikken der wellust, in schijn van vertroosting,
[50]
Staan open, en dreigen nog grooter gevaar.
 
In dien staat het gelonk der verleiding te tergen,
 
En 't goud te versmaaden dat de ondeugd ons bied; -
 
Is verheven: 't verëedelt den mensch in zijn lijden! -
 
Maar...Struikelt zij - Snoodaart, verwijt het haar niet!
 
 
[55]
ô Joujou! voor mij zijt gij veel hooger van waarde
 
Dan 't Spel, dat de hebzucht door gierigheid wrocht;
 
Dat de Hel tot verpesting des stervelings baarde,
 
Die, vol van verveeling, naar rijkdommen zocht.
 
ô Joujou! vorm veel eer al de menschen tot Kindren!...
[60]
En leer hen in 't klimmen* toegeevelijk zijn.
 
Leer hen dwaalende 't onheil met kracht te verduuren.
 
Leer hen ledigheid schuwen als 't ergste fenijn!
 
 
 
Maar helaas! - Zucht tot nieuwigheid gaf u het aanzijn!
 
Die zucht zal u weder tot niet doen vergaan:
[65]
Want de wijzen verachten U - dwaazen vergeeten
 
Al 't nut dat mijn lierzang in u deedt bestaan.
 
Of verbeeltge u, dat ik u vergankloos zal zingen,
 
En 't lot van de Rottingen* geven kan? - Neen!
 
Ach, de straatjeugd - die zinnelooze Modevernielster,
[70]
Maakt reeds uw behandling bij boeren gemeen.
 
Maar Joujou! - Spijt de straatjeugd! -(1) Al maakten de duivlen
 
Joujous van Planeeten* aan kabels van...(Ja...
 
Daar kan nu mijn Zangster geen koorden voor vinden)
 
Ja dan nog, Joujou, volg ik speelend hen naa!
[75]
Maar ô gij, kleine Meesters*(2) van groote vertooning!
 
Verlaat toch dit speelgoed (ik smeek het u) - niet!
 
't is uw zinnebeeld* - nooit wierdt dit beter verzonnen.
 
En 't hangt aan een koordjen...Verlaat het toch niet.
 
 
 
Maar, wie zie ik daar ginds?...Wat ontijdige schaamte!...
[80]
Een waaijer bedekt haar* ligt bloozend gelaat -
 
Waarom mag zich verveling dan ook niet verbergen? -
 
Die meer, dan de schaamte, op 't Salet zich verraadt.
 
Of geeft u deeze waaijer meer nut in den winter,
 
Dan onze Joujou in het zomersaisoen?
[85]
Neen, zy beide vervullen slechts werklooze handen,
 
Maar speelgoed kan meer aan verveeling voldoen.
 
Wijkt! - Te rugg' dan, gij Waaijers, Badines*! - Weg! honden
 
En vogeltjens, die met geraas ons verveelt!
 
Mijn Joujou kan veel beter de ledigheid vullen;
[90]
Terwijl haare zachte beweeging ons streelt.
 
Wijkt! - Terugg'! - zwaare knodsen* die 't vel doet vereelden,
 
Die nooit in de hand van een' Stedeling past!
 
Laat de boeren u torschen! maar geen Petit-maitres:
[p. 98]
 
Ofschoon gij in Frankrijk aan wijngaarden wast.
[95]
Maar vooral, wijkt, terugg'! - Passedix*, bort* en kaarten;
 
Uw Minnaars!...maar neen, 'k heb die stof reeds geroerd.
 
Kom, Joujou, die mijn' geest tot uw lof' wist te ontvonken!
 
En die mij verward hebt in ernst en in boert -
 
Kom Joujou! voor mij zijt gij veel hoger van waarde,
[100]
Dan 't spel, dat de hebzucht door gierigheid wrocht;
 
Dat de Hel tot verpesting des stervelings baarde,
 
Die, vol van verveeling, naar rijkdommen zocht

Wie zegt daar: parturiunt monies*? - Gij vergist u: 't is nu eens omgekeerd: 't is parturiunt montes nascetur Ode*; en dat is een Poëtische berg*.

 

Alom àstuiv. te bekomen.

Kommentaar

[smaak] d.i. ‘beschaafd’ speelgoed, voor lieden met onderscheidingsvermogen. Volgens de tekst zijn dat vooral petits-maîtres: een groep financieel wel-gestelde jongelui, die weinig om handen had, en zich bezig kon houden met de mode van de dag. Dat kon ook de literaire mode van de dag zijn; smaak is eind 18e eeuw tevens een criterium voor literair onderscheidingsvermogen. Men denke aan een werk als Proeven voor het verstand, den smaak en het hart (door Bellamy e.a., uit 1784). Zowel het hanteren van een jojo, als het maken van een ode daarop, zijn indicaties van distinctie.
 
[verwoestende] algemeen gangbare toop sinds de Oudheid. Op de achtergrond speelt wellicht de gedachte mee, dat de cyclische herhaling van de tijd zelf van veel fundamenteler aard is dan de daarop lijkende slingerbeweging van de jojo.
 
[hij] de jojo.
 
[smeeken] denkt de auteur hier misschien aan het klassieke beeld van de schikgodinnen, die iemands lot kunnen bepalen door de gesponnen levensdraad door te snijden? Zonder aandrijfdraad ligt ook een jojo voorgoed stil! Juist deze lotsgodinnen om zijn behoud te smeken lijkt dan niet onlogisch. - Uiteraard levert deze gedachtengang een burlesk effekt op.
 
[ton] de mode.
 
[minder] een ode pleegt op een hooggestemde toon een (verheven) onderwerp (vaak een persoon) te prijzen. Deze dichtsoort leent zich eigenlijk niet tot het bezingen van lage, triviale objekten.
 
[galop] in de hippistiek kan een galop nog verschillende tempo's en verschil in snelheid hebben; hier is de draf echter gelijkmatig.
 
[sprongen] onverwachte beelden, corresponderend met de kunstjes met de jojo uitgevoerd.
 
[Capricieuse] grillige. Wellicht denkt de auteur tevens aan het muzikale en literaire genre van de capriccio: daar kan een tema herhaald terugkeren, bij grillige tussenspelen. Ook in deze ode keert het tema steeds terug: vss. 15-19, 55-58, 99-

[p. 99]

  102. De tussenliggende passages zijn capricieuser; precies zoals het niet altijd mogelijk is een jojo in één gelijkmatige, vloeiende beweging te houden.
 
[vergeefs] de eerste regels lijken op de officiële invocatio in de epische poëzie gebruikelijk, als de muze wordt opgeroepen om de dichter haar inspiratie te geven, zoals bijvoorbeeld in het begin van de Aeneïs. Het plechtige en bezwerende van zo'n invocatio wordt hier echter totaal teniet gedaan door het noemen van het onderwerp van de ode (de jojo, i.t.t. een belangrijk tema als de toch van Aeneas), en doordat de dichter weliswaar de muze van de epiek, Kalliope, aanroept, maar haar vrijwel meteen terzijde schuift voor haar zuster Thalia, de muze van de komedie. De ode in zijn geheel krijgt daardoor meteen een burlesk karakter.
 
[Nimph] Kalliope, muze van de epische poëzie, moeder van Orfeus (de odenmaker!). Zie afb. 2 en de tekst van het artikel.
 
[Berg] de Parnassos, zetel van de muzen, bron van inspiratie.
 
[Kindsheid] de kinderleeftijd, de tijd van de spelletjes, de tijd van de inspiratie door de muze Thalia.
 
[zuster] Thal(e)ia is de muze van de komedie, en dus a.h.w. de inspiratrice van een vrolijker en kinderlijker opvatting van de wereld. In vs. 11 houdt zij daarom een jojo in de handen: waarschijnlijk is dit een moedwillige interpretatie door de auteur van een van haar attributen, die men niet kon verklaren (zie tekst van het artikel).
 
[Genien] genietjes, cupido's: kinderlijke speelgezellen.
 
[masker] inderdaad bij haar afbeeldingen één van Thalia's vaste attributen. Dit masker vertegenwoordigt de humor, het komische, waarachter toch een scherp inzicht in de waarheid schuil gaat (haar doordringend gezicht).
 
[Spel] in deze vast terugkerende regels staat het kinderspel met de jojo (dat het betrekkelijke van alles laat zien) tegenover het rigoureuze, hartstochtelijk bedrijven van het kaart- en gokspel (vgl. vs. 95), dat de mens financieel en mentaal ruïneert. Het jojoën wordt zo als het ware een teken van geestelijke gezondheid.
 
[kroost] vrouw en kinderen zijn de eerste slachtoffers, als de man wegens zijn speelschulden zijn gezin niet meer kan onderhouden. In de volgende twee strofen wordt vooral het lot van de vrouw beschreven.
 
[verlaaten] wegens zijn schulden en het verlies van zijn goede naam kan de man in zijn vaderland geen broodwinning meer vinden.
 
[vrucht] het kind waarvan zij zwanger is.
 
[gekerm] bij de barensweeën.
 
[verzellen] omdat in haar verder leven de moeder nog maar één weg open staat tot haar levensonderhoud: de prostitutie.
 
[klimmen] het stijgen vallen (klimmen en dwaalen) van de jojo houdt a.h.w. een morele les in.

[p. 100]

[Rottingen] wandelstokjes (van rotan of bamboe), behorend bij de uitrusting van de petit-maître. Er lijkt hier verwezen te worden naar een vergelijkbare ode op de rottingen, mij onbekend.
 
[Planeeten] het beeld is er een zoals zou kunnen voorkomen in de werken van Willem van Swaanenburg (1679-1728) die zijn proza en poëzie overvloedig stoffeert met sterren, planeten e.d.; zijn vergelijkingen lijken soms geen interne samenhang te vertonen. De tijdgenoten dachten daar evenzo over, vandaar dat het beeld expres niet voltooid wordt.
 
[Meesters] petit-maîtres: zie nt. [smaak].
 
[zinnebeeld] objekt en drager zijn beide mode-gebonden
 
[haar] van een van de luisterende dames. Plaats van handeling is n.l. het salet (vs. 82): de dames-salon, waar de heren door conversatie en dergelijke tijdens hun visites de dames moeten pogen te amuseren.
 
[Badines] soort rottinkjes, behalve als wandelstokje ook te gebruiken als rijzweep.
 
[knodsen] de badines, die boers, herculisch wapentuig lijken in tegenstelling tot een verfijnd speeltuig als de jojo.
 
[Passedix] dobbelspel, gespeeld door twee spelers, met drie dobbelstenen. Men werpt zo lang tot er twee gelijken boven liggen; men heeft gewonnen wanneer het aantal ogen meer dan tien bedraagt.
 
[bort] verkeerbord, een soort kansspel.
 
[montes] ‘de bergen verkeren in barensnood’ waarbij als vervolg behoort: ‘maar er wordt niets anders dan een belachelijk muisje geboren’ (oorspr. een versregel uit Horatius' Ars Poetica).
 
[Ode] ‘de bergen verkeren in barensnood, een ode wordt geboren’.
 
[berg] de ode is als een der voornaamste dichtsoorten als het ware een bergsoort binnen de poëzie. Het citaat wordt dan ineens zinvol, en het verwijt in een zinvolle richting benut. In plaats van ‘al deze moeite levert niets op’ levert de substantie nu op: ‘al deze moeite levert iets op dat de moeite waard is’.