[p. 135]

Groot woordenboek van hedendaags Nederlands en Grote Van Dale: een eerste vergelijking*
P. van Sterkenburg

1. Inleiding

In 1976 werd door Van Dale Lexicografie, een speciale werkmaatschappij van Kluwer, de basis gelegd voor een reeks van zeven nieuwe grote Van Dale-woordenboeken: zes vertaalwoordenboeken Frans, Duits en Engels, elk twee delen en een verklarend woordenboek van hedendaags Nederlands. Drie vertaalwoordenboeken, Frans-Nederlands, Duits-Nederlands, en Engels-Nederlands zijn inmiddels ten doop gehouden in respectievelijk maart 1983, oktober 1983 en mei 19841. In december 1984 zal verschijnen het verklarend Groot woordenboek van hedendaags Nederlands2, dat tevens zal dienen als uitgangspunt van de delen Nederlands-Frans, Nederlands-Duits en Nederlands-Engels die zullen verschijnen in voorjaar 1985, najaar 1985 en voorjaar 1986. Als verantwoordelijke hoofdredacteur van het Groot woordenboek van hedendaags Nederlands meen ik, dat bij het verschijnen ervan het moment is aangebroken om aan te geven wat de plaats van dit nieuwe verklarende woordenboek van het Nederlands binnen de Van Dale-traditie is. In dit artikel wil ik aandacht besteden aan die aspecten waarin de Grote Van Dale3 en het Groot woordenboek van hedendaags Nederlands zich van elkaar onderscheiden.

Marcus van Vaernewijck zegt in zijn magnum opus Van die beroerlicke tijden in die Nederlanden4: ‘Babel heet confuzie’. Mijn bijdrage wil elke vorm van verwarring met betrekking tot de tot merknaam geworden naam Van Dale, onder vakgenoten voorkomen.

2. Identificatie Grote Van Dale (GVD)

Op grond van het ‘Bericht voor de elfde uitgave’5 en de daaropvolgende ‘Inleiding’ kan men tot de volgende determinering van de GVD komen:

1. het is ‘in oorsprong en opzet een 19de eeuws woordenboek, en hoezeer de bewerker er in de opeenvolgende drukken naar gestreefd heeft het inderdaad bij te werken en te moderniseren, dat oorspronkelijke karakter is toch opzettelijk en weloverwogen gehandhaafd’ (p. XIII);

2. het is ‘een algemeen woordenboek van het hedendaagse Nederlands, op historische basis, d.w.z. dat de behandelde woordenschat die is van de laatste honderd jaar ongeveer, tot en met de jongste taalontwikkeling’ (p. IX);

3. het is ‘in beginsel een normatief woordenboek, maar met grote voorzichtigheid in de toepassing van dit beginsel, en met ruime erkenning van de marge die het persoonlijk taalgebruik voor zich mag opeisen, en van de variabiliteit van alle levende taal’ (p. IX);

4. het is ‘een getrouwe spiegel van de conventionele taal, waarin conventie moet worden opgevat in de meest eigenlijke en tevens de ruimste zin van “het

[p. 136]

gebruik”: men vindt er dus het algemene taalgebruik zo volledig mogelijk behandeld, het individuele slechts als toegift’ (p. XII).

Interpreteert men de door de bewerkers beschreven eigenschappen van de GVD in wat directer woordkeus dan doemt het volgende beeld van de GVD op: De Grote Van Dale probeert de woordenschat uitputtend te beschrijven en definieert de verschillende betekenissen van een woord op grond van hun herkomst. Om die reden staat onder het trefwoord I. bon als eerste betekenis ‘goedkeuring onder gemaakt schoolwerk’ en volstaan de bewerkers vaak met het vermelden van uitsluitend de oorspronkelijke betekenis, zoals bijvoorbeeld de volgende definities ons demonstreren: beelddrager ‘degene die het beeld draagt, in zich heeft, van iemand of iets anders’; hoerenloon ‘het loon dat een hoer of een hoerenwaard zich laat betalen’; kermis ‘jaarlijks plaatselijk volksfeest en jaarmarkt, oorspr. (en hier en daar nog wel) ter gelegenheid van het feest der kerkwijding (d.w.z. gedenkdag van de wijding van de kerk)’ (...).

Het lijkt de Grote Van Dale als grootste inventaris van het Nederlands, niet in de eerste plaats om het allernieuwste te doen, d.w.z. niet om nieuwe, modieuze termen (casestudy, condomaat, kabelkrant, kabelproject, kaskraker, kasteleinsbrief, kassabank, sleutelpaal) of nieuwe, modieuze betekenissen van bestaande woorden (clip) met daarbij eigentijdse voorbeeldzinnen, maar om een min of meer normatieve registratie van de Nederlandse woordenschat, c.q. van de ontwikkeling van de betekenissen ervan. Voor de GVD geldt, zoals voor de meeste normatieve woordenboeken, dat een woord eerst gedurende een aaneengesloten periode moet bewijzen dat het opname in het woordenboek verdient6.

3. Identificatie van het Groot woordenboek van hedendaags Nederlands (GWHN)

1. Het Groot woordenboek van hedendaags Nederlands poogt de zich ontwikkelende (en wisselende) taalwerkelijkheid te beschrijven, om daarmee voor zijn gebruikers een betrouwbare gids te zijn bij het begrijpen en produceren van hedendaags Nederlands.

2. Niet op de grootste inventaris van het Nederlands ligt het accent, want tegenover de circa 230.000 trefwoorden van de Grote Van Dale staan er in het Groot woordenboek van hedendaags Nederlands ‘slechts’ circa 95.000. Het is een beredeneerde inventaris van hedendaags Nederlands. Er is naar gestreefd de rol die een woord in het maatschappelijk verkeer speelt te achterhalen en te honoreren. ‘Hedendaags’ heeft daarbij niet alleen betrekking op nieuw woordmateriaal (aerobic, basen, comfiche, flossen, heroïnehoertje), maar ook op het formuleren van definities en op de keuze van trefzekere en actuele voorbeelden.

3. Het Groot woordenboek van hedendaags Nederlands sluit aan bij de principes die voor de nieuwe Van Dale-woordenboeken ontwikkeld zijn. Die principes - hedendaags taalgebruik, gebruikersvriendelijk en computability7 - komen tot uitdrukking in:

3.1 Onderling vergelijkbaar gestructureerde lemma's.

3.2 Gesplitste lemma-opbouw: a. trefwoord, met grammaticale informatie (uitspraak) e.d.; b. betekenis- c.q. vertaalprofiel: de hoofdvertalingen c.q. -verklaringen van het trefwoord, met reeksjes betekenis-verwante woorden (synoniemen); c. voorbeelden van het gebruik in zinsverbanden, in vrije en vaste verbindingen.

[p. 137]

3.3 Consequent toegepaste markeringen voor vaktalen, kindertaal, etc., en vooral voor de stijlniveaus.

3.4 Een alfabetisch gerangschikt grammaticaal compendium, waarnaar vanuit de lemma's wordt verwezen voor nadere grammaticale informatie.

3.5 Een lijst van de meeste courante spreekwoorden.

3.6 Een identieke typografie.

De structurering van de informatie en de onderlinge vergelijkbaarheid van alle woordenboeken uit de nieuwe reeks, zijn dus eveneens kenmerkend voor dit verklarend woordenboek.

 

4. Het Groot woordenboek van hedendaags Nederlands fungeert voor de drie Nederlands-vreemdtalige delen als het uitgangspunt, dat in het Frans, Duits en Engels vertaald wordt. Dit nu is binnen de Nederlandse woordenboektraditie, en vooral binnen de Van Dale-overlevering, een opmerkelijk feit. Waar de oeredities van de Grote Van Dale berustten op Nederlands-Franse vertaalwoordenboeken8, wordt deze nieuwe inventaris van twintigste-eeuws Nederlands het uitgangspunt voor de nieuwe vertaalwoordenboeken. Het Nederlands als cultureel erfgoed wordt daarmee vanuit de Nederlandse taalwerkelijkheid recht gedaan in vertaalwoordenboeken die voor de Nederlandssprekenden zijn bedoeld.

Zou ik het Groot woordenboek van hedendaags Nederlands in relatie tot de Grote Van Dale wervend mogen beschrijven, dan zou die beschrijving er zo uit zien: Het Groot woordenboek van hedendaags Nederlands is minder geïnteresseerd in woordgeschiedenis, is meer spreektalig georiënteerd, heeft gestreefd naar een effectiever opzoeksysteem, geeft nieuwe woorden eerder een plaats, is wat minder plechtstatig in zijn formuleringen, heeft de omvang van de encyclopedische informatie gereduceerd, is uiterst waakzaam bij het toekennen van waardeoordelen en probeert dienstbaar te zijn aan vertaalwoordenboeken die uitgaan van de taalwerkelijkheid van Nederlandssprekenden.

4. Macro- en microstructuur algemeen9

Nu de identiteit van Grote Van Dale en Groot woordenboek van hedendaags Nederlands met rudimentaire penseelstreken aangegeven is, wil ik onderscheiden onderdelen gedetailleerder bekijken. Ik kies daarbij voor een onderscheid in macrostructuur en microstructuur, mij daarbij zeer wel realiserend dat het hier gaat om constructies van de lexicoloog en niet van de gebruiker.

5. Macrostructuur in GVD

Wat is als ingang opgenomen in de Grote Van Dale? In Johan Hendrik Van Dale en zijn opvolgers heb ik de schatplichtigheid van de bewerkers van de Grote Van Dale aan het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) in enkele specimina aangetoond10 en ook de bewerkers zelf hebben onomwonden die afhankelijkheid van het WNT uitgedragen door op het ‘gewicht’ van de gegevens van het WNT voor hun woordenboek te wijzen (p. XII). Zelf zou ik na acht jaar zeer intensief werken met de tiende druk van Van Dale die afhankelijkheid willen aanscherpen: de Grote Van Dale is een excerpt van het WNT dat voor de trajecten die in het WNT voltooid waren tussen 1864 (jaar van eerste aflevering) en aflevering 506 (1983) aangevuld werd met ‘recente ontwikkelingen in onze woordenschat’.

[p. 138]

Veel gedateerd en daterend materiaal treffen wij als trefwoorden in de GVD. Het is immers evident, dat datgene wat opgenomen wordt voor een belangrijk deel bepaald wordt door (de kwaliteit van de materiaalverzameling van) de belangrijkste bron11, zoals het volgende willekeurig gekozen traject moge laten zien:

II. tiend, tiendafkoop, tiendbaar, tiendbetaling, tiendblok, tiendboek, tiendehalf, tiendeiser, tienden, tiender, tiendgaarder, tiendgebied, tiengerechtigde, tiendgewas, I. tiendgewas, tiendheer, tiendheffer, tiendheffing, tiendkoper, tiendland, tiendmaaltijd, tiendoorntje, tiendopbrengst, tiendpachter, tiendplicht, tiendplichtig, tiendplichtige, tiendplichtigheid, tiendrecht, tiendrente, tiendschatter, tiendschuldig, tiendschuldige, tiendverpachter, tiendverpachting, tiendvrij, tiendvrijdom, tiendvrucht, tiendwet12.

 

Als ik het enigszins dramatisch zou willen formuleren, dan zou ik zeggen dat de Grote Van Dale ons ook aan het sterfbed van Nederlandse woorden brengt. De bewerkers van de jongste druk van de GVD verantwoorden hun selectie op de bladzijden XI-XIV. Ik vat als volgt samen:

1.de omvang van de verwerkte woordenschat beperkt zich tot alleen het Nederlands in engere zin, d.w.z. het Noord- en Zuidnederlands, maar niet het Afrikaans (p. XI);
2.de dialectwoorden die opgenomen zijn, zijn toegift en niet gelokaliseerd (p. XII);
3.taalkringen zijn aangegeven alsmede gevoelswaarde en gebruikssfeer als daartoe aanleiding bestond (p. XII);
4het Nederlands van de laatste honderd jaar is behandeld (p. XII);
5.verouderde termen afkomstig uit Statenbijbel en oude zeilvaart en scheepsbouw zijn behouden; hetzelfde geldt voor vele historische termen en ‘die oude woorden bij welke er een bijzondere reden bestond om ze te behouden’ (p. XII);
6.toegevoegd zijn de nieuwe woorden en betekenissen die sinds de vorige druk in gebruik gekomen zijn (p. XII);
7.er is gestreefd naar volledigheid bij het opnemen van de algemene gangbare woorden, ‘d.w.z. die woorden die in de taalgemeenschap (in zeer ruime zin) leven’ (p. XIII-XIV);
8.er is een keuze gedaan bij het opnemen van technische termen, waarbij er naar gestreefd is in elk geval die termen die men in het maatschappelijk verkeer en bij niet al te gespecialiseerde lectuur kan tegenkomen, op te nemen (p. XIV);
9ook uit de vreemde en bastaardwoorden is een keuze gedaan (p. XIV);
10.aardrijkskundige namen zijn slechts bij uitzondering opgenomen (p. XIV)13;
11.barbarismen zijn gesignaleerd en overige aanwijzingen betreffend foutief taalgebruik worden gegeven (p. XIV);
12.afkortingen zijn beperkt tot de algemeen gebruikelijke (p. XIV)14.

6. Macrostructuur GWHN

6.1 Reductie GVD

Van meet af aan gold als preconditie, dat het verklarend Groot woordenboek van hedendaags Nederlands een Van Dale-woordenboek moest zijn. Hoewel ve-

[p. 139]

le lexicale beschrijvingen van het Nederlands voor de selectie van GWHN geraadpleegd, gewikt en gewogen zijn, is geen woordenboek of corpus evenwel uitputtender gebruikt dan de Grote Van Dale. Aangezien een van de belangrijkste voorwaarden van de uitgever een omvang van 1600 bladzijden en 12 miljoen tekens was, zag de redactie zich allereerst genoodzaakt de totale macrostructuur van de GVD (220.000 trefwoorden) naar maximaal 95.000 terug te brengen, een reductie met meer dan de helft: 125.000 ingangen.

 

Hoe werd gereduceerd in de macro?

1. Eigennamen en plaatsnamen zijn geschrapt behoudens enkele uitzonderingen die een interessante semantische ontwikkeling hebben doorgemaakt: Stradivarius, Stalinistisch, Victoriaans. Afleidingen van persoonsnamen zijn wel opgenomen marxist, gaullist;

2. Namen van landen e.d. worden niet in de macro opgenomen, wel de daarvan afgeleide adjectieven;

3. Regionalismen zijn geschrapt: die woorden die gelabeld zijn in GVD met Brab., Fri., gew. en N.-Ned.; Vl., Westvl. vonden geen genade. In beperkte mate komt alleen <AZN> voor (zie infra);

4. Ook de woordenschat van het Nederlands koloniaal verleden is bewust geweerd; dit geldt voor woorden die gelabeld waren met Ind., Mal., O-I., W.-I. en Z.-A.;

5. Encyclopedische trefwoorden werden eveneens geweerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor Maasoever, Magna Charta, Manchesterschool, Marshallplan, Massora en Messiasmis, maar ook voor alle Mariafeesten van Mariaboodschap t/m Maria-ten-Hemel-Opneming - en niet omdat mijn motto ineens ‘liever Turks dan Paaps’ zou zijn;

6. Trefwoorden die in de GVD het label: arch., eert., ouderw., oudt., vero(ud). hadden kregen ook geen toegang;

7. Individuele woorden of wendingen waarvan de geschiedenis ons heeft geleerd dat zij beperkt bleven tot hun schepper zijn eveneens achterwege gebleven: opbliksemen (Couperus), simiësk (Bordewijk), sindaal (Hofdijk; Gossaert), tokkerachtig (Van Nijnatten-Doffegnies); trantel (Gorter; De Man);

8. Woorden die door de redactie als niet hedendaags worden beschouwd, zijn eveneens niet als trefwoord opgenomen; zoals b.v.: maagdenhart, maandaghouder, maanregenboog, maasriet, machineperser, madonnasymbool, enz.

6.2 Uitbouw macrostructuur GWHN

Nadat de macrostructuur van de GVD een basisbestand had opgeleverd waarop de macrostructuur voor het GWHN enz. uitgebouwd diende te worden, werden de criteria geformuleerd die moesten leiden tot een woordenboek dat niet uitputtend wilde zijn in zijn macro, maar waardoor de gebruiker zich toch niet in de steek gelaten zou voelen. De uitdaging voor de redactie van GWHN bestond er dus in een beredeneerde inventaris van het Nederlands te beschrijven. Een dergelijke melodie is natuurlijk eerder gezongen dan gecomponeerd. Immers uit de relatief schaarse kritiek op woordenboeken is de laatste tien jaar duidelijk gebleken dat de gebruiker van zijn woordenboek juist wel een uitputtende inventaris verwacht. Alles wat hij al lezende tegenkomt of bijvoorbeeld bij het kijken naar televisie waarneemt, wil hij, als hij het niet kent, in een woordenboek opzoeken. Vaak is hij teleurgesteld omdat zijn woordenboek hem in de

[p. 140]

steek laat, veelal op het gebied van allerlei vaktalen, of bij typische wendingen en woorden uit de spreektaal. Vaak baseert hij zijn waardeoordeel over een woordenboek zelfs uitsluitend op het wel dan niet opgenomen zijn van woorden. De woordenboekmaker kent zijn beperkingen en weet zich bij voorbaat kansloos om aan dat verlangen van de gebruiker tegemoet te komen. De indrukwekkende groei van de verschillende vaktalen en het doordringen daarvan in de algemene woordenschat, zal hij nauwelijks in representatieve mate in zijn werk tot hun recht kunnen laten komen. Het Nederlands kent 6 à 7 miljoen woorden, de Grote Van Dale heeft circa 230 duizend trefwoorden, de bestaande handwoordenboeken scoren tussen de 50 en 80 duizend. Het is duidelijk dat iedere woordenaar een keuze moet maken. Van de keuzes die in GWHN gedaan zijn, wordt in het navolgende rekenschap gegeven.

 

1. De woordenschat waarvoor in GWHN de meeste ruimte is ingericht is de basiswoordenschat van zowel het gesproken als geschreven hedendaags Nederlands, de meeste dagelijkse termen daarvan.

2. Een tweede belangrijke categorie woorden die beschreven is, omvat een groot aantal meer gespecialiseerde termen, met name uit de sectoren die kenmerkend zijn voor onze huidige samenleving. Ik noem er enkele: ruimtevaart, computertechnologie, milieuzaken, elektronica, radio en televisie, muziek, medicijnen, onderwijs, fysica, sport, marketing en reclame, welzijn en informatica. Spreiding en bruikbaarheid van woorden leidden hierbij tot een aanvaardbaar selectiecriterium: bekendheid van een woord in ruime kring betekende opname in dit woordenboek. Het voorafgaande wil niet de schijn wekken dat de redactie erin geslaagd is dwingende criteria te formuleren volgens welke vaktaalwoorden zijn opgenomen. Ook bij ons zal men noodoplossingen vinden op basis van subjectiviteitsoordelen15. Toch heeft de redactie die oplossingen op een andere manier gezocht dan de GVD. De gespecialiseerde termen, d.w.z. termen die uit groepstalen in de algemene woordenschat zijn doorgedrongen, zijn opgenomen als zij:

a.in minstens twee lexicale beschrijvingen van het Nederlands voorkwamen;
b.door deskundigen op onderscheiden vakgebieden aangemerkt werden om in een algemeen verklarend woordenboek opgenomen te worden;
c.sedert 1981 genoteerd konden worden uit Wetenschap en Onderwijs, de donderdagbijlage van NRC Handelsblad en/of uit Wetenschap en Samenleving, de zaterdagbijlage van de Volkskrant;
d.voorkwamen in een bescheiden random-corpus krantentaal van 8200 types en 155.800 tokens. Het betreft hier dus geen impressionistische verzameling uit tientallen bronnen, maar een zeer systematische continue depouillering van telkens dezelfde periodieken.

3. Het internationaal nog nimmer opgeloste probleem, welke afleiding en samenstellingen wel en welke niet in een woordenboek dienen te worden opgenomen, heb ik evenmin bevredigend kunnen oplossen16. Allereerst durf ik slechts met de grootst mogelijke schroom van ‘doorzichtig’ te gewagen. Een woord als kamerbreed is ook doorzichtig, maar het surplus aan afzonderlijke betekenisontwikkelingen is verrassend17. Toch heb ik gepoogd pragmatisch, en dat is paradoxaal, met dit gevaarlijke criterium te werken. Was een samenstelling “doorzichtig” volgens de criteria van de GVD en kon zij regelmatig verwacht worden in onze dagelijkse lectuur, dan werd zij opgenomen maar, in tegenstelling tot de GVD, van een definitie voorzien juist omdat deze alledaagsheden uit de Ne-

[p. 141]

derlandse taalwerkelijkheid vertaald zouden moeten worden in het Frans, Duits en Engels. Waren zij ‘doorzichtig’, maar volgens onze taalintuïties, niet meer alledaags of waren zij volledig in overeenstemming met de wetmatigheden van het regelmatige gedeelte van het lexicon, dan werden zij systematisch geweerd. In GWHN dus geen: vrouwenvoet, vrouwenbeen, vrouwenkous, vrouwenknie, vrouwenmuts, vrouwenbil, vrouwentype, vrouwenschoonheid, vrouwenbal, vrouwendans, vrouwenkarakter, vrouwenkapper, vrouwenkont, vrouwenpoëzie, vrouwenpruik, vrouwentaille, vrouwenverzet, vrouwenzweet enz.

4. Op de stofomslag of in hun voorwoorden gaan woordenaars er trots op hoogst actueel te zijn door de opname van duizenden nieuwe woorden uit alle levenssferen.

Ook de nieuwe bewerkers van de elfde druk van de GVD gewagen van ‘een tienduizend nieuwe woorden en betekenissen (die door hen) zijn opgenomen’18.

Een redactie van een woordenboek dat een inventaris beoogt te zijn van hedendaags Nederlands, mag niet volstaan met metafysisch mijmeren over de dagelijkse veranderingen en nieuwe ontwikkelingen in onze samenleving die tot nieuwe begrippen leiden; zij mag zich zeker ook niet tevreden stellen met een toevallig tot stand gekomen verzameling neologismen en dient er zich hoe dan ook rekenschap van te geven wat neologismen zijn. Er is door de redactie van GWHN - die volledig onafhankelijk van GVD opereerde - gewerkt volgens een weldoordacht plan.

Een woordenboek dat het hedendaags Nederlands beschrijft, dient een dwarsdoorsnede te zijn van het Nederlands dat in niet-specialistische literatuur uit onze tijd voorkomt: kranten, magazines, boeken en andere populaire media. Het aanbod uit genoemde bronnen is de som van de nieuwe woorden, de nieuwe concepten die wij moeten kennen om onze tijd te kunnen begrijpen. Zij bevatten aantoonbaar ook die wetenschappelijke termen uit domeinen waar nieuwe kennis tot ontwikkeling gebracht is die zo belangrijk is, dat zij het leven van alle dag beroert. Wij mogen niet vergeten dat de democratiseringsgolf die in de jaren zestig en zeventig over onze samenleving spoelde ook onze taal gedemocratiseerd heeft. Talloze termen die ooit eigen waren aan wetenschappers en ‘professionals’ zijn gemeengoed geworden. Anderzijds is ook de taal van wielrenners en voetballers indringender in de algemene woordenschat doorgedrongen dan ooit tevoren19.

‘Hedendaags’ betekent voor GWHN de woordenschat uit actuele domeinen, voorzover zij aan het voorafgaande voldoen, systematisch beschrijven. Het betekent zeker het inventariseren en beschrijven van:

a. nieuwe objecten zoals abonneetelevisie, achterspoiler, afstandsbaby, allesbrander, aquadroom, autobom, bedrijfshotel, beeldplaat, belbus, bescheurkalender, betonrot, boemelbus, bootvluchteling, brugrestaurant, croissanterie, deurtelefoon, draagmoeder, duobaan, fietsbus, gladstapper, wandelradio;

b. nieuwe modewoorden zoals aerobics, afkickboerderij, afvaltoerisme, artotheek, bliep, blowen, breakdancing, fitnescentrum, frisbee, funk, knuffelmuur;

c. al of niet gedateerd politiek jargon zoals afrikaniseren, asbestbesluit, banenplan, bevrouwen, bewindspersoon, bijstandsvrouwen, dubbelbesluit, Jan-Splinter, kerkmarokkaan, knakenwet, krabbelnotitie, krimpeconomie, nononsense, ouderschapsverlof, privatiseren, snelrecht, sterfhuisconstructie, vertrekpremie;

d. nieuwe leenwoorden zoals airbus, babycomputer, bioclip, bunnie, camper,

[p. 142]

cannelloni, casestudy, catenaccio, commercial, cous-cous, diskdrive, DNA, dressboy, entremets, entrepreneur, headhunter, joystick, junk, macho, pizzeria, quark, skylab, software, tankdoozer;

e. nieuwe woorden die een projectie zijn van wat er met onze samenleving aan de hand is. Ik denk hierbij o.a. aan nieuwe maatschappelijke bewegingen en ontwikkelingen binnen een aantal domeinen zoals:

-economie: afslanken, afvloeiingsregeling, arbeidstijdverkorting, belubberen, budgethotel, dekkingsplan, denivelleren, deprivatiseren, dereguleren, doemdenken, herenakkoord, headhunter, inkomensaftrek, koopkrachtplaatje, loonbeheersing, loonmaatregel, loonmatiging, nullijn, stimuleringsbeleid, vutten;
-energieschaarste en de alternatieve consequenties: getijdencentrale, getijdenenergie, windpark, zonnevijver;
-milieu: fluisterbak, fluisterwal, geluidswal, gifbelt, gifwijk, glasbak, kringlooppapier, opschonen, ovenist, proefboerderij;
-minderhedenbeleid: medelander, randgroepjongere, straathoekwerk, vrouwenstudies;
-verkeer: bewonersgarage, blokkeerbeugel, grijsrijden, luchtkussentrein, parkeerklem, slaapstad, stedenbandweg, strippenkaart, zweeftrein;
-rechtstaat: stroomstok, wetswinkel.

 

In onze opzet zijn neologismen bepaald door drie categorieën. De belangrijkste is die der journalisten. Journalisten behoren tot die beroepsgroep, die in hoge mate altijd weer nieuwe woorden schept en wier nieuwvormingen deels ook een bepaalde gebruiksfrequentie krijgen. Volkskrant, NRC Handelsblad en Leidsch Dagblad waren ook hier onze constante, continue en voornaamste bronnen.

De tweede categorie is die van de deskundigen, die additioneel aangaven welke termen van hun specialismen vakextern waren.

De derde categorie is die van de lexicografen, die, a.h.w. met vetorecht bekleed, konden beslissen over opname van woorden. Hoe beoordelen zij een bundel woorden als de thans volgende (bijna al deze woorden zijn in de maand juni in Volkskrant en NRC opgetekend en nog niet in het woordenboek beschreven): anti-schipraket, atoomterrorist, beeldbericht, bolwoning, bovenrolfunctie, diepvrieskind, floppyzine, folderen, reageerbuisweesje, restwarmte, snipperkaart, stenenwipper, voordeurdelerskorting, voordeurdelersregeling, voordeurkorting, voordeurnorm, woningdeler?

 

Hoe springen lexicografen b.v. om met de selectie van termen uit een in woordenboeken verwaarloosd vocabulair als dat van de fiets! Worden woorden als: bandlichter, bergverzet, bovenbalhoofd, conussleutel, kettingpons, remontspanner, spaaksleutel, stuurpen daadwerkelijk opgenomen20?

Voor het Groot woordenboek van hedendaags Nederlands gelden, zoals gezegd, andere uitgangspunten met betrekking tot het inventariseren en selecteren van recente ontwikkelingen in onze woordenschat dan in de GVD. GVD is een algemeen woordenboek van hedendaags Nederlands op historische grondslag zonder dat een zo volledig mogelijke behandeling van de recente ontwikkelingen in onze woordenschat daarbij uitgesloten hoeft te worden. Het GWHN is geen algemeen woordenboek op historische, maar op synchrone grondslag, waarin de recente ontwikkeling van onze woordenschat behandeld dient te worden op een systematische wijze en voorzover zij in de media school gemaakt heeft.

Impliciet ligt in het voorafgaande besloten dat risico's genomen worden met be-

[p. 143]

trekking tot wat in de traditionele lexicografie beschouwd wordt, individuele woorden respectievelijk eendagsvliegen te zijn. GWHN is descriptief; wat zich in de genoemde bronnen aandient, wordt au sérieux genomen en in beginsel geschikt gemaakt voor beschrijving, tenzij het vetorecht van de lexicograaf dat verhindert. Het gevaar van stigmatiseren van een woord als individueel wordt tevens omzeild door de moderne elektronica tot bondgenoot te maken. Alle ‘nieuwe’ woorden zijn van een speciale code voorzien en kunnen gelijst worden. Vroeger moest een woord eerst zijn overlevingskansen bewijzen alvorens het in een woordenboek werd opgenomen. Nu met behulp van moderne elektronica om de vier à vijf jaar een herdruk beoogd wordt, kan het louter beschrijvende criterium veel consequenter worden toegepast. Blijkt een woord een eendagsvlieg, dan verdwijnt het weer uit de inventaris. Te denken valt b.v. aan termen als voordeurdeler en verrundering, maar ook aan de overlevingskansen van de sekseneutrale beroepsnamen (b.v. bewindspersoon in plaats van bewindsvrouw of -man) en een in Oldenzaal populaire boemelbus. ‘Computability’ is een dynamiek die GVD (nog) niet kent.

‘Heel langzaam, met een paar honderd woorden per jaar, zinkt het Nederlandse taalgebied weg in de oceaan van het Engelse’, schrijft A. de Swaan in NRC Handelsblad van 23 juni 1984. Aan die voortgaande verengelsing van onze taal is in GWHN geen autoritair halt toegeroepen. Het Groot woordenboek van hedendaags Nederlands is in dezen liberaal (zie bijv. hot, break dancing, headhunter, workaholic). In zijn algemeenheid kan opgemerkt worden, dat woorden uit een vreemde taal opgenomen zijn als (1) ze frequent gebruikt worden, (2) geen goed Nederlands equivalent voorhanden is, (3) ze representatief zijn voor een bepaald vakgebied.

5. Naar verschillende sociolinguïstische stijlvarianten in het Nederlandse lexicon is nog nauwelijks onderzoek gedaan. Omdat GWHN toch meer van de stijllagen van het Nederlands of beter wellicht van de niet-officiële en niet-deftige groepstalen wilde beschrijven, werd de behoefte aan een spreektaalcorpus steeds nijpender. Toch leert het corpus van de Werkgroep Frequentieonderzoek van het Nederlands dat daarin het informele lexicon van groepstalen nauwelijks of niet is vastgelegd. Woorden als: achteropwerker, afgenaaid, broodpoot, bullshitten, genaai, gleufdier, goorlap, gratenkut, holmaatje, holtor, hondelul, klerewijf, kloothommel, kommaneuker, kontkruiper, enz. vind je dankzij de onbevangenheid van eigen zegslieden, sportverslagen, interviews in dag- en weekbladen en enkele andere belletristische produkten.

6. Een aanzet is in GWHN ook gegeven tot een macrostructuur waarin niet alleen bestaande, maar ook bestaanbare ingangen zijn opgenomen. Een algemeen woordenboek richt zich immers niet alleen op een gerestringeerde verzameling, bestaande, gerealiseerde, maar tevens op bestaanbare of virtuele, lexicale items. Om dit te kunnen waarborgen neemt GWHN niet alleen woorden, maar o.m. ook voor- en achtervoegsels als ingangen op: op deze wijze kan de gebruiker voor een deel van de niet in dit woordenboek beschreven ingangen toch de betekenis ervan vaststellen en wordt de openheid van het lexicon als verzameling gewaarborgd21. Voorbeelden: bloed-, klere-, -kunde, macro-, micro-, -tiek. Ook in dit aspect is het GWHN innoverend in vergelijking met de GVD.

7. Volstrekt afwijkend in beide Van Dale-woordenboeken, is de behandeling van het Zuidnederlands. GWHN stelt zich op het standpunt dat er binnen ons taalgebied algemeen Zuidnederlandse varianten zijn die ongeveer samenvallen met de zuidelijke rijksgrens. Een avond naar een sport- of nieuwsuitzending op

[p. 144]

de BRT kijken, maakt dat onbetwistbaar. Iedere discussie over het minder verbreid of algemeen zijn van zo'n variant, lijkt mij heilloos en uitsluitend gebaseerd op emotionele argumenten. Iedereen aanvaardt bijv. wel het bestaansrecht van DDR-varianten, van Zwitserse en Oostenrijkse in het Duitse taalgebied; waarom dan dramatische of pathetische betogen als het om AZN gaat. GWHN stelt zich op het standpunt dat er volwaardige AZN-varianten bestaan die niet onder hoeven te doen voor hun Noordnederlandse equivalent. Het voorkomen van het label AZN duidt in GWHN niet op een depreciatie. Wel heeft het GWHN het probleem van de omvang van de Zuidnederlandse variant nog niet bevredigend vast kunnen stellen. Wat ik gedaan heb, is niet meer dan een eerste aanzet geven om te komen tot een geloofwaardige behandeling van het Noord- en het Zuidnederlands in dit verklarend woordenboek van hedendaags Nederlands.

Allereerst heb ik willen afrekenen met de historische erfenis van Zuidnederlandse varianten zoals die in de tiende druk van Van Dale tot een hoogtepunt is gestegen. Een lijst van duizenden woorden die door de Grote Van Dale sinds jaar en dag als Zuidnederlands bestempeld zijn, is door drie Vlamingen onafhankelijk van elkaar beoordeeld. Op basis van hun intuïties zijn slechts een paar honderd van deze woorden, respectievelijk betekenissen, in ons woordenboek opgenomen en voorzien van het distinctief <AZN>. Een tweede selectiecriterium vormden de woorden (b.v. dampkap, gebeurlijk, gebuur, geldbeugel, geplogenheid, kassei) die in het random-corpus van Zuidnederlandse bewijsplaatsen uit hoofdzakelijk kranten en magazines van Walter de Clerck 25 of meer keer voorkwamen22. In totaal waren dat niet meer dan 200 woorden (inclusief een aantal functiewoorden als aan, om, op, over, terug, van, enz. die vaak in grammaticaal of syntactisch opzicht een voor het het Zuidnederlands kenmerkende variant opleveren).

Volledig in tegenstelling met dit standpunt is, zoals gezegd, de opvatting van de GVD. Het kenmerk ‘Zuidn.’ hebben de nieuwe bewerkers niet langer willen gebruiken, ‘omdat het hoe dan ook, dubbelzinnig is’. Naar hun mening zijn er geen redenen aanwezig om zuidelijke woorden anders te behandelen dan oostelijke, westelijke of noordelijke en ligt het voor de hand om dergelijke woorden het kenmerk ‘gewestelijk’ mee te geven.

Net zoals in de tiende uitgave is voorts het label ‘Belg.’ of ‘in België’ gebruikt om die woorden te karakteriseren ‘die officiële of eigenaardige functies in of instellingen van de Belgische staat weergeven’ (Inleiding, XIV). Maar de bewerkers hebben dit kenmerk ook gebruikt voor woorden, uitdrukkingen of betekenisnuances waarvan het gebruik zeker tot de standaardtaal in België beperkt is, terwijl het daar dan zo ruim verspreid is dat het niet als gewestelijk beschouwd kan worden’.

 

Nu de verschillen in macrostructureel perspectief copieus uitgestald zijn, rest hier nog één opmerking. De oer-Van Dale was in sterke mate schatplichtig aan Nederlands-Franse woordenboeken. Het GWHN heeft zijn eigen beredeneerde hedendaagse macrostructuur; toch mag hier niet onvermeld blijven dat uit de Nederlandse vertaling van de woorden van het Groot woordenboek van Frans-Nederlands23, waarvan een alfabetische index werd gemaakt, vele tot trefwoord in GWHN promoveerden, omdat zij in geen enkel Nederlands lexicon waren opgetekend.

[p. 145]

7. Microstructurele contrasten

Bedacht op de gevaren van groteske vertekening, zal ik nu gedetailleerd en met voorbeelden onderbouwd, de opvallendste verschillen in microstructuur tussen GVD en GWHN toelichten.

 

1. In GVD leidt het principe van verschillende homografen tot homonieme ingangen, hetgeen veelal op taalhistorische gronden te rechtvaardigen is.

Voorbeeld:



illustratie

In GWHN wordt het principe van één vorm is één ingang gehanteerd. Er is voor dat principe gekozen omdat wij uit moeten gaan van de kennis van een gemiddelde Nederlandstalige gebruiker en niet van die van een historisch taalkundige. Twee of meer ingangen zijn mogelijk als er sprake is van twee of meer verschillende grammaticale categorieën. Deze ingangen worden dan door middel van superscripten met elkaar in verband gebracht. Wanneer een zelfstandig naamwoord b.v. in de ene betekenis een ander grammaticaal woordgeslacht heeft dan in een andere betekenis, dan is er nog steeds slechts één ingang - want het blijft een zelfstandig naamwoord - maar het lemma is dan d.m.v. Romeinse cijfers duidelijk in stukken onderverdeeld. Zo is er slechts één ingang boord, maar de-

[p. 146]

ze valt uiteen in I <het, de ∼ (m.)> (aan kledingstukken) en II <de ∼ (m.)> (zoom van rivieren, beken, vaarten, meren enz.).

 

2. De GVD volgt de genusaanduiding van het ‘groene boekje’ nauwkeurig. Het GWHN verschilt in de aanduiding van het woordgeslacht van zelfstandige naamwoorden doordat voor een systeem is gekozen dat de aanduiding van het woordgeslacht relateert aan de voornaamwoordelijke aanduiding. Er wordt onderscheiden in de- en het-woorden en de aanduiding m. of v. daarbij, maakt kenbaar of men een mannelijk of vrouwelijk terugwijzend voornaamwoord moet gebruiken. Voorts is bij bepaalde onzijdige het-woorden d.m.v. ♀ of ♂ het biologisch geslacht aangegeven, omdat dat de voornaamwoordelijke aanduiding bepaalt (vgl. jongetje, meisje).

 

3. Bij de conceptie van het GWHN heeft van meet af aan vooropgestaan dat het niet alleen een woordenboek moest worden van hedendaags Nederlands en innoverend moest zijn voor de lexicografie van het Nederlands; het diende ook een gebruikersvriendelijk woordenboek te zijn. Dit laatste kenmerk is zeer nadrukkelijk te vinden in de typografie en vooral in de structuur van de lemma's. Opvallend daarbij is de duidelijke scheiding die is aangebracht tussen enerzijds betekenisprofiel en anderzijds verbindingen en voorbeelden. De grens tussen beide grootheden is het ‘dropje’ (♦ ).

 

De opbouw van de microstructuur in de GVD is een traditionele die al vele eeuwen in allerlei woordenboeken beproefd is: Verklaringen en verbindingen volgen onmiddellijk op elkaar. Een gebruiker die de betekenis van een fraseem niet kent en juist daarvoor zijn woordenboek wil raadplegen, wordt gedwongen een heel lemma door te lezen tot hij vindt (of niet vindt) wat hij zoekt. De bewerkers van de GVD vinden dit pedagogisch verantwoord, want in hun opvattingen is een woordenboek o.a. ook een leesboek dat (historische) taalschatten door dat lezen kan reactiveren. Maar er zijn ook andere categorieën gebruikers: zij die snel willen weten welke betekenissen b.v. hand heeft en die niet ruim zeven kolommen in de GVD willen doorwroeten om b.v. te achterhalen wat de betekenis is van (1) van de hand in de tand leven en van (2) de handen van iem. aftrekken, of die snel willen vinden of het (3) iets ter hand nemen of te hand nemen is. In het GWHN heeft zo'n gebruiker houvast aan de omringende woordsoorten. Aan alle voorbeelden gaat een cijfer-punt-cijfercode vooraf. Het tweede cijfer verwijst naar de betekenis, het eerste duidt aan met welke woordsoorten het trefwoord verbonden wordt. Voor een zelfstandig naamwoord, ‘iets’, ‘iem.’ of een bezitsrelatie met ‘van’ wordt het cijfer 1 gebruikt. Een bijvoeglijk naamwoord draagt het cijfer 2. Een 3 duidt een werkwoord aan, een 4 een voornaamwoord, een 5 een bijwoord, een 6 een voorzetsel, een 7 een lidwoord, telwoord of ‘geen’, een 8 een voegwoord en alle verbindingen met ‘als’, ook als dat intuïtief als een voorzetsel opgevat zou kunnen worden en een 9 een tussenwerpsel. In die gevallen waarin de woordsoort van een relevant element van de context wel kan worden bepaald, maar de juiste betekenis van een uitdrukking niet is terug te leiden op één van de eerder opgesomde betekenissen met hun varianten, komt na de punt een middeleeuws paragraafteken (een ‘vlag’) te staan i.p.v. een cijfer. Deze opvallende markering zorgt ervoor dat idiomatische uitdrukkingen snel ontdekt kunnen worden.

In (1) is het combinatiewoord een voorzetsel dus zal hij zoeken in de rubrieken

[p. 147]

met als eerste cijfer een zes en omdat de betekenis van deze verbinding niet generaliseerbaar is uit het betekenisprofiel, zal hij gerichter zoeken onder de rubriek 6.¶; in (2) is het combinatiewoord een werkwoord en dat betekent zoeken in de categorie met 3 als eerste cijfer, in (3) is het combinatiewoord opnieuw een voorzetsel en daaruit volgt zoeken in de categorie met 6 als eerste cijfer. Zo is de zoekprocedure naar (1) het groene hart van Holland, (2), iem. een hart onder de riem steken, (3) iets op zijn hart hebben in ruim 2½ kolommen van hart in de GVD omslachtiger dan in GWHN, waar men voor (1) automatisch zoekt onder de categorie die met 2 als eerste cijfer begint, want een combinatie van het trefwoord met een bijvoeglijk naamwoord; bij (2) en (3) zoekt men onder de categorieën met 3 en 6. Voorbeelden van microstructuur en de numerieke coderingen daarin vindt men infra.

 

4. GVD en GWHB verschillen ook van elkaar doordat de aard van hun definities anders is. De GVD werkt met breeduitgesponnen definities, waarin gepoogd is alle features tot hun recht te laten komen. In het GWHN is gekozen voor enerzijds sobere en typologische definities en anderzijds een systematische gebruikmaking van analogieën binnen een betekenisnummer. Voorbeelden: GVD briga'de ‘vereniging van enige tactische eenheden, aanvankelijk van hetzelfde wapen, gewoonlijk twee of drie regimenten, later meermalen van verschillende wapens (gemengde of zelfstandige brigade)’ enz.; GWHN: bri'gade 0.1 legerafdeling die uit enige bataljons bestaat 0.2 enz.

De analogieformaties in GWHN zijn typografisch duidelijk te herkennen; zij staan binnen een betekenisnummer na een dubbelschachtige pijl. Voorbeelden ervan zien wij hieronder bij centrum en chaos.



illustratie

5. GVD bevat veel gedateerd materiaal dat in GWHN geweerd is. Ik geef slechts een enkel voorbeeld:

- huwelijksgeschenk, -gift wordt gedefinieerd als ‘geschenk aan de of een der ondertrouwden als zodanig’.

 

6. De GVD biedt de betekenissen in hun historische opeenvolging zonder overigens, en dat lijkt mij een gemiste kans, de etymologische component economisch uit te buiten.

Het GWHN kenmerkt zich daarentegen door een synchrone presentatie van de verschillende betekenissen; het meest algemene staat voorop. Daarom juist staat betekenisnummer 7 van baas uit de GVD in GWHN op de eerste plaats.

[p. 148]



illustratie

7. De GVD streeft in tegenstelling tot het GWHN naar een zo uitputtend mogelijk betekenisprofiel. Zo ontbreken van II. bom (zie hiervoor blz. 145) in GVD de betekenissen 1, 2, 3, en 7 in GWHN.

 

8. Het GWHN is een verklarend woordenboek van het Nederlands dat, zowel macrostructureel als microstructureel, geschikt gemaakt is om als fundament dienst te kunnen gaan doen voor vertaalwoordenboeken: Nederlands-Frans, Nederlands-Duits en Nederlands-Engels.

Alleen dikke woordenboeken zijn deugdelijk als vertaalwoordenboeken zegt F.J. Hausmann24 en dan niet het ‘durch Aufnahme zahlreicher diatechnischer Wörter makrostrukturell umfangreiche Wörterbuch, sondern eins, das umfangreich ist durch intensive Bearbeitung der Mikrostrukturen ausgewählter gebräuchlicher Wörter’. Dit uitgangspunt betekende dat de omvang van het GWHN teruggebracht moest worden tot een gecondenseerd bestand waarin vooral in het verklaringsprofiel, dus vóór het dropje, ondubbelzinnig en beknopt, liefst in een één op één weergave gereduceerd moest worden. Onderstaand voorbeeld toont in de eerste kolom de volledige redactie van GWHN;

[p. 149]

de tweede kolom bevat GWHN in gereduceerde vorm en de derde kolom bevat GWHN vervolledigd tot Nederlands-Frans. Een dergelijke opzet voor vertaalwoordenboeken van het Nederlands is volstrekt uniek en binnen het kader van dit artikel niet het geringste verschil tussen GVD en GWHN.



illustratie

[p. 150]

8. Besluit

De vermaarde Engelse lexicograaf Samuel Johnson vergeleek woordenboeken met uurwerken: het slechtste is beter dan helemaal geen en van het beste mag men niet veronderstellen dat het precies loopt. Tegen die achtergrond stemt de voltooiing van de eerste druk van het Groot woordenboek van hedendaags Nederlands tot een bescheiden tevredenheid, vooral omdat na acht jaar het werk ‘gedaan’ is; er is een nieuw verklarend woordenboek van hedendaags Nederlands tot stand gekomen waarvan verwacht kan worden dat het vernieuwend zal werken voor de lexicografie van het Nederlands.

In de vergelijking met de GVD heeft in het voorafgaande de nadruk sterk gelegen op het nieuwe woordenboek, zonder dat er, naar ik hoop, sprake was van een lexicografische ruzie om de beste plaats op het op drift geraakte schip van de Nederlandse lexicografie. Het accent moest wel liggen op de uitgangspunten en de formule van het GWHN, dat immers was de grote onbekende.

Ieder die een woordenboek gerund heeft, weet hoe zeer de kwaliteit van zijn woordenboek afhankelijk is van de consequente toepassing van het lexicologisch concept ervan. Anderzijds is er niet veel beeldende bondigheid nodig om te beseffen dat ruim 25 redacteuren niet altijd en in dezelfde mate consequent met 13,4 miljoen tekens en de formule waaraan die onderworpen moesten worden, zijn omgesprongen.

Iedere lexicograaf past als hij een eerste exemplaar van zijn boek in handen heeft slechts deemoed: zoveel is er ‘mis’ gegaan; het ontnuchtert hem en maakt duidelijk dat nog een lange weg gegaan dient te worden alvorens een volmaakt produkt in het verschiet komt. Die ontnuchtering wordt nog groter als hij zijn eendelig produkt vergelijkt met de momumentale driedelige Grote Van Dale, die 20 miljoen tekens meer heeft en die zich sedert decennia van een monopoliepositie binnen ons taalgebied verzekerd weet. Het geloof in de vitaliteit van de nieuw uitgewerkte formule, de overtuiging dat er in een woordenboek moet staan wat er in de samenleving aan de hand is, het besef dat in de laatste 25 jaar de taal zich bevrijd heeft uit een systeem van plichtplegingen; maakte de compilatie van een woordenboek van hedendaags Nederlands dat de negentiende-eeuwse lexicografische bakens wilde verzetten tot een boeiende uitdaging. Het GWHN wil anders en hanteerbaarder voor de beoogde gebruikers zijn dan zijn soortgenoten door hedendaagser en andersoortige informatie te bieden op een efficiëntere wijze. Geen exhaustieve lexicale beschrijving van curiositeiten en wandversieringen werd beoogd, maar een eerste poging tot een beredeneerde inventaris van de woordenschat die de verrassende inzichten en denkbeelden niet van een negentiende-eeuwse, maar van onze hedendaagse samenleving formuleert.

Het bovenstaande heeft tevens willen beklemtonen, dat het GWHN niet uit het niets geboren is, maar wortelt in de nu ruim honderdjarige Van Dale-traditie; er is veel wat beide produkten gemeenschappelijk hebben. Anderzijds moge voldoende duidelijk geworden zijn, dat de lexicografische architectuur van het GWHN zo fundamenteel verschilt van die van de GVD dat er in de verschillende opzet en geaardheid van beide woordenboeken voldoende rechtvaardiging te vinden is voor beide ondernemingen. Voor mij is dat althans zo zeker als het ‘amen’ in de kerk25.